Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-01-09
ECLI:NL:GHSHE:2025:34
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
10,022 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 9 januari 2025
Zaaknummer : 200.345.880/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/02/422860 / JE RK 24-994
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. J.C. Hissink,
tegen
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).
In deze zaak wordt als belanghebbende aangemerkt:
[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. M. Koppelmans-de Goeij.
Deze zaak gaat over de minderjarige [minderjarige 1]
(hierna te noemen: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] .
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 juli 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 september 2024, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zo nodig onder aanvulling en/of verbeteringen van de gronden alsnog het inleidende verzoek van de GI af te wijzen, althans zodanige regelingen vast te stellen die het hof juist acht.
2.2.
De GI heeft bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 oktober 2024, verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten.
2.3.
De vader heeft bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 oktober 2024, verzocht het hoger beroep van de moeder niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten. Kosten rechtens.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 november 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. Hissink;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ;
- de vader, bijgestaan door mr. Koppelmans-de Goeij.
2.5.
De raad heeft bij brief d.d. 2 oktober 2024 het hof bericht niet bij de mondelinge behandeling te zullen verschijnen.
2.7.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 1 juli 2024;
het V6-formulier van de advocaat van de moeder d.d. 14 november 2024 met producties 7, 8 en 9, welke laatste productie tevens is aangevuld met e-mailcorrespondentie tussen de moeder en de GI en een door [instantie] opgesteld ontwikkelingsperspectief
de brief met productie 5 van de GI d.d. 15 november 2024.
De producties 7, 8 en 9 betreffen een eigen relaas van de moeder met haar reactie op de verweerschriften van de GI en de vader. Zoals besproken tijdens de mondelinge behandeling laat het hof deze producties buiten beschouwing, gelet op de twee-conclusie-regel en de omstandigheid dat het aan de advocaat van de moeder is om de stellingen en verzoeken van de moeder in deze procedure naar voren te brengen. Alleen de brief van [instantie] wordt wel meegenomen.
2.8.
Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] , gelet op de ernst van zijn (verstandelijke) beperking, niet in de gelegenheid gesteld om zijn mening met betrekking tot het verzoek kenbaar te maken.
Beoordeling
3.1.
De vader en de moeder hebben een geregistreerd partnerschap gehad, dat inmiddels is ontbonden. Zij zijn de ouders van [minderjarige 1] . Voorafgaand aan het geregistreerd partnerschap van de moeder en de vader is, op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] , [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ) geboren.
3.2.
De moeder en de vader oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] uit.
[minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.
3.3.
[minderjarige 2] heeft geen contact met de vader. Deze procedure gaat alleen over het contact tussen [minderjarige 1] en de vader.
3.4.
[minderjarige 1] staat sinds 6 juli 2023 onder toezicht van de GI. Deze ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 6 juli 2025.
3.5.
De ouders hebben op 23 januari 2019 een ouderschapsplan gesloten. Hierin hebben zij, voor zover hier van belang, vastgelegd dat, als de moeder werkt, de vader voor [minderjarige 1] zorgt in de woning van de moeder.
3.6.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, op verzoek van de GI en op grond van artikel 1:265g van het Burgerlijk Wetboek (BW), uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de vader en [minderjarige 1] recht hebben op contact met elkaar:
om de week van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur;
na de zomervakantie van 2024 ook vanaf maandag uit school tot dinsdag tot school, steeds in de week dat [minderjarige 1] en de vader geen contact hebben gehad in het weekend;
gedurende de helft van de vakanties en de feestdagen (met een opbouw), zoals omschreven in rechtsoverweging 5.6. van de beschikking.
3.7.
De moeder kan zich niet verenigen met deze beslissing van de rechtbank en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.8.
De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aan. [minderjarige 1] is geboren met het Glass syndroom. Het Glass syndroom kenmerkt zich door een prikkelverwerkingsstoornis, epilepsie en absences. [minderjarige 1] kan niet praten en functioneert op een ontwikkelingsleeftijd van 19 maanden. Sinds [minderjarige 1] meer bij de vader verblijft, is hij meer overprikkeld en heeft hij meer absences. De vader ziet dit niet omdat hij de beperkingen van [minderjarige 1] onvoldoende erkent. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat er geen duidelijk causaal verband is tussen de uitbreiding van het contact met de vader en de toename van de absences bij [minderjarige 1] . Er moet eerst onderzoek worden gedaan naar de gevolgen van (uitbreiding van) het contact tussen de vader en [minderjarige 1] . Ook is nader onderzoek nodig naar de feitelijke (woon-)situatie van de vader. De vader woont praktisch samen met zijn nieuwe partner en haar zoon van 10 jaar oud en gaat ook met hen en [minderjarige 1] samen op vakantie. Er moet duidelijkheid komen over het effect dat dit op [minderjarige 1] heeft. Verder heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het ook voor [minderjarige 1] van belang zou zijn dat er niet te veel tijd zit tussen de contactmomenten met de vader. Dit geldt wellicht in zijn algemeenheid voor een kind zonder een beperking, maar niet voor [minderjarige 1] . [minderjarige 1] heeft behoefte aan structuur en stabiliteit en heeft de weekenden nodig om weer tot rust te komen na de lange schoolweek. Als [minderjarige 1] bij de vader is geweest komt hij altijd overprikkeld en oververmoeid weer thuis. Hij heeft dan dagen nodig om hiervan te herstellen. De uitbreiding van de zorgregeling met een overnachting in een schoolweek, zoals nu door de rechtbank is vastgesteld, vergt te veel van [minderjarige 1] . Er is hierdoor geen enkele week meer met een normaal ritme. Dit is niet goed voor zijn welzijn en gezondheid. De rechtbank heeft zich ten onrechte niet laten leiden door het belang van [minderjarige 1] en heeft alleen rekening gehouden met het belang van de vader. De vader is zelfstandig ondernemer en heeft personeel in dienst waardoor hij zijn eigen tijd kan indelen. Hierdoor kan hij zich eenvoudig aanpassen aan [minderjarige 1] en op de woensdagmiddag contact met hem hebben.
De rechtbank heeft ten onrechte nu al een beslissing genomen over de verdeling van de zomervakantie voor de jaren 2025 en verder, zonder de gevolgen daarvan voor [minderjarige 1] te (laten) monitoren/onderzoeken. Als het hof daaraan toekomt verzoekt de moeder om, in verband met haar werk, te bepalen dat zij [minderjarige 1] vanaf 2026 in de even jaren in de laatste drie weken van de zomervakantie bij zich heeft en in de oneven jaren in de eerste drie weken.
3.9.
De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aan. Dat [minderjarige 1] kampt met het Glass syndroom en dat zijn ontwikkelingsleeftijd op 19 maanden ligt, maakt niet dat een uitbreiding van het contact tussen de vader en [minderjarige 1] niet mogelijk is. Het is niet duidelijk of de epileptische aanvallen en de toename van absences verband houden met de uitbreiding van het contact. De school ziet geen bijzonderheden of veranderingen in het gedrag van [minderjarige 1] nadat hij bij de vader is geweest. [minderjarige 1] komt vrolijk naar school.
De vader mag zijn leven op zijn eigen manier inrichten en een relatie hebben. Ook is het toegestaan dat de vader, in de tijd dat [minderjarige 1] bij hem verblijft, zijn partner of een derde voor [minderjarige 1] laat zorgen. De vader is, net als de moeder, bekend met de (on)mogelijkheden van [minderjarige 1] . Het kan niet zo zijn dat het overgrote deel van de zorg voor [minderjarige 1] alleen aan de moeder mag toekomen. [minderjarige 1] en de vader hebben recht op een uitgebreide zorgregeling. Uitbreiding van de omgang is in het belang van [minderjarige 1] . De door de rechtbank vastgestelde duur van het contact moet er minimaal zijn tussen [minderjarige 1] en de vader. De GI heeft tijdens huisbezoeken geconstateerd dat het contact tussen [minderjarige 1] en de vader goed is en volgens de vader is er ook leuk contact tussen [minderjarige 1] en zijn nieuwe partner en haar kind.
De GI refereert zich aan het oordeel van het hof over de verdeling van de zomervakanties voor de jaren 2025 en verder.
3.10.
De vader voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aan. Ondanks de intensieve hulpverlening van de afgelopen jaren is het de ouders niet gelukt om in onderling overleg tot een goede contactregeling voor [minderjarige 1] te komen. De vader is al het hele leven van [minderjarige 1] bij hem betrokken en weet, net zo goed als de moeder, welke beperkingen [minderjarige 1] heeft en hoe hij met hem moet omgaan. Zowel de GI als de school zien geen bijzonderheden bij [minderjarige 1] sinds hij langer bij de vader verblijft. [minderjarige 1] heeft bij de vader nooit absences of epileptische aanvallen en de GI heeft ook geen overprikkeling bij [minderjarige 1] gezien op het moment dat hij weer bij de moeder thuis was. Verder heeft de GI geconstateerd dat de vader goed aansluit bij [minderjarige 1] . De vader heeft het recht om, net als de moeder, zijn leven zelf in te richten en zelf te bepalen hoe hij de zorg voor [minderjarige 1] invult, ook indien daar een eventuele partner bij betrokken zou zijn. Overigens woont de vader niet samen met zijn partner. Tijdens de contactmomenten met [minderjarige 1] zorgt de vader zelf voor [minderjarige 1] . Hij verblijft dan, zonder zijn partner, in het chalet in [plaats] . De vader heeft dit chalet speciaal gekocht voor het contact met [minderjarige 1] . De zorgregeling dient voor beide ouders uitvoerbaar te zijn.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 juli 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
verzoekt de GI de ouders te ondersteunen bij hun gezamenlijke betrokkenheid om voor [minderjarige 1] verdere medische behandeling of begeleiding te krijgen van een gespecialiseerde kinderarts, zoals overwogen in rechtsoverweging 3.11.5;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L.M.H. Nelissen, J.C.E. Ackermans-Wijn en
G.M. Goes en is in het openbaar uitgesproken door mr. J.C.E. Ackermans-Wijn op 9 januari 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 9 januari 2025
Zaaknummer : 200.345.880/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/02/422860 / JE RK 24-994
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. J.C. Hissink,
tegen
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).
In deze zaak wordt als belanghebbende aangemerkt:
[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. M. Koppelmans-de Goeij.
Deze zaak gaat over de minderjarige [minderjarige 1]
(hierna te noemen: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] .
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 juli 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 september 2024, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zo nodig onder aanvulling en/of verbeteringen van de gronden alsnog het inleidende verzoek van de GI af te wijzen, althans zodanige regelingen vast te stellen die het hof juist acht.
2.2.
De GI heeft bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 oktober 2024, verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten.
2.3.
De vader heeft bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 oktober 2024, verzocht het hoger beroep van de moeder niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten. Kosten rechtens.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 november 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. Hissink;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ;
- de vader, bijgestaan door mr. Koppelmans-de Goeij.
2.5.
De raad heeft bij brief d.d. 2 oktober 2024 het hof bericht niet bij de mondelinge behandeling te zullen verschijnen.
2.7.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 1 juli 2024;
het V6-formulier van de advocaat van de moeder d.d. 14 november 2024 met producties 7, 8 en 9, welke laatste productie tevens is aangevuld met e-mailcorrespondentie tussen de moeder en de GI en een door [instantie] opgesteld ontwikkelingsperspectief
de brief met productie 5 van de GI d.d. 15 november 2024.
De producties 7, 8 en 9 betreffen een eigen relaas van de moeder met haar reactie op de verweerschriften van de GI en de vader. Zoals besproken tijdens de mondelinge behandeling laat het hof deze producties buiten beschouwing, gelet op de twee-conclusie-regel en de omstandigheid dat het aan de advocaat van de moeder is om de stellingen en verzoeken van de moeder in deze procedure naar voren te brengen. Alleen de brief van [instantie] wordt wel meegenomen.
2.8.
Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] , gelet op de ernst van zijn (verstandelijke) beperking, niet in de gelegenheid gesteld om zijn mening met betrekking tot het verzoek kenbaar te maken.
Beoordeling
3.1.
De vader en de moeder hebben een geregistreerd partnerschap gehad, dat inmiddels is ontbonden. Zij zijn de ouders van [minderjarige 1] . Voorafgaand aan het geregistreerd partnerschap van de moeder en de vader is, op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] , [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ) geboren.
3.2.
De moeder en de vader oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] uit.
[minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.
3.3.
[minderjarige 2] heeft geen contact met de vader. Deze procedure gaat alleen over het contact tussen [minderjarige 1] en de vader.
3.4.
[minderjarige 1] staat sinds 6 juli 2023 onder toezicht van de GI. Deze ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 6 juli 2025.
3.5.
De ouders hebben op 23 januari 2019 een ouderschapsplan gesloten. Hierin hebben zij, voor zover hier van belang, vastgelegd dat, als de moeder werkt, de vader voor [minderjarige 1] zorgt in de woning van de moeder.
3.6.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, op verzoek van de GI en op grond van artikel 1:265g van het Burgerlijk Wetboek (BW), uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de vader en [minderjarige 1] recht hebben op contact met elkaar:
om de week van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur;
na de zomervakantie van 2024 ook vanaf maandag uit school tot dinsdag tot school, steeds in de week dat [minderjarige 1] en de vader geen contact hebben gehad in het weekend;
gedurende de helft van de vakanties en de feestdagen (met een opbouw), zoals omschreven in rechtsoverweging 5.6. van de beschikking.
3.7.
De moeder kan zich niet verenigen met deze beslissing van de rechtbank en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.8.
De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aan. [minderjarige 1] is geboren met het Glass syndroom. Het Glass syndroom kenmerkt zich door een prikkelverwerkingsstoornis, epilepsie en absences. [minderjarige 1] kan niet praten en functioneert op een ontwikkelingsleeftijd van 19 maanden. Sinds [minderjarige 1] meer bij de vader verblijft, is hij meer overprikkeld en heeft hij meer absences. De vader ziet dit niet omdat hij de beperkingen van [minderjarige 1] onvoldoende erkent. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat er geen duidelijk causaal verband is tussen de uitbreiding van het contact met de vader en de toename van de absences bij [minderjarige 1] . Er moet eerst onderzoek worden gedaan naar de gevolgen van (uitbreiding van) het contact tussen de vader en [minderjarige 1] . Ook is nader onderzoek nodig naar de feitelijke (woon-)situatie van de vader. De vader woont praktisch samen met zijn nieuwe partner en haar zoon van 10 jaar oud en gaat ook met hen en [minderjarige 1] samen op vakantie. Er moet duidelijkheid komen over het effect dat dit op [minderjarige 1] heeft. Verder heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het ook voor [minderjarige 1] van belang zou zijn dat er niet te veel tijd zit tussen de contactmomenten met de vader. Dit geldt wellicht in zijn algemeenheid voor een kind zonder een beperking, maar niet voor [minderjarige 1] . [minderjarige 1] heeft behoefte aan structuur en stabiliteit en heeft de weekenden nodig om weer tot rust te komen na de lange schoolweek. Als [minderjarige 1] bij de vader is geweest komt hij altijd overprikkeld en oververmoeid weer thuis. Hij heeft dan dagen nodig om hiervan te herstellen. De uitbreiding van de zorgregeling met een overnachting in een schoolweek, zoals nu door de rechtbank is vastgesteld, vergt te veel van [minderjarige 1] . Er is hierdoor geen enkele week meer met een normaal ritme. Dit is niet goed voor zijn welzijn en gezondheid. De rechtbank heeft zich ten onrechte niet laten leiden door het belang van [minderjarige 1] en heeft alleen rekening gehouden met het belang van de vader. De vader is zelfstandig ondernemer en heeft personeel in dienst waardoor hij zijn eigen tijd kan indelen. Hierdoor kan hij zich eenvoudig aanpassen aan [minderjarige 1] en op de woensdagmiddag contact met hem hebben.
De rechtbank heeft ten onrechte nu al een beslissing genomen over de verdeling van de zomervakantie voor de jaren 2025 en verder, zonder de gevolgen daarvan voor [minderjarige 1] te (laten) monitoren/onderzoeken. Als het hof daaraan toekomt verzoekt de moeder om, in verband met haar werk, te bepalen dat zij [minderjarige 1] vanaf 2026 in de even jaren in de laatste drie weken van de zomervakantie bij zich heeft en in de oneven jaren in de eerste drie weken.
3.9.
De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aan. Dat [minderjarige 1] kampt met het Glass syndroom en dat zijn ontwikkelingsleeftijd op 19 maanden ligt, maakt niet dat een uitbreiding van het contact tussen de vader en [minderjarige 1] niet mogelijk is. Het is niet duidelijk of de epileptische aanvallen en de toename van absences verband houden met de uitbreiding van het contact. De school ziet geen bijzonderheden of veranderingen in het gedrag van [minderjarige 1] nadat hij bij de vader is geweest. [minderjarige 1] komt vrolijk naar school.
De vader mag zijn leven op zijn eigen manier inrichten en een relatie hebben. Ook is het toegestaan dat de vader, in de tijd dat [minderjarige 1] bij hem verblijft, zijn partner of een derde voor [minderjarige 1] laat zorgen. De vader is, net als de moeder, bekend met de (on)mogelijkheden van [minderjarige 1] . Het kan niet zo zijn dat het overgrote deel van de zorg voor [minderjarige 1] alleen aan de moeder mag toekomen. [minderjarige 1] en de vader hebben recht op een uitgebreide zorgregeling. Uitbreiding van de omgang is in het belang van [minderjarige 1] . De door de rechtbank vastgestelde duur van het contact moet er minimaal zijn tussen [minderjarige 1] en de vader. De GI heeft tijdens huisbezoeken geconstateerd dat het contact tussen [minderjarige 1] en de vader goed is en volgens de vader is er ook leuk contact tussen [minderjarige 1] en zijn nieuwe partner en haar kind.
De GI refereert zich aan het oordeel van het hof over de verdeling van de zomervakanties voor de jaren 2025 en verder.
3.10.
De vader voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aan. Ondanks de intensieve hulpverlening van de afgelopen jaren is het de ouders niet gelukt om in onderling overleg tot een goede contactregeling voor [minderjarige 1] te komen. De vader is al het hele leven van [minderjarige 1] bij hem betrokken en weet, net zo goed als de moeder, welke beperkingen [minderjarige 1] heeft en hoe hij met hem moet omgaan. Zowel de GI als de school zien geen bijzonderheden bij [minderjarige 1] sinds hij langer bij de vader verblijft. [minderjarige 1] heeft bij de vader nooit absences of epileptische aanvallen en de GI heeft ook geen overprikkeling bij [minderjarige 1] gezien op het moment dat hij weer bij de moeder thuis was. Verder heeft de GI geconstateerd dat de vader goed aansluit bij [minderjarige 1] . De vader heeft het recht om, net als de moeder, zijn leven zelf in te richten en zelf te bepalen hoe hij de zorg voor [minderjarige 1] invult, ook indien daar een eventuele partner bij betrokken zou zijn. Overigens woont de vader niet samen met zijn partner. Tijdens de contactmomenten met [minderjarige 1] zorgt de vader zelf voor [minderjarige 1] . Hij verblijft dan, zonder zijn partner, in het chalet in [plaats] . De vader heeft dit chalet speciaal gekocht voor het contact met [minderjarige 1] . De zorgregeling dient voor beide ouders uitvoerbaar te zijn.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 juli 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
verzoekt de GI de ouders te ondersteunen bij hun gezamenlijke betrokkenheid om voor [minderjarige 1] verdere medische behandeling of begeleiding te krijgen van een gespecialiseerde kinderarts, zoals overwogen in rechtsoverweging 3.11.5;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L.M.H. Nelissen, J.C.E. Ackermans-Wijn en
G.M. Goes en is in het openbaar uitgesproken door mr. J.C.E. Ackermans-Wijn op 9 januari 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Beoordeling
Het door de moeder voorgestelde contactmoment op de woensdagmiddag is dat niet. De vader moet op woensdagmiddag altijd werken en kan dat niet veranderen. Bovendien is een contact op de woensdagmiddag beperkt van duur en veel onrustiger voor [minderjarige 1] , dan een contactmoment van maandag na school tot dinsdag voor school zoals door de rechtbank vastgesteld. De moeder wil ook zelf de overdracht van [minderjarige 1] aan de vader kunnen doen, maar gezien de slechte communicatie tussen de ouders is het voor [minderjarige 1] beter dat de overdracht via school plaatsvindt. Overigens is er geen enkele contra-indicatie voor het doordeweekse contactmoment van maandag tot dinsdag. Door de ontwikkelingsleeftijd van [minderjarige 1] van 19 maanden is het juist goed dat hij veelvuldig contact heeft met de vader en de vader sluit goed aan bij de beperkingen en behoeften van [minderjarige 1] , ook in de vakanties.
De rechtbank heeft terecht een verdeling gemaakt voor wat betreft de zomervakanties vanaf 2025. Een onderzoek of aanhouding van de procedure om te bekijken welk effect de vakanties op [minderjarige 1] hebben, is niet nodig.
3.11.
Het hof overweegt als volgt.
3.11.1.
[minderjarige 1] staat onder toezicht van de GI. Op grond van artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
3.11.2.
Aan het hof ligt de vraag voor of de kinderrechter de zorgregeling terecht heeft gewijzigd.
3.11.3.
Het hof is van oordeel dat de kinderrechter terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat het in het belang van [minderjarige 1] noodzakelijk is dat de vader en [minderjarige 1] meer contact met elkaar hebben. De argumenten van de moeder leveren geen gegronde redenen op om de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (de zorgregeling) zoals in de bestreden beschikking bepaald, (terug) te wijzigen. Ook ziet het hof geen aanleiding om de verdeling van de vakanties en feestdagen zoals door de rechtbank in de bestreden beschikking bepaald, aan te passen.
3.11.4.
Het hof stelt voorop dat uit het dossier en uit hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling duidelijk is dat beide ouders zeer betrokken zijn bij [minderjarige 1] en met liefde hun tijd en energie aan [minderjarige 1] geven. [minderjarige 1] is een heel kwetsbaar kind dat veel extra zorg nodig heeft. Dit vergt veel van de ouders. Beide ouders willen het beste voor [minderjarige 1] en beiden zijn ook in staat de noodzakelijke zorg voor hem te dragen. Het hof hoort echter ook de zorgen van de moeder over de toename van de absences en overprikkeling bij [minderjarige 1] . Moeder wijdt deze toename aan de uitbreiding van het contact met de vader en meent dat dit bij [minderjarige 1] voor teveel onrust zorgt. Daarvoor zijn in het dossier en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling echter geen aanwijzingen te vinden. Zowel de GI als de school van [minderjarige 1] hebben verklaard dat zij geen veranderingen bij [minderjarige 1] hebben gemerkt sinds de contacten met de vader zijn uitgebreid. Het hof heeft geen aanleiding om aan deze bevindingen te twijfelen en te oordelen dat de huidige zorgregeling niet in het belang is van [minderjarige 1] .
3.11.5.
Desondanks moet de moeder wel serieus genomen worden in haar zorgen over [minderjarige 1] . De moeder heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat zij inmiddels een verwijzing heeft gekregen van de huisarts naar een gespecialiseerde kinderarts. De vader heeft aangegeven open te staan voor een nader onderzoek van [minderjarige 1] door een kinderarts. Ook de GI acht de kinderarts een goede optie omdat die kan zeggen wat [minderjarige 1] nodig heeft. In verband daarmee heeft het hof tijdens de mondelinge behandeling met de ouders besproken dat het van belang is dat zij met elkaar gaan samenwerken en meer vertrouwen in elkaar krijgen. Doordat zij nu niet rechtstreeks met elkaar communiceren, houden de ouders het wantrouwen dat zij over en weer in elkaar hebben in stand. Hierdoor missen zij de kans om voor [minderjarige 1] de beste zorg te realiseren. Het zou fijn zijn als de moeder de zware zorg en verantwoordelijkheid voor [minderjarige 1] kan delen met de vader en voor de vader zou het fijn zijn als de moeder erop vertrouwt dat hij de overprikkeling en absences bij [minderjarige 1] herkent en weet wat hem dan te doen staat. Het hof acht het in het belang van [minderjarige 1] noodzakelijk dat beide ouders rechtstreeks van een gespecialiseerde kinderarts horen wat [minderjarige 1] op dit moment nodig heeft en op welke wijze zij mogelijke overprikkeling van [minderjarige 1] kunnen voorkomen en hoe zij met zijn absences kunnen omgaan. De ouders kunnen dan op aanwijzing en advies van de kinderarts hun zorg en handelen op elkaar afstemmen in het belang van [minderjarige 1] . Omdat beide ouders het gezag hebben is overeenstemming tussen beide ouders noodzakelijk over de keuze van een gespecialiseerde kinderarts evenals een gezamenlijke betrokkenheid van de ouders bij de verdere behandeling van [minderjarige 1] . Het traject bij de kinderarts kan een goede eerste stap zijn om te komen tot een betere samenwerking tussen de ouders en een herstel van vertrouwen in elkaar als ouders die het belang van [minderjarige 1] voorop kunnen stellen. Het hof verwacht van de GI dat deze zo nodig tussen de ouders bemiddelt en hen ondersteunt om deze stappen te realiseren.
3.11.6.
Ten aanzien van de vakanties begrijpt het hof uit de stellingen van de moeder dat de verdeling van de zomervakanties voor de komende jaren voor haar in verband met haar werk niet haalbaar is. De vader betwist dit. Het had daarom op de weg van de moeder gelegen om aan te tonen dat zij van haar werkgever geen vrij kan krijgen en ook had het op haar weg gelegen om dit met de vader te bespreken. In de bestreden beschikking heeft de kinderrechter immers bepaald dat de ouders vóór 1 oktober 2024 samen in overleg een regeling voor de zomervakanties zouden moeten vaststellen. De ouders hebben dit niet gedaan. Hierdoor geldt nu de door de kinderrechter vastgestelde verdeling van de zomervakanties. Het hof ziet gelet hierop geen aanleiding om nu alsnog een andere verdeling van de zomervakanties te bepalen.
3.11.7.
Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen en de verzoeken van de moeder afwijzen.
Beoordeling
Het door de moeder voorgestelde contactmoment op de woensdagmiddag is dat niet. De vader moet op woensdagmiddag altijd werken en kan dat niet veranderen. Bovendien is een contact op de woensdagmiddag beperkt van duur en veel onrustiger voor [minderjarige 1] , dan een contactmoment van maandag na school tot dinsdag voor school zoals door de rechtbank vastgesteld. De moeder wil ook zelf de overdracht van [minderjarige 1] aan de vader kunnen doen, maar gezien de slechte communicatie tussen de ouders is het voor [minderjarige 1] beter dat de overdracht via school plaatsvindt. Overigens is er geen enkele contra-indicatie voor het doordeweekse contactmoment van maandag tot dinsdag. Door de ontwikkelingsleeftijd van [minderjarige 1] van 19 maanden is het juist goed dat hij veelvuldig contact heeft met de vader en de vader sluit goed aan bij de beperkingen en behoeften van [minderjarige 1] , ook in de vakanties.
De rechtbank heeft terecht een verdeling gemaakt voor wat betreft de zomervakanties vanaf 2025. Een onderzoek of aanhouding van de procedure om te bekijken welk effect de vakanties op [minderjarige 1] hebben, is niet nodig.
3.11.
Het hof overweegt als volgt.
3.11.1.
[minderjarige 1] staat onder toezicht van de GI. Op grond van artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
3.11.2.
Aan het hof ligt de vraag voor of de kinderrechter de zorgregeling terecht heeft gewijzigd.
3.11.3.
Het hof is van oordeel dat de kinderrechter terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat het in het belang van [minderjarige 1] noodzakelijk is dat de vader en [minderjarige 1] meer contact met elkaar hebben. De argumenten van de moeder leveren geen gegronde redenen op om de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (de zorgregeling) zoals in de bestreden beschikking bepaald, (terug) te wijzigen. Ook ziet het hof geen aanleiding om de verdeling van de vakanties en feestdagen zoals door de rechtbank in de bestreden beschikking bepaald, aan te passen.
3.11.4.
Het hof stelt voorop dat uit het dossier en uit hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling duidelijk is dat beide ouders zeer betrokken zijn bij [minderjarige 1] en met liefde hun tijd en energie aan [minderjarige 1] geven. [minderjarige 1] is een heel kwetsbaar kind dat veel extra zorg nodig heeft. Dit vergt veel van de ouders. Beide ouders willen het beste voor [minderjarige 1] en beiden zijn ook in staat de noodzakelijke zorg voor hem te dragen. Het hof hoort echter ook de zorgen van de moeder over de toename van de absences en overprikkeling bij [minderjarige 1] . Moeder wijdt deze toename aan de uitbreiding van het contact met de vader en meent dat dit bij [minderjarige 1] voor teveel onrust zorgt. Daarvoor zijn in het dossier en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling echter geen aanwijzingen te vinden. Zowel de GI als de school van [minderjarige 1] hebben verklaard dat zij geen veranderingen bij [minderjarige 1] hebben gemerkt sinds de contacten met de vader zijn uitgebreid. Het hof heeft geen aanleiding om aan deze bevindingen te twijfelen en te oordelen dat de huidige zorgregeling niet in het belang is van [minderjarige 1] .
3.11.5.
Desondanks moet de moeder wel serieus genomen worden in haar zorgen over [minderjarige 1] . De moeder heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat zij inmiddels een verwijzing heeft gekregen van de huisarts naar een gespecialiseerde kinderarts. De vader heeft aangegeven open te staan voor een nader onderzoek van [minderjarige 1] door een kinderarts. Ook de GI acht de kinderarts een goede optie omdat die kan zeggen wat [minderjarige 1] nodig heeft. In verband daarmee heeft het hof tijdens de mondelinge behandeling met de ouders besproken dat het van belang is dat zij met elkaar gaan samenwerken en meer vertrouwen in elkaar krijgen. Doordat zij nu niet rechtstreeks met elkaar communiceren, houden de ouders het wantrouwen dat zij over en weer in elkaar hebben in stand. Hierdoor missen zij de kans om voor [minderjarige 1] de beste zorg te realiseren. Het zou fijn zijn als de moeder de zware zorg en verantwoordelijkheid voor [minderjarige 1] kan delen met de vader en voor de vader zou het fijn zijn als de moeder erop vertrouwt dat hij de overprikkeling en absences bij [minderjarige 1] herkent en weet wat hem dan te doen staat. Het hof acht het in het belang van [minderjarige 1] noodzakelijk dat beide ouders rechtstreeks van een gespecialiseerde kinderarts horen wat [minderjarige 1] op dit moment nodig heeft en op welke wijze zij mogelijke overprikkeling van [minderjarige 1] kunnen voorkomen en hoe zij met zijn absences kunnen omgaan. De ouders kunnen dan op aanwijzing en advies van de kinderarts hun zorg en handelen op elkaar afstemmen in het belang van [minderjarige 1] . Omdat beide ouders het gezag hebben is overeenstemming tussen beide ouders noodzakelijk over de keuze van een gespecialiseerde kinderarts evenals een gezamenlijke betrokkenheid van de ouders bij de verdere behandeling van [minderjarige 1] . Het traject bij de kinderarts kan een goede eerste stap zijn om te komen tot een betere samenwerking tussen de ouders en een herstel van vertrouwen in elkaar als ouders die het belang van [minderjarige 1] voorop kunnen stellen. Het hof verwacht van de GI dat deze zo nodig tussen de ouders bemiddelt en hen ondersteunt om deze stappen te realiseren.
3.11.6.
Ten aanzien van de vakanties begrijpt het hof uit de stellingen van de moeder dat de verdeling van de zomervakanties voor de komende jaren voor haar in verband met haar werk niet haalbaar is. De vader betwist dit. Het had daarom op de weg van de moeder gelegen om aan te tonen dat zij van haar werkgever geen vrij kan krijgen en ook had het op haar weg gelegen om dit met de vader te bespreken. In de bestreden beschikking heeft de kinderrechter immers bepaald dat de ouders vóór 1 oktober 2024 samen in overleg een regeling voor de zomervakanties zouden moeten vaststellen. De ouders hebben dit niet gedaan. Hierdoor geldt nu de door de kinderrechter vastgestelde verdeling van de zomervakanties. Het hof ziet gelet hierop geen aanleiding om nu alsnog een andere verdeling van de zomervakanties te bepalen.
3.11.7.
Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen en de verzoeken van de moeder afwijzen.