Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-01-09
ECLI:NL:GHSHE:2025:33
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
9,948 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 9 januari 2025
Zaaknummer: 200.341.688/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/02/412377 / FA RK 23-3606
in de zaak in hoger beroep van:
[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. N.P.M. Planthof,
tegen
[de moeder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. J.J. Bronsveld.
Deze zaak gaat over de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 1] );
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 2] ).
Hierna samen te noemen: de kinderen.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming, Regio [regio] , locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 26 februari 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 mei 2024, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, dan wel de verzoeken van de moeder af te wijzen;
II. primair te bepalen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij hem verblijven op de wijze zoals beschreven onder kantlijnnummer 34 van het beroepschrift, alsmede de helft van alle (school)vakanties en feestdagen, waarbij het halen en brengen evenredig tussen partijen wordt verdeeld;
subsidiair een zodanige zorgregeling/omgangsregeling en verdeling van alle (school)vakanties en feestdagen vast te stellen zoals het hof juist acht.
Kosten rechtens.
2.2.
Bij verweerschrift met productie, ingekomen ter griffie op 18 juli 2024, heeft de moeder verzocht de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, dan wel zijn verzoek af te wijzen en subsidiair te bepalen dat het hof de zaak aanhoudt in afwachting van een te entameren raadsonderzoek. Kosten rechtens.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 november 2024.
Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de vader, bijgestaan door mr. Planthof;
-de moeder, bijgestaan door mr. Bronsveld;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
2.3.1.
Het hof heeft [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken.
Hij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie is ingekomen op 13 september 2024. Ook heeft de jongste raadsheer in het bijzijn van de griffier, op verzoek van [minderjarige 1] , voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen met hem gesproken. Tijdens de mondelinge behandeling is de inhoud van de brief en het gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het V8-formulier met bijlagen van de advocaat van de vader van 4 juni 2024;
- het V8-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder van 5 november 2024;
- het V8-formulier met bijlagen van de advocaat van de vader van 13 november 2024.
3De beoordeling
Feiten
3.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Zij zijn de ouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
De kinderen verblijven bij de moeder.
3.2.
Bij beschikking van 8 oktober 2021 heeft de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 18 oktober 2021 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Bij deze beschikking is tevens bepaald dat de onderlinge regelingen uit het aangehechte, door partijen op 16 juni 2021 ondertekende, convenant en ouderschapsplan deel uitmaken van de beschikking. In het ouderschapsplan is, voorzover hier relevant, onder meer bepaald dat partijen nog geen zorgregeling overeenkomen, maar afspreken dat de vader doordeweeks in overleg met de moeder en de kinderen op een gepast tijdstip zal langskomen om wat leuks met de kinderen te doen. Daarnaast zal de vader met de buurtpedagoog een plan van aanpak maken om het onderlinge vertrouwen tussen de vader en de kinderen op het tempo van de kinderen te herstellen. Deze ontwikkeling wordt maandelijks geëvalueerd en zodra de relatie weer op niveau is, zal er een definitieve zorgregeling worden afgesproken. Verder zijn in bijlage 2 bij het ouderschapsplan de afspraken over de vakantie- en feestdagen opgenomen.
Procesverloop
3.3.
De moeder heeft, bij verzoekschrift van 28 juli 2023, de rechtbank verzocht te bepalen dat er geen omgangsregeling meer zal gelden tussen de vader en de kinderen en dat zij voortaan, met ingang van de datum van de door de rechtbank te geven beschikking, het ouderlijk gezag over de kinderen eenhoofdig zal uitoefenen.
3.4.
De vader is niet verschenen in de procedure bij de rechtbank en heeft geen verweer gevoerd.
3.5.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank het gezamenlijk ouderlijk gezag van de ouders ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] beëindigd en bepaald dat het gezag over de kinderen voortaan alleen aan de moeder toekomt. De rechtbank heeft verder de beschikking van 8 oktober 2021 en het daaraan gehechte ouderschapsplan gewijzigd voor wat betreft de omgangsregeling en bepaald dat er geen omgangsregeling meer geldt tussen de vader en de kinderen.
Procesverloop
3.6.
De vader wijst erop dat hij niet op de hoogte was van de procedure in eerste aanleg omdat hij geen oproepbrief had ontvangen. De vader is daarom in de procedure in eerste aanleg niet verschenen. Hij kan zich met de beslissing van de rechtbank niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.7.
De vader voert - samengevat - het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden ten opzichte van de situatie ten tijde van het opstellen van het echtscheidingsconvenant en het ouderschapsplan in juni 2021. Het klopt niet dat er een periode geen omgang is geweest tussen hem en de kinderen. Hij betwist dat hij plotseling uit het leven van de moeder en de kinderen is verdwenen. Evenmin is juist dat hij heeft laten zien weinig tot geen inzicht te tonen in het belang van de kinderen. Het is de moeder die de omgang tussen hem en de kinderen heeft stopgezet en haar medewerking weigerde te verlenen aan het contact.
Beëindiging van het gezamenlijk gezag is niet noodzakelijk in het belang van de kinderen. Het is juist in het belang van de kinderen dat de vader een gezagsrol blijft spelen in hun leven. De ouders zijn in staat beslissingen van enig belang over de kinderen in gezamenlijk overleg te nemen. Het is niet juist dat de vader al lange tijd onbereikbaar is en op een onbekende plek verblijft. De vader benadrukt dat hij altijd goed bereikbaar is geweest voor de moeder; zij wist waar en op welk adres hij verbleef en op welk telefoonnummer hij te bereiken was. Bovendien hebben zij elkaar in 2023 enkele weken voor kerst gesproken en toen samen afspraken gemaakt over contact tussen de vader en de kinderen. Daarbij komt dat de vader de moeder niet in de weg heeft gestaan bij het nemen van belangrijke beslissingen over de kinderen. Het is aannemelijk dat het contact tussen de vader en de kinderen verder zal verslechteren door de beëindiging van het gezag. De rechtbank heeft ten onrechte bepaald dat het niet waarschijnlijk is dat er binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal plaatsvinden in de communicatie tussen de ouders om uitvoering te geven aan het gezamenlijk gezag. De vader vindt dat onvoldoende is geprobeerd om de onderlinge communicatie te verbeteren.
De vader is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat het niet in het belang van de kinderen is dat er nog een omgangsregeling geldt die niet wordt nagekomen. De ouders hebben ieder een totaal ander beeld hebben van wat er de afgelopen jaren is gebeurd. Dit betekent echter niet dat er geen omgangsregeling moet worden vastgelegd. De vader stelt een opbouw van een omgangsregeling voor.
De vader ontkent de beschuldigingen van de moeder dat hij contacten onderhield met een escortmedewerkster, dat hij haar grote bedragen heeft geschonken, dat hij een tweede leven in Duitsland heeft opgebouwd en dat er bij hem sprake is van verslavingsproblematiek dan wel agressieproblematiek. Tot slot benadrukt de vader dat hij de overeengekomen kinderalimentatie aan de moeder heeft betaald.
3.8.
De moeder voert - samengevat - het volgende aan. Zij betwist gemotiveerd de grieven van de vader. De periode voor de echtscheiding hebben de gedragingen van de vader geleid tot veel onrust bij de kinderen. De moeder verwijst naar het hulpverleningstraject bij de gemeente [gemeente] (december 2022). Er is sprake van diepgaande problematiek bij de vader die zijn weerslag heeft gehad op de kinderen. Duidelijk is dat de vader een eigen beleving heeft van de gebeurtenissen in de afgelopen jaren. Hij gaat er, volgens de moeder, ten onrechte aan voorbij dat hij degene is die het gezin heeft verlaten en financieel heeft geruïneerd, die uit het leven van de kinderen is verdwenen en die zo nu en dan (als het hem uitkomt) weer opduikt.
De vader heeft niet laten zien waar hij staat ingeschreven en de moeder wist toen zij het verzoekschrift indiende niet waar hij verbleef. Het is niet aan haar te wijten dat hij niet op de hoogte was van de procedure bij de rechtbank.
De kinderen zijn er volgens de moeder bij gebaat dat de vader geen gezag uitoefent. Zij ontkent enkele weken voor kerst in 2023 afspraken te hebben gemaakt met de vader.
De moeder verwacht niet dat hulpverlening verbetering zal brengen. De vader neemt geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn gedrag en legt ten onrechte de verantwoordelijkheid, voor de omstandigheid dat er geen contact meer is tussen hem en de kinderen, bij de moeder neer.
Een omgangsregeling heeft op dit moment geen toegevoegde waarde voor de kinderen.
De vader blijkt namelijk al langere tijd niet in staat om daaraan invulling te geven. Het maken van afspraken heeft geen zin omdat de vader niet in staat is om zich daaraan te houden. De door de vader voorgestelde opbouwregeling wijst de moeder van de hand. Als er al gekomen moet worden tot een contactherstel tussen de vader en de kinderen dient er eerst een raadsonderzoek plaats te vinden om de risicofactoren in kaart te brengen. De kinderen mogen niet de dupe worden van het gedrag van de vader. De moeder heeft nadat de vader hoger beroep heeft ingesteld aan de vader voorgesteld een raadsonderzoek te verzoeken. De vader heeft dit echter afgewezen. De moeder wijst erop dat de vader gokverslaafd is en zich verbaal bedreigend en intimiderend uitlaat naar haar. Zij ontkent dat de vader uit zichzelf kinderalimentatie voldoet; de moeder heeft hiervoor het LBIO moeten inschakelen.
3.9.
De raad is het eens met de beslissing van de rechtbank en adviseert het hof om de bestreden beschikking te bekrachtigen. De raad ziet geen aanleiding een raadsonderzoek te gelasten.
De raad ziet een situatie waarin langdurig sprake was van onzekerheid voor de kinderen en waarin de moeder zich als (verzorgende) ouder staande heeft moeten houden. Van belang is dat de vader allereerst richting de kinderen begrip toont. Het is nodig dat hij aan de kinderen laat merken dat hij inziet wat zij in de afgelopen jaren hebben moeten meemaken als gevolg van zijn gedrag en handelen. De vader dient de kinderen boven zichzelf te stellen. De vader begrijpt niet waarom er in de periode na de echtscheiding voor de ouders hulpverlening nodig was in het belang van de kinderen. Ook wordt er bij de vader niet veel inzicht gezien wat de kinderen destijds heeft beziggehouden. De vader dient hiermee eerst aan de slag te gaan. Wanneer dit niet gebeurt, ziet de raad niet veel kansen op contactherstel tussen de vader en de kinderen. Op termijn zou er, nadat deze stappen zijn genomen door de vader, misschien een raadsonderzoek kunnen worden gedaan.
Motivering
3.10.
Het hof overweegt het volgende.
Gezag
3.11.1.
Ingevolge artikel 1:251 van het Burgerlijk Wetboek (BW) blijven de ouders die gezamenlijk het gezag hebben na ontbinding van het huwelijk dit gezag gezamenlijk uitoefenen.
Ingevolge artikel 1:251a lid 1 BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
3.11.2.
. Het hof stelt op grond van de stukken en hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling vast dat er op dit moment geen structurele vorm van contact tussen de vader en de kinderen is. Dat is al langere tijd het geval en de enkele keer dat de vader de kinderen heeft gezien, was dit toevalligerwijs op straat of omdat de vader (onaangekondigd) bij de kinderen thuis langs ging voor hun verjaardag. Op die momenten waren de contacten vluchtig en kort. Ook is duidelijk geworden in hoger beroep dat er geen communicatie is tussen de ouders. Verder is en blijft het onduidelijk waar de vader feitelijk verblijft en waar hij te bereiken is voor de moeder. Desgevraagd kon hij op de mondelinge behandeling bij het hof daarover geen voldoende duidelijkheid geven.
Door deze omstandigheden, in samenhang bezien, is het voor het hof duidelijk dat de feitelijke invulling van een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en het nemen van beslissingen van enig belang over de kinderen in gezamenlijk overleg onmogelijk is.
3.11.3.
Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de situatie sinds de ouders het ouderschapsplan hebben gesloten zodanig is gewijzigd, dat wijziging van het gezamenlijk gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de moeder moet worden belast met het eenhoofdig gezag over de kinderen omdat er geen goede basis meer is voor de uitoefening van gezamenlijk gezag.
Omgangsregeling
3.12.
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd.
In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW, een eerdere beslissing dienaangaande een zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
3.13.
Op basis van de stukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat er geen omgangsregeling tussen de kinderen en de vader moet worden vastgelegd. Het hof neemt de gronden van de rechtbank over en maakt deze, na eigen afweging, tot de zijne. Niet is gebleken van feiten en/of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.
De ouders hebben in het ouderschapsplan van 16 juni 2021 afspraken gemaakt maar zijn daarbij geen zorg/contactregeling overeengekomen. Dit had er onder meer mee te maken dat de kinderen in de periode rondom de echtscheiding een instabiele tijd hadden meegemaakt. Weliswaar is er na de echtscheiding gedurende een periode contact geweest tussen de vader en de kinderen. Dit is echter medio juni 2022 gestopt. Duidelijk is dat de omstandigheden, sinds het moment dat de ouders het ouderschapsplan van 16 juni 2021 hebben opgesteld, zijn gewijzigd.
Het hof ziet, mede gezien het advies van de raad op de mondelinge behandeling, bij de kinderen op dit moment geen ruimte voor een omgangsregeling, althans een opbouw zoals de vader heeft verzocht.
Het hof ziet bij de vader niet terug dat hij begrijpt waarom er na de echtscheiding hulpverlening nodig was. Hoewel de vader graag weer contact wil met zijn kinderen, lijkt hij niet bereid om op zijn eigen handelen te reflecteren. De vader blijft de oorzaken van de problemen buiten zichzelf zoeken en gaat voorbij aan zijn eigen rol daarin. Bovendien lijkt er aan de kant van de vader enige compassie met de kinderen te ontbreken. Er is langere tijd geen contact geweest tussen de vader en de kinderen. Zij wisten niet waar hij verbleef, waardoor de kinderen in onzekerheid verkeerden. De kinderen hadden er last van wanneer de vader plotseling weer in beeld kwam. De vader lijkt niet in te zien wat dit met de kinderen heeft gedaan. Ook uit het feit dat en de wijze waarop de vader de kinderen in contact bracht met nieuwe partner(s) blijkt dat de vader geen oog heeft voor de behoeften van de kinderen.
Daarom is het van belang dat de vader, zoals de raad heeft verwoord tijdens de mondelinge behandeling, eerst leert zich te verplaatsen in de kinderen en te beseffen wat de kinderen hebben meegemaakt, wat dit met de kinderen heeft gedaan en wat hun behoeften zijn.
3.14.
Aan het verzoek een raadsonderzoek te gelasten gaat het hof voorbij. Niet alleen heeft de raad aangegeven daartoe geen aanleiding te zien, ook het hof acht zich voldoende geïnformeerd, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, om een beslissing te kunnen nemen.
3.15.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.
Proceskosten
3.16.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 26 februari 2024;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. Goes, C.N.M Antens, L.M.H. Nelissen en is op 9 januari 2025 uitgesproken in het openbaar door mr. C.N.M. Antens in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 9 januari 2025
Zaaknummer: 200.341.688/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/02/412377 / FA RK 23-3606
in de zaak in hoger beroep van:
[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. N.P.M. Planthof,
tegen
[de moeder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. J.J. Bronsveld.
Deze zaak gaat over de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 1] );
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 2] ).
Hierna samen te noemen: de kinderen.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming, Regio [regio] , locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 26 februari 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 mei 2024, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, dan wel de verzoeken van de moeder af te wijzen;
II. primair te bepalen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij hem verblijven op de wijze zoals beschreven onder kantlijnnummer 34 van het beroepschrift, alsmede de helft van alle (school)vakanties en feestdagen, waarbij het halen en brengen evenredig tussen partijen wordt verdeeld;
subsidiair een zodanige zorgregeling/omgangsregeling en verdeling van alle (school)vakanties en feestdagen vast te stellen zoals het hof juist acht.
Kosten rechtens.
2.2.
Bij verweerschrift met productie, ingekomen ter griffie op 18 juli 2024, heeft de moeder verzocht de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, dan wel zijn verzoek af te wijzen en subsidiair te bepalen dat het hof de zaak aanhoudt in afwachting van een te entameren raadsonderzoek. Kosten rechtens.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 november 2024.
Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de vader, bijgestaan door mr. Planthof;
-de moeder, bijgestaan door mr. Bronsveld;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
2.3.1.
Het hof heeft [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken.
Hij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie is ingekomen op 13 september 2024. Ook heeft de jongste raadsheer in het bijzijn van de griffier, op verzoek van [minderjarige 1] , voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen met hem gesproken. Tijdens de mondelinge behandeling is de inhoud van de brief en het gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het V8-formulier met bijlagen van de advocaat van de vader van 4 juni 2024;
- het V8-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder van 5 november 2024;
- het V8-formulier met bijlagen van de advocaat van de vader van 13 november 2024.
3De beoordeling
Feiten
3.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Zij zijn de ouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
De kinderen verblijven bij de moeder.
3.2.
Bij beschikking van 8 oktober 2021 heeft de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 18 oktober 2021 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Bij deze beschikking is tevens bepaald dat de onderlinge regelingen uit het aangehechte, door partijen op 16 juni 2021 ondertekende, convenant en ouderschapsplan deel uitmaken van de beschikking. In het ouderschapsplan is, voorzover hier relevant, onder meer bepaald dat partijen nog geen zorgregeling overeenkomen, maar afspreken dat de vader doordeweeks in overleg met de moeder en de kinderen op een gepast tijdstip zal langskomen om wat leuks met de kinderen te doen. Daarnaast zal de vader met de buurtpedagoog een plan van aanpak maken om het onderlinge vertrouwen tussen de vader en de kinderen op het tempo van de kinderen te herstellen. Deze ontwikkeling wordt maandelijks geëvalueerd en zodra de relatie weer op niveau is, zal er een definitieve zorgregeling worden afgesproken. Verder zijn in bijlage 2 bij het ouderschapsplan de afspraken over de vakantie- en feestdagen opgenomen.
Procesverloop
3.3.
De moeder heeft, bij verzoekschrift van 28 juli 2023, de rechtbank verzocht te bepalen dat er geen omgangsregeling meer zal gelden tussen de vader en de kinderen en dat zij voortaan, met ingang van de datum van de door de rechtbank te geven beschikking, het ouderlijk gezag over de kinderen eenhoofdig zal uitoefenen.
3.4.
De vader is niet verschenen in de procedure bij de rechtbank en heeft geen verweer gevoerd.
3.5.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank het gezamenlijk ouderlijk gezag van de ouders ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] beëindigd en bepaald dat het gezag over de kinderen voortaan alleen aan de moeder toekomt. De rechtbank heeft verder de beschikking van 8 oktober 2021 en het daaraan gehechte ouderschapsplan gewijzigd voor wat betreft de omgangsregeling en bepaald dat er geen omgangsregeling meer geldt tussen de vader en de kinderen.
Procesverloop
3.6.
De vader wijst erop dat hij niet op de hoogte was van de procedure in eerste aanleg omdat hij geen oproepbrief had ontvangen. De vader is daarom in de procedure in eerste aanleg niet verschenen. Hij kan zich met de beslissing van de rechtbank niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.7.
De vader voert - samengevat - het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden ten opzichte van de situatie ten tijde van het opstellen van het echtscheidingsconvenant en het ouderschapsplan in juni 2021. Het klopt niet dat er een periode geen omgang is geweest tussen hem en de kinderen. Hij betwist dat hij plotseling uit het leven van de moeder en de kinderen is verdwenen. Evenmin is juist dat hij heeft laten zien weinig tot geen inzicht te tonen in het belang van de kinderen. Het is de moeder die de omgang tussen hem en de kinderen heeft stopgezet en haar medewerking weigerde te verlenen aan het contact.
Beëindiging van het gezamenlijk gezag is niet noodzakelijk in het belang van de kinderen. Het is juist in het belang van de kinderen dat de vader een gezagsrol blijft spelen in hun leven. De ouders zijn in staat beslissingen van enig belang over de kinderen in gezamenlijk overleg te nemen. Het is niet juist dat de vader al lange tijd onbereikbaar is en op een onbekende plek verblijft. De vader benadrukt dat hij altijd goed bereikbaar is geweest voor de moeder; zij wist waar en op welk adres hij verbleef en op welk telefoonnummer hij te bereiken was. Bovendien hebben zij elkaar in 2023 enkele weken voor kerst gesproken en toen samen afspraken gemaakt over contact tussen de vader en de kinderen. Daarbij komt dat de vader de moeder niet in de weg heeft gestaan bij het nemen van belangrijke beslissingen over de kinderen. Het is aannemelijk dat het contact tussen de vader en de kinderen verder zal verslechteren door de beëindiging van het gezag. De rechtbank heeft ten onrechte bepaald dat het niet waarschijnlijk is dat er binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal plaatsvinden in de communicatie tussen de ouders om uitvoering te geven aan het gezamenlijk gezag. De vader vindt dat onvoldoende is geprobeerd om de onderlinge communicatie te verbeteren.
De vader is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat het niet in het belang van de kinderen is dat er nog een omgangsregeling geldt die niet wordt nagekomen. De ouders hebben ieder een totaal ander beeld hebben van wat er de afgelopen jaren is gebeurd. Dit betekent echter niet dat er geen omgangsregeling moet worden vastgelegd. De vader stelt een opbouw van een omgangsregeling voor.
De vader ontkent de beschuldigingen van de moeder dat hij contacten onderhield met een escortmedewerkster, dat hij haar grote bedragen heeft geschonken, dat hij een tweede leven in Duitsland heeft opgebouwd en dat er bij hem sprake is van verslavingsproblematiek dan wel agressieproblematiek. Tot slot benadrukt de vader dat hij de overeengekomen kinderalimentatie aan de moeder heeft betaald.
3.8.
De moeder voert - samengevat - het volgende aan. Zij betwist gemotiveerd de grieven van de vader. De periode voor de echtscheiding hebben de gedragingen van de vader geleid tot veel onrust bij de kinderen. De moeder verwijst naar het hulpverleningstraject bij de gemeente [gemeente] (december 2022). Er is sprake van diepgaande problematiek bij de vader die zijn weerslag heeft gehad op de kinderen. Duidelijk is dat de vader een eigen beleving heeft van de gebeurtenissen in de afgelopen jaren. Hij gaat er, volgens de moeder, ten onrechte aan voorbij dat hij degene is die het gezin heeft verlaten en financieel heeft geruïneerd, die uit het leven van de kinderen is verdwenen en die zo nu en dan (als het hem uitkomt) weer opduikt.
De vader heeft niet laten zien waar hij staat ingeschreven en de moeder wist toen zij het verzoekschrift indiende niet waar hij verbleef. Het is niet aan haar te wijten dat hij niet op de hoogte was van de procedure bij de rechtbank.
De kinderen zijn er volgens de moeder bij gebaat dat de vader geen gezag uitoefent. Zij ontkent enkele weken voor kerst in 2023 afspraken te hebben gemaakt met de vader.
De moeder verwacht niet dat hulpverlening verbetering zal brengen. De vader neemt geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn gedrag en legt ten onrechte de verantwoordelijkheid, voor de omstandigheid dat er geen contact meer is tussen hem en de kinderen, bij de moeder neer.
Een omgangsregeling heeft op dit moment geen toegevoegde waarde voor de kinderen.
De vader blijkt namelijk al langere tijd niet in staat om daaraan invulling te geven. Het maken van afspraken heeft geen zin omdat de vader niet in staat is om zich daaraan te houden. De door de vader voorgestelde opbouwregeling wijst de moeder van de hand. Als er al gekomen moet worden tot een contactherstel tussen de vader en de kinderen dient er eerst een raadsonderzoek plaats te vinden om de risicofactoren in kaart te brengen. De kinderen mogen niet de dupe worden van het gedrag van de vader. De moeder heeft nadat de vader hoger beroep heeft ingesteld aan de vader voorgesteld een raadsonderzoek te verzoeken. De vader heeft dit echter afgewezen. De moeder wijst erop dat de vader gokverslaafd is en zich verbaal bedreigend en intimiderend uitlaat naar haar. Zij ontkent dat de vader uit zichzelf kinderalimentatie voldoet; de moeder heeft hiervoor het LBIO moeten inschakelen.
3.9.
De raad is het eens met de beslissing van de rechtbank en adviseert het hof om de bestreden beschikking te bekrachtigen. De raad ziet geen aanleiding een raadsonderzoek te gelasten.
De raad ziet een situatie waarin langdurig sprake was van onzekerheid voor de kinderen en waarin de moeder zich als (verzorgende) ouder staande heeft moeten houden. Van belang is dat de vader allereerst richting de kinderen begrip toont. Het is nodig dat hij aan de kinderen laat merken dat hij inziet wat zij in de afgelopen jaren hebben moeten meemaken als gevolg van zijn gedrag en handelen. De vader dient de kinderen boven zichzelf te stellen. De vader begrijpt niet waarom er in de periode na de echtscheiding voor de ouders hulpverlening nodig was in het belang van de kinderen. Ook wordt er bij de vader niet veel inzicht gezien wat de kinderen destijds heeft beziggehouden. De vader dient hiermee eerst aan de slag te gaan. Wanneer dit niet gebeurt, ziet de raad niet veel kansen op contactherstel tussen de vader en de kinderen. Op termijn zou er, nadat deze stappen zijn genomen door de vader, misschien een raadsonderzoek kunnen worden gedaan.
Motivering
3.10.
Het hof overweegt het volgende.
Gezag
3.11.1.
Ingevolge artikel 1:251 van het Burgerlijk Wetboek (BW) blijven de ouders die gezamenlijk het gezag hebben na ontbinding van het huwelijk dit gezag gezamenlijk uitoefenen.
Ingevolge artikel 1:251a lid 1 BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
3.11.2.
. Het hof stelt op grond van de stukken en hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling vast dat er op dit moment geen structurele vorm van contact tussen de vader en de kinderen is. Dat is al langere tijd het geval en de enkele keer dat de vader de kinderen heeft gezien, was dit toevalligerwijs op straat of omdat de vader (onaangekondigd) bij de kinderen thuis langs ging voor hun verjaardag. Op die momenten waren de contacten vluchtig en kort. Ook is duidelijk geworden in hoger beroep dat er geen communicatie is tussen de ouders. Verder is en blijft het onduidelijk waar de vader feitelijk verblijft en waar hij te bereiken is voor de moeder. Desgevraagd kon hij op de mondelinge behandeling bij het hof daarover geen voldoende duidelijkheid geven.
Door deze omstandigheden, in samenhang bezien, is het voor het hof duidelijk dat de feitelijke invulling van een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en het nemen van beslissingen van enig belang over de kinderen in gezamenlijk overleg onmogelijk is.
3.11.3.
Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de situatie sinds de ouders het ouderschapsplan hebben gesloten zodanig is gewijzigd, dat wijziging van het gezamenlijk gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de moeder moet worden belast met het eenhoofdig gezag over de kinderen omdat er geen goede basis meer is voor de uitoefening van gezamenlijk gezag.
Omgangsregeling
3.12.
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd.
In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW, een eerdere beslissing dienaangaande een zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
3.13.
Op basis van de stukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat er geen omgangsregeling tussen de kinderen en de vader moet worden vastgelegd. Het hof neemt de gronden van de rechtbank over en maakt deze, na eigen afweging, tot de zijne. Niet is gebleken van feiten en/of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.
De ouders hebben in het ouderschapsplan van 16 juni 2021 afspraken gemaakt maar zijn daarbij geen zorg/contactregeling overeengekomen. Dit had er onder meer mee te maken dat de kinderen in de periode rondom de echtscheiding een instabiele tijd hadden meegemaakt. Weliswaar is er na de echtscheiding gedurende een periode contact geweest tussen de vader en de kinderen. Dit is echter medio juni 2022 gestopt. Duidelijk is dat de omstandigheden, sinds het moment dat de ouders het ouderschapsplan van 16 juni 2021 hebben opgesteld, zijn gewijzigd.
Het hof ziet, mede gezien het advies van de raad op de mondelinge behandeling, bij de kinderen op dit moment geen ruimte voor een omgangsregeling, althans een opbouw zoals de vader heeft verzocht.
Het hof ziet bij de vader niet terug dat hij begrijpt waarom er na de echtscheiding hulpverlening nodig was. Hoewel de vader graag weer contact wil met zijn kinderen, lijkt hij niet bereid om op zijn eigen handelen te reflecteren. De vader blijft de oorzaken van de problemen buiten zichzelf zoeken en gaat voorbij aan zijn eigen rol daarin. Bovendien lijkt er aan de kant van de vader enige compassie met de kinderen te ontbreken. Er is langere tijd geen contact geweest tussen de vader en de kinderen. Zij wisten niet waar hij verbleef, waardoor de kinderen in onzekerheid verkeerden. De kinderen hadden er last van wanneer de vader plotseling weer in beeld kwam. De vader lijkt niet in te zien wat dit met de kinderen heeft gedaan. Ook uit het feit dat en de wijze waarop de vader de kinderen in contact bracht met nieuwe partner(s) blijkt dat de vader geen oog heeft voor de behoeften van de kinderen.
Daarom is het van belang dat de vader, zoals de raad heeft verwoord tijdens de mondelinge behandeling, eerst leert zich te verplaatsen in de kinderen en te beseffen wat de kinderen hebben meegemaakt, wat dit met de kinderen heeft gedaan en wat hun behoeften zijn.
3.14.
Aan het verzoek een raadsonderzoek te gelasten gaat het hof voorbij. Niet alleen heeft de raad aangegeven daartoe geen aanleiding te zien, ook het hof acht zich voldoende geïnformeerd, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, om een beslissing te kunnen nemen.
3.15.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.
Proceskosten
3.16.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 26 februari 2024;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. Goes, C.N.M Antens, L.M.H. Nelissen en is op 9 januari 2025 uitgesproken in het openbaar door mr. C.N.M. Antens in tegenwoordigheid van de griffier.