Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-11-18
ECLI:NL:GHSHE:2025:3335
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.351.960/01 arrest van 18 november 2025 in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats 1] , appellante, hierna: [appellante] , advocaat: mr. M.F. de Jong te Haarlem, tegen [geïntimeerde] , handelend onder de naam [xx] Automotive , wonende te [woonplaats 2] en zaakdoende te [A] , geïntimeerde, niet verschenen, op het bij dagvaardingsexploot van 21 februari 2025 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 12 december 2024 tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde. 1 Het geding in eerste aanleg (zaak 10884775 \ CV EXPL 24-421) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het beroepen vonnis van 12 december 2024. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep van [appellante] met grieven, eiswijziging en producties A1 tot en met A4 en de conclusie van eis; de rolaantekening dat tegen [geïntimeerde] verstek is verleend. 2.2 Nadat arrest is gevraagd, heeft het hof een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de stukken van het hoger beroep en van de eerste aanleg. 3 De beoordeling Feiten In dit hoger beroep dienen de volgende feiten tot uitgangspunt. 3.1.1 Een voor de Volvo V60, bouwjaar 2013, voorzien van kenteken [kenteken A] (hierna: auto) door het RDW afgegeven kentekenbewijs vermeldt 13 maart 2013 als datum van eerste toelating en 2 oktober 2014 als datum van eerste inschrijving in Nederland. 3.1.2 [geïntimeerde] heeft een onderneming in de handel en reparatie van auto’s. Op of omstreeks 14 april 2022 heeft [geïntimeerde] de auto gekocht van autohandelaar ASNV B.V. 3.1.3 Op 19 april 2022 heeft [geïntimeerde] de auto verkocht aan [appellante] voor € 9.750,-- inclusief btw. De door [geïntimeerde] van de koop opgemaakte factuur vermeldde: “Aankoop export Volvo”. Zoals [geïntimeerde] wist, heeft [appellante] de auto gekocht om deze te exporteren naar Letland. 3.1.4 Op 29 april 2022 is de auto aan [appellante] geleverd. 3.1.5 Op of omstreeks 2 mei 2022 is de auto door de Letse politie vanwege een internationale politiesignalering in beslag genomen. 3.1.6 Toen partijen geen overeenstemming konden bereiken over een door [appellante] verlangde terugbetaling van de koopsom, heeft [appellante] op 31 mei 2022 bij de politie aangifte gedaan van door [geïntimeerde] gepleegde oplichting. 3.1.7 Bij sommatiebrief van 22 augustus 2022 heeft de advocaat van [appellante] aan [geïntimeerde] geschreven: “(…) Gebleken is dat de Auto was gestolen in Portugal op 24 april 2018. Het kenteken wat bij de Auto zou behoren betreft [kenteken B] . (…) Al met al is er sprake van non-conformiteit, hetgeen een tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst oplevert. Als gevolg daarvan is cliënte gerechtigd om de koopovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden (…) en aanspraak te maken op aanvullende schadevergoeding (…). De aanvullende schadevergoeding bestaat uit de kosten die cliënte voor het inschakelen van ondergetekende heeft moeten maken. (…) De advocaatkosten bedragen tot op heden € 1.000,-. Langs deze weg ontbind ik de koopovereenkomst namens cliënte (…)” 3.1.8 In reactie op een herhaalde sommatiebrief van 5 september 2022 heeft [geïntimeerde] bij brief van 7 september 2022 geschreven: “(…) De betreffende Volvo stond hier in NL niet geregistreerd als gestolen. De auto is ingeruild en kon ook gewoon gevrijwaard worden, nergens kregen wij melding dat dit een gestolen voertuig betreft. We hebben meerdere malen contact gehad met de RDW die dit raar verhaal vinden, ook zij vinden dat wij hier geen schuld in hebben. Er was dus niets aan de hand geweest als de auto hier in NL was gebleven. (…) Er zal meer onderzoek gedaan moeten worden wat er gebeurt is en bij wie. Wij gaan dus geen betaling doen zonder dat er meer research gedaan wordt. (…)” 3.1.9 Zo nodig zal het hof hierna nog nadere feiten vaststelle Voorts onderzoekt het hof de relevante feiten zelf en stelt het hof zo nodig - onder de feitenvaststelling of elders in de beoordeling - zelfstandig vast welke feiten in hoger beroep tot uitgangspunt dienen. 3.9.1 Door de grieven 2, 4, 5, 6, 7, 8 en 10 en met de eisvermeerdering legt [appellante] aan de in hoger beroep voorliggende vorderingen I tot en met IV in de kern het volgende ten grondslag. 3.9.2 Primair is de door [geïntimeerde] afgeleverde auto non-conform doordat die niet naar Letland kan worden geëxporteerd en bij invoering aldaar in beslag is genomen, omdat de auto op 24 april 2018 in Portugal is gestolen. Daardoor heeft [geïntimeerde] ook niet de onbezwaarde eigendom van de auto aan [appellante] overgedragen. [appellante] heeft de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden, waardoor [geïntimeerde] de koopsom moet terugbetalen. Subsidiair dient de koopovereenkomst te worden vernietigd omdat [appellante] en/of beide partijen hebben gedwaald over de mogelijkheid om de auto in Letland in te voeren en de verkrijging van de eigendom door [appellante] vrij van alle lasten en beperkingen. Als [appellante] had geweten dat de auto van diefstal afkomstig was, zou [appellante] de koopovereenkomst niet hebben gesloten, aldus nog steeds [appellante] . 3.10.1 Voor zover [appellante] in hoger beroep nieuwe standpunten inneemt, weerspreekt [geïntimeerde] die niet. De door de devolutie voorliggende weerspreking door [geïntimeerde] van reeds in eerste aanleg door [appellante] ingenomen standpunten, luidt in hoofdlijn als volgt. 3.10.2 [geïntimeerde] heeft te goeder trouw gehandeld en de auto bij verkrijging ook probleemloos kunnen vrijwaren. Omdat [appellante] aangaf de auto te kopen voor een vriend in Letland, heeft [geïntimeerde] na betaling de exportpapieren en een tijdelijke verzekering geregeld zodat er meteen mee naar Letland kon worden gereden. Toen weken later werd aangegeven dat de auto in beslag is genomen omdat deze als gestolen geregistreerd staat in Portugal, heeft [geïntimeerde] alle mogelijke medewerking willen verlenen. De RDW gaf echter aan niets van de diefstal te weten en niet verder te kunnen helpen, dus wellicht is sprake van een verkeerde registratie in het buitenland. De auto is sinds 2014 een aantal malen probleemloos van eigenaar gewisseld. Bovendien is het onwaarschijnlijk dat de auto al vanaf 2014 met een Nederlands kenteken in Nederland rondreed, terwijl dezelfde auto in 2018 in Portugal werd gestolen terwijl hij was voorzien van een Portugees kenteken. Ergens gaat er iets fout en [geïntimeerde] wordt daar slachtoffer van. Toen [geïntimeerde] aan [appellante] vroeg of ze daarom bij Letse of Portugese instanties zou willen navragen of een mogelijke verkeerde melding niet uit het systeem is gehaald, werd niets meer van [appellante] vernomen totdat haar advocaat [geïntimeerde] maanden later beschuldigde van heling. [geïntimeerde] heeft te goeder trouw gehandeld en [appellante] heeft er zelf voor gekozen om de auto te exporteren naar Letland. Als de auto in Nederland was gebleven, was er niets aan de hand geweest en hadden gedegen onderzoek kunnen worden gedaan, aldus nog steeds [geïntimeerde] . 3.11 Het hof overweegt dat [appellante] alle in hoger beroep voorliggende vorderingen baseert op hetzelfde feit, namelijk dat de door [geïntimeerde] op 29 april 2022 aan haar geleverde auto die toen was voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken A], op 24 april 2018 in Portugal is gestolen terwijl hij was voorzien van een Portugees kenteken. Tegenover de door [geïntimeerde] gemotiveerd en met RDW-stukken onderbouwde betwisting, geeft [appellante] echter (nog steeds) niet de voor het eigen standpunt benodigde (nadere) onderbouwing en verduidelijking, wat wel van [appellante] had mogen worden verwacht. Zo licht [appellante] haar standpunt toe met een (kopie van een) beweerd proces-verbaal van de Letse politie, maar van dat (als productie 3 bij inleidende dagvaarding ingebrachte) stuk kan door meerdere duidelijk