Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-02-05
ECLI:NL:GHSHE:2025:304
Strafrecht
Hoger beroep
7,950 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-000247-24
Uitspraak : 5 februari 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 30 januari 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-297282-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘diefstal door twee of meer verenigde personen’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 weken.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met aanvulling van gronden wat betreft de bewezenverklaring.
Namens de verdachte is primair bepleit dat de verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Subsidiair - indien het hof tot een bewezenverklaring komt - is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, met aanvulling van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de opgelegde straf. In dat verband zal het hof ook de toepasselijke wettelijke voorschriften opnieuw opnemen.
Aanvulling van de bewijsmiddelen
De bewijsvoering behoeft, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, aanvulling. De door de politierechter vermelde aangifte (onder 3.1.1.) wordt aan het begin aangevuld met ’Ik ben dhr [aangever] en de eigenaar van de [bedrijf] te Waalwijk’ en (op 17 juni) ‘2023’ nu daarin de naam van de aangever, de plaatsnaam en het jaartal ontbraken. Tevens staat in bewijsmiddel 3.1.3. de maand ‘juli’ vermeld. Het hof vult hierbij aan: ‘(het hof begrijpt: juni)’.
Voorts komt de bewezenverklaring naast de door de politierechter gebruikte bewijsmiddelen, mede te berusten op de navolgende bewijsmiddelen.
Tenzij anders vermeld, wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, registratienummer PL2000-2023154014, gesloten d.d. 12 november 2023, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , hoofdagent van politie, doorgenummerde dossierpagina’s 1 t/m 62. Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
1. Het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever, dossierpagina 10, voor zover inhoudende:
On)roerende goederen LEVENSMIDDELEN / DRANKEN Merk DIVERSEN DRANKEN ZOALS BACARDI EN FLUGEL Type MOJITO, RUM Aantal 53 Overige bijzonderheden Diefstal Waarde of schadebedrag in euro's 400,00 Eigenaar [bedrijf] [aangever]
2. De eigen waarneming van het hof van de tot het procesdossier behorende camerabeelden, zoals gedaan bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep:
Het hof heeft op de camerabeelden met de bestandsnaam ‘ [naam] dief lijnkassa’ het volgende waargenomen, waarbij wordt opgemerkt dat de verdachte bij de politie en ter terechtzitting van het hof heeft verklaard dat hij de man op de beelden is, die is gekleed in een rood t-shirt. Deze man wordt in de waarneming van het hof dan ook als ‘de verdachte’ aangeduid’.
De verdachte staat in een rood t-shirt in de rij voor de kassa te wachten. Hij heeft een winkelwagen bij zich die gevuld is met kleine, felgekleurde verpakkingen. Enkele verpakkingen uit zijn winkelwagen legt de verdachte op de kassaband. Hij heeft een briefje in zijn hand dat hij overhandigt aan de persoon in een lichtkleurig t-shirt en een lichtkleurige broek die met een winkelwagen direct achter hem in de rij staat. Wanneer de verdachte aan de beurt is, wijst de kassière naar de verpakkingen die de verdachte op de kassaband heeft gelegd en vraagt ze iets aan hem. De verdachte geeft antwoord en schudt daarbij zijn hoofd. De kassière wijst naar de handscanner op de winkelwagen van de verdachte, neemt die van hem over en legt die in een doos achter de kassa. De kassière komt vervolgens achter de kassa vandaan. De verdachte rijdt zijn half gevulde winkelwagen naar het einde van de kassa, waarbij hij even kijkt naar de persoon in het lichtkleurige t-shirt en de lichtkleurige broek die direct achter hem in de rij staat. Nu is te zien dat er heel veel zakken M&M’s in de winkelwagen van de verdachte liggen. Samen met de kassière bekijkt de verdachte de inhoud van zijn winkelwagen. Terwijl zij daarmee bezig zijn, duwt de persoon, een man, in het lichtkleurige t-shirt en de lichtkleurige broek die direct achter de verdachte in de rij voor de kassa stond, zijn winkelwagen, die gevuld blijkt te zijn met flessen drank en dozen, langzaam naar voren. Wanneer deze man met zijn winkelwagen ter hoogte van de verdachte en de kassière is, gaat de verdachte opzij zodat de man in het lichtkleurige t-shirt en de lichtkleurige broek er met zijn winkelwagen langs kan. De verdachte staat op dat moment met zijn gezicht richting de man in het lichtkleurige t-shirt en de lichtkleurige broek en diens winkelwagen. Ook wijst de verdachte in de richting van deze man zodat de kassière ziet dat deze man hen wil passeren. De kassière trekt dan de winkelwagen van de verdachte wat naar achteren en wenkt naar de man in het lichtkleurige t-shirt en de lichtkleurige broek. Deze man passeert vervolgens de verdachte en de kassière met zijn gevulde winkelwagen en loopt daarmee uit beeld. Als deze man voorbij is gelopen met de winkelwagen vol flessen drank en dozen, gaat de verdachte met zijn winkelwagen weer terug voor de kassa staan. De kassière is op dat moment weer achter de kassa gaan zitten.
3. De verklaring van de verdachte afgelegd op de terechtzitting in hoger beroep van
22 januari 2025:
Ik ben de man in het rode t-shirt die op de getoonde beelden te zien is. De man die direct achter mij in de rij voor de kassa staat, is een vriend van mij. We waren die middag samen op een tuinfeest in Tilburg of Kaatsheuvel en moesten nog wat boodschappen doen. Het briefje dat ik hem overhandig terwijl we achter elkaar in de rij voor de kassa staan, is een boodschappenbriefje. Ik had met de kassière een gesprek over mijn boodschappen. Deze boodschappen heb ik in de winkel laten staan. We zijn samen met mijn auto naar deze supermarkt gereden en ook samen weer weggereden.
Aanvulling van de bewijsoverwegingen
Dictum
Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, omdat op grond van de bewijsmiddelen niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte als medepleger van de tenlastegelegde winkeldiefstal kan worden aangemerkt. Daartoe is - kort gezegd - aangevoerd dat de verdachte ontkent dat hij betrokken is geweest bij de diefstal van de flessen drank, dan wel dat er sprake was van een vooropgezet plan.
Het hof overweegt, in aanvulling op hetgeen de politierechter reeds met betrekking tot dit verweer heeft overwogen, als volgt.
Het hof stelt voorop dat voor de kwalificatie medeplegen vereist is dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
De verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting van het hof verklaard dat hij op 17 juni 2023 samen met een vriend (maat) – de man in het lichtkleurige t-shirt en de lichtkleurige broek op de getoonde camerabeelden – in de [bedrijf] in Waalwijk is geweest om samen boodschappen te doen voor een tuinfeest.
Zij rijden daar samen naar toe in de auto van de verdachte en delen een boodschappenbriefje. Uit de camerabeelden blijkt voorts dat de verdachte met de kassière in gesprek gaat, dat zij haar kassa verlaat en dat de verdachte met haar opzij van de kassa gaat staan, waardoor zijn vriend de kassa kan passeren met een volle kar met niet-afgerekende boodschappen. De verdachte zou de kassière blijkens de aangifte hebben gezegd dat hij al voor de boodschappen in zijn kar betaald had bij de zelfscankassa. Tevens vertrekken de verdachte en zijn vriend/maat ook samen in de auto van de verdachte, waarin kort daarvoor door de vriend/maat van de verdachte de drank, ter waarde van € 400,00, uit de winkelkar van de medeverdachte is ingeladen. De verdachte neemt de door hem in de winkel gepakte goederen niet mee, – ondanks dat hij aan de kassa het gesprek met de kassière aangaat omdat er al voor betaald zou zijn - maar laat deze in de winkel achter. Op de beelden is ook te zien dat de verdachte en zijn vriend/maat met verhoogde snelheid de parkeerplaats van de supermarkt verlaten, terwijl op dat moment medewerkers van deze supermarkt naar hun auto rennen.
Het hof komt op basis van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, tot de conclusie dat tussen de verdachte en de medeverdachte sprake was van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking bij de uitvoering van een vooropgezet plan om op 17 juni 2023 flessen drank uit de [bedrijf] in Waalwijk te stelen, dat sprake is van medeplegen van die diefstal.
Het hof acht de door de verdachte gegeven andersluidende verklaring ongeloofwaardig, mede gelet op het feit dat de verdachte geen aannemelijke uitleg of antwoord heeft kunnen of willen geven op vragen over het beweerdelijke tuinfeestje, wie de vriend/maat is geweest, waarom zij bij deze supermarkt boodschappen gingen doen en over de gang van zaken bij de kassa, bijvoorbeeld ten aanzien van de betaling van de boodschappen in zijn eigen winkelwagen, die hij ter plekke heeft achtergelaten. Het hof ziet in deze handelwijze juist een bevestiging van de samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte, omdat de verdachte ter plaatse verwarring en discussie veroorzaakt, zodat de veel duurdere boodschappen in de winkelkar van de medeverdachte zonder te betalen door deze medeverdachte naar buiten kunnen worden gebracht.
Naar het oordeel van het hof kan derhalve wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte op 17 juni 2023 te Waalwijk tezamen en in vereniging met een ander zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van flessen drank.
Het verweer van de raadsman wordt mitsdien verworpen.
Op te leggen straf
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep aangesloten bij de strafoplegging door de politierechter, bestaande uit een gevangenisstraf voor de duur van7 weken.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen, maar te volstaan met oplegging van een taakstraf al dan niet in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf, gelet op de (beweerdelijke) nijpende financiële situatie van de verdachte.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan een brutale diefstal van een grote hoeveelheid flessen drank uit een supermarkt. Door aldus te handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van een ander. Winkeldiefstallen leveren voor winkeliers veel overlast en ergernis op en hinderen hen in de bedrijfsvoering. Ook de maatschappij ondervindt schade van winkeldiefstallen, doordat de kosten hiervan uiteindelijk door de consumenten worden betaald. De verdachte heeft kennelijk enkel gehandeld met het oog op zijn eigen financieel gewin. Het hof weegt het feit dat de verdachte onderhavige diefstal op geraffineerde wijze en in vereniging met een ander heeft gepleegd en dat waardevolle goederen zijn weggenomen, in ernstige mate ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie
d.d. 27 november 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat hij voorafgaand aan het bewezenverklaarde al meermalen eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten, waaronder in 2022 voor brandstofdiefstal, in 2019 voor medeplegen van verduistering, in 2018 voor winkeldiefstal in vereniging en in 2017 voor winkeldiefstal en voor brandstofdiefstal. Het hof weegt deze veroordelingen in strafverzwarende zin mee. Voor eerstgenoemde veroordeling liep de verdachte bovendien in de proeftijd van een voorwaardelijk opgelegde straf. Uit voornoemd uittreksel volgt verder dat het taakstrafverbod, zoals vastgelegd in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht, van toepassing is.
Tevens heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) weken;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het bovenstaande.
Aldus gewezen door:
mr. T. van de Woestijne, voorzitter,
mr. A. Muller en mr. J.J. Peters, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 5 februari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Parketnummer : 20-000247-24
Uitspraak : 5 februari 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 30 januari 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-297282-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘diefstal door twee of meer verenigde personen’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 weken.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met aanvulling van gronden wat betreft de bewezenverklaring.
Namens de verdachte is primair bepleit dat de verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Subsidiair - indien het hof tot een bewezenverklaring komt - is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, met aanvulling van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de opgelegde straf. In dat verband zal het hof ook de toepasselijke wettelijke voorschriften opnieuw opnemen.
Aanvulling van de bewijsmiddelen
De bewijsvoering behoeft, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, aanvulling. De door de politierechter vermelde aangifte (onder 3.1.1.) wordt aan het begin aangevuld met ’Ik ben dhr [aangever] en de eigenaar van de [bedrijf] te Waalwijk’ en (op 17 juni) ‘2023’ nu daarin de naam van de aangever, de plaatsnaam en het jaartal ontbraken. Tevens staat in bewijsmiddel 3.1.3. de maand ‘juli’ vermeld. Het hof vult hierbij aan: ‘(het hof begrijpt: juni)’.
Voorts komt de bewezenverklaring naast de door de politierechter gebruikte bewijsmiddelen, mede te berusten op de navolgende bewijsmiddelen.
Tenzij anders vermeld, wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, registratienummer PL2000-2023154014, gesloten d.d. 12 november 2023, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , hoofdagent van politie, doorgenummerde dossierpagina’s 1 t/m 62. Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
1. Het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever, dossierpagina 10, voor zover inhoudende:
On)roerende goederen LEVENSMIDDELEN / DRANKEN Merk DIVERSEN DRANKEN ZOALS BACARDI EN FLUGEL Type MOJITO, RUM Aantal 53 Overige bijzonderheden Diefstal Waarde of schadebedrag in euro's 400,00 Eigenaar [bedrijf] [aangever]
2. De eigen waarneming van het hof van de tot het procesdossier behorende camerabeelden, zoals gedaan bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep:
Het hof heeft op de camerabeelden met de bestandsnaam ‘ [naam] dief lijnkassa’ het volgende waargenomen, waarbij wordt opgemerkt dat de verdachte bij de politie en ter terechtzitting van het hof heeft verklaard dat hij de man op de beelden is, die is gekleed in een rood t-shirt. Deze man wordt in de waarneming van het hof dan ook als ‘de verdachte’ aangeduid’.
De verdachte staat in een rood t-shirt in de rij voor de kassa te wachten. Hij heeft een winkelwagen bij zich die gevuld is met kleine, felgekleurde verpakkingen. Enkele verpakkingen uit zijn winkelwagen legt de verdachte op de kassaband. Hij heeft een briefje in zijn hand dat hij overhandigt aan de persoon in een lichtkleurig t-shirt en een lichtkleurige broek die met een winkelwagen direct achter hem in de rij staat. Wanneer de verdachte aan de beurt is, wijst de kassière naar de verpakkingen die de verdachte op de kassaband heeft gelegd en vraagt ze iets aan hem. De verdachte geeft antwoord en schudt daarbij zijn hoofd. De kassière wijst naar de handscanner op de winkelwagen van de verdachte, neemt die van hem over en legt die in een doos achter de kassa. De kassière komt vervolgens achter de kassa vandaan. De verdachte rijdt zijn half gevulde winkelwagen naar het einde van de kassa, waarbij hij even kijkt naar de persoon in het lichtkleurige t-shirt en de lichtkleurige broek die direct achter hem in de rij staat. Nu is te zien dat er heel veel zakken M&M’s in de winkelwagen van de verdachte liggen. Samen met de kassière bekijkt de verdachte de inhoud van zijn winkelwagen. Terwijl zij daarmee bezig zijn, duwt de persoon, een man, in het lichtkleurige t-shirt en de lichtkleurige broek die direct achter de verdachte in de rij voor de kassa stond, zijn winkelwagen, die gevuld blijkt te zijn met flessen drank en dozen, langzaam naar voren. Wanneer deze man met zijn winkelwagen ter hoogte van de verdachte en de kassière is, gaat de verdachte opzij zodat de man in het lichtkleurige t-shirt en de lichtkleurige broek er met zijn winkelwagen langs kan. De verdachte staat op dat moment met zijn gezicht richting de man in het lichtkleurige t-shirt en de lichtkleurige broek en diens winkelwagen. Ook wijst de verdachte in de richting van deze man zodat de kassière ziet dat deze man hen wil passeren. De kassière trekt dan de winkelwagen van de verdachte wat naar achteren en wenkt naar de man in het lichtkleurige t-shirt en de lichtkleurige broek. Deze man passeert vervolgens de verdachte en de kassière met zijn gevulde winkelwagen en loopt daarmee uit beeld. Als deze man voorbij is gelopen met de winkelwagen vol flessen drank en dozen, gaat de verdachte met zijn winkelwagen weer terug voor de kassa staan. De kassière is op dat moment weer achter de kassa gaan zitten.
3. De verklaring van de verdachte afgelegd op de terechtzitting in hoger beroep van
22 januari 2025:
Ik ben de man in het rode t-shirt die op de getoonde beelden te zien is. De man die direct achter mij in de rij voor de kassa staat, is een vriend van mij. We waren die middag samen op een tuinfeest in Tilburg of Kaatsheuvel en moesten nog wat boodschappen doen. Het briefje dat ik hem overhandig terwijl we achter elkaar in de rij voor de kassa staan, is een boodschappenbriefje. Ik had met de kassière een gesprek over mijn boodschappen. Deze boodschappen heb ik in de winkel laten staan. We zijn samen met mijn auto naar deze supermarkt gereden en ook samen weer weggereden.
Aanvulling van de bewijsoverwegingen
Dictum
Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, omdat op grond van de bewijsmiddelen niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte als medepleger van de tenlastegelegde winkeldiefstal kan worden aangemerkt. Daartoe is - kort gezegd - aangevoerd dat de verdachte ontkent dat hij betrokken is geweest bij de diefstal van de flessen drank, dan wel dat er sprake was van een vooropgezet plan.
Het hof overweegt, in aanvulling op hetgeen de politierechter reeds met betrekking tot dit verweer heeft overwogen, als volgt.
Het hof stelt voorop dat voor de kwalificatie medeplegen vereist is dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
De verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting van het hof verklaard dat hij op 17 juni 2023 samen met een vriend (maat) – de man in het lichtkleurige t-shirt en de lichtkleurige broek op de getoonde camerabeelden – in de [bedrijf] in Waalwijk is geweest om samen boodschappen te doen voor een tuinfeest.
Zij rijden daar samen naar toe in de auto van de verdachte en delen een boodschappenbriefje. Uit de camerabeelden blijkt voorts dat de verdachte met de kassière in gesprek gaat, dat zij haar kassa verlaat en dat de verdachte met haar opzij van de kassa gaat staan, waardoor zijn vriend de kassa kan passeren met een volle kar met niet-afgerekende boodschappen. De verdachte zou de kassière blijkens de aangifte hebben gezegd dat hij al voor de boodschappen in zijn kar betaald had bij de zelfscankassa. Tevens vertrekken de verdachte en zijn vriend/maat ook samen in de auto van de verdachte, waarin kort daarvoor door de vriend/maat van de verdachte de drank, ter waarde van € 400,00, uit de winkelkar van de medeverdachte is ingeladen. De verdachte neemt de door hem in de winkel gepakte goederen niet mee, – ondanks dat hij aan de kassa het gesprek met de kassière aangaat omdat er al voor betaald zou zijn - maar laat deze in de winkel achter. Op de beelden is ook te zien dat de verdachte en zijn vriend/maat met verhoogde snelheid de parkeerplaats van de supermarkt verlaten, terwijl op dat moment medewerkers van deze supermarkt naar hun auto rennen.
Het hof komt op basis van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, tot de conclusie dat tussen de verdachte en de medeverdachte sprake was van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking bij de uitvoering van een vooropgezet plan om op 17 juni 2023 flessen drank uit de [bedrijf] in Waalwijk te stelen, dat sprake is van medeplegen van die diefstal.
Het hof acht de door de verdachte gegeven andersluidende verklaring ongeloofwaardig, mede gelet op het feit dat de verdachte geen aannemelijke uitleg of antwoord heeft kunnen of willen geven op vragen over het beweerdelijke tuinfeestje, wie de vriend/maat is geweest, waarom zij bij deze supermarkt boodschappen gingen doen en over de gang van zaken bij de kassa, bijvoorbeeld ten aanzien van de betaling van de boodschappen in zijn eigen winkelwagen, die hij ter plekke heeft achtergelaten. Het hof ziet in deze handelwijze juist een bevestiging van de samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte, omdat de verdachte ter plaatse verwarring en discussie veroorzaakt, zodat de veel duurdere boodschappen in de winkelkar van de medeverdachte zonder te betalen door deze medeverdachte naar buiten kunnen worden gebracht.
Naar het oordeel van het hof kan derhalve wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte op 17 juni 2023 te Waalwijk tezamen en in vereniging met een ander zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van flessen drank.
Het verweer van de raadsman wordt mitsdien verworpen.
Op te leggen straf
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep aangesloten bij de strafoplegging door de politierechter, bestaande uit een gevangenisstraf voor de duur van7 weken.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen, maar te volstaan met oplegging van een taakstraf al dan niet in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf, gelet op de (beweerdelijke) nijpende financiële situatie van de verdachte.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan een brutale diefstal van een grote hoeveelheid flessen drank uit een supermarkt. Door aldus te handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van een ander. Winkeldiefstallen leveren voor winkeliers veel overlast en ergernis op en hinderen hen in de bedrijfsvoering. Ook de maatschappij ondervindt schade van winkeldiefstallen, doordat de kosten hiervan uiteindelijk door de consumenten worden betaald. De verdachte heeft kennelijk enkel gehandeld met het oog op zijn eigen financieel gewin. Het hof weegt het feit dat de verdachte onderhavige diefstal op geraffineerde wijze en in vereniging met een ander heeft gepleegd en dat waardevolle goederen zijn weggenomen, in ernstige mate ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie
d.d. 27 november 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat hij voorafgaand aan het bewezenverklaarde al meermalen eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten, waaronder in 2022 voor brandstofdiefstal, in 2019 voor medeplegen van verduistering, in 2018 voor winkeldiefstal in vereniging en in 2017 voor winkeldiefstal en voor brandstofdiefstal. Het hof weegt deze veroordelingen in strafverzwarende zin mee. Voor eerstgenoemde veroordeling liep de verdachte bovendien in de proeftijd van een voorwaardelijk opgelegde straf. Uit voornoemd uittreksel volgt verder dat het taakstrafverbod, zoals vastgelegd in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht, van toepassing is.
Tevens heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) weken;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het bovenstaande.
Aldus gewezen door:
mr. T. van de Woestijne, voorzitter,
mr. A. Muller en mr. J.J. Peters, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 5 februari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.