Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-11-07
ECLI:NL:GHSHE:2025:3129
Strafrecht
Hoger beroep
2,712 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-000842-22
Uitspraak : 7 november 2025
Arrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 5 april 2022, in de strafzaak met parketnummer 01-997010-20 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] [in het jaar] 1966,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de meervoudige economische kamer van de rechtbank de onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde feiten bewezenverklaard, dit gekwalificeerd als:
aan haar schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragen (feit 1 primair);
overtreding van voorschriften gesteld krachtens artikel 4 van de Warenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen (feit 2 primair),
en de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, waarvan 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Met de behandeling van de onderhavige strafzaak is op de pro forma-zitting van 9 augustus 2024 een aanvang genomen, met een nadere pro forma-zitting op 11 juli 2025. Op geen van deze terechtzittingen heeft echter een inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsgevonden.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep.
Het hof heeft (onder meer) kennisgenomen van:
hetgeen schriftelijk door de verdediging naar voren is gebracht in de e-mailberichten van 12 juni 2025, 29 augustus 2025 en 23 oktober 2025 van de raadsman van de verdachte;
het schriftelijke standpunt van de advocaat-generaal bij e-mailbericht van 9 september 2025 en haar vordering ter terechtzitting van 24 oktober 2025.
De raadsman van de verdachte heeft in voornoemde e-mailberichten van 12 juni 2025 en 29 augustus 2025 naar voren gebracht dat de verdachte met de verzekeraars van de slachtoffers een schadeafwikkeling is overeengekomen (welke schriftelijke vaststellingsovereenkomst aan het hof is toegestuurd), dat de eerste termijnbetaling inmiddels is voldaan, dat de verdachte het hoger beroep derhalve wenst in te trekken en dat wordt verzocht de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep.
De advocaat-generaal heeft op 9 september 2025 bericht dat – gelet op voornoemde omstandigheden en voorts omdat door het Openbaar Ministerie zelf geen hoger beroep is ingesteld en er geen zwaarwegende algemene belangen zijn die in de weg staan aan het intrekken van het hoger beroep door de verdachte – het Openbaar Ministerie zich niet verzet tegen intrekking van het hoger beroep.
De raadsman heeft daarop op 23 oktober 2025 bericht dat de zaak buiten aanwezigheid van de verdachte en de raadsman kan worden afgedaan, zoals voorgenomen.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 24 oktober 2025 gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep, wegens gebrek aan belang daarbij.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Uit hetgeen door de verdediging in de e-mailberichten van 12 juni 2025 en 29 augustus 2025 naar voren is gebracht, is het hof gebleken dat de verdachte geen belang meer hecht aan een inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep.
Het hof overweegt dat het onderzoek ter terechtzitting formeel op 9 augustus 2024 reeds is aangevangen, zodat het ingestelde hoger beroep niet meer kan worden ingetrokken. Echter, het hof is van oordeel dat op die terechtzitting noch op de daarop volgende zitting op 11 juli 2025 sprake was van een behandeling van de zaak ten gronde. In aanmerking genomen voorts dat:
alleen de verdachte tegen het vonnis hoger beroep heeft ingesteld en dat de verdachte, blijkens hetgeen naar voren is gebracht, geen belang meer heeft bij de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep;
het Openbaar Ministerie heeft gevorderd de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep;
zal het hof, nu het belang van de verdachte noch enig ander rechtens te beschermen belang gediend is met een behandeling van het hoger beroep, toepassing geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en zal het hof het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.
Dictum
Het hof:
Verklaart het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gewezen door:
mr. A.R. Hartmann, voorzitter,
mr. M.M. Koevoets en mr. A. Muller, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,
en op 7 november 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Parketnummer : 20-000842-22
Uitspraak : 7 november 2025
Arrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 5 april 2022, in de strafzaak met parketnummer 01-997010-20 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] [in het jaar] 1966,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de meervoudige economische kamer van de rechtbank de onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde feiten bewezenverklaard, dit gekwalificeerd als:
aan haar schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragen (feit 1 primair);
overtreding van voorschriften gesteld krachtens artikel 4 van de Warenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen (feit 2 primair),
en de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, waarvan 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Met de behandeling van de onderhavige strafzaak is op de pro forma-zitting van 9 augustus 2024 een aanvang genomen, met een nadere pro forma-zitting op 11 juli 2025. Op geen van deze terechtzittingen heeft echter een inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsgevonden.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep.
Het hof heeft (onder meer) kennisgenomen van:
hetgeen schriftelijk door de verdediging naar voren is gebracht in de e-mailberichten van 12 juni 2025, 29 augustus 2025 en 23 oktober 2025 van de raadsman van de verdachte;
het schriftelijke standpunt van de advocaat-generaal bij e-mailbericht van 9 september 2025 en haar vordering ter terechtzitting van 24 oktober 2025.
De raadsman van de verdachte heeft in voornoemde e-mailberichten van 12 juni 2025 en 29 augustus 2025 naar voren gebracht dat de verdachte met de verzekeraars van de slachtoffers een schadeafwikkeling is overeengekomen (welke schriftelijke vaststellingsovereenkomst aan het hof is toegestuurd), dat de eerste termijnbetaling inmiddels is voldaan, dat de verdachte het hoger beroep derhalve wenst in te trekken en dat wordt verzocht de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep.
De advocaat-generaal heeft op 9 september 2025 bericht dat – gelet op voornoemde omstandigheden en voorts omdat door het Openbaar Ministerie zelf geen hoger beroep is ingesteld en er geen zwaarwegende algemene belangen zijn die in de weg staan aan het intrekken van het hoger beroep door de verdachte – het Openbaar Ministerie zich niet verzet tegen intrekking van het hoger beroep.
De raadsman heeft daarop op 23 oktober 2025 bericht dat de zaak buiten aanwezigheid van de verdachte en de raadsman kan worden afgedaan, zoals voorgenomen.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 24 oktober 2025 gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep, wegens gebrek aan belang daarbij.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Uit hetgeen door de verdediging in de e-mailberichten van 12 juni 2025 en 29 augustus 2025 naar voren is gebracht, is het hof gebleken dat de verdachte geen belang meer hecht aan een inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep.
Het hof overweegt dat het onderzoek ter terechtzitting formeel op 9 augustus 2024 reeds is aangevangen, zodat het ingestelde hoger beroep niet meer kan worden ingetrokken. Echter, het hof is van oordeel dat op die terechtzitting noch op de daarop volgende zitting op 11 juli 2025 sprake was van een behandeling van de zaak ten gronde. In aanmerking genomen voorts dat:
alleen de verdachte tegen het vonnis hoger beroep heeft ingesteld en dat de verdachte, blijkens hetgeen naar voren is gebracht, geen belang meer heeft bij de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep;
het Openbaar Ministerie heeft gevorderd de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep;
zal het hof, nu het belang van de verdachte noch enig ander rechtens te beschermen belang gediend is met een behandeling van het hoger beroep, toepassing geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en zal het hof het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.
Dictum
Het hof:
Verklaart het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gewezen door:
mr. A.R. Hartmann, voorzitter,
mr. M.M. Koevoets en mr. A. Muller, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,
en op 7 november 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.