Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-01-09
ECLI:NL:GHSHE:2025:32
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
4,106 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ‘S-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 9 januari 2025
Zaaknummer: 200.310.935/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/298105 / FA RK 21-4152
in de zaak in hoger beroep van:
[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. R.P.H.W. Haas,
tegen
[de moeder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R.P.F. Rober.
Deze zaak gaat over:[minderjarige 1] ( [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats] .
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,hierna te noemen: de raad.
9De tussenbeschikking van 25 april 2024
Bij die beschikking heeft het hof bepaald dat de beslissing met betrekking tot de zorgregeling tussen [minderjarige 1] en de moeder (wederom) zes maanden wordt aangehouden, tot 22 oktober 2024, in afwachting van de resultaten van de ingezette hulpverlening en daarbij is aan de raad de opdracht gegeven het onderzoek te hervatten en een definitief advies uit te brengen over de zorgregeling.
10Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
10.1.
Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:
- de brief van de zijde van de vader van 1 augustus 2024;
- het V8-formulier d.d. 24 september 2024 van de zijde van de moeder;
- het rapport van de raad d.d. 7 oktober 2024;
- het V8-formulier d.d. 22 oktober 2024 van de zijde van de vader;
- het V8-formulier d.d. 28 oktober 2024 van de zijde van de moeder;
- het V8-formulier d.d. 19 november 2024 van de zijde van de moeder.
10.2.
De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 november 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de vader, bijgestaan door mr. Haas;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
10.2.1.
De moeder en haar advocaat zijn, met bericht van afmelding, niet op de mondelinge behandeling verschenen.
10.2.2.
Het hof heeft [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en op 25 november 2024 heeft de jongste raadsheer buiten aanwezigheid van partijen en de raad met [minderjarige 1] gesproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de jongste raadsheer de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.
11De verdere beoordeling
11.1.
De raad adviseert – samengevat – als volgt. [minderjarige 1] is een zeventienjarig meisje dat in vergelijking met het vorige raadsonderzoek weliswaar is gegroeid, maar nog steeds onzeker is. [minderjarige 1] wil geen contact met de moeder en het afdwingen van dit contact lijkt gezien haar leeftijd, haar kwetsbaarheid en de blijvende strijd tussen de ouders niet in haar belang.
Op dit moment dient er dan ook geen contactregeling tussen [minderjarige 1] en de moeder te worden vastgesteld omdat [minderjarige 1] ondanks de inzet van hulpverlening niet toekomt aan het een plek geven/verwerken van ervaringen met de moeder. Zij geeft aan absoluut geen contact met de moeder te willen. Het afdwingen van dergelijk contact bij haar kan leiden tot het onvoldoende kunnen profiteren van de therapie die zij op dit moment volgt. Dit advies ten aanzien van de zorgregeling tussen [minderjarige 1] en de moeder laat onverlet dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] elkaar nog steeds missen. Het lukt de ouders en de kinderen niet om tot een afspraak te komen over het contact tussen de kinderen onderling. Het is echter wenselijk dat de kinderen elkaar zien, bijvoorbeeld eens per maand bij de McDonald’s in de buurt waar [minderjarige 2] woont. De raad heeft overwogen om een beschermingsonderzoek naar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in te stellen om het contact tussen de kinderen te realiseren. Dit is echter een te zware maatregel, temeer nu de ontwikkeling van [minderjarige 1] weliswaar nog wordt bedreigd, maar niet meer zo ernstig als in het vorige raadsonderzoek, en er zijn geen aanwijzingen dat de ontwikkeling van [minderjarige 2] in de situatie bij de moeder ernstig wordt bedreigd.
Als de vader een verzoek bij de rechtbank indient tot vaststelling van een zorgregeling tussen hem en [minderjarige 1] enerzijds en [minderjarige 2] anderzijds, en de moeder met dit verzoek niet instemt, dan zal de raad (opnieuw) een onderzoek kunnen doen dat gericht zal zijn op de (on)mogelijkheden van contact tussen de kinderen en/of tussen de vader en [minderjarige 2] .
11.2.
De vader voert – samengevat – het volgende aan. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vader zijn verzoek in hoger beroep gewijzigd in zoverre dat hij conform het advies van de raad het hof verzoekt om de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de zorgregeling tussen [minderjarige 1] en de moeder betreft en opnieuw rechtdoende te bepalen dat er geen zorgregeling tussen [minderjarige 1] en de moeder wordt vastgesteld. Dit gewijzigde verzoek laat onverlet dat de vader zich ernstig zorgen maakt over het gebrek aan contact met [minderjarige 2] , zowel vanuit de vader als vanuit [minderjarige 1] . Hoewel de vader zich realiseert dat in hoger beroep formeel geen verzoek voorligt ten aanzien van [minderjarige 2] , heeft de situatie al sinds het begin van de onderhavige procedure ook betrekking op [minderjarige 2] en is hij in een eerder stadium in deze procedure daarom bijvoorbeeld ook betrokken in het raadsonderzoek.
De situatie is inmiddels zo dat er al drie jaar geen contact is tussen de kinderen onderling alsmede met hun niet dagelijks verzorgende ouder. De vrijwillige hulpverlening die is ingezet om contactherstel te realiseren heeft gefaald en dat is te wijten aan de moeder.
Als een nieuwe procedure starten de enige weg is om het contact met [minderjarige 2] te herstellen, dan zal de vader moeten berusten in het feit dat er geen contact is tussen hem en [minderjarige 2] nu hij moe is gestreden door eerder gevoerde procedures en de onderhavige procedure. De vader hoopt echter nog steeds dat het in ieder geval mogelijk is om een afspraak te maken over het contact tussen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] of dat de raad hiernaar alsnog ambtshalve onderzoek doet.
11.3.
De moeder voert – samengevat – het volgende aan. De moeder kan zich verenigen met het advies van de raad om geen zorgregeling tussen haar en [minderjarige 1] vast te stellen.
Dictum
Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 4 mei 2022 voor zover het de afwijzing van het verzoek van de vader met betrekking tot de zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 1] en de moeder betreft;
en in zoverre opnieuw rechtdoende;
wijzigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 25 mei 2021 (waarbij een co-ouderschapsregeling was vastgesteld waarbij [minderjarige 1] de ene week bij de vader en de andere week bij de moeder zal verblijven) in die zin dat er vanaf heden geen zorgregeling geldt tussen de moeder en [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats]
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, G.M. Goes en L.M.H. Nelissen en is in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2025 in tegenwoordigheid van
de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF ‘S-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 9 januari 2025
Zaaknummer: 200.310.935/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/298105 / FA RK 21-4152
in de zaak in hoger beroep van:
[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. R.P.H.W. Haas,
tegen
[de moeder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R.P.F. Rober.
Deze zaak gaat over:[minderjarige 1] ( [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats] .
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,hierna te noemen: de raad.
9De tussenbeschikking van 25 april 2024
Bij die beschikking heeft het hof bepaald dat de beslissing met betrekking tot de zorgregeling tussen [minderjarige 1] en de moeder (wederom) zes maanden wordt aangehouden, tot 22 oktober 2024, in afwachting van de resultaten van de ingezette hulpverlening en daarbij is aan de raad de opdracht gegeven het onderzoek te hervatten en een definitief advies uit te brengen over de zorgregeling.
10Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
10.1.
Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:
- de brief van de zijde van de vader van 1 augustus 2024;
- het V8-formulier d.d. 24 september 2024 van de zijde van de moeder;
- het rapport van de raad d.d. 7 oktober 2024;
- het V8-formulier d.d. 22 oktober 2024 van de zijde van de vader;
- het V8-formulier d.d. 28 oktober 2024 van de zijde van de moeder;
- het V8-formulier d.d. 19 november 2024 van de zijde van de moeder.
10.2.
De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 november 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de vader, bijgestaan door mr. Haas;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
10.2.1.
De moeder en haar advocaat zijn, met bericht van afmelding, niet op de mondelinge behandeling verschenen.
10.2.2.
Het hof heeft [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en op 25 november 2024 heeft de jongste raadsheer buiten aanwezigheid van partijen en de raad met [minderjarige 1] gesproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de jongste raadsheer de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.
11De verdere beoordeling
11.1.
De raad adviseert – samengevat – als volgt. [minderjarige 1] is een zeventienjarig meisje dat in vergelijking met het vorige raadsonderzoek weliswaar is gegroeid, maar nog steeds onzeker is. [minderjarige 1] wil geen contact met de moeder en het afdwingen van dit contact lijkt gezien haar leeftijd, haar kwetsbaarheid en de blijvende strijd tussen de ouders niet in haar belang.
Op dit moment dient er dan ook geen contactregeling tussen [minderjarige 1] en de moeder te worden vastgesteld omdat [minderjarige 1] ondanks de inzet van hulpverlening niet toekomt aan het een plek geven/verwerken van ervaringen met de moeder. Zij geeft aan absoluut geen contact met de moeder te willen. Het afdwingen van dergelijk contact bij haar kan leiden tot het onvoldoende kunnen profiteren van de therapie die zij op dit moment volgt. Dit advies ten aanzien van de zorgregeling tussen [minderjarige 1] en de moeder laat onverlet dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] elkaar nog steeds missen. Het lukt de ouders en de kinderen niet om tot een afspraak te komen over het contact tussen de kinderen onderling. Het is echter wenselijk dat de kinderen elkaar zien, bijvoorbeeld eens per maand bij de McDonald’s in de buurt waar [minderjarige 2] woont. De raad heeft overwogen om een beschermingsonderzoek naar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in te stellen om het contact tussen de kinderen te realiseren. Dit is echter een te zware maatregel, temeer nu de ontwikkeling van [minderjarige 1] weliswaar nog wordt bedreigd, maar niet meer zo ernstig als in het vorige raadsonderzoek, en er zijn geen aanwijzingen dat de ontwikkeling van [minderjarige 2] in de situatie bij de moeder ernstig wordt bedreigd.
Als de vader een verzoek bij de rechtbank indient tot vaststelling van een zorgregeling tussen hem en [minderjarige 1] enerzijds en [minderjarige 2] anderzijds, en de moeder met dit verzoek niet instemt, dan zal de raad (opnieuw) een onderzoek kunnen doen dat gericht zal zijn op de (on)mogelijkheden van contact tussen de kinderen en/of tussen de vader en [minderjarige 2] .
11.2.
De vader voert – samengevat – het volgende aan. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vader zijn verzoek in hoger beroep gewijzigd in zoverre dat hij conform het advies van de raad het hof verzoekt om de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de zorgregeling tussen [minderjarige 1] en de moeder betreft en opnieuw rechtdoende te bepalen dat er geen zorgregeling tussen [minderjarige 1] en de moeder wordt vastgesteld. Dit gewijzigde verzoek laat onverlet dat de vader zich ernstig zorgen maakt over het gebrek aan contact met [minderjarige 2] , zowel vanuit de vader als vanuit [minderjarige 1] . Hoewel de vader zich realiseert dat in hoger beroep formeel geen verzoek voorligt ten aanzien van [minderjarige 2] , heeft de situatie al sinds het begin van de onderhavige procedure ook betrekking op [minderjarige 2] en is hij in een eerder stadium in deze procedure daarom bijvoorbeeld ook betrokken in het raadsonderzoek.
De situatie is inmiddels zo dat er al drie jaar geen contact is tussen de kinderen onderling alsmede met hun niet dagelijks verzorgende ouder. De vrijwillige hulpverlening die is ingezet om contactherstel te realiseren heeft gefaald en dat is te wijten aan de moeder.
Als een nieuwe procedure starten de enige weg is om het contact met [minderjarige 2] te herstellen, dan zal de vader moeten berusten in het feit dat er geen contact is tussen hem en [minderjarige 2] nu hij moe is gestreden door eerder gevoerde procedures en de onderhavige procedure. De vader hoopt echter nog steeds dat het in ieder geval mogelijk is om een afspraak te maken over het contact tussen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] of dat de raad hiernaar alsnog ambtshalve onderzoek doet.
11.3.
De moeder voert – samengevat – het volgende aan. De moeder kan zich verenigen met het advies van de raad om geen zorgregeling tussen haar en [minderjarige 1] vast te stellen.
Dictum
Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 4 mei 2022 voor zover het de afwijzing van het verzoek van de vader met betrekking tot de zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 1] en de moeder betreft;
en in zoverre opnieuw rechtdoende;
wijzigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 25 mei 2021 (waarbij een co-ouderschapsregeling was vastgesteld waarbij [minderjarige 1] de ene week bij de vader en de andere week bij de moeder zal verblijven) in die zin dat er vanaf heden geen zorgregeling geldt tussen de moeder en [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats]
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, G.M. Goes en L.M.H. Nelissen en is in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2025 in tegenwoordigheid van
de griffier.