Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-02-05
ECLI:NL:GHSHE:2025:306
Strafrecht
Hoger beroep
8,454 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-001084-24
Uitspraak : 5 februari 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 16 april 2024 in de strafzaak met parketnummer 03-283180-20 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte ter zake van:
- handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegden handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
(feit 1);
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II (feit 2);
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (feit 3);
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd (feit 4),
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde onder 1 tot en met 4 bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, met aftrek van het voorarrest. Ten aanzien van het beslag heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de inbeslaggenomen wapens, munitie en het kogelwerend vest onttrokken dienen te worden aan het verkeer en dat de inbeslaggenomen stepjes bewaard dienen te worden ten behoeve van de rechthebbende.
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van alle tenlastegelegde feiten. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Blijkens de akte instellen hoger beroep d.d. 18 april 2024 is het hoger beroep namens de verdachte onbeperkt ingesteld. De rechtbank heeft de verdachte ten aanzien van feit 1 vrijgesproken van het voorhanden hebben van 37 knalpatronen omdat deze per abuis tweemaal zijn opgenomen in de tenlastelegging. Het hof is van oordeel dat deze vrijspraak een beschermde vrijspraak betreft.
Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit hiertegen is gericht.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat nog aan het oordeel van het hof is onderworpen
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de opgelegde straf. Het hof zal tevens een beslissing nemen ten aanzien van het beslag nu de rechtbank daarop nog niet heeft beslist. Gelet op het voorgaande zal het hof ook de toepasselijke wettelijke voorschriften opnieuw opnemen.
Bewezenverklaring
Het hof heeft geconstateerd dat de rechtbank de verbeterde lezing van het onder feit 4 tenlastegelegde abusievelijk niet heeft overgenomen in de bewezenverklaring van dit feit op pagina 7 van het vonnis. Het hof zal deze kennelijke misslag in de bewezenverklaring verbeteren en verbeterd lezen, met dien verstande dat de bewezenverklaring van het onder feit 4 tenlastegelegde als volgt komt te luiden:
dat de verdachte op 8 november 2020 te Venlo wapens van categorie I, onder 7°, van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk- een veerdrukpistool dat een sprekende gelijkenis vertoont met een pistool van het merk Colt, type 1911 Al-special, en- een veerdrukmachinepistool dat een sprekende gelijkenis vertoont met een machinepistool van het merk Brugger en Thomet, type MP9-N,voorhanden heeft gehad.
Aanvulling en verbetering van de bewijsmiddelen
Het hof heeft geconstateerd dat de verwijzingen naar de vindplaatsen van de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen op onderdelen aanvulling dan wel wijziging behoeven in de volgende zin:
- het onder voetnoot 2 op pagina 2 van het vonnis opgenomen bewijsmiddel komt te luiden als volgt: ‘Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 november 2020, met bijlagen, pagina 56 tot en met 65’;
- het onder voetnoot 14 op pagina 3 van het vonnis opgenomen bewijsmiddel komt te luiden als volgt: ‘Het proces-verbaal relaterende een onderzoek aan de op pagina nr. 1 vermelde voorwerpen d.d. 17 december 2020, pagina 236 en 237’;
- het hof voegt op pagina 3 van het vonnis in voetnoot 15 na ‘pagina’ in: 198 en 199.
Aan de laatste zin op pagina 4 van het vonnis wordt na “(…) in de woning” en voor “(…) aangetroffen.” toegevoegd: “aan [adres 2] ”. Hierna wordt een zinsnede toegevoegd, luidende:
“Uit de SKDB-staat van de verdachte d.d. 31 oktober 2024 blijkt dat hij van 29 juni 2020 tot 20 april 2021, en derhalve ook op 8 november 2020, op dat adres stond ingeschreven.” Na deze zinsnede wordt een voetnoot ingevoegd, te weten: voetnoot 30, luidende: De SKDB-staat van de verdachte d.d. 31 oktober 2024”.
Voetnoot 30 op pagina 5 van het vonnis wordt gewijzigd in voetnoot 31, wordt verplaatst en wordt ingevoegd na “(…) hem was, hing.”
Het hof voegt op pagina 5 van het vonnis na “(…) zoals een step.” het volgende toe:
“Voorts heeft de verdachte ter terechtzitting van 4 november 2022 verklaard dat [getuige] de hoofdbewoner van de woning aan [adres 2] was en dat de verdachte er ook woonde. De verdachte gebruikt tijdens deze zitting het woord ‘thuis’ wanneer hij het heeft over de woning aan [adres 2] .”
Hierna wordt (na “woning aan [adres 2] ”) een voetnoot, te weten: voetnoot 32, luidende: ‘Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 4 november 2022’ toegevoegd.
Verbetering van de bewijsoverwegingen
Dictum
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Het hof sluit zich aan bij de bewijsoverwegingen van de rechtbank met verbetering van onderstaand punt.
Het hof schrapt uit de bewijsoverweging van de rechtbank op pagina 6, tweede alinea, de volgende zinnen:
“Zijn verklaring omtrent het aangetroffen DNA maakt evenmin indruk op de rechtbank. Op geen enkel moment werd immers geconcretiseerd hoe het DNA van de verdachte op het wapen terecht kan zijn gekomen. Het enkel in algemene termen stellen dat het wel via de secundaire overdracht moet zijn gebeurd, is onvoldoende om die concreetheidseis te halen. Het aangetroffen daderspoor van de verdachte vraagt om meer dan slechts algemeenheden. Het vraagt om een duidelijk scenario door de verdachte geschetst nu zijn daderspoor op het pistool is aangetroffen. En dat is uitgebleven.”
en vervangt deze zinnen door:
“Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, nu de verdachte een alternatieve verklaring heeft voor het aantreffen van zijn DNA op het wapen in de schuur. Het DNA van de verdachte zou via secundaire overdracht op dat wapen zijn terechtgekomen. De raadsman brengt als alternatief scenario naar voren dat het DNA van de verdachte waarschijnlijk in de – door hem gedragen – handschoen zat. Doordat het wapen in de schuur in die handschoen is gedaan, is het DNA van de verdachte op de ruwe delen van het wapen terechtgekomen.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit de deskundigenrapportage van het TMFI d.d. 10 november 2020 is komen vast te staan dat het DNA van de verdachte op de ruwe delen en de trekker van het vuurwapen in de schuur van zijn woning is aangetroffen en dat het DNA-hoofdprofiel matcht met het DNA-profiel van de verdachte. Het aantreffen van dit daderspoor van de verdachte vraagt om meer uitleg dan een enkele suggestie over hoe het DNA van de verdachte mogelijk op het wapen terecht zou kunnen zijn gekomen. Het hof acht het alternatieve scenario van de verdachte dan ook niet aannemelijk geworden en schuift dit terzijde.”
Aanvullende bewijsoverweging
Aan de bewijsoverwegingen van de rechtbank wordt het volgende toegevoegd.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging, in reactie op het door de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep ingenomen en later weer ingetrokken standpunt dat de verklaring van [getuige] op pagina 163 van het eindproces-verbaal, naast de reeds door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen, voor de bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten van belang is, een verzoek gedaan tot het horen van [getuige] als getuige. Gelet hierop begrijpt het hof dit verzoek van de verdediging als een voorwaardelijk verzoek.
Aan een beoordeling van dit voorwaardelijke verzoek wordt niet toegekomen, nu aan de voorwaarde waaronder dit verzoek is geformuleerd, dat de verklaring van [getuige] op pagina 163 van het eindproces-verbaal voor het bewijs zal worden gebezigd, niet is voldaan.
Op te leggen straf
De advocaat-generaal heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, met aftrek van het voorarrest.
De verdediging heeft het hof verzocht ingeval van een bewezenverklaring een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. In het bijzonder is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan
– kort gezegd – het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid wapens en munitie.
Het ongecontroleerde bezit daarvan brengt een onaanvaardbaar risico met zich mee voor de veiligheid van personen en een aanzienlijke bedreiging voor een veilige samenleving, omdat het bezit van wapens en munitie maar al te vaak leidt tot daadwerkelijk gebruik daarvan, met alle vaak onherstelbare gevolgen van dien. Het hof betrekt daarbij in strafverzwarende zin dat de munitie die werd aangetroffen in de slaapkamer van de verdachte geschikt was om te worden afgevuurd met het wapen dat zich in de schuur bij de woning bevond, waarop het DNA van de verdachte werd aangetroffen, en dat in de slaapkamer van de verdachte ook een daarbij passende patroonhouder werd aangetroffen. Voorts weegt het hof in strafverzwarende zin mee dat zich onder de aangetroffen wapens in de garagebox ook twee op een vuurwapen gelijkende voorwerpen bevonden.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 31 oktober 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt weliswaar dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld, maar voor andersoortige delicten. Uit voornoemd uittreksel blijkt voorts dat het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Ook daarmee heeft het hof rekening gehouden.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit het onderzoek ter terechtzitting is hieromtrent met name aannemelijk geworden dat de verdachte bij zijn moeder woont, een opleiding volgt en een eigen bedrijf(je) heeft.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Bij de beslissing omtrent de aard en omvang van de op te leggen straf heeft het hof tevens kennis genomen van de binnen de rechtspraak ontwikkelde LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting. Deze oriëntatiepunten geven thans als indicatie voor de op te leggen straf bij het voorhanden hebben van een pistool van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie (in een woning): een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden en voor het voorhanden hebben van een gaspistool, zoals ten aanzien van de twee andere onder feit 1 tenlastegelegde wapens is bewezenverklaard, telkens een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een maand. Voor de overige aangetroffen wapens en munitie kunnen als indicatie geldboetes worden opgelegd.
Al het vorenstaande afwegende acht het hof in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak als volgt.
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van (vijf) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
de op de aangehechte beslaglijst vermelde wapens, munitie, patroonhouder en vest (onder de nummers 1 tot en met 14 en 21);
gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
het op de aangehechte beslaglijst vermelde speelgoed (de stepjes onder de nummers 15 tot en met 20);
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorenoverwogene.
Dit arrest is gewezen door:
mr. A. Muller, voorzitter,
mr. T. van de Woestijne en mr. J.J. Peters, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 5 februari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Parketnummer : 20-001084-24
Uitspraak : 5 februari 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 16 april 2024 in de strafzaak met parketnummer 03-283180-20 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte ter zake van:
- handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegden handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
(feit 1);
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II (feit 2);
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (feit 3);
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd (feit 4),
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde onder 1 tot en met 4 bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, met aftrek van het voorarrest. Ten aanzien van het beslag heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de inbeslaggenomen wapens, munitie en het kogelwerend vest onttrokken dienen te worden aan het verkeer en dat de inbeslaggenomen stepjes bewaard dienen te worden ten behoeve van de rechthebbende.
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van alle tenlastegelegde feiten. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Blijkens de akte instellen hoger beroep d.d. 18 april 2024 is het hoger beroep namens de verdachte onbeperkt ingesteld. De rechtbank heeft de verdachte ten aanzien van feit 1 vrijgesproken van het voorhanden hebben van 37 knalpatronen omdat deze per abuis tweemaal zijn opgenomen in de tenlastelegging. Het hof is van oordeel dat deze vrijspraak een beschermde vrijspraak betreft.
Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit hiertegen is gericht.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat nog aan het oordeel van het hof is onderworpen
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de opgelegde straf. Het hof zal tevens een beslissing nemen ten aanzien van het beslag nu de rechtbank daarop nog niet heeft beslist. Gelet op het voorgaande zal het hof ook de toepasselijke wettelijke voorschriften opnieuw opnemen.
Bewezenverklaring
Het hof heeft geconstateerd dat de rechtbank de verbeterde lezing van het onder feit 4 tenlastegelegde abusievelijk niet heeft overgenomen in de bewezenverklaring van dit feit op pagina 7 van het vonnis. Het hof zal deze kennelijke misslag in de bewezenverklaring verbeteren en verbeterd lezen, met dien verstande dat de bewezenverklaring van het onder feit 4 tenlastegelegde als volgt komt te luiden:
dat de verdachte op 8 november 2020 te Venlo wapens van categorie I, onder 7°, van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk- een veerdrukpistool dat een sprekende gelijkenis vertoont met een pistool van het merk Colt, type 1911 Al-special, en- een veerdrukmachinepistool dat een sprekende gelijkenis vertoont met een machinepistool van het merk Brugger en Thomet, type MP9-N,voorhanden heeft gehad.
Aanvulling en verbetering van de bewijsmiddelen
Het hof heeft geconstateerd dat de verwijzingen naar de vindplaatsen van de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen op onderdelen aanvulling dan wel wijziging behoeven in de volgende zin:
- het onder voetnoot 2 op pagina 2 van het vonnis opgenomen bewijsmiddel komt te luiden als volgt: ‘Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 november 2020, met bijlagen, pagina 56 tot en met 65’;
- het onder voetnoot 14 op pagina 3 van het vonnis opgenomen bewijsmiddel komt te luiden als volgt: ‘Het proces-verbaal relaterende een onderzoek aan de op pagina nr. 1 vermelde voorwerpen d.d. 17 december 2020, pagina 236 en 237’;
- het hof voegt op pagina 3 van het vonnis in voetnoot 15 na ‘pagina’ in: 198 en 199.
Aan de laatste zin op pagina 4 van het vonnis wordt na “(…) in de woning” en voor “(…) aangetroffen.” toegevoegd: “aan [adres 2] ”. Hierna wordt een zinsnede toegevoegd, luidende:
“Uit de SKDB-staat van de verdachte d.d. 31 oktober 2024 blijkt dat hij van 29 juni 2020 tot 20 april 2021, en derhalve ook op 8 november 2020, op dat adres stond ingeschreven.” Na deze zinsnede wordt een voetnoot ingevoegd, te weten: voetnoot 30, luidende: De SKDB-staat van de verdachte d.d. 31 oktober 2024”.
Voetnoot 30 op pagina 5 van het vonnis wordt gewijzigd in voetnoot 31, wordt verplaatst en wordt ingevoegd na “(…) hem was, hing.”
Het hof voegt op pagina 5 van het vonnis na “(…) zoals een step.” het volgende toe:
“Voorts heeft de verdachte ter terechtzitting van 4 november 2022 verklaard dat [getuige] de hoofdbewoner van de woning aan [adres 2] was en dat de verdachte er ook woonde. De verdachte gebruikt tijdens deze zitting het woord ‘thuis’ wanneer hij het heeft over de woning aan [adres 2] .”
Hierna wordt (na “woning aan [adres 2] ”) een voetnoot, te weten: voetnoot 32, luidende: ‘Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 4 november 2022’ toegevoegd.
Verbetering van de bewijsoverwegingen
Dictum
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Het hof sluit zich aan bij de bewijsoverwegingen van de rechtbank met verbetering van onderstaand punt.
Het hof schrapt uit de bewijsoverweging van de rechtbank op pagina 6, tweede alinea, de volgende zinnen:
“Zijn verklaring omtrent het aangetroffen DNA maakt evenmin indruk op de rechtbank. Op geen enkel moment werd immers geconcretiseerd hoe het DNA van de verdachte op het wapen terecht kan zijn gekomen. Het enkel in algemene termen stellen dat het wel via de secundaire overdracht moet zijn gebeurd, is onvoldoende om die concreetheidseis te halen. Het aangetroffen daderspoor van de verdachte vraagt om meer dan slechts algemeenheden. Het vraagt om een duidelijk scenario door de verdachte geschetst nu zijn daderspoor op het pistool is aangetroffen. En dat is uitgebleven.”
en vervangt deze zinnen door:
“Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, nu de verdachte een alternatieve verklaring heeft voor het aantreffen van zijn DNA op het wapen in de schuur. Het DNA van de verdachte zou via secundaire overdracht op dat wapen zijn terechtgekomen. De raadsman brengt als alternatief scenario naar voren dat het DNA van de verdachte waarschijnlijk in de – door hem gedragen – handschoen zat. Doordat het wapen in de schuur in die handschoen is gedaan, is het DNA van de verdachte op de ruwe delen van het wapen terechtgekomen.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit de deskundigenrapportage van het TMFI d.d. 10 november 2020 is komen vast te staan dat het DNA van de verdachte op de ruwe delen en de trekker van het vuurwapen in de schuur van zijn woning is aangetroffen en dat het DNA-hoofdprofiel matcht met het DNA-profiel van de verdachte. Het aantreffen van dit daderspoor van de verdachte vraagt om meer uitleg dan een enkele suggestie over hoe het DNA van de verdachte mogelijk op het wapen terecht zou kunnen zijn gekomen. Het hof acht het alternatieve scenario van de verdachte dan ook niet aannemelijk geworden en schuift dit terzijde.”
Aanvullende bewijsoverweging
Aan de bewijsoverwegingen van de rechtbank wordt het volgende toegevoegd.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging, in reactie op het door de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep ingenomen en later weer ingetrokken standpunt dat de verklaring van [getuige] op pagina 163 van het eindproces-verbaal, naast de reeds door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen, voor de bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten van belang is, een verzoek gedaan tot het horen van [getuige] als getuige. Gelet hierop begrijpt het hof dit verzoek van de verdediging als een voorwaardelijk verzoek.
Aan een beoordeling van dit voorwaardelijke verzoek wordt niet toegekomen, nu aan de voorwaarde waaronder dit verzoek is geformuleerd, dat de verklaring van [getuige] op pagina 163 van het eindproces-verbaal voor het bewijs zal worden gebezigd, niet is voldaan.
Op te leggen straf
De advocaat-generaal heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, met aftrek van het voorarrest.
De verdediging heeft het hof verzocht ingeval van een bewezenverklaring een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. In het bijzonder is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan
– kort gezegd – het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid wapens en munitie.
Het ongecontroleerde bezit daarvan brengt een onaanvaardbaar risico met zich mee voor de veiligheid van personen en een aanzienlijke bedreiging voor een veilige samenleving, omdat het bezit van wapens en munitie maar al te vaak leidt tot daadwerkelijk gebruik daarvan, met alle vaak onherstelbare gevolgen van dien. Het hof betrekt daarbij in strafverzwarende zin dat de munitie die werd aangetroffen in de slaapkamer van de verdachte geschikt was om te worden afgevuurd met het wapen dat zich in de schuur bij de woning bevond, waarop het DNA van de verdachte werd aangetroffen, en dat in de slaapkamer van de verdachte ook een daarbij passende patroonhouder werd aangetroffen. Voorts weegt het hof in strafverzwarende zin mee dat zich onder de aangetroffen wapens in de garagebox ook twee op een vuurwapen gelijkende voorwerpen bevonden.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 31 oktober 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt weliswaar dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld, maar voor andersoortige delicten. Uit voornoemd uittreksel blijkt voorts dat het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Ook daarmee heeft het hof rekening gehouden.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit het onderzoek ter terechtzitting is hieromtrent met name aannemelijk geworden dat de verdachte bij zijn moeder woont, een opleiding volgt en een eigen bedrijf(je) heeft.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Bij de beslissing omtrent de aard en omvang van de op te leggen straf heeft het hof tevens kennis genomen van de binnen de rechtspraak ontwikkelde LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting. Deze oriëntatiepunten geven thans als indicatie voor de op te leggen straf bij het voorhanden hebben van een pistool van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie (in een woning): een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden en voor het voorhanden hebben van een gaspistool, zoals ten aanzien van de twee andere onder feit 1 tenlastegelegde wapens is bewezenverklaard, telkens een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een maand. Voor de overige aangetroffen wapens en munitie kunnen als indicatie geldboetes worden opgelegd.
Al het vorenstaande afwegende acht het hof in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak als volgt.
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van (vijf) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
de op de aangehechte beslaglijst vermelde wapens, munitie, patroonhouder en vest (onder de nummers 1 tot en met 14 en 21);
gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
het op de aangehechte beslaglijst vermelde speelgoed (de stepjes onder de nummers 15 tot en met 20);
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorenoverwogene.
Dit arrest is gewezen door:
mr. A. Muller, voorzitter,
mr. T. van de Woestijne en mr. J.J. Peters, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 5 februari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.