Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-12-09
ECLI:NL:GHSHE:2025:3511
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.339.072/01 arrest van 9 december 2025 in de zaak van 1 Tuinhoutspecialist [XX] V.O.F.,gevestigd te [vestigingsplaats] , 2. [appellant sub 2] , wonende te [woonplaats] , 3. [appellant sub 3] , wonende te [woonplaats] , appellanten in principaal hoger beroep, geïntimeerden in incidenteel hoger beroep, hierna gezamenlijk aan te duiden als [appellanten] , en afzonderlijk als respectievelijk Tuinhoutspecialist [XX] , [appellant sub 2] en [appellant sub 3] , advocaat: mr. W.H. Lindhout te Bergen op Zoom, tegen Gemeente [A] , gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellante in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als de gemeente, advocaat: mr. N.D. Niederer te Breda, op het bij exploot van dagvaarding van 11 maart 2024 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 6 april 2022 en 13 december 2023, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen [appellanten] als eisers en de gemeente als gedaagde. 1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/380038 / HA ZA 20-752) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen. 2 Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven, tevens houdende akte vermeerdering van eis, met producties 92 tot en met 95; de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, met producties 10 tot en met 16; de memorie van antwoord in incidenteel appel, met productie 96; de mondelinge behandeling, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd; de bij H12-formulier van 26 september 2025 door [appellanten] toegezonden productie genummerd 92 (‘Reactiebrief d.d. 13 juni 2024 van [persoon B] met handtekening’), die [appellanten] bij de mondelinge behandeling in het geding heeft gebracht; de bij H3-formulier van 26 september 2025 door de gemeente toegezonden productie 17 tot en met 22, die de gemeente bij de mondelinge behandeling in het geding heeft gebracht. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3 De beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep Feiten 3.1. In rov. 2.1 tot en met 2.37 van het vonnis waarvan beroep van 6 april 2022 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. [appellanten] heeft daartegen geen grief gericht. Volgens de gemeente kan van deze feitenvaststelling niet zonder meer in hoger beroep worden uitgegaan. De rechtbank overweegt namelijk meermaals dat [appellanten] (dus zowel Tuinhoutspecialist [XX] als [appellant sub 2] als [appellant sub 3] ) de bestuursrechtelijke procedure heeft doorlopen, terwijl dat niet steeds het geval is. Het hof heeft de feitenvaststelling van de rechtbank wat dat aangaat verbeterd. Met inachtneming van deze verbeteringen, vormen de door de rechtbank vastgestelde feiten in hoger beroep het uitgangspunt. Het hof zal die feiten hierna, vernummerd tot rov. 3.1.1 tot en met 3.1.37, weergeven. 3.1.1. Tuinhoutspecialist [XX] exploiteert een groothandel in tuinhout en aanverwante artikelen. Op 10 november 2007 hebben [appellant sub 3] en [appellant sub 2] het perceel aan [adres B] (hierna ook: het perceel) gekocht met de bedoeling de verkoopactiviteiten van Tuinhoutspecialist [XX] van de [adres A] te verhuizen naar het op het perceel gelegen bedrijfspand. Op het perceel bevindt zich tevens een bedrijfswoning, waarin [appellant sub 3] thans woont. De huidige eigenaar van het perceel is [appellant sub 3] . 3.1.2. Bij brief van 22 november 2007 heeft [appellanten] het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente [A] (hierna: het college) het volgende geschreven: “Geacht college, Hierbij willen wij u mededelen dat wij met ons bedrijf verhuizen naar [adres B] (ook industrie). Volgens informatie verhuist onze detailhandelvergunning niet mee. Daarom willen wij dit hi Bij brieven van 23 en 27 mei 2008, met als opschrift: ‘voortzetting dwangsomprocedure’, schrijft het college onder andere dat opslag van goederen is toegestaan. Daarbij mag de toegang alleen geopend zijn voor laad- en losactiviteiten van goederen voor leveranciers. 3.1.10. Bij brief van 29 juni 2009 heeft de projectleider vergunningen van de gemeente [appellanten] bericht dat het in beginsel mogelijk is om een binnenplanse wijziging op grond van artikel 3.6, lid 1 sub a, Wro door te voeren, mits wordt voldaan aan een aantal gestelde voorwaarden. In de brief staat dat [appellanten] schriftelijk dient te verklaren geen detailhandel te gaan uitvoeren op het perceel. 3.1.11. Bij brief van 23 juli 2009 heeft [appellanten] via haar advocaat geschreven niet beter te weten dan dat opslag reeds is toegestaan, onder verwijzing naar de brieven van 23 mei en 27 mei 2008, waarin staat dat opslag is toegestaan. 3.1.12. Bij brieven van 17 augustus 2009 en 11 september 2009 herhaalt het college de voorwaarde van de schriftelijke verklaring geen detailhandel te gaan uitvoeren. 3.1.13. Bij brief van 25 september 2009 heeft [appellanten] de verzochte verklaring verstrekt, met de opmerking dat dit natuurlijk uitzondering leidt voor het geval dat detailhandel ter plaatse (planologisch) zal worden toegestaan. 3.1.14. Bij besluit van 30 maart 2010 heeft het college medewerking verleend aan de verzochte functiewijziging. De handhavingsprocedure 3.1.15. Bij besluit van 29 mei 2008 heeft het college [appellanten] gelast binnen drie dagen na de verzenddatum van dit besluit alle detailhandelsactiviteiten, inclusief alle activiteiten naar aanleiding van internetverkoop, op het perceel [adres B] (hierna: het perceel) te staken en gestaakt te houden, onder oplegging van een last onder dwangsom van € 2.500,- per week met een maximum van € 25.000,-. 3.1.16. Bij dwangbevel van 9 december 2008, aan [appellanten] betekend op 23 december 2008, heeft de gemeente aanspraak gemaakt op verbeurde dwangsommen tot het maximale bedrag van € 25.000,- over de periode van 10 weken. 3.1.17. Bij besluit van 19 december 2008 heeft het college het door [appellanten] tegen het dwangsombesluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en heeft het [appellanten] opnieuw gelast onder oplegging van een dwangsom van € 2.500,- per week met een maximum van € 25.000,-, binnen zes weken na de verzenddatum van dit besluit alle detailhandelsactiviteiten, inclusief alle activiteiten naar aanleiding van internetverkoop, op het perceel te staken en gestaakt te houden. 3.1.18. Bij uitspraak van 26 oktober 2009 heeft de rechtbank Breda het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. 3.1.19. Bij uitspraak van 29 september 2010 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) de uitspraak van de rechtbank Breda vernietigd, voor zover het beroep van [appellanten] tegen de bij besluit van 19 december 2008 gehandhaafde last onder dwangsom van 29 mei 2008 ongegrond is verklaard, en tevens het besluit op bezwaar van het college van 19 december 2008 vernietigd, voor zover daarbij een nieuwe last onder dwangsom is opgelegd, omdat Tuinhoutspecialist [XX] haar detailhandelsactiviteiten op die datum reeds duurzaam had beëindigd. 3.1.20. [appellanten] is tevens opgekomen tegen de invorderingsbeslissing van 9 december 2008. Dit hof heeft bij arrest van 5 juli 2011 het dwangbevel buiten effect gesteld vanaf 7 juli 2008 en geoordeeld dat [appellanten] slechts € 10.000,- aan dwangsommen had verbeurd. [appellanten] heeft dwangsommen van € 2.500,- per week verbeurd vanaf 9 juni 2008, de ingangsdatum van het dwangbevel, tot 7 juli 2008, de datum waarop [appellanten] het voornoemde verhuisbord heeft verwijderd. In totaal heeft [appellanten] derhalve € 10.000,- aan dwangsommen verbeurd. Deze dwangsommen zijn intussen voldaan. De bestemmingsplanwijziging 3.1.21. Bij brief van 2 december 2008 hebben [appellant sub 2] en [persoon A] de gemeenteraad van de gemeente [A] (hierna: de g [appellanten] overschrijdt deze vloeroppervlakte volgens het college. 3.1.27. Bij brief van 16 november 2011 heeft het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant [appellanten] geschreven het aspect van de buitenopslag nogmaals te hebben bekeken en tot de conclusie te zijn gekomen dat dit aspect te streng is beoordeeld. Dit betekent dat [appellanten] op basis van het provinciale beleid, binnen de bestaande loods aan [adres B] 200 m2 kan aanwenden als verkoopvloeroppervlakte en dat de buitenopslag hierin niet mee hoeft te worden geteld. Het college heeft bij brief van 8 december 2011 laten weten de provincie hierin te volgen en [appellanten] gevraagd om een aangepaste situatieschets waaruit blijkt dat maximaal 200 m2 van de bestaande loods gebruikt wordt als verkoopvloeroppervlakte. Ook is medegedeeld dat als het college akkoord zou zijn met deze tekeningen, [appellanten] een adviesbureau opdracht zou kunnen geven voor het opstellen van een voorontwerpbestemmingsplan dan wel een ruimtelijke onderbouwing. Nieuwe beslissing op bezwaar 3.1.28. Bij brief van 15 februari 2012, opnieuw verzonden op 16 maart 2012, schrijft het college [appellanten] onder andere: “ Uitspraak Raad van State Wij wijzen u er op dat wij gezien de uitspraak van de Raad van State, nog een besluit dienen te nemen op uw aanvraag inzake de vestiging van detailhandel aan [adres B] . Door de Raad van State is het besluit van de gemeenteraad van 25 februari 2010 vernietigd. Dit betekent dat de gemeenteraad opnieuw zal moeten besluiten over uw aanvraag voor detailhandel aan [adres B] . Op 11 maart 2011 hebben wij echter een brief van u ontvangen voor de vestiging van detailhandel aan [adres B] conform het provinciale beleid. Wij beschouwen deze brief als een nieuwe aanvraag en gaan ervan uit dat hiermee de eerdere aanvraag van 3 december 2008 vervalt. (...)” [appellanten] wordt een nadere termijn gesteld voor het indienen van een situatieschets. 3.1.29. Bij brief van 11 april 2012 heeft [appellanten] een situatieschets verstuurd. 3.1.30. Bij besluit van 15 mei 2012 heeft het college de aanvraag van 2 maart 2011 op grond van artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld, omdat [appellanten] geen situatietekening zou hebben ingediend waaruit blijkt dat haar verzoek past binnen de kaders uit de Verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant. Ook schrijft het college: “ Uitspraak Raad van State In eerdere correspondentie hebben wij reeds aangegeven dat wij nog een besluit moeten nemen op de aanvraag inzake de vestiging van detailhandel aan [adres B] . Wij hebben tevens aangegeven uw verzoek van 11 maart 2011 (opmerking hof: dit betreft het verzoek gedateerd 2 maart 2011, ontvangen 11 maart 2011) als aanvraag daarvoor te zien. (...)” 3.1.31. [appellanten] heeft ook tegen deze beslissing bezwaar gemaakt en onder andere herhaald dat zij ingevolge de uitspraak van de ABRvS hetzelfde behandeld wil worden als aanverwante bedrijven. Het college wordt verzocht zich aan de uitspraak te houden. Op dit bezwaar is nog niet beslist. Het bestemmingsplan ‘Actualisatie bestemmingsplan buitengebied’ 3.1.32. De raad heeft bij besluit van 17 februari 2011 in het kader van een reguliere herziening het bestemmingsplan “Actualisatie bestemmingsplan buitengebied” vastgesteld. [appellanten] is hiertegen in beroep gegaan. De ABRvS heeft in de uitspraak van 31 oktober 2012 op het beroep beslist en heeft daartoe het volgende overwogen: “Het beroep van Tuinhoutspecialist [XX] en anderen 25. Tuinhoutspecialist [XX] en anderen betogen dat de raad ten onrechte het plan heeft vastgesteld, voor zover op het plandeel met de bestemming “Bedrijf” voor het perceel aan [adres B] detailhandel niet is toegestaan. Daartoe voeren zij aan dat het perceel geschikt is voor detailhandel en dat de mogelijkheid van detailhandel is toegezegd door ambtenaren van de gemeente [A] . Voorts betogen zij dat het plandeel in strijd met het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld, nu Gelet op alle eerder in de beroepsprocedures door ons en andere partijen aangevoerde argumenten en de overwegingen die vervolgens door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State met betrekking tot deze argumenten zijn verwoord hebben wij geen overtuigende argumenten meer om detailhandel voor het bedrijf aan [adres B] uit te sluiten. De opgenomen regeling in het ontwerpbestemmingsplan is ingegeven door de brief die reclamant van de provincie Noord-Brabant heeft ontvangen, gedateerd op 16 november 2011. De brief is een reactie op de vraag van reclamant om duidelijkheid te verschaffen over de mogelijkheden voor een handel in tuinhout aan [adres B] . De provincie geeft aan dat de Verordening Ruimte, art 11.6.1 onder f van toepassing is waardoor er 200 m2 verkoopvloeroppervlakte kan worden toegestaan. Bij nader inzien gaat de provincie hierbij ook naar onze mening voorbij aan de beide uitspraken van de Raad van State en het provinciale beleid zoals dat gold op het moment van de afwijzing van het eerste verzoek in 2010. Gelet op de beide uitspraken van de Raad van State zijn wij bij nader inzien van mening dat wij het bedrijf aan [adres B] moeten voorzien van een bestemming, vergelijkbaar met de bestemming van het perceel [adres C] . Ter plaatse zal op de verbeelding de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - detailhandel in tuinhout' vervangen worden door de aanduiding 'tuincentrum’. De artikelen 7.1 onder w en 7.5.1 onder f zoals opgenomen in het ontwerp, worden niet vastgesteld. Naar aanleiding van de zienswijze is gebleken dat het bepaalde in artikel 7.5.l.a in combinatie met 7.5.l.b vragen oproept over de toelaatbaarheid van detailhandel bij een tuincentrum. Dit kan worden voorkomen door aan het bepaalde in lid a toe te voegen dat er nog een uitzondering is op de regel namelijk indien er sprake is van hetgeen vermeld onder b. De aanduiding ‘specifieke vorm van detailhandel - detailhandel in tuinhout’ op het perceel [adres B] wordt op de verbeelding vervangen door de aanduiding ‘tuincentrum’. Artikel 7.1 onder w (zoals opgenomen in het ontwerpplan: bestemmingsomschrijving voor detailhandel in tuinhout) en artikel 7.5.1 onder f (gebruiksregel voor detailhandel in tuinhout) worden niet vastgesteld. Naar aanleiding van de zienswijze wordt aan artikel 7.5.1.a de volgende zinsnede toegevoegd ‘met in acht name van het bepaalde onder b’.” Overige correspondentie 3.1.34. De advocaat van [appellanten] heeft de gemeente bij brief van 10 februari 2014 onder andere het volgende geschreven: “(...) Cliënten, te weten Tuinhoutspecialist [XX] V.O.F., haar vennoten [appellant sub 2] en [appellant sub 3] , alsmede [persoon A] , hebben schade geleden en lijden nog immer schade vanwege het feit dat tot op heden, ondanks de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 maart 2011 en 31 oktober 2012, het gedachte tuinhoutcentrum (detailhandel) ter plaatse van [adres B] tot op heden niet planologisch mogelijk is gemaakt dan wel anderszins is toegestaan. U bent gehouden deze schade aan cliënten te vergoeden. Door deze wordt u door cliënten nogmaals voor de schade voormeld aansprakelijk gesteld. De onderhavige brief dient tevens beschouwd te worden als een stuitingshandeling als bedoeld in artikel 3:317 BW. (...)” 3.1.35. De gemeente heeft de brief doorgeleid aan haar aansprakelijkheidsverzekeraar Centraal Beheer Achmea (hierna: Achmea). Achmea heeft de advocaat van [appellanten] bij brief van 22 april 2014 onder andere gevraagd op welke onrechtmatige daad de aansprakelijkstelling precies berust. 3.1.36. Bij brief van 7 februari 2019, gericht aan de gemeente en aan Achmea, schrijft de advocaat van [appellanten] de gemeente namens cliënten per brief van 10 februari 2014 nogmaals aansprakelijk te hebben gesteld voor de schade die zij hebben geleden en lijden als gevolg van de in die brief aangegeven onrechtmatige overheidsdaden en de verjaring van de rechtsvorderingen van cliënten te hebben gestuit. Tevens s Daarna heeft de rechtbank de stellingen van [appellanten] verworpen dat de gemeente ten onrechte handhavend heeft opgetreden tegen het gebruik van het perceel voor detailhandel door middel van het opleggen van een last onder dwangsom en dat de gemeente ten onrechte de wijzigingsprocedure ex artikel 3.6 Wro heeft laten doorlopen. Tot slot heeft de rechtbank de door [appellanten] gestelde onrechtmatigheid van de besluiten van 12 februari 2009 (het primaire besluit), 25 februari 2010 (de beslissing op bezwaar) en het vaststellingsbesluit van 17 februari 2011 beoordeeld. Daarover heeft de rechtbank overwogen dat zij het primaire besluit van 12 februari 2009 thans voor rechtmatig moet houden. De vernietiging van de beslissing op bezwaar van 25 februari 2010 geeft volgens de rechtbank evenmin aanspraak op schadevergoeding. Wel staat de onrechtmatigheid van het vaststellingsbesluit van 17 februari 2011 (het door de gemeenteraad op 17 februari 2011 vastgestelde bestemmingsplan ‘Actualisatie bestemmingsplan buitengebied’) jegens [appellanten] vast, aldus de rechtbank. Vervolgens heeft de rechtbank geconcludeerd dat ter bepaling van de schade een vergelijking dient te worden gemaakt tussen de feitelijke situatie waarbij de bestemming ‘tuincentrum’ pas aan het perceel is toegekend op 27 februari 2014, en de hypothetische situatie waarin dit zou zijn gebeurd ter gelegenheid van de eerste gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan per 17 februari 2011. Daarop heeft de rechtbank [appellanten] opgedragen – bij nadere conclusie na tussenvonnis – haar schade opnieuw te begroten, en zich daarbij te beperken tot de periode tussen begin april 2011 en medio april 2014. In het kader van de schadebegroting heeft de rechtbank in het tussenvonnis ook al het beroep op voordeelstoerekening alsmede het beroep op eigen schuld van de gemeente verworpen. 3.2.5. Daarop heeft [appellanten] een nadere conclusie na tussenvonnis genomen, waarna de gemeente een antwoordconclusie na tussenvonnis heeft genomen. Ook heeft [appellanten] een “akte overlegging producties, verzoek om heroverweging en provisionele vordering” ingediend, waarop de gemeente bij brief heeft gereageerd. Vervolgens heeft op 4 oktober 2023 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. 3.2.6. Vervolgens heeft de rechtbank het vonnis waarvan beroep van 13 december 2023 gewezen. Daarin heeft de rechtbank eerst het verzoek van [appellanten] tot heroverweging afgewezen. [appellanten] stelde zich op het standpunt dat de rechtbank er in het vonnis waarvan beroep van 6 april 2022 aan voorbij is gegaan dat de gemeente de onrechtmatigheid van het primaire besluit heeft erkend. De rechtbank is [appellanten] echter niet in dit standpunt gevolgd. Ten aanzien van de schadebegroting heeft de rechtbank overwogen dat [appellanten] , onder verwijzing naar een door haar overgelegd nader schaderapport van [persoon B] (hierna ook: [persoon B] ) van 31 mei 2022, stelt dat de totale schade, rekening houdend met de door de rechtbank vastgestelde schadeperiode, uitkomt op een totaalbedrag van € 264.685,32, exclusief btw + PM. Dit totaalbedrag bestaat uit: € 75.079,- aan winstderving, € 120.805,- aan hogere exploitatiekosten, € 33.734,29 aan buitengerechtelijke kosten en € 35.076,03 aan wettelijke rente tot 30 november 2020. De rechtbank heeft geoordeeld dat op basis van de door [appellanten] gegeven toelichting niet kan worden vastgesteld dat er in de schadeperiode sprake was van winstderving. Met betrekking tot de post ‘hogere exploitatiekosten’ heeft [appellanten] aangevoerd dat Tuinhoutspecialist [XX] in de schadeperiode hogere exploitatiekosten heeft gehad in verband met het aanhouden van twee locaties ( [adres B] en [adres A] ). De rechtbank heeft de in redelijkheid gemaakte kosten voor [adres A] in de schadeperiode begroot op gemiddeld € 10.000,- per jaar, in totaal (36 maanden) op € 30.000,-. Wat de gevorderde buitengerechtelijke kosten betreft heeft de rechtbank het redelijk geacht om het gevorderde bedrag aa 3.2.4 en 3.2.6 van dit arrest weergegeven overwegingen en beslissingen van de rechtbank bestreden. Deels gaan de grieven van [appellanten] en de gemeente over dezelfde onderwerpen. Het hof ziet hierin aanleiding de grieven niet afzonderlijk te behandelen, maar de zaak per onderwerp te bespreken. Het hof zal hierna de in hoger beroep aan de orde zijnde onderwerpen aanduiden alsmede de volgorde aangeven waarin deze onderwerpen zullen worden besproken. 3.4.2. Het eerste onderwerp laat zich samenvatten onder de noemer ‘partijperikelen’. Dit is het onderwerp van grief 2 van de gemeente. Daarna zal het hof ingaan op het verjaringsverweer van de gemeente (grief 1 van de gemeente). Vervolgens lenen de grieven 1 tot en met 4 van [appellanten] zich voor gezamenlijke behandeling. Deze gaan over onrechtmatigheid. Daarna komt het onderwerp ‘causaal verband’ aan de orde (grieven 3 en 4 van de gemeente). Grief 5 van [appellanten] en grief 6 van de gemeente hebben betrekking op de schadeperiode. Daarna komt het onderwerp ‘schadebegroting’ aan de orde. Hierop zien de grieven 6 tot en met 10 van [appellanten] en grief 5, 7, 8 en 9 van de gemeente. Hierbij zullen ook de posten van de eisvermeerdering van [appellanten] betrokken (compensatie rentederivaten ABN AMRO bank en aanvullende factuur [persoon B] ). Grief 11 van [appellanten] , tot slot, is een veeggrief die geen zelfstandige betekenis heeft en dus geen afzonderlijke bespreking behoeft. Partijperikelen 3.5.1. Naar aanleiding van grief 2 van de gemeente overweegt het hof allereerst dat de gemeente er terecht op heeft gewezen dat [appellant sub 2] , appellant sub 2, in 2022 is overleden, als gevolg waarvan hij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in hoger beroep. Uit de overgelegde akte blijkt dat [appellant sub 2] is overleden op 6 juni 2022, terwijl – gezien de dagvaarding in hoger beroep – op 11 maart 2024 mede namens hem hoger beroep is ingesteld. Het hof zal [appellant sub 2] daarom niet-ontvankelijk verklaren in het namens hem ingestelde hoger beroep. 3.5.2. Voorts stelt de gemeente zich bij grief 2 op het standpunt dat de V.O.F., appellante sub 1, niet-ontvankelijk is in het onderhavige hoger beroep. Dit standpunt deelt het hof niet. Niet in geschil tussen partijen is dat de V.O.F. ontbonden is en uitgeschreven is in het Handelsregister. Onomstreden is voorts dat [appellant sub 3] , Tuinhoutspecialist [XX] V.O.F. na het overlijden van [appellant sub 2] heeft voortgezet als eenmanszaak Tuinhoutspecialist [XX] . Dat betekent evenwel niet dat de V.O.F. geen hoger beroep kon instellen. De gemeente heeft niet althans onvoldoende betwist dat de V.O.F. nog niet is vereffend. 3.5.3. Verder is ook [appellant sub 3] ontvankelijk in het namens hem ingestelde hoger beroep. Voorts is van belang dat [appellant sub 3] de enige (uiteindelijke) erfgenaam van [appellant sub 2] en [persoon A] is. Daarom kan hij zich ook beroepen op de uitspraak van 16 maart 2011 van de ABRvS (zie hiervoor rov. 3.1.24). Bovendien heeft [appellanten] in de procedure die geleid heeft tot de uitspraak van 31 oktober 2012 van de ABRvS (zie hiervoor rov. 3.1.32) ter ondersteuning van haar betoog verwezen naar die uitspraak van 16 maart 2011 en heeft de ABRvS in hetgeen [appellanten] heeft aangevoerd, aanleiding gezien voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het ontbreken van een aanduiding voor detailhandel voor het perceel aan de [adres B] , niet berust op een deugdelijke motivering. Op grond daarvan heeft de ABRvS geoordeeld dat het beroep van [appellanten] gegrond is en het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd (zie rov. 25.3 van de uitspraak van 31 oktober 2012). Bij de beoordeling van de andere grieven zal blijken in hoeverre de namens [appellant sub 3] ingestelde vorderingen toewijsbaar zijn. In aansluiting op het partijdebat, zal het hof appellanten bij die beoordeling gezamenlijk [appellanten] blijven noemen (hoewel hiervoor al is geoordeeld dat [appellant sub 2] niet-o [appellanten] heeft daartoe aangevoerd dat niet juist waren de mededelingen van het college in de brieven van 28 februari 2008 en 10 maart 2008 (zie respectievelijk rov. 3.1.6 en 3.1.7 van dit arrest) dat detailhandel op het perceel [adres B] niet alleen niet is toegestaan, maar ook niet met een vrijstelling of wijziging (van het bestemmingsplan) zou kunnen worden toegestaan. In reactie hierop heeft de gemeente er onder meer op gewezen dat [appellanten] heeft nagelaten gemotiveerd aan te geven waarom zij door toedoen van de vermeende onjuiste informatie op het verkeerde been zou zijn gezet. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft het hof aan de orde gesteld waarin de onrechtmatigheid van genoemde mededelingen volgens [appellanten] is gelegen. Hierop heeft (de advocaat van) [appellanten] verwezen naar 4.2 van de inleidende dagvaarding. Naar het oordeel van het hof heeft [appellanten] de onderhavige stelling daarmee onvoldoende toegelicht. Daarnaast hebben, zoals de gemeente heeft opgemerkt, de brieven van 28 februari 2008 en 10 maart 2008 [appellanten] niet ervan weerhouden om detailhandel uit te oefenen op het perceel. Dat in 2008 detailhandel op het perceel is uitgeoefend, wordt door [appellanten] ook niet betwist. Daarmee ontbreekt het causaal verband tussen de genoemde mededelingen en de door [appellanten] gestelde schade. 3.7.4. [appellanten] wil in hoger beroep alsnog ingang doen vinden dat eerdere besluiten van de gemeente dan het vaststellingsbesluit van 17 februari 2011 ook onrechtmatig waren. Volgens [appellanten] heeft de rechtbank miskend dat, kort gezegd, van meet af aan [appellanten] detailhandel had moeten worden toegestaan op het perceel. Omdat de situatie gelegaliseerd had moeten worden, had dus ook niet handhavend opgetreden mogen worden en is [appellanten] nodeloos aangezet om de procedure van artikel 3.6 Wro te doorlopen, aldus [appellanten] Het hof volgt [appellanten] hierin niet. Uitsluitend het vaststellingsbesluit van 17 februari 2011 is in de bestuursrechtelijke procedure onrechtmatig geoordeeld door de bestuursrechter. Dat geldt niet voor de eerdere besluiten waarop [appellanten] in deze civielrechtelijke procedure de aansprakelijkheid van de gemeente voor de door haar gestelde schade baseert, te weten de besluiten van 12 februari 2009 (rov. 3.1.22) en 25 februari 2010 (rov. 3.1.23). Gelet op de leer van de formele rechtskracht moet het hof als civiele rechter die besluiten thans voor rechtmatig houden (vgl. HR 6 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:18, rov. 3.4). De gemeente kan in de onderhavige procedure dan ook niet aansprakelijk worden gehouden voor schade die volgens [appellanten] is veroorzaakt door deze besluiten. 3.7.5. [appellanten] heeft bepleit dat een uitzondering op de leer van de formele rechtskracht moet worden gemaakt op de grond dat de gemeente de onrechtmatigheid heeft erkend. Daartoe heeft [appellanten] aangevoerd dat tijdens de zitting van 5 januari 2011 bij de ABRvS de gemeenteraad van de gemeente [A] heeft erkend dat het gebruik bij Tuinhoutspecialist [XX] feitelijk niet afwijkt van dat van Tuincentrum [B] . Zij verwijst daarbij naar overweging 2.6 van de ABRvS in de uitspraak van 16 maart 2011 (zie productie 33 bij de inleidende dagvaarding). Naar het oordeel van het hof rechtvaardigen de tijdens die zitting door de procesgemachtigde van de gemeenteraad gedane uitlatingen geen uitzondering op de leer van de formele rechtskracht. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat in de overwegingen van de ABRvS waarnaar [appellanten] verwijst slechts is vermeld dat de raad desgevraagd niet heeft kunnen weerspreken (cursivering hof) dat het bedrijf op het perceel [adres C] een concurrent van het bedrijf van [XX] en [persoon A] is met vrijwel dezelfde bedrijfsactiviteiten. Van een (voldoende duidelijke) erkenning van de onrechtmatigheid van enig besluit is geen sprake. Voorts heeft [appellanten] verwezen naar de Nota zienswijzen van de gemeente [A] (zie rov. 3.1.33 van dit ar Het hof stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat op het perceel aan [adres C] vergelijkbare bedrijfsactiviteiten werden verricht als [appellanten] op het perceel aan [adres B] wilde verrichten. Voorts kan uit de uitlatingen zijdens de gemeente, in het bijzonder tijdens de zitting van 5 januari 2011 bij de ABRvS (zie hiervoor rov. 3.7.5), worden afgeleid dat de voorafgaande aan haar besluit van 17 februari 2011 het relevante verschil in planologisch opzicht tussen het perceel aan [adres C] en het perceel aan [adres B] niet goed kon uitleggen. Het hof gaat er daarom van uit dat, nu de gemeente detailhandel in de vorm van een tuincentrum heeft toegestaan op het perceel aan [adres C] , zij dat op 17 februari 2011 ook op [adres B] zou hebben toegestaan als zij had geweten dat aan het vaststellingsbesluit van 17 februari 2011 op dit punt een motiveringsgebrek kleefde. Dit heeft zij ook in 2014 gedaan, bij haar besluit van 27 februari 2014 (zie hiervoor rov. 3.1.33). Uit de Nota zienswijzen volgt dat de gemeente dit besluit mede heeft gebaseerd op de overweging dat op het perceel aan [adres C] ook detailhandel in de vorm van een tuincentrum is toegestaan. Dat zij in de onderhavige procedure als verweer tegen de aansprakelijkheidsstelling door [appellanten] thans het standpunt inneemt dat het perceel aan [adres C] en het perceel aan [adres B] geen gelijke gevallen betreffen, kan niet op zichzelf tot een ander oordeel leiden. Het vorenstaande brengt mee dat het onderhavige betoog faalt. 3.8.7. De gemeente heeft tot slot ook het standpunt ingenomen – bij haar grief 4 – dat het causaal verband in het geheel afwezig is aangezien de gemeente het vermoeden heeft dat het bedrijf van [appellanten] reeds in 2012 is verhuisd. De gemeente baseert dit standpunt op de volgens haar tegenstrijdige verklaringen van [appellanten] over het moment van verhuizing naar het nieuwe perceel (van [adres A] naar [adres B] ). Daarbij verwijst de gemeente naar het eerste rapport van [persoon B] d.d. 30 september 2019 (productie 77 bij de inleidende dagvaarding). Daarin stelt [persoon B] onder ‘feiten en omstandigheden’ dat het bedrijf in 2018 is verhuisd naar de nieuwe locatie. Op bladzijde 6 van hetzelfde rapport wordt echter aangegeven dat de afwaardering van de incourante voorraad in 2012 samenhangt met de verhuizing naar de nieuwe locatie. Daardoor acht de gemeente niet geloofwaardig dat de verhuizing in 2018 heeft plaatsgevonden. Ook verwijst de gemeente naar de facebookpagina ‘Tuinhoutspecialist [XX] ’ alsmede naar foto’s van het perceel aan [adres B] . Ook op basis daarvan rijst bij de gemeente het vermoeden dat het bedrijf reeds in 2012 is verhuisd. Het hof heeft dit punt tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep aan de orde gesteld. Vaststaat dat [appellanten] op 10 november 2007 het perceel aan [adres B] heeft gekocht (zie hiervoor rov. 3.1.1). Gelet op onder meer het zojuist genoemde rapport van [persoon B] gaat het hof ervan uit dat de nieuwe locatie aan [adres B] een woning, een showroom, een werkplaats en opslagruimte omvat. Uit de antwoorden van [appellant sub 3] op de vragen van het hof leidt het hof af dat hij in 2007 de werkplaats op de nieuwe locatie in gebruik heeft genomen, voor onder meer timmerwerkzaamheden. Ook is hij kort daarop in de woning op de locatie gaan wonen. Verder heeft hij magazijnstellingen waar het hout in komt te liggen verplaatst van [adres A] naar [adres B] . Ook heeft hij hout opgeslagen op de nieuwe locatie. [appellant sub 3] heeft desgevraagd ontkend dat hij vanuit de nieuwe locatie diensten verleende aan particulieren. Volgens hem is detailhandel op de nieuwe locatie nooit van de grond gekomen. Er heeft nooit winkelend publiek rondgelopen. Dit komt door gebrek aan financiële middelen. Het is [appellanten] dus nooit gelukt om een tuincentrum ‘weg te zetten’ op de locatie aan [adres B] zoals de bedoeling was met de aankoop van het perceel. Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan Het hof stelt bij deze schadebegroting het volgende voorop. Artikel 6:97 BW bepaalt dat de rechter de schade begroot op een wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is en dat, als de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, deze wordt geschat. Voorts geldt dat de schade steeds wordt vastgesteld door een vergelijking te maken van de toestand zoals deze in werkelijkheid is (het feitelijke scenario) met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis niet zou hebben plaatsgevonden (het hypothetische scenario). Bij de beoordeling van de hypothetische situatie komt het aan op hetgeen hieromtrent redelijkerwijs te verwachten viel. In dat verband dienen de goede en kwade kansen te worden afgewogen, bij welke afweging de rechter een aanzienlijke mate van vrijheid heeft (zie recent HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1388). Tot slot rusten de stelplicht en bewijslast van het bestaan en de omvang van de schade op grond van de hoofdregel van bewijslastverdeling op de benadeelde (artikel 150 Rv). 3.10.3. De door [appellanten] gestelde schade bestaat qua hoofdsom uit winstderving, hogere exploitatiekosten en buitengerechtelijke kosten. Met inachtneming van hetgeen hiervoor in rov. 3.10.2 is vooropgesteld, zal het hof deze (deel)onderwerpen thans achtereenvolgens bespreken. Winstderving 3.10.4. Het hof acht het voldoende aannemelijk dat er sprake is van winstderving. [appellanten] heeft immers gedurende drie jaren – 2012, 2013 en 2014 – geen detailhandel in de vorm van een tuincentrum kunnen uitoefenen op het perceel. Die winstderving bestaat hoofdzakelijk uit het missen van verkopen aan particulieren, en voor een kleiner deel uit het missen van verkopen aan bedrijven (hoveniers en bouwbedrijven). De vraag is wat de omvang van die schade is. 3.10.5. [appellanten] heeft zich beroepen op de rapporten van haar partijdeskundige [persoon B] (producties 77, 87 en 92). Het als productie 77 overgelegde rapport d.d. 30 september 2019 betreft het initiële schaderapport van [persoon B] . Bij zijn schadeberekening is [persoon B] in dit rapport uitgegaan van een schadeperiode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2015. Daarvan uitgaande heeft [persoon B] de schade begroot op € 141.864,-. Nadat de rechtbank in het vonnis waarvan beroep van 6 april 2022 [appellanten] had opgedragen haar schade opnieuw te begroten en zich daarbij te beperken tot de periode tussen begin 2011 en medio april 2014, heeft [appellanten] een nader schaderapport overgelegd van [persoon B] . Dat is het als productie 87 overgelegde rapport d.d. 31 mei 2022. Daarin heeft [persoon B] het schadebedrag over de periode april 2011 en medio 2014 berekend op € 75.079,-. Bij het als productie 92 overgelegde rapport – de reactiebrief d.d. 13 juni 2024 – heeft [persoon B] de schadeberekening in zijn rapport d.d. 31 mei 2022 gehandhaafd en nader toegelicht. 3.10.6. Hiertegenover heeft de gemeente zich beroepen op de rapporten van Lengkeek, die in opdracht van Centraal Beheer Achmea – de verzekeraar van de gemeente – zijn opgemaakt, overgelegd als producties 8 en 9 van de gemeente. Lengkeek berekent de gederfde winst over de periode tussen begin 2011 en medio april 2014 op € 24.356,-. 3.10.7. Het hof acht de rapporten van [persoon B] en Lengkeek deels bruikbaar voor de schadebegroting. Daarbij merkt het hof allereerst op dat zowel [persoon B] als Lengkeek uitgaat van de schadeperiode tussen begin 2011 en medio april 2014, terwijl – zoals het hof hiervoor in rov. 3.9 heeft vastgesteld – de relevante schadeperiode de jaren/seizoen 2012, 2013 en 2014 betreft. Voorts is voor de invulling van de hypothetische situatie in het bijzonder relevant wat de financieringsmogelijkheden waren van [appellanten] Mede op basis van het tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verhandelde, kan worden aangenomen dat die vrij beperkt waren. Met name gelet op de uitlatingen van [appellant sub 3] gaat het hof erva Voorts leiden de rapporten van Lengkeek, waarop de gemeente in hoger beroep nogmaals heeft gewezen, evenmin tot een ander oordeel. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat nu [appellanten] de locatie aan [adres A] heeft moeten aanhouden naast de locatie aan [adres A] , kan worden aangenomen dat er in de schadeperiode sprake is van dubbele lasten bestaande uit energiekosten en afschrijvingskosten. 3.10.13. Alles afwegende, verenigt het hof zich met de beslissing van de rechtbank om wegens hogere exploitatiekosten een schadevergoeding van € 30.000,- toe te wijzen. De grieven van partijen die gericht zijn tegen deze beslissing van de rechtbank falen dus. Dat de rechtbank van een andere schadeperiode is uitgegaan (namelijk: tussen begin 2011 en medio april 2014) dan het hof doet (de jaren 2012, 2013 en 2014), doet daaraan niet af. Buitengerechtelijke kosten 3.10.14. [appellanten] heeft ook een vergoeding van de gemeente gevorderd voor de buitengerechtelijke kosten die zij heeft gemaakt. Deze post bestaat uit kosten rechtsbijstand, expertisekosten en kosten wegens de eigen tijdsinvestering van [appellanten] 3.10.15. Naar het oordeel van het hof komen de gevorderde kosten rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW. Het gaat om kosten die [appellanten] heeft gemaakt in verband met de werkzaamheden van Haans Advocaten. Het hof verwijst naar de als productie 78, 80 en 81 bij de inleidende dagvaarding overgelegde facturen met urenspecificaties, over de periode 1 juni 2016 tot en met 17 december 2019. Uit de overgelegde facturen kan worden afgeleid dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht om te komen tot voldoening van de vordering buiten rechte. Dit zijn geen kosten die onder instructie van de zaak vallen en dus begrepen zijn de in artikel 241 Rv bedoelde proceskosten. Het hof maakt de overwegingen van de rechtbank in rov. 2.21 tot en met 2.24 van het vonnis waarvan beroep van 13 december 2023 dienaangaande tot de zijne, met dien verstande dat het hof een hoger bedrag aan schadevergoeding zal toewijzen dan de rechtbank heeft gedaan zodat ook een hoger bedrag aan kosten rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking komt. Mede gelet op het toe te wijzen bedrag aan schadevergoeding wegens gederfde winst (€ 45.000,-) en hogere exploitatiekosten (€ 30.000,-) van in totaal € 75.000,-, acht het hof een vergoeding van € 20.000,- redelijk. Het hof benadrukt dat [appellanten] deze kosten heeft moeten maken omdat de gemeente zich, zoals uit de onderhavige procedure blijkt, ten onrechte tegen aansprakelijkheid en schadeplichtigheid bleef verzetten. Dit bedrag zal het hof dan ook toewijzen. 3.10.16. De post expertisekosten heeft betrekking op de kosten die [appellanten] heeft gemaakt voor het vaststellen van de omvang van de schade door [persoon B] . Deze kosten komen voor vergoeding in aanmerking op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW. [appellanten] heeft € 7.620,- excl. btw gevorderd voor het als productie 77 overgelegde rapport. Voorts vordert zij, gezien de eisvermeerdering in hoger beroep, € 3.000,- excl. btw voor het als productie 92 overgelegde rapport. [appellanten] heeft de betreffende facturen van [persoon B] overgelegd als respectievelijk producties 82 en 94. Het hof acht het zonder meer wel nuttig dat [appellanten] deze deskundige onderzoek heeft laten doen naar de omvang van haar schade. Uit het hiervoor overwogene blijkt dat de rapporten van [persoon B] evenwel niet volledig bruikbaar zijn voor het bepalen van de aan [appellanten] toekomende schadevergoeding. Het hof acht het redelijk om de onderhavige vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 7.500,-. 3.10.17. De kosten wegens de eigen tijdsinvestering van [appellanten] komen niet voor vergoeding in aanmerking. [appellanten] heeft deze vordering onvoldoende onderbouwd en de gemeente heeft die ook gemotiveerd betwist. Voor toewijzing van deze vordering bestaat dus geen grond. De rechtbank heeft de vordering inzake buitengerecht Daarmee komt het hof aan te liquideren salaris advocaat in eerste aanleg tot een totaal van 3½ punten van € 1.880,- per punt = € 6.580,-, in plaats van in totaal 2½ punten van € 1.183,- = € 2.957,50 zoals de rechtbank (zie rov. 2.35 van het vonnis waarvan beroep van 13 december 2023). Het hof zal het vonnis waarvan beroep van 13 december 2023 (ook) op dit punt vernietigen en de proceskostenveroordeling ten laste van de gemeente toewijzen zoals hierna in het dictum is vermeld. 3.10.22. Tot slot vordert [appellanten] wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het schadebedrag. Bij brief van 10 februari 2014 heeft [appellanten] de gemeente aansprakelijk gesteld voor de geleden en te lijden schade (productie 64 bij de inleidende dagvaarding, hiervoor gedeeltelijk weergegeven in rov. 3.1.34). Uit het voorgaande volgt dat de schade is geleden over de periode 2012 tot en met 2014. De onderhavige vordering ter zake winstderving en hogere exploitatiekosten was derhalve opeisbaar per 1 januari 2015. Daarom zal het hof de wettelijke rente over de betreffende schadebedragen (€ 45.000,- + € 30.000,- = € 75.000,-) toewijzen met ingang van die datum. De wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten heeft de rechtbank toewijsbaar geacht met ingang van 27 november 2019 (zie rov. 2.29 van het vonnis waarvan beroep van 13 december 2023). Daartegen hebben partijen niet gegriefd, dus het hof zal daarvan ook uitgaan. Zoals de rechtbank heeft overwogen, is er geen sprake van eigen schuld van [appellanten] en is er ook geen aanleiding voor matiging van de wettelijke rente op grond van artikel 6:106 BW. Slotsom en afwikkeling 3.11.1. Met het voorgaande zijn alle grieven besproken, behalve grief 11 van [appellanten] Zoals hiervoor is overwogen, is dit een veeggrief die geen zelfstandige betekenis heeft en dus geen afzonderlijke bespreking behoeft. 3.11.2. De slotsom is, kort gezegd, dat de gemeente inderdaad onrechtmatig heeft gehandeld en dat zij tot een hoger bedrag aan schadevergoeding zal worden veroordeeld dan in eerste aanleg. Ook is de gemeente terecht in de proceskosten in eerste aanleg veroordeeld en dient zij daarvoor een hogere vergoeding aan [appellanten] te betalen dan de rechtbank heeft toegewezen. Hieruit volgt ook dat de terugbetalingsvordering van de gemeente (zie hiervoor rov. 3.3.4) niet toewijsbaar is. 3.11.3. Op basis van de processtukken en de tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verkregen inlichtingen van partijen heeft het hof de beslissingen kunnen nemen die het moet nemen in deze zaak. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Partijen hebben ook geen ter zake dienende en voldoende geconcretiseerde en gespecificeerde bewijsaanbiedingen gedaan. 3.11.4. Voor de duidelijkheid zal het hof de vonnissen waarvan beroep geheel vernietigen en de beslissingen in deze zaak in het dictum van dit arrest volledig weergeven. Voor zover de gemeente uitvoering heeft gegeven aan het vonnis waarvan beroep van 13 december 2023 door [appellanten] te betalen, hoeft zij uiteraard niet opnieuw te betalen. 3.11.5. Nu partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld, zal het hof de proceskosten in principaal hoger beroep compenseren. Nu de gemeente niet of nauwelijks extra kosten heeft moeten maken in verband met het namens [appellant sub 2] ingestelde hoger beroep, ziet het hof onvoldoende aanleiding om daarvoor separaat een bedrag aan proceskosten te liquideren. 3.11.6. In incidenteel hoger beroep heeft de gemeente als de overwegend in het ongelijk gestelde partij te gelden. Zij heeft immers op het belangrijkste punt opnieuw ongelijk gekregen, namelijk of zij aansprakelijk is voor de door [appellanten] geleden schade. Het hof zal de gemeente als de overwegend in het ongelijk gestelde partij daarom in de proceskosten in incidenteel hoger beroep veroordelen, gevallen aan de zijde van Tuinhoutspecialist [XX] en [appellant sub 3] . Daarbij zal het hof mede gelet op het hoogte van de toegewezen schadevergoe