Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-11-04
ECLI:NL:GHSHE:2025:3154
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.338.308/01 arrest van 4 november 2025 in de zaak van 1 [XX] HOLDING B.V. gevestigd te [vestigingsplaats] , 2. [appellant sub 2] , wonende te [woonplaats] , appellanten in principaal hoger beroep, geïntimeerden in incidenteel hoger beroep, hierna in gezamenlijk enkelvoud te noemen [appellant] , advocaat: mr. B.H.A. Augustin te Urmond, gemeente Stein, tegen Hair Science Institute B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellante in incidenteel hoger beroep, hierna te noemen Hair Science, advocaat: mr. M. van Sintmaartensdijk te Maastricht, op het bij exploot van dagvaarding van 23 februari 2025 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 31 januari 2024, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellant] als eisers en Hair Science als gedaagde. 1 De kern van de zaak 1.1. Hair Science heeft tot 1 januari 2022 een bedrijfsruimte gehuurd van [appellant] . Volgens [appellant] was het pand na het vertrek van Hair Science in een zo slechte staat dat het niet meer verhuurbaar was. [appellant] heeft daardoor herstelkosten gemaakt en huur gederfd. In hoger beroep heeft [appellant] daaraan toegevoegd dat met Hair Science was afgesproken dat zij het pand nog drie jaar langer zou huren. Daarnaast had Hair Science volgens [appellant] door hem voorgeschoten onroerendezaakbelasting (verder “OZB”) niet betaald. [appellant] vordert een schadevergoeding van € 116.987,35. 1.2. In eerste aanleg heeft de kantonrechter van die vordering € 23.339,36 toegewezen. Dat betreft de OZB en een deel van de gestelde schade door noodzakelijke herstelwerkzaamheden aan het pand. De rest van de schades en dat het pand onverhuurbaar was geweest, konden volgens de kantonrechter niet worden vastgesteld. 1.3. [appellant] wil in hoger beroep ook de rest van de schade vergoed te krijgen. Hair Science wil in hoger beroep dat de OZB en een deel van de toegewezen schadeposten alsnog worden afgewezen. 1.4. Het hof komt echter tot hetzelfde oordeel als de kantonrechter. De overige schade en ook de afspraak dat Hair Science nog drie jaar langer zou blijven huren en 50% van de nieuwe luchtbehandelingsinstallatie zou betalen kunnen niet worden vastgesteld. Anderzijds slaagt Hair Science er niet in de post OZB en de door haar bestreden schadeposten in voldoende mate te ontkrachten. Het vonnis van de kantonrechter zal worden bekrachtigd. 2 Het verloop van het geding 2.1. Voor het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 10571173 CV EXPL 23-2619) verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2.2. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven met vermeerdering van grondslag van eis en producties 1 t/m 16; de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met een productie; de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep; de nagekomen producties 17 en 18 van [appellant] ; de brief 19 augustus 2025 van mr. Augustin inhoudende een vermeerdering van eis, met productie 19; de mondelinge behandeling, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3 De feiten 3.1. De kantonrechter heeft in overweging 2.1 t/m 2.5 van het vonnis de feiten vastgesteld waarvan bij de beoordeling van dit geschil wordt uitgegaan. Tegen deze vaststelling heeft geen van beide partijen een grief geformuleerd. Het hof gaat daarom uit van diezelfde feiten en verwijst daartoe naar het vonnis. 3.2. In aanvulling daarop stelt het hof de volgende nadere feiten vast. 3.3. Op 31 december 2021, daags voor het einde van de huurovereenkomst, heeft deurwaarder Schaeken uit Helmond een opname gedaan van het pand en daarvan proces-verbaal (verder het “proces-verbaal van opname”) opgemaakt. [appellant] was uitgenodigd om bij die opname aanwezig te z In randnummer 3.21 van de memorie van antwoord, tevens grieven in het incidenteel appel, schrijft Hair Science immers, voor zover hier van belang: “De feitelijke grondslag is (…) in hogere beroep een volledig andere dan in eerste aanleg. De eis is door [appellant] echter niet gewijzigd, althans dat staat niet met zoveel woorden in de memorie van grieven”. De constatering van Hair Science is op zich juist, maar kwalificeert niet als een formeel bezwaar op processuele gronden tegen de toelaatbaarheid van de vermeerdering van eis. Daar komt bij dat Hair Science in de daarop volgende randnummers inhoudelijk verweer voert tegen de aanvullende grondslag. 5.5. Gezien het voorgaande en het feit dat [appellant] zijn eisvermeerdering in zijn eerste (inhoudelijke) processtuk in hoger beroep heeft gedaan, en nu de eisvermeerdering ook overigens niet in strijd is met de eisen van de goede procesorde, staat het hof deze vermeerdering van eis toe. 5.6. Op 19 augustus 2025 heeft de advocaat van [appellant] vervolgens een brief gezonden aan de griffier van het hof. [appellant] zegt daarin zijn oorspronkelijk vordering om Hair Science te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 50.000,00 wegens huurderving als gevolg van onverhuurbaarheid, te willen wijzigen in een vordering tot betaling van € 615.162,50 wegens huurderving. Daarnaast voegt [appellant] een nieuwe vordering toe, namelijk betaling van € 87.916,70 ter zake de hiervoor onder 5.2 genoemde luchtbehandelingsinstallatie. 5.7. Ook dit zijn eisvermeerderingen, maar deze staat het hof niet toe. Nog daargelaten of de brief van 19 augustus 2025 valt aan te merken als een processtuk waarmee een eiswijziging kan worden gedaan, en het formele bezwaar van Hair Science tegen deze tweede set eiswijzigingen, staat de in artikel 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-regel aan toelating van deze eisvermeerderingen in de weg. Dit artikel beperkt de aan oorspronkelijk eiser toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van eis in hoger beroep in die zin, dat hij in beginsel zijn eis niet later dan in zijn memorie van grieven of antwoord mag veranderen of vermeerderen. Omstandigheden die afwijking van deze regel rechtvaardigen zijn niet gesteld of gebleken. 5.8. Het gevolg van wat hiervoor in r.o. 5.6 en 5.7 is overwogen, is dat het hof in het navolgende de stellingen omtrent de luchtbehandelingsinstallatie onbesproken zal laten. [appellant] heeft de feitelijke en juridische grondslagen voor deze vordering weliswaar wel al bij memorie van grieven gesteld, maar daar toen geen concrete eis aan verbonden. Het op die grondslag door [appellant] gevorderde bedrag valt niet onder een van de toen al wel gevorderde posten te brengen. Ook niet onder die ter zake gederfde huur. Pas in de brief van 19 augustus 2025 voorziet [appellant] de kwestie van de luchtbehandelingsinstallatie van een, geheel op zichzelf staande, concrete vordering. Die eisvermeerdering is echter zoals hiervoor overwogen niet toelaatbaar. 5.9. Het hof zal hierna dus oordelen op basis van: - (mede) de aanvullende grondslag (voor zover dit betreft de afspraak dat drie jaar langer gehuurd zou worden) uit de memorie van grieven in het principaal hoger beroep; - het ongewijzigde petitum, zoals geformuleerd in de dagvaarding in eerste aanleg. De grieven I en II (lampen & armaturen en cilindersloten) 5.10. Met deze grieven komt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] zijn stelling dat de lampen en armaturen in het gebouw na het vertrek van Hair Science gebreken vertoonden (r.o. 4.2 van het vonnis) en dat een veelvoud van de cilindersloten in het pand defect was en vervangen moesten worden (r.o. 4.7 van het vonnis), in het licht van het verweer van Hair Science, onvoldoende gemotiveerd heeft gehandhaafd. 5.11. Deze grieven falen. In eerste aanleg heeft [appellant] ter onderbouwing van zijn stellingen aan aantal facturen in het geding gebracht. Weliswaar kan daaruit worden opgemaakt dat bepaalde kosten zij Ten aanzien van de gestelde afspraak dat Hair Science het pand nog drie jaar zou blijven huren geldt het volgende. [appellant] stelt dat dat hij deze afspraak mondeling met [persoon A] , bestuurder van Hair Science heeft gemaakt. Ter onderbouwing van zijn stelling verwijst [appellant] naar twee gesprekken die hij op respectievelijk 20 juni en 23 oktober 2023, speciaal hierover, met [persoon A] heeft gevoerd. De geluidsopnames en transcripties van die gesprekken heeft [appellant] respectievelijk als producties 12 en 13 in hoger beroep in het geding gebracht. 5.23. Het hof heeft kennis genomen van de geluidsopnames en transcripties en stelt vast dat [persoon A] nergens in een van die gesprekken erkent een dergelijke afspraak namens Hair Science te hebben gemaakt. Wel zegt [persoon A] in het gesprek op 20 juni 2023 “ Natuurlijk, hè, want dat lag ook buiten mijn bevoegdheid ” (productie 12 bij memorie van grieven in principaal hoger beroep, 02:04:32). Ook blijkt uit de opnames en transcripties dat er ook nooit een formeel besluit genomen is door Hair Science over de door [appellant] gestelde verlenging van de huurovereenkomst. Het hof stelt verder vast dat de door [appellant] gestelde afspraken, waarmee een aanzienlijk bedrag/belang was gemoeid, nergens schriftelijk tussen partijen zijn vastgelegd, hetgeen tussen zakelijk opererende ondernemingen voor de hand had gelegen. 5.24. Daar staat de gemotiveerde betwisting door Hair Science tegenover, die zij onderbouwt met het proces-verbaal van het op 31 maart 2024 gehouden voorlopig getuigenverhoor van [persoon A] . Bij dat verhoor heeft [persoon A] verklaard: “De onderwerpen verdeling van de kosten en verlenging van de huurovereenkomst zijn beide door de heer [appellant] opgeworpen. De verlenging van de huurovereenkomst was vanuit HSI [Hair Science: hof], in het bijzonder de grootaandeelhouder, niet bespreekbaar. Zodra de huurovereenkomst zou eindigen zou HSI niet meer willen blijven.” 5.25. In het licht van de gemotiveerde betwisting door Hair Science, die met de beëdigde verklaring van [persoon A] is onderbouwd, heeft [appellant] ten aanzien zijn stelling dat (hij er ten minste gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat) met Hair Science overeengekomen was dat zij het pand nog drie jaar zou blijven huren, onvoldoende gesteld. Aan bewijsvoering (zoals door [appellant] voor het eerst ter zitting van het hof in algemene bewoordingen aangeboden) komt het hof daarom niet toe. 5.26. Deze proceskostenveroordeling zal, zoals verzocht, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Het incidenteel hoger beroep Grief 1 5.27. Met deze grief komt Hair Science op tegen het oordeel van de kantonrechter in r.o. 4.3 t/m 4.5 van het vonnis, dat zij – samengevat – door [appellant] betaalde OZB moet (terug)betalen. 5.28. Deze grief faalt. Het verweer van Hair Science tegen de vordering van [appellant] op dit punt valt in twee delen uiteen. Het eerste deel betreft het zogenaamde landhuis, het gedeelte van het gehuurde waar Hair Science zelf direct gebruik van maakte. De gebruikersbelasting met betrekking tot dit pand zou Hair Science volledig zelf hebben betaald. De productie waarnaar Hair Science ter onderbouwing verwijst, heeft zij echter niet in deze procedure (ook niet alsnog in dit hoger beroep) ingebracht. Daartegenover staan door [appellant] in het geding gebrachte stukken, te weten aanslagen, waaruit blijkt dat [appellant] voor die bedragen is aangeslagen. Hair Science heeft haar verweer dan ook onvoldoende gemotiveerd. 5.29. Het tweede gedeelte betreft het zogenaamde koetshuis. Dat deel van het gehuurde werd door Hair Science onderverhuurd. Hair Science stelt zich op het standpunt dat haar onderhuurders de gebruikersbelasting hadden moeten betalen en hebben betaald en dat [appellant] zich, voor zover hij die aanslagen heeft voldaan maar op hen moet verhalen. Dat de onderhuurders de aanslagen zelf hebben betaald, heeft Hair Science echter op geen enkele manier onderbouwd. Dat is niet meer dan een blot