Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-11-14
ECLI:NL:GHSHE:2025:3338
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Familie- en Jeugd zaaknummer 200.356.742/01 arrest van 14 november 2025 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna aan te duiden als de vader, advocaat: mr. C.J.H.E. Jeurissen te Breda, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als de moeder, advocaat: mr. A. Koop-van Vliet te Breda. op het bij exploot van dagvaarding van 7 juli 2025 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 26 juni 2025, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen de vader als eiser in conventie, verweerder in reconventie en de moeder als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie. Deze zaak gaat over: [kind A] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna: [kind A] ; [kind B] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna: [kind B] . hierna samen te noemen: de kinderen. In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming , hierna te noemen: de raad. 1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/435285 / KG ZA 25-220) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2 Het geding in hoger beroep 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties; de memorie van antwoord met productie; het H12-formulier d.d. 5 augustus 2025 namens de moeder met de ontbrekende producties 2 en 5; de akte overlegging producties van de vader met de producties 12 t/m 19. 2.2. Op 12 augustus 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Bij die gelegenheid zijn verschenen: de vader, bijgestaan door mr. Jeurissen; de moeder, bijgestaan door mr. Koop-van Vliet (via digitale verbinding); de raad, vertegenwoordigd door [persoon A] . 2.3. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de ouders zich bereid verklaard om met behulp van de inzet van [persoon B] te proberen de contactregeling tussen de vader en de kinderen te hervatten en op te bouwen. Partijen hebben ermee ingestemd dat het hof de zaak gedurende zes weken aanhoudt en dat zij na verloop van deze zes weken aan het hof berichten of zij van het hof in dezen nog een beslissing wensen. Op 23 augustus 2025 hebben partijen aan het hof arrest gevraagd. Het hof heeft daarna de datum voor arrest op 18 november 2025 bepaald. Op 6 en 7 november 2025 heeft de moeder respectievelijk de vader verzocht om eerder uitspraak te doen, onder meer gelet op de mondelinge behandeling van de bodemprocedure bij het hof die eveneens op 18 november 2025 is bepaald. Het hof heeft daarom de datum voor arrest op 14 november 2025 bepaald. 2.4. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3 De feiten 3.1. De vader en de moeder hebben een relatie gehad. Zij zijn de ouders van [kind A] en [kind B] . 3.2. De vader heeft de kinderen erkend en de ouders hebben laten aantekenen dat zij gezamenlijk zijn belast met het gezag over de kinderen. 3.3. De vader heeft op 2 augustus 2024 een bodemprocedure aanhangig gemaakt met betrekking tot het hoofdverblijf van de kinderen, vaststelling van een regeling betreffende de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en een informatieregeling. 3.4. Bij vonnis in kort geding van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 10 september 2024 heeft de voorzieningenrechter, op basis van overeenstemming van partijen, een voorlopige regeling betreffende de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de kinderen vastgesteld. 3.5. Bij beschikking van de rechtbank van 13 januari 2025 is in de bodemprocedure, kort gezegd: het hoofdverblijf van [kind A] bij de vader bepaald; in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bepaald dat [kind A] en [kind B] in de even week van maandag na de opvang tot woensdagochtend 12.30 uur bij de vader zullen verblijven, alsmede in de even wee contact tussen de vader en de kinderen, althans een zodanige zorgregeling vast te stellen als de voorzieningenrechter juist en redelijk en in het belang van de minderjarige [kind A] en [kind B] acht; een en ander met veroordeling van de vader in de kosten van het geding in conventie en in reconventie, de nakosten daaronder begrepen. 4.3. Bij het besteden vonnis heeft de voorzieningenrechter de vorderingen in conventie en reconventie afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Hoger beroep 4.4. De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiertegen in hoger beroep gekomen. Hij vordert, bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. het bestreden vonnis te vernietigen voor zover daarin de vorderingen van de man zijn afgewezen, en: II. opnieuw rechtdoende de vorderingen van de man alsnog toe te wijzen, althans III. met inachtneming van de in deze dagvaarding geformuleerde grieven, en met verbetering van rechtsgronden, een passende beslissing te nemen. 4.5. De moeder heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van de vader, dan wel tot afwijzing, zulks onder veroordeling van de vader in de proceskosten, te weten de door de Raad voor de Rechtsbijstand vastgelegde eigen bijdrage alsmede het griffierecht. 5 De beoordeling 5.1. De vader voert – kort samengevat – het volgende aan. De moeder heeft de zorgregeling stopgezet vanwege een ruzie tussen de vader en zijn partner Danique op 3 mei 2025, vanwege een door de GGD gedane observatie van de interactie tussen de vader en [kind A] , omdat de vader niet zou meewerken aan het traject van [kind A] bij Kentalis en vanwege diverse signalen die de moeder van de kinderen zou ontvangen. De vader betwist hetgeen de moeder in dat kader heeft aangevoerd, althans dat de door de moeder aangevoerde omstandigheden het stopzetten van de contacten tussen de vader en de kinderen rechtvaardigen. Er is geen enkele grond om de vader het contact met de kinderen te ontzeggen. De moeder dient daarom tot nakoming van de regeling te worden veroordeeld, op straffe van verbeurte van dwangsommen. De vader erkent dat er sprake is van een complexe situatie, maar dat heeft vooral te maken met de verstoorde relatie op ouderniveau. Dat maakt echter niet dat de vader en de kinderen maandenlang, tot daarover is beslist in een bodemprocedure, geen contact met elkaar hebben. De vader heeft in eerste aanleg aangegeven dat hij graag wil dat contact volledig wordt hersteld en dat hij daarom niet in kan stemmen met een begeleide zorgregeling zonder zicht op herstel van het co-ouderschap. De vader heeft expliciet aangegeven dat hij (subsidiair) akkoord kan gaan met een tijdelijke begeleide zorgregeling als de voorzieningenrechter zijn vordering om de moeder te gebieden de co-ouderschapsregeling na te komen zou afwijzen. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg benadrukt dat partijen aan hun onderlinge communicatie en verstandhouding als ouders van hun kinderen dienen te werken. De voorzieningenrechter heeft tijdens de mondelinge behandeling echter aangegeven dat een doorverwijzing naar het UHA niet mogelijk is in het kader van een kort geding. De vader staat open voor hulpverlening die de ouders kunnen ondersteunen in verbeteren van de situatie. Op de overige stellingen zal het hof, voor zover van belang, bij de beoordeling ingaan. 5.2. De moeder voert – kort samengevat – het volgende aan. Er is geen sprake van voldoende spoedeisendheid bij de vorderingen van de vader. De moeder handhaaft haar standpunt dat er ernstige zorgen zijn over de thuissituatie bij de vader en over zijn handelen als opvoeder. De moeder wijst op de meldingen die bij Veilig Thuis zijn gedaan, de door het Consultatiebureau gedane observaties en de signalen die de kinderen geven. Nu de vader zelf aangeeft dat er sprake is van een zeer zorgelijke en complexe situatie, stelt de moeder zich op het standpunt dat De vader heeft verklaard dat de melding bij de politie en de anonieme melding bij Veilig Thuis zien op dezelfde situatie en zijn gedaan door één en dezelfde persoon, te weten een goede vriendin van de moeder. Hij heeft voorts verklaard, dat hij, anders dan de moeder stelt en in de verklaring van de anonieme melder staat, niet dronken was en niet door de politie is meegenomen, maar dat de politie na een kort gesprek aan de deur is weggegaan onder verwijzing naar de deurbelfoto. De informatie van de anonieme melder komt om die reden niet betrouwbaar over. De meldingen die de politie en anonieme melder (de buurvrouw) hebben gedaan bij Veilig Thuis zijn afgedaan met een verwijzing van beide ouders naar het Centrum voor Jeugd en Gezin. Hieruit maakt het hof op dat er geen onderzoek is gestart naar de veiligheid van de kinderen bij de vader thuis en dat Veilig Thuis vooral problemen heeft gezien in de ouderrelatie. Het voorgaande is naar het oordeel van het hof niet of onvoldoende door de moeder weersproken en kan om die reden geen grond vormen voor ontzeggen van de zorgregeling. 5.4.6. De door de GGD geobserveerde harde verbale aanpak van [kind A] door de vader is voor het hof ook geen reden om de contacten tussen de vader en de kinderen stop te zetten. De vader heeft niet ontkend dat hij [kind A] streng heeft toegesproken toen hij niet naar de vader wilde luisteren. De vader heeft dit ook nabesproken met de GGD en daarbij aangegeven dat de ouders bij Kentalis handvatten krijgen hoe om te gaan met een situatie waarin [kind A] , die een ontwikkelachterstand heeft, niet luistert. Uit niets blijkt dat naar de mening van de GGD sprake was van een acute onveiligheid van de kinderen; de GGD heeft van het incident een notitie gemaakt maar geen melding gedaan. Nog afgezien van het feit dat deze observatie ruim vijf maanden voor het stopzetten van de co-ouderschapsregeling door de moeder heeft plaatsgevonden, kan een incident waarbij een ouder een keer richting de kinderen ‘uit zijn slof schiet’ niet rechtvaardigen dat hem het contact met de kinderen vervolgens maandenlang wordt ontzegd. 5.4.7. Ook overigens, zoals in de door de moeder gestelde, niet onderbouwde, gedragingen van de kinderen, ziet het hof geen aanleiding om te concluderen dat de moeder niet tot nakoming van de contactregeling kan worden veroordeeld. Daarbij weegt het hof mee dat de beslissing waarvan de vader nakoming vordert op 13 januari 2025 is gegeven en dus nog van recente datum was toen de moeder eenzijdig de contacten stopzette. Het hof ziet met name problemen op ouderniveau. Het is in het belang van de kinderen dat de ouders zich daarin laten begeleiden en leren elkaar te vertrouwen en positief te ondersteunen in de verzorging en opvoeding van de beide kinderen voor wie zij ieder (de helft van de tijd) verantwoordelijk zijn en aldus over en weer de ontwikkeling van de banden van de kinderen met de andere ouder bevorderen. Het hof heeft in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling van het hof bij de vader de bereidheid gezien om met de moeder aan de onderlinge communicatie te werken en daarbij hulp te aanvaarden. Het is aan de moeder om diezelfde bereidheid te tonen. 5.5. Het hof is van oordeel dat de contacten tussen de vader en de kinderen direct dienen te worden hervat conform de zorgregeling in de beschikking van 13 januari 2025, dus zonder begeleiding en zonder opbouw- of wenperiode. Ook de raad heeft het standpunt ingenomen dat de contacten tussen de vader en de kinderen zo snel mogelijk dienen te worden hervat. Het hof is door partijen niet nader geïnformeerd over het verloop van het traject bij [persoon B] . Het is het hof dus ook niet bekend of er een traject is gestart en, zo nee, waarom niet en, zo ja, of onder haar begeleiding één of meerdere begeleide contactmomenten hebben plaatsgevonden en hoe dit/deze is/zijn verlopen. Omdat partijen nagelaten hebben het hof daarover te informeren kan het hof daarmee ook geen rekening houden. Nu het hof overigens