Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-12-09
ECLI:NL:GHSHE:2025:3513
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.356.323/01 arrest van 9 december 2025 in de zaak van [appellante] , h.o.d.n. [X] Agrarisch Bedrijf , wonende te Voerendaal, appellant, hierna aan te duiden als [appellante] , advocaat: mr. Th.J.H.M. Linssen te Tilburg, tegen Gemeente Voerendaal, gevestigd te Voerendaal, geïntimeerde, hierna aan te duiden als de gemeente, advocaat: mr. M. van Sintmaartensdijk te Maastricht, op het bij exploot van dagvaarding van 25 juni 2025 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 28 mei 2025, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellante] als eiser en de gemeente als gedaagde. 1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/340888 / KG ZA 25-141) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2 Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties; de memorie van antwoord; de mondelinge behandeling, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd en waarbij het hof aan partijen heeft gemeld op internet het Programma van eisen Certificering SNK 2023 voor natuurbeheerders en (agrarische) collectieven te hebben geraadpleegd. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. Samenvatting van deze zaak en uitspraak De gemeente heeft een drietal natuurgebieden die ze wil verkopen omdat het beheer en onderhoud haar teveel is. De gemeente heeft criteria opgesteld waaraan een geïnteresseerde koper moet voldoen. Die criteria zijn geformuleerd naar aanleiding van de voorwaarde van de gemeente(raad) dat zij gewaarborgd wil zien dat een koper in staat is de natuurgebieden een duurzame toekomst te bieden voor de gemeente en haar bewoners. De criteria komen erop neer dat de koper een gecertificeerd natuurbeheerder moet zijn met voldoende kennis en ervaring om de natuurgebieden en de daarin aanwezige natuurwaarden en cultuurhistorische waarden te onderhouden en beheren. [appellante] heeft zich als geïnteresseerde koper ingeschreven. Hij vindt dat hij door de samenwerking met de coöperatieve vereniging Bosgroep Zuid Nederland (hierna: de Bosgroep) aan de gestelde criteria voldoet. De gemeente vindt dat dit niet het geval is omdat [appellante] niet zélf gecertificeerd natuurbeheerder is en ook niet zélf aan de overige criteria voldoet. Het hof oordeelt in deze zaak dat de criteria zo moeten worden begrepen dat de inschrijver zélf aan de criteria moet voldoen en dat deze criteria de toets dat ze objectief, redelijk en toetsbaar zijn, kunnen doorstaan. Het hof oordeelt ook dat de gemeente bij [appellante] niet het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat hij door de samenwerking met de Bosgroep aan de gestelde criteria voldoet. Het hoger beroep van [appellante] slaagt daarom niet. 3 De beoordeling De feiten 3.1.1. De voorzieningenrechter heeft in overweging 2.1. tot en met 2.11. van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die hij voor de beoordeling relevant achtte. Tegen deze feitenvaststelling zijn geen grieven gericht, zodat deze feiten in hoger beroep vaststaan. Het gaat in deze zaak om de volgende feiten. 3.1.2. De gemeente is eigenaar van de percelen gelegen in de drie natuurgebieden Cortenbacherbos, Cortenbacherweides en Haerenbos (hierna ook: de percelen). Het betreft respectievelijk Natura 2000-gebied met een unieke vegetatie (alluviale bossen), natuurgebieden met weides en een gebied met (loof)bos. De gemeente heeft op enig moment besloten over te gaan tot verkoop van deze percelen. 3.1.3. De percelen grenzen deels direct aan gronden die in eigendom toebehoren aan [appellante] en liggen deels in de buurt van die gronden. [appellante] exploiteert op zijn landerijen en de daarop gelegen monumentale kasteelhoeve een landbouwbedrijf. 3.1.4. Tussen de gemeente en [appellante] is vanaf 2022 contact geweest over de percelen. [appellante] heeft Dit laatste geldt met name voor het Natura 2000-gebied waarvoor kennis over het herstel van de alluviale bossen van belang is. Ook wordt verwezen naar referenties waar de Bosgroep over beschikt. 3.1.9. Ook de Stichting Het Limburgs Landschap (hierna: SLL) heeft zich ingeschreven. 3.1.10. De gemeente heeft in haar brief van 25 maart 2025 aan [appellante] naar aanleiding van zijn inschrijving onder andere het volgende meegedeeld: “(…) Wij hebben geconstateerd dat uw Inschrijving niet aan de minimumeisen voldoet. Dit leggen wij kort uit. Als minimumeisen hebben wij gesteld dat de kopende partij moet voldoen aan een aantal vereisten. Onder andere dient de kopende partij een gecertificeerd natuurbeheerder te zijn, te beschikken over voldoende kennis en ervaring om de natuurgebieden te onderhouden en te beheren, referenties te overleggen en een plan van aanpak in te dienen. U bent de kopende partij. Om te kunnen voldoen aan vorengenoemde vereisten heeft u echter een derde ingeschakeld, namelijk de Bosgroep Zuid Nederland. Hiermee voldoet u zelf niet aan de minimumvereisten. Gelet op het feit dat wij met de verkoop een duurzaam behoud van de natuurgebieden nastreven en u niet onlosmakelijk bent verbonden met de Bosgroep Zuid Nederland en dit ook niet als zodanig contractueel is vastgelegd, voldoet uw inschrijving niet aan de minimumeisen. Hierdoor komt u niet in aanmerking als koper van de natuurgebieden. (…)” 3.1.11. [persoon A] , regiomanager Limburg van de Bosgroep, heeft bij e-mail van 28 maart 2025 aan [appellante] en J [persoon B] naar aanleiding van voormelde brief van de gemeente onder andere als volgt bericht: “(…) Na het lezen van bijgaande reactie van de gemeente wil ik het volgende meegeven: Met de huidige set van inschrijvingsvereisten, en de wijze waarop die door de gemeente wordt geïnterpreteerd, kan een particuliere partij nooit voldoen aan de eisen als hij niet al een bestaand bos/natuurterrein in eigendom heeft en dat heeft ondergebracht bij een gecertificeerd beheerder (bv bosgroep) óf zich zelfstandig heeft laten certificeren (bv via een natuurcollectief). Een onlosmakelijke verbintenis met de bosgroep aangaan had zeker wel gekund, in de vorm van een beheerovereenkomst voor meerdere jaren, maar kan alleen worden afgesloten op een terrein wat in eigendom is. En niet op een terrein wat nog in eigendom van een andere partij, in dit geval de gemeente, is. Met bovenstaande overwegingen kom ik tot de conclusie dat géén enkele particuliere eigenaar die niet al bos/natuur in eigendom had én SNL subsidie verkrijgt én zich individueel heeft gecertificeerd via een natuurcollectief in aanmerking kon komen voor aankoop. Vanuit juridisch oogpunt vraag ik me dan ook sterk af of de grond van afwijzing voldoet aan de randvoorwaarden die verbonden zijn aan het Didam arrest. Mogelijk dat een juridisch specialist op dit vlak deze casus kan beoordelen.” 3.1.12. Vervolgens heeft [appellante] de gemeente in kort geding gedagvaard. De procedure in eerste aanleg bij de voorzieningenrechter 3.2.1. In deze procedure vordert [appellante] , samengevat, Primair: 1. De gemeente te verbieden om de percelen te verkopen en leveren aan derden, in het bijzonder aan SLL op straffe van verbeurte van een dwangsom; 2. De gemeente te bevelen om de percelen te verkopen en leveren aan [appellante] , op straffe van verbeurte van een dwangsom; Subsidiair: 3. De gemeente te verbieden over te gaan tot verkoop en levering van de percelen aan derden, anders dan na het doorlopen van een nieuwe openbare en non discriminatoire selectieprocedure door de gemeente, waarbij de eis van gecertificeerd natuurbeheer vervalt dan wel dusdanig van vorm wordt gewijzigd dat natuurbeheer via een coöperatieve vereniging zoals de Bosgroep geaccepteerd wordt, en voorts om de gemeente te veroordelen om een uitnodiging aan [appellante] te sturen om deel te nemen aan die nieuwe procedure, op straffe van verbeurte van een dwangsom; Primair en subsidiair: De gemeente te veroordelen in d Had [appellante] dat niet gedaan dan zouden de percelen al lang aan SLL zijn verkocht, al dan niet na een ‘enige gegadigde publicatie’. De gemeente heeft daarbij de eisen zo geformuleerd dat bij gebreke van interesse van andere natuurorganisaties, alleen SLL aan die eisen zou kunnen voldoen. [appellante] is geen gelijke kans geboden door de gemeente. Een particulier kan nooit aan de eisen van de gemeente voldoen omdat een deel van de percelen door een fout van de gemeente niet langer onder de SNL subsidie valt. De eis van gecertificeerd natuurbeheerder is bovendien een paardenmiddel omdat ook een koopovereenkomst met een kwalitatieve verplichting voldoende waarborgen voor de gemeente biedt. 3.6. Het hof overweegt het volgende. Op grond van voormeld arrest van de Hoge Raad gelden voor de door de gemeente beoogde verkoop van de percelen de volgende uitgangspunten. Het gaat in deze zaak om een privaatrechtelijke overeenkomst waarbij een overheidslichaam een aan hem toebehorende onroerende zaak verkoopt. Er is geen sprake van een aanbestedingsplichtige opdracht, hetgeen meebrengt dat de Aanbestedingswet 2012 en de op grond daarvan geldende regels van het aanbestedingsrecht hier niet van toepassing zijn. Op grond van artikel 3:14 BW mag een bevoegdheid die krachtens het burgerlijk recht aan een overheidslichaam toekomt, niet worden uitgeoefend in strijd met geschreven of ongeschreven regels van publiekrecht. Tot de regels van publiekrecht behoren de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dit betekent dat een overheidslichaam bij het aangaan en uitvoeren van privaatrechtelijke overeenkomsten de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en daarmee het gelijkheidsbeginsel in acht moet nemen. Dit geldt dus ook voor de beslissing met wie en onder welke voorwaarden het een overeenkomst tot verkoop van een aan hem toebehorende onroerende zaak sluit. Op dit punt verschilt de positie van een overheidslichaam van die van een private partij. Uit het gelijkheidsbeginsel – dat in deze context strekt tot het bieden van gelijke kansen – vloeit voort dat een overheidslichaam dat het voornemen heeft een aan hem toebehorende onroerende zaak te verkopen, ruimte moet bieden aan (potentiële) gegadigden om mee te dingen naar deze onroerende zaak indien er meerdere gegadigden zijn voor de aankoop van de desbetreffende onroerende zaak of redelijkerwijs te verwachten is dat er meerdere gegadigden zullen zijn. In dat geval zal het overheidslichaam met inachtneming van de hem toekomende beleidsruimte criteria moeten opstellen aan de hand waarvan de koper wordt geselecteerd. Deze criteria moeten objectief, toetsbaar en redelijk zijn, waarbij het overheidslichaam beleidsruimte toekomt (Hoge Raad 15 november 2024, rov. 3.5.3., ECLI:HR:2024:1161, Didam II). Het gelijkheidsbeginsel brengt ook mee dat het overheidslichaam, teneinde gelijke kansen te realiseren, een passende mate van openbaarheid moet verzekeren met betrekking tot de beschikbaarheid van de onroerende zaak, de selectieprocedure, het tijdschema en de toe te passen selectiecriteria. Het overheidslichaam moet hierover tijdig voorafgaand aan de selectieprocedure duidelijkheid scheppen door informatie over deze aspecten bekend te maken op zodanige wijze dat (potentiële) gegadigden daarvan kennis kunnen nemen. De hiervoor bedoelde mededingingsruimte door middel van een selectieprocedure hoeft niet te worden geboden indien bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de aankoop. In dat geval dient het overheidslichaam zijn voornemen tot verkoop tijdig voorafgaand aan de verkoop op zodanige wijze bekend te maken dat een ieder daarvan kennis kan nemen, waarbij het dient te motiveren waarom naar zijn oordeel op grond van de hiervoor bedoelde criteria bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat er slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt. 3. Voor zover [appellante] al tegen de wethouder heeft gezegd dat hij met de Bosgroep zou gaan samenwerken en voor zover de wethouder al heeft gezegd dat dit geen bezwaar is, moest [appellante] op grond van het nadien door de projectleider namens de gemeente aan hem verzonden emailbericht van 3 september 2024 en op grond van de nadien door de gemeente in de Bekendmaking vermelde criteria redelijkerwijs begrijpen dat een potentiële gegadigde zélf een certificaat moest bezitten en zélf aan de overige eisen met betrekking tot kennis, ervaring en referenties diende te voldoen en daarvoor niet mocht leunen op certificaat, kennis, ervaring of referenties van een derde, zoals de Bosgroep. Desgevraagd ter zitting hebben de vertegenwoordigers van de gemeente meegedeeld dat hen niet door de wethouder is gezegd dat hij met [appellante] heeft besproken dat hij een samenwerking met de Bosgroep akkoord vond. [appellante] zelf heeft desgevraagd op de zitting toegelicht dat de wethouder hem in reactie op zijn toelichting dat hij met de Bosgroep wilde gaan samenwerken, naar de projectleider heeft verwezen. Los daarvan is de stelling in de grieven van [appellante] - dat de gemeente aangaf dat [appellante] met de samenwerking met de Bosgroep voldeed aan de eis van gecertificeerd natuurbeheerder - ondeugdelijk gemotiveerd. Een mededeling van een wethouder, niet zijnde het bevoegde orgaan voor het vaststellen van criteria voor de verkoop van de percelen, is zonder bijkomende feiten en omstandigheden, die [appellante] niet heeft gesteld, ontoereikend om het oordeel te rechtvaardigen dat de gemeente bij [appellante] gerechtvaardigd het vertrouwen heeft gewekt dat hij aan de criteria van de Bekendmaking voldeed door een samenwerking met de Bosgroep. Het hof overweegt voorts nog dat van [appellante] was te vergen dat hij, nadat hij de email van 3 september 2024 had ontvangen, dan wel de Bekendmaking had gelezen, direct bij de gemeente navraag had gedaan over de geldende criteria indien hij na zijn gesprek met de wethouder in de veronderstelling verkeerde dat hij door een samenwerking met de Bosgroep aan de criteria kon voldoen. 3.11. Het hof ziet overigens in de grieven of het verhandelde ter zitting geen door [appellante] aangevoerde feiten of omstandigheden die de door [appellante] voorgestane uitleg van de criteria in de Bekendmaking rechtvaardigen. 3.12. Vervolgens ligt ter beoordeling voor of de door de gemeente in de Bekendmaking vermelde criteria, gegeven de aan de gemeente toekomende beleidsruimte, objectief, toetsbaar en redelijk zijn. De gemeente heeft in de Bekendmaking tot uitdrukking gebracht dat zij tot doel stelt dat de natuurgebieden een duurzame toekomst tegemoet gaan en dat de gemeente dat doel wil bereiken door de natuurgebieden te verkopen aan een partij die beschikt over specialistische kennis en ervaring ten aanzien van natuur en cultuurhistorie. In de memorie van antwoord heeft zij de in de Bekendmaking vermelde selectiecriteria nog nader toegelicht. De eis van een gecertificeerd natuurbeheerder is gesteld omdat de beschermde bossen door een daartoe geëquipeerde partij dienen te worden beheerd. De eis van voldoende kennis en ervaring is gesteld omdat de gemeente zekerheid wenst dat de bossen worden behouden. De eis van het overleggen van referenties van succesvol beheer van natuurgebieden en cultuurhistorische waarden is gesteld omdat de gemeente wenst te waarborgen dat de natuurgebieden duurzaam in stand worden gehouden. Ter zitting heeft de gemeente desgevraagd nog toegelicht dat de gemeenteraad er belang aan hechtte dat een toekomstig eigenaar van de natuurgebieden zélf in staat is die gebieden duurzaam (voor een lange periode) te beheren en onderhouden. De omstandigheid dat op grond van het provinciale beleid met betrekking tot subsidies voor natuurbeheer ook samenwerkingsverbanden voor subsidies in aanmerking komen brengt niet mee dat de gemeente dat ook in haar criteria had moeten toestaan. Het belang van een goede besteding