Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-02-03
ECLI:NL:GHSHE:2025:302
Strafrecht
Hoger beroep
20,578 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-000894-24
Uitspraak : 3 februari 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 26 maart 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-309648-22 tegen:
[naam verdachte] ,
geboren te Roermond op [geboortedatum] 1981,
ten tijde van de terechtzitting gedetineerd in Penitentiaire Inrichting [naam en adres P.I.] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als:
‘mishandeling’ (feit 1) en
‘poging tot doodslag’ (feit 2 primair),
de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden met aftrek van voorarrest. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij één] toegewezen tot het bedrag € 7.542,13, bestaande uit een bedrag van € 42,13 als vergoeding van materiële schade en een bedrag van € 7.500,00 als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank heeft de benadeelde partij ten aanzien van de meer gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en de vordering voor wat betreft de meer gevorderde immateriële schade afgewezen, waarbij de rechtbank de verdachte heeft veroordeeld in de kosten van het geding, aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil. De rechtbank heeft voorts ten behoeve van het slachtoffer de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Tot slot heeft de rechtbank de schorsing van de voorlopige hechtenis opgeheven.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. De advocaat-generaal vordert de toewijzing van de immateriële schadevergoeding en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel met € 2.000,00 te verhogen.
De raadsman van de verdachte heeft ten aanzien van feit 1 vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat sprake is geweest van (putatief) noodweer(exces), reden waarom de verdachte – naar het hof begrijpt – dient te worden vrijgesproken, dan wel dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman eveneens integrale vrijspraak bepleit. Voorts heeft de raadsman het voorwaardelijke verzoek gedaan, mocht het hof de letselrapportage voor het bewijs bezigen, dat een contra-expertise zal worden uitgevoerd. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu de verdachte een geslaagd beroep op noodweer(exces) toekomt. Tevens heeft de raadsman – naar het hof begrijpt ten aanzien van feit 2 – een strafmaatverweer gevoerd en verweer gevoerd op de vordering van de benadeelde partij, zulks op na te melde wijze. Ten slotte heeft de raadsman het hof verzocht om de voorlopige hechtenis op te heffen.
Het vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof komt tot een andere bewezenverklaring dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 23 november 2022 in de gemeente Roermond [naam slachtoffer twee]
heeft mishandeld door (met kracht) (met een vlakke hand) in het gezicht en/of
tegen de neus van die [naam slachtoffer twee] te slaan en/of te duwen, ten gevolge waarvan
verdachte een hevige onlust veroorzakende gewaarwording en/of enig lichamelijk
letsel in en/of aan het lichaam van die [naam slachtoffer twee] teweeg heeft gebracht;
2. primairhij op of omstreeks 26 november 2022 in de gemeente Roerdalen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam benadeelde partij één] opzettelijk van het leven te beroven, met een (stiletto)mes, in ieder geval een scherp en/of puntig voorwerp, in de hals, in ieder geval in het lichaam, van die [naam benadeelde partij één] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 26 november 2022 in de gemeente Roerdalen aan [naam benadeelde partij één] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een nadrukkelijk aanwezig en tevens ontsierend litteken, heeft toegebracht, door met een (stiletto)mes, in ieder geval een scherp en/of puntig voorwerp, in de hals, in ieder geval in het lichaam, van die [naam benadeelde partij één] te steken en/of te snijden;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 26 november 2022 in de gemeente Roerdalen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam benadeelde partij één] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een (stiletto)mes, in ieder geval een scherp en/of puntig voorwerp, in de hals, in ieder geval in het lichaam, van die [naam benadeelde partij één] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 26 november 2022 in de gemeente Roerdalen [naam benadeelde partij één] heeft mishandeld door met een (stiletto)mes, in ieder geval een scherp en/of puntig voorwerp, in de hals, in ieder geval in het lichaam, van die [naam benadeelde partij één] te steken en/of te snijden.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak feit 2 primair en subsidiair
Feit 2 primair poging doodslag
De verdachte wordt onder feit 2 primair verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag op [naam benadeelde partij één] , door die [naam benadeelde partij één] – kort gezegd – met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de hals te steken. Subsidiair wordt de verdachte het verwijt gemaakt dat hij [naam benadeelde partij één] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, bestaande uit een nadrukkelijk aanwezig en tevens ontsierend litteken, zulks door hem in de hals te steken.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het hof de onder feit 2 primair tenlastegelegde poging tot doodslag bewezen zal verklaren. Daartoe heeft de advocaat-generaal – in de kern weergegeven – aangevoerd dat op grond van de bewijsmiddelen in het dossier kan worden vastgesteld dat de verdachte het slachtoffer [naam benadeelde partij één] in diens hals heeft gestoken met een scherp voorwerp, waardoor, blijkens de forensische letselrapportage, een steekwond in de hals is ontstaan.
Dictum
Elk bewijsmiddel wordt ook in zijn onderdelen slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
II.
De raadsman van de verdachte heeft het navolgende aangevoerd.
Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman primair betoogd dat de verdachte aangever [naam slachtoffer twee] enkel heeft weggeduwd, hetgeen niet kan worden gekwalificeerd als mishandeling. Ingeval het hof anders oordeelt, heeft de raadsman bepleit dat de verdachte een geslaagd beroep op (putatief) noodweer(exces) toekomt. Aangever [naam slachtoffer twee] draaide zich om naar de verdachte, maakte een handbeweging c.q. stak zijn hand uit en zei tegen verdachte: “wacht maar”. Aldus was sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte.
Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsman primair betoogd dat door de getuigen wisselend en tegenstrijdig is verklaard, reden waarom de feitelijke toedracht van het incident niet kan worden vastgesteld, hetgeen tot vrijspraak moet leiden. Indien het hof mocht oordelen dat het letsel wel door verdachte is toegebracht, heeft de raadsman bepleit dat dan niet kan worden vastgesteld dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Ter nadere adstructie van dat verweer is door de raadsman aangevoerd dat sprake was van een milde verwonding en niet duidelijk is of het een steek- of snijwond betrof. Meer subsidiair heeft de raadsman een alternatief scenario aangedragen en betoogd dat de verdachte een geslaagd beroep op noodweer(exces) toekomt.
Het hof overweegt als volgt.
Ten aanzien van feit 1
Gelet op de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, ziet het hof geen reden om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de aangifte van [naam slachtoffer twee] en het proces-verbaal van bevindingen van de officier van justitie [naam ovj] . Hun verklaringen sluiten bij elkaar aan wat de feitelijke toedracht van het incident betreft. Op grond van de gezamenlijkheid van hun verklaringen – bezien in het licht van de inhoud van de overige bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van de verdachte in hoger beroep – stelt het hof vast dat de verdachte met kracht een slaande beweging heeft gemaakt in de richting van het gezicht van aangever [naam slachtoffer twee] en dat de verdachte hem daarbij in het gezicht heeft geraakt. Slachtoffer [naam slachtoffer twee] heeft door de klap in zijn gezicht pijn en letsel opgelopen. Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat de wang van [naam slachtoffer twee] (vuur)rood en verdikt was. Dit letsel past bovendien bij de door [naam slachtoffer twee] geschetste feitelijke toedracht, te weten dat de verdachte hem in het gezicht heeft geslagen, zodat de aangifte ook objectief steun vindt in het dossier. Aldus komt het hof tot een bewezenverklaring van mishandeling.
Het hof acht het door en namens de verdachte geschetste alternatieve scenario, inhoudende dat hij [naam slachtoffer twee] enkel heeft weggeduwd niet alleen in strijd met de hierboven genoemde bewijsmiddelen, maar ook overigens niet aannemelijk geworden en mitsdien stelt het hof dit scenario terzijde. Daartoe overweegt het hof dat de beweerdelijke bedoeling van verdachte om [naam slachtoffer twee] (enkel) weg te duwen niet is te rijmen met de geweldshandeling van de verdachte, namelijk het maken van een slaande beweging ter hoogte van het gezicht van [naam slachtoffer twee] , die – gelet op verdachtes verklaring in hoger beroep – bovendien van vergelijkbare lengte was als verdachte.
Met betrekking tot het noodweer(exces)verweer overweegt het hof als volgt.
In het begrip ‘mishandeling’ als bedoeld in artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht ligt de wederrechtelijkheid van die gedraging besloten. In het geval een beroep op noodweer, zijnde een rechtvaardigingsgrond, slaagt, ontvalt de wederrechtelijkheid aan de gedragingen van de verdachte en moet hij bijgevolg van het tenlastegelegde worden vrijgesproken.
Van noodweer is sprake indien het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.
Het hof gaat bij het vaststellen van de feiten uit van de inhoud van vorenbedoelde bewijsmiddelen. Uit het voorliggende dossier en het onderzoek ter terechtzitting is de aan het noodweerverweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht, mede in acht genomen hetgeen het hof hiervoor aangaande het door de verdachte geschetste alternatieve scenario heeft overwogen, niet aannemelijk geworden, zodat het verweer reeds vanwege het ontbreken van feitelijke grondslag faalt.
Ten overvloede overweegt het hof dat gesteld dat aangever [naam slachtoffer twee] zich zou hebben omgedraaid, “een handgebaar” zou hebben gemaakt c.q. zijn hand zou hebben uitgestoken en gezegd zou hebben ‘wacht maar’, daaruit nog niet dat een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor kan worden afgeleid op grond waarvan voor de verdachte de noodzaak bestond zich hiertegen te verdedigen.
Het noodweerverweer wordt aldus verworpen.
Nu geen sprake is geweest van een noodweersituatie kan het beroep op noodweerexces evenmin slagen. Aldus falen de verweren in al hun onderdelen.
Ten aanzien van feit 2
Uit de bewijsmiddelen komt het volgende naar voren.
Uit de aangifte en de getuigenverklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] alsmede uit de verklaring van de verdachte, komt naar voren dat het slachtoffer [naam benadeelde partij één] en de verdachte op 26 november 2022 aanwezig waren in de woonkamer in de woning van getuige [getuige 2] . Aangever [naam benadeelde partij één] heeft verklaard dat de verdachte na hem de woning binnenkwam en dat de verdachte hem vrijwel meteen en zonder enige aanleiding in zijn hals heeft gestoken. De verdachte is daarop direct de woning uit gevlucht. Volgens aangever [naam benadeelde partij één] stroomde er bloed uit zijn hals. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat het slachtoffer in de woonkamer aanwezig was. Op enig moment arriveerde ook de verdachte. De getuige ging daarop naar de keuken en toen hij terugkwam naar de woonkamer zag hij dat de verdachte de woonkamer uitrende. Het slachtoffer stond voor de bank en hield met zijn handen zijn hals vast. Er spoot bloed uit zijn hals. De getuige hoorde dat het slachtoffer riep: “ik ben gestoken, ik ben gestoken”. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij (o.a.) met aangever [naam benadeelde partij één] en getuige [getuige 2] in de woonkamer in de woning van getuige [getuige 2] zat. Op enig moment kwam een voor hem onbekende persoon binnen (het hof begrijpt: de verdachte). Binnen 5 of hooguit 10 seconden nadat de verdachte binnen was gekomen, riep [naam benadeelde partij één] : “ik ben gestoken”, waarop de andere man keihard de woning uitrende, aldus getuige [getuige 1] . Direct na het steekincident is het slachtoffer naar het ziekenhuis gebracht en daar is een wond in de hals geconstateerd en die wond is gehecht. Naar het oordeel van het hof past het opgelopen letsel bij het in de hals steken met een scherp en/of puntig voorwerp.
Door en namens de verdachte is aangevoerd dat hij aangever niet opzettelijk met een scherp en/of puntig voorwerp in diens hals heeft gestoken en is als alternatief scenario aangevoerd dat hij op de trap naar de woonkamer in de woning van [getuige 2] een plamuurmes heeft aangetroffen. Dit plamuurmes heeft de verdachte opgepakt en met het plamuurmes in de hand is de verdachte de woonkamer binnengegaan.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder feit 2 primair en feit 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
verklaart het onder feit 1 en feit 2 meer subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij één] ter zake van het onder feit 2 meer subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 7.542,13 (zegge: zegge zevenduizend vijfhonderdtweeënveertig euro en dertien cent) bestaande uit € 42,13 (zegge: tweeënveertig euro en dertien cent) als vergoeding van materiële schade en een bedrag van € 7.500,00 (zegge: zevenduizend vijfhonderd euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;
wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 8,21 (zegge: acht euro en eenentwintig cent) aan materiële schade af;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij één] , ter zake van het onder feit 2 meer subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.542,13 (zegge: zevenduizend vijfhonderdtweeënveertig euro en dertien cent) bestaande uit een bedrag van € 42,13 (zegge: tweeënveertig euro en dertien cent) als vergoeding van materiële schade en een bedrag van € 7.500,00 (zegge: zevenduizend vijfhonderd euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderden met de wettelijke rente vanaf 26 november 2022, tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur 72 (tweeënzeventig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Aldus gewezen door:
mr. dr. M.J.M.A. van der Put, voorzitter,
mr. dr. C.M. Hilverda en mr. R. Lonterman, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. T.S. Vos, griffier,
en op 3 februari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Hilverda voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-000894-24
Uitspraak : 3 februari 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 26 maart 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-309648-22 tegen:
[naam verdachte] ,
geboren te Roermond op [geboortedatum] 1981,
ten tijde van de terechtzitting gedetineerd in Penitentiaire Inrichting [naam en adres P.I.] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als:
‘mishandeling’ (feit 1) en
‘poging tot doodslag’ (feit 2 primair),
de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden met aftrek van voorarrest. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij één] toegewezen tot het bedrag € 7.542,13, bestaande uit een bedrag van € 42,13 als vergoeding van materiële schade en een bedrag van € 7.500,00 als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank heeft de benadeelde partij ten aanzien van de meer gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en de vordering voor wat betreft de meer gevorderde immateriële schade afgewezen, waarbij de rechtbank de verdachte heeft veroordeeld in de kosten van het geding, aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil. De rechtbank heeft voorts ten behoeve van het slachtoffer de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Tot slot heeft de rechtbank de schorsing van de voorlopige hechtenis opgeheven.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. De advocaat-generaal vordert de toewijzing van de immateriële schadevergoeding en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel met € 2.000,00 te verhogen.
De raadsman van de verdachte heeft ten aanzien van feit 1 vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat sprake is geweest van (putatief) noodweer(exces), reden waarom de verdachte – naar het hof begrijpt – dient te worden vrijgesproken, dan wel dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman eveneens integrale vrijspraak bepleit. Voorts heeft de raadsman het voorwaardelijke verzoek gedaan, mocht het hof de letselrapportage voor het bewijs bezigen, dat een contra-expertise zal worden uitgevoerd. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu de verdachte een geslaagd beroep op noodweer(exces) toekomt. Tevens heeft de raadsman – naar het hof begrijpt ten aanzien van feit 2 – een strafmaatverweer gevoerd en verweer gevoerd op de vordering van de benadeelde partij, zulks op na te melde wijze. Ten slotte heeft de raadsman het hof verzocht om de voorlopige hechtenis op te heffen.
Het vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof komt tot een andere bewezenverklaring dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 23 november 2022 in de gemeente Roermond [naam slachtoffer twee]
heeft mishandeld door (met kracht) (met een vlakke hand) in het gezicht en/of
tegen de neus van die [naam slachtoffer twee] te slaan en/of te duwen, ten gevolge waarvan
verdachte een hevige onlust veroorzakende gewaarwording en/of enig lichamelijk
letsel in en/of aan het lichaam van die [naam slachtoffer twee] teweeg heeft gebracht;
2. primairhij op of omstreeks 26 november 2022 in de gemeente Roerdalen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam benadeelde partij één] opzettelijk van het leven te beroven, met een (stiletto)mes, in ieder geval een scherp en/of puntig voorwerp, in de hals, in ieder geval in het lichaam, van die [naam benadeelde partij één] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 26 november 2022 in de gemeente Roerdalen aan [naam benadeelde partij één] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een nadrukkelijk aanwezig en tevens ontsierend litteken, heeft toegebracht, door met een (stiletto)mes, in ieder geval een scherp en/of puntig voorwerp, in de hals, in ieder geval in het lichaam, van die [naam benadeelde partij één] te steken en/of te snijden;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 26 november 2022 in de gemeente Roerdalen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam benadeelde partij één] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een (stiletto)mes, in ieder geval een scherp en/of puntig voorwerp, in de hals, in ieder geval in het lichaam, van die [naam benadeelde partij één] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 26 november 2022 in de gemeente Roerdalen [naam benadeelde partij één] heeft mishandeld door met een (stiletto)mes, in ieder geval een scherp en/of puntig voorwerp, in de hals, in ieder geval in het lichaam, van die [naam benadeelde partij één] te steken en/of te snijden.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak feit 2 primair en subsidiair
Feit 2 primair poging doodslag
De verdachte wordt onder feit 2 primair verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag op [naam benadeelde partij één] , door die [naam benadeelde partij één] – kort gezegd – met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de hals te steken. Subsidiair wordt de verdachte het verwijt gemaakt dat hij [naam benadeelde partij één] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, bestaande uit een nadrukkelijk aanwezig en tevens ontsierend litteken, zulks door hem in de hals te steken.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het hof de onder feit 2 primair tenlastegelegde poging tot doodslag bewezen zal verklaren. Daartoe heeft de advocaat-generaal – in de kern weergegeven – aangevoerd dat op grond van de bewijsmiddelen in het dossier kan worden vastgesteld dat de verdachte het slachtoffer [naam benadeelde partij één] in diens hals heeft gestoken met een scherp voorwerp, waardoor, blijkens de forensische letselrapportage, een steekwond in de hals is ontstaan.
Dictum
Elk bewijsmiddel wordt ook in zijn onderdelen slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
II.
De raadsman van de verdachte heeft het navolgende aangevoerd.
Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman primair betoogd dat de verdachte aangever [naam slachtoffer twee] enkel heeft weggeduwd, hetgeen niet kan worden gekwalificeerd als mishandeling. Ingeval het hof anders oordeelt, heeft de raadsman bepleit dat de verdachte een geslaagd beroep op (putatief) noodweer(exces) toekomt. Aangever [naam slachtoffer twee] draaide zich om naar de verdachte, maakte een handbeweging c.q. stak zijn hand uit en zei tegen verdachte: “wacht maar”. Aldus was sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte.
Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsman primair betoogd dat door de getuigen wisselend en tegenstrijdig is verklaard, reden waarom de feitelijke toedracht van het incident niet kan worden vastgesteld, hetgeen tot vrijspraak moet leiden. Indien het hof mocht oordelen dat het letsel wel door verdachte is toegebracht, heeft de raadsman bepleit dat dan niet kan worden vastgesteld dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Ter nadere adstructie van dat verweer is door de raadsman aangevoerd dat sprake was van een milde verwonding en niet duidelijk is of het een steek- of snijwond betrof. Meer subsidiair heeft de raadsman een alternatief scenario aangedragen en betoogd dat de verdachte een geslaagd beroep op noodweer(exces) toekomt.
Het hof overweegt als volgt.
Ten aanzien van feit 1
Gelet op de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, ziet het hof geen reden om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de aangifte van [naam slachtoffer twee] en het proces-verbaal van bevindingen van de officier van justitie [naam ovj] . Hun verklaringen sluiten bij elkaar aan wat de feitelijke toedracht van het incident betreft. Op grond van de gezamenlijkheid van hun verklaringen – bezien in het licht van de inhoud van de overige bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van de verdachte in hoger beroep – stelt het hof vast dat de verdachte met kracht een slaande beweging heeft gemaakt in de richting van het gezicht van aangever [naam slachtoffer twee] en dat de verdachte hem daarbij in het gezicht heeft geraakt. Slachtoffer [naam slachtoffer twee] heeft door de klap in zijn gezicht pijn en letsel opgelopen. Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat de wang van [naam slachtoffer twee] (vuur)rood en verdikt was. Dit letsel past bovendien bij de door [naam slachtoffer twee] geschetste feitelijke toedracht, te weten dat de verdachte hem in het gezicht heeft geslagen, zodat de aangifte ook objectief steun vindt in het dossier. Aldus komt het hof tot een bewezenverklaring van mishandeling.
Het hof acht het door en namens de verdachte geschetste alternatieve scenario, inhoudende dat hij [naam slachtoffer twee] enkel heeft weggeduwd niet alleen in strijd met de hierboven genoemde bewijsmiddelen, maar ook overigens niet aannemelijk geworden en mitsdien stelt het hof dit scenario terzijde. Daartoe overweegt het hof dat de beweerdelijke bedoeling van verdachte om [naam slachtoffer twee] (enkel) weg te duwen niet is te rijmen met de geweldshandeling van de verdachte, namelijk het maken van een slaande beweging ter hoogte van het gezicht van [naam slachtoffer twee] , die – gelet op verdachtes verklaring in hoger beroep – bovendien van vergelijkbare lengte was als verdachte.
Met betrekking tot het noodweer(exces)verweer overweegt het hof als volgt.
In het begrip ‘mishandeling’ als bedoeld in artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht ligt de wederrechtelijkheid van die gedraging besloten. In het geval een beroep op noodweer, zijnde een rechtvaardigingsgrond, slaagt, ontvalt de wederrechtelijkheid aan de gedragingen van de verdachte en moet hij bijgevolg van het tenlastegelegde worden vrijgesproken.
Van noodweer is sprake indien het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.
Het hof gaat bij het vaststellen van de feiten uit van de inhoud van vorenbedoelde bewijsmiddelen. Uit het voorliggende dossier en het onderzoek ter terechtzitting is de aan het noodweerverweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht, mede in acht genomen hetgeen het hof hiervoor aangaande het door de verdachte geschetste alternatieve scenario heeft overwogen, niet aannemelijk geworden, zodat het verweer reeds vanwege het ontbreken van feitelijke grondslag faalt.
Ten overvloede overweegt het hof dat gesteld dat aangever [naam slachtoffer twee] zich zou hebben omgedraaid, “een handgebaar” zou hebben gemaakt c.q. zijn hand zou hebben uitgestoken en gezegd zou hebben ‘wacht maar’, daaruit nog niet dat een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor kan worden afgeleid op grond waarvan voor de verdachte de noodzaak bestond zich hiertegen te verdedigen.
Het noodweerverweer wordt aldus verworpen.
Nu geen sprake is geweest van een noodweersituatie kan het beroep op noodweerexces evenmin slagen. Aldus falen de verweren in al hun onderdelen.
Ten aanzien van feit 2
Uit de bewijsmiddelen komt het volgende naar voren.
Uit de aangifte en de getuigenverklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] alsmede uit de verklaring van de verdachte, komt naar voren dat het slachtoffer [naam benadeelde partij één] en de verdachte op 26 november 2022 aanwezig waren in de woonkamer in de woning van getuige [getuige 2] . Aangever [naam benadeelde partij één] heeft verklaard dat de verdachte na hem de woning binnenkwam en dat de verdachte hem vrijwel meteen en zonder enige aanleiding in zijn hals heeft gestoken. De verdachte is daarop direct de woning uit gevlucht. Volgens aangever [naam benadeelde partij één] stroomde er bloed uit zijn hals. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat het slachtoffer in de woonkamer aanwezig was. Op enig moment arriveerde ook de verdachte. De getuige ging daarop naar de keuken en toen hij terugkwam naar de woonkamer zag hij dat de verdachte de woonkamer uitrende. Het slachtoffer stond voor de bank en hield met zijn handen zijn hals vast. Er spoot bloed uit zijn hals. De getuige hoorde dat het slachtoffer riep: “ik ben gestoken, ik ben gestoken”. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij (o.a.) met aangever [naam benadeelde partij één] en getuige [getuige 2] in de woonkamer in de woning van getuige [getuige 2] zat. Op enig moment kwam een voor hem onbekende persoon binnen (het hof begrijpt: de verdachte). Binnen 5 of hooguit 10 seconden nadat de verdachte binnen was gekomen, riep [naam benadeelde partij één] : “ik ben gestoken”, waarop de andere man keihard de woning uitrende, aldus getuige [getuige 1] . Direct na het steekincident is het slachtoffer naar het ziekenhuis gebracht en daar is een wond in de hals geconstateerd en die wond is gehecht. Naar het oordeel van het hof past het opgelopen letsel bij het in de hals steken met een scherp en/of puntig voorwerp.
Door en namens de verdachte is aangevoerd dat hij aangever niet opzettelijk met een scherp en/of puntig voorwerp in diens hals heeft gestoken en is als alternatief scenario aangevoerd dat hij op de trap naar de woonkamer in de woning van [getuige 2] een plamuurmes heeft aangetroffen. Dit plamuurmes heeft de verdachte opgepakt en met het plamuurmes in de hand is de verdachte de woonkamer binnengegaan.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder feit 2 primair en feit 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
verklaart het onder feit 1 en feit 2 meer subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij één] ter zake van het onder feit 2 meer subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 7.542,13 (zegge: zegge zevenduizend vijfhonderdtweeënveertig euro en dertien cent) bestaande uit € 42,13 (zegge: tweeënveertig euro en dertien cent) als vergoeding van materiële schade en een bedrag van € 7.500,00 (zegge: zevenduizend vijfhonderd euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;
wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 8,21 (zegge: acht euro en eenentwintig cent) aan materiële schade af;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij één] , ter zake van het onder feit 2 meer subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.542,13 (zegge: zevenduizend vijfhonderdtweeënveertig euro en dertien cent) bestaande uit een bedrag van € 42,13 (zegge: tweeënveertig euro en dertien cent) als vergoeding van materiële schade en een bedrag van € 7.500,00 (zegge: zevenduizend vijfhonderd euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderden met de wettelijke rente vanaf 26 november 2022, tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur 72 (tweeënzeventig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Aldus gewezen door:
mr. dr. M.J.M.A. van der Put, voorzitter,
mr. dr. C.M. Hilverda en mr. R. Lonterman, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. T.S. Vos, griffier,
en op 3 februari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Hilverda voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Nu zich in de hals diverse bloedvaten bevinden, is sprake van een poging tot doodslag. Dat het letsel in het dossier afwisselend een steek- dan wel snijwond wordt genoemd en dat de diepte van de wond niet kan worden vastgesteld, doet daar niet aan af, aldus de advocaat-generaal.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – aanwezig is, indien er een aanmerkelijke kans is dat dat gevolg zal intreden en de verdachte deze kans bewust heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
In het licht van bovenstaande vooropstelling stelt het hof – zoals hierna in het kader van de bewijsoverwegingen met betrekking tot het onder feit 2 meer subsidiair tenlastegelegde nader zal worden overwogen – op grond van wettige bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep vast dat de verdachte aangever [naam benadeelde partij één] op 26 november 2022 met een scherp en/of puntig voorwerp in de hals heeft gestoken. Daardoor heeft het slachtoffer letsel in zijn hals opgelopen. Uit het dossier volgt dat de door verdachte toegebrachte wond in de hals van [naam benadeelde partij één] in het ziekenhuis is gehecht, maar dat geen verder operatief ingrijpen nodig is geweest. Het hof kan op grond van de stukken in het dossier niet vaststellen met welk voorwerp het letsel is toegebracht. Of dat een mes betrof is onduidelijk, laat staan wat voor soort mes het was of wat de grootte daarvan was. Evenmin kan het hof op grond van het dossier komen tot vaststellingen omtrent de diepte van de wond en/of de kracht waarmee de verdachte heeft gestoken. Door geen van de getuigen is het steekvoorwerp of de feitelijke steekbeweging waargenomen.
Bij voormelde stand van zaken is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de kans op de dood van [naam benadeelde partij één] aanmerkelijk is geweest. Het hof concludeert derhalve dat niet kan worden bewezen dat de verdachte minst genomen het voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [naam benadeelde partij één] . Bij die stand van zaken zal het hof verdachte vrijspreken van het onder feit 2 primair tenlastegelegde.
Feit 2 subsidiair zwaar lichamelijk letsel
Zoals hierboven overwogen kan op grond van de bewijsmiddelen weliswaar worden vastgesteld dat de verdachte het slachtoffer in zijn hals heeft gestoken en dat daardoor een wond is ontstaan die in het ziekenhuis is gehecht, maar het dossier bevat geen medische informatie (foto’s of beschrijving anderszins) op grond waarvan het hof kan vaststellen dat sprake is van restschade bijvoorbeeld in de vorm van een blijvend en ontsierend litteken. Dat betekent dat ook het bewijs voor het onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde tekortschiet, zodat de verdachte daarvan zal vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.hij op 23 november 2022 in de gemeente Roermond [naam slachtoffer twee] heeft mishandeld door met kracht met een vlakke hand in het gezicht van die [naam slachtoffer twee] te slaan.
2. meer subsidiairhij op 26 november 2022 in de gemeente Roerdalen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam benadeelde partij één] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een scherp en/of puntig voorwerp in de hals van die [naam benadeelde partij één] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
I.
Dictum
Aangever is toen op verdachte afgelopen, heeft iets gezegd over zijn baard en heeft hem bij zijn hals vastgegrepen. Met het plamuurmes in de hand heeft de verdachte aangever [naam benadeelde partij één] toen met beide handen weggeduwd. Bij die beweging heeft verdachte aangever [naam benadeelde partij één] onbedoeld met het plamuurmes in de hals geraakt, omdat hij dat mes toevallig nog in zijn hand had.
Het hof heeft gelet op de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep echter geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid en de juistheid van de verklaring van aangever [naam benadeelde partij één] .
Naar het oordeel van het hof ontbeert het door de verdediging geponeerde alternatieve scenario immers ieder begin van aannemelijkheid, waarbij het hof bovendien geen enkel geloof hecht aan de in dat verband afgelegde verklaring van de verdachte. Bij dit oordeel betrekt het hof op de eerste plaats de wijze van totstandkoming van deze verklaring, alsmede het moment waarop de verdachte voor het eerst met deze lezing naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich bij gelegenheid van zijn verhoren door de politie op zijn zwijgrecht beroepen. Eerst pas na zijn verhoor bij de raadkamer heeft de verdachte een verklaring afgelegd en het scenario van het plamuurmes naar voren gebracht. Bij de weging en waardering van de geloofwaardigheid en/of de aannemelijkheid van de verklaring van de verdachte stelt het hof voorop dat door geen van de getuigen is verklaard over een plamuurmes op de trap in de woning van getuige [getuige 2] .
Voorts overweegt het hof dat de verdachte heeft verklaard dat hij bij de woning van [getuige 2] is vertrokken met een taxi en dat hij het plamuurmes heeft meegenomen. Het plamuurmes heeft hij vervolgens naar eigen zeggen in [plaatsnaam] weggegooid naast het fietspad.
Door de politie is onderzoek gedaan en men heeft geprobeerd om het plamuurmes op de door de verdachte genoemde locatie terug te vinden. Daartoe heeft de politie op 16 december 2022 telefonisch contact opgenomen met de verdachte en is hem gevraagd om de precieze locatie aan te geven. Uit het ter zake opgemaakte proces-verbaal komt naar voren dat de verdachte, wanneer wordt doorgevraagd en nog voordat aan de verdachte vragen gesteld kunnen worden over zijn manier van gooien, de richting van gooien of een precieze plaats van gooien en waar het plamuurmes dan ongeveer moet zijn terechtgekomen, de verdachte volgens de verbalisant iets heeft gezegd in de trant van: “Het is zo wel genoeg geweest.”. De verdachte heeft daarop de telefoonverbinding verbroken. Aldus concludeert het hof dat de verdachte zijn volledige medewerking aan het naspeuren van het plamuurmes, en daarmee aan het controleren van de geloofwaardigheid van zijn alternatieve scenario, heeft onthouden. Gelet op het belang dat de verdachte had bij het terugvinden van het plamuurmes, vermag het hof niet in te zien waarom verdachte zijn volle medewerking heeft geweigerd. Daarbij merkt het hof op dat door de politie op de door de verdachte aangegeven locatie waar hij het plamuurmes die nacht zou hebben weggegooid, overigens geen plamuurmes is aangetroffen.
Ten slotte heeft geen van de getuigen gerept over een agressieve uiting of daad, of iets dat daarbij in de buurt komt, van aangever richting de verdachte waarop de verdachte zich zegt te hebben moeten verweren. [getuige 1] heeft deels op zijn telefoon gekeken, maar niet de hele tijd; hij heeft gezien hoe de verdachte eruit zag en hoe hij liep, en heeft een en ander ook kunnen horen (p. 91-92).
Bij voormelde stand van zaken acht het hof het door de verdachte geschetste alternatieve scenario niet aannemelijk geworden en mitsdien stelt het hof dit scenario terzijde.
Met betrekking tot het verweer aangaande het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet overweegt het hof uitgaande van de lezing van aangever als volgt.
Het hof leidt uit de aan bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden en het vorenoverwogene af dat de verdachte met een scherp en/of puntig voorwerp het slachtoffer in zijn hals heeft gestoken. De hals betreft een kwetsbaar onderdeel van het lichaam. Het met een dergelijk voorwerp in de hals steken brengt de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel met zich. Het hof is van oordeel dat de gedraging van de verdachte, onder de omstandigheden en op de wijze zoals uit de hiervoor bedoelde bewijsmiddelen volgt, naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zo zeer gericht op het gevolg dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans hierop bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat de verdachte die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken.
Het hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging in al hun onderdelen.
Resumerend acht het hof, op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Nu het hof het forensisch letselrapport niet tot het bewijs bezigt, behoeft het voorwaardelijke verzoek van de verdediging geen nadere bespreking.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder feit 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
mishandeling.
Het onder feit 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
poging tot zware mishandeling.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
De raadsman van de verdachte heeft ten aanzien van feit 1 gesteld dat de verdachte een geslaagd beroep op putatief noodweer toekomt.
Het hof stelt allereerst vast dat het verweer van de verdediging niet is aan te merken als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van artikel 359, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, zodat het verweer geen bespreking behoeft. Desalniettemin overweegt het hof dienaangaande het volgende.
Het hof stelt voorop dat bij een beroep op putatief noodweer dient te worden onderzocht of er sprake was van verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte, bijvoorbeeld omdat hij niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld, dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld.
Het hof is van oordeel dat daarvoor geen begin van aannemelijkheid uit het dossier of het verhandelde ter terechtzitting kan worden afgeleid. Het hof heeft immers vastgesteld dat geen sprake was van een noodweersituatie. Er zijn evenmin feiten of omstandigheden gebleken op grond waarvan verdachte kon of mocht menen dat sprake was van een op handen zijnde wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf door aangever [naam slachtoffer twee] . Het beroep op putatief noodweer wordt dan ook verworpen.
Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsman betoogd dat verdachte een geslaagd beroep op noodweer(exces) toekomt en hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Onder verwijzing naar het juridisch kader zoals hierboven weergegeven, gaat hof bij het vaststellen van de feitelijke toedracht uit van de inhoud van voornoemde bewijsmiddelen. Uit het voorliggende dossier en het onderzoek ter terechtzitting is de aan het noodweerverweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden, zodat het verweer reeds vanwege het ontbreken van feitelijke grondslag faalt.
Inleiding
Nu zich in de hals diverse bloedvaten bevinden, is sprake van een poging tot doodslag. Dat het letsel in het dossier afwisselend een steek- dan wel snijwond wordt genoemd en dat de diepte van de wond niet kan worden vastgesteld, doet daar niet aan af, aldus de advocaat-generaal.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – aanwezig is, indien er een aanmerkelijke kans is dat dat gevolg zal intreden en de verdachte deze kans bewust heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
In het licht van bovenstaande vooropstelling stelt het hof – zoals hierna in het kader van de bewijsoverwegingen met betrekking tot het onder feit 2 meer subsidiair tenlastegelegde nader zal worden overwogen – op grond van wettige bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep vast dat de verdachte aangever [naam benadeelde partij één] op 26 november 2022 met een scherp en/of puntig voorwerp in de hals heeft gestoken. Daardoor heeft het slachtoffer letsel in zijn hals opgelopen. Uit het dossier volgt dat de door verdachte toegebrachte wond in de hals van [naam benadeelde partij één] in het ziekenhuis is gehecht, maar dat geen verder operatief ingrijpen nodig is geweest. Het hof kan op grond van de stukken in het dossier niet vaststellen met welk voorwerp het letsel is toegebracht. Of dat een mes betrof is onduidelijk, laat staan wat voor soort mes het was of wat de grootte daarvan was. Evenmin kan het hof op grond van het dossier komen tot vaststellingen omtrent de diepte van de wond en/of de kracht waarmee de verdachte heeft gestoken. Door geen van de getuigen is het steekvoorwerp of de feitelijke steekbeweging waargenomen.
Bij voormelde stand van zaken is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de kans op de dood van [naam benadeelde partij één] aanmerkelijk is geweest. Het hof concludeert derhalve dat niet kan worden bewezen dat de verdachte minst genomen het voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [naam benadeelde partij één] . Bij die stand van zaken zal het hof verdachte vrijspreken van het onder feit 2 primair tenlastegelegde.
Feit 2 subsidiair zwaar lichamelijk letsel
Zoals hierboven overwogen kan op grond van de bewijsmiddelen weliswaar worden vastgesteld dat de verdachte het slachtoffer in zijn hals heeft gestoken en dat daardoor een wond is ontstaan die in het ziekenhuis is gehecht, maar het dossier bevat geen medische informatie (foto’s of beschrijving anderszins) op grond waarvan het hof kan vaststellen dat sprake is van restschade bijvoorbeeld in de vorm van een blijvend en ontsierend litteken. Dat betekent dat ook het bewijs voor het onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde tekortschiet, zodat de verdachte daarvan zal vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.hij op 23 november 2022 in de gemeente Roermond [naam slachtoffer twee] heeft mishandeld door met kracht met een vlakke hand in het gezicht van die [naam slachtoffer twee] te slaan.
2. meer subsidiairhij op 26 november 2022 in de gemeente Roerdalen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam benadeelde partij één] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een scherp en/of puntig voorwerp in de hals van die [naam benadeelde partij één] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
I.
Dictum
Aangever is toen op verdachte afgelopen, heeft iets gezegd over zijn baard en heeft hem bij zijn hals vastgegrepen. Met het plamuurmes in de hand heeft de verdachte aangever [naam benadeelde partij één] toen met beide handen weggeduwd. Bij die beweging heeft verdachte aangever [naam benadeelde partij één] onbedoeld met het plamuurmes in de hals geraakt, omdat hij dat mes toevallig nog in zijn hand had.
Het hof heeft gelet op de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep echter geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid en de juistheid van de verklaring van aangever [naam benadeelde partij één] .
Naar het oordeel van het hof ontbeert het door de verdediging geponeerde alternatieve scenario immers ieder begin van aannemelijkheid, waarbij het hof bovendien geen enkel geloof hecht aan de in dat verband afgelegde verklaring van de verdachte. Bij dit oordeel betrekt het hof op de eerste plaats de wijze van totstandkoming van deze verklaring, alsmede het moment waarop de verdachte voor het eerst met deze lezing naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich bij gelegenheid van zijn verhoren door de politie op zijn zwijgrecht beroepen. Eerst pas na zijn verhoor bij de raadkamer heeft de verdachte een verklaring afgelegd en het scenario van het plamuurmes naar voren gebracht. Bij de weging en waardering van de geloofwaardigheid en/of de aannemelijkheid van de verklaring van de verdachte stelt het hof voorop dat door geen van de getuigen is verklaard over een plamuurmes op de trap in de woning van getuige [getuige 2] .
Voorts overweegt het hof dat de verdachte heeft verklaard dat hij bij de woning van [getuige 2] is vertrokken met een taxi en dat hij het plamuurmes heeft meegenomen. Het plamuurmes heeft hij vervolgens naar eigen zeggen in [plaatsnaam] weggegooid naast het fietspad.
Door de politie is onderzoek gedaan en men heeft geprobeerd om het plamuurmes op de door de verdachte genoemde locatie terug te vinden. Daartoe heeft de politie op 16 december 2022 telefonisch contact opgenomen met de verdachte en is hem gevraagd om de precieze locatie aan te geven. Uit het ter zake opgemaakte proces-verbaal komt naar voren dat de verdachte, wanneer wordt doorgevraagd en nog voordat aan de verdachte vragen gesteld kunnen worden over zijn manier van gooien, de richting van gooien of een precieze plaats van gooien en waar het plamuurmes dan ongeveer moet zijn terechtgekomen, de verdachte volgens de verbalisant iets heeft gezegd in de trant van: “Het is zo wel genoeg geweest.”. De verdachte heeft daarop de telefoonverbinding verbroken. Aldus concludeert het hof dat de verdachte zijn volledige medewerking aan het naspeuren van het plamuurmes, en daarmee aan het controleren van de geloofwaardigheid van zijn alternatieve scenario, heeft onthouden. Gelet op het belang dat de verdachte had bij het terugvinden van het plamuurmes, vermag het hof niet in te zien waarom verdachte zijn volle medewerking heeft geweigerd. Daarbij merkt het hof op dat door de politie op de door de verdachte aangegeven locatie waar hij het plamuurmes die nacht zou hebben weggegooid, overigens geen plamuurmes is aangetroffen.
Ten slotte heeft geen van de getuigen gerept over een agressieve uiting of daad, of iets dat daarbij in de buurt komt, van aangever richting de verdachte waarop de verdachte zich zegt te hebben moeten verweren. [getuige 1] heeft deels op zijn telefoon gekeken, maar niet de hele tijd; hij heeft gezien hoe de verdachte eruit zag en hoe hij liep, en heeft een en ander ook kunnen horen (p. 91-92).
Bij voormelde stand van zaken acht het hof het door de verdachte geschetste alternatieve scenario niet aannemelijk geworden en mitsdien stelt het hof dit scenario terzijde.
Met betrekking tot het verweer aangaande het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet overweegt het hof uitgaande van de lezing van aangever als volgt.
Het hof leidt uit de aan bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden en het vorenoverwogene af dat de verdachte met een scherp en/of puntig voorwerp het slachtoffer in zijn hals heeft gestoken. De hals betreft een kwetsbaar onderdeel van het lichaam. Het met een dergelijk voorwerp in de hals steken brengt de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel met zich. Het hof is van oordeel dat de gedraging van de verdachte, onder de omstandigheden en op de wijze zoals uit de hiervoor bedoelde bewijsmiddelen volgt, naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zo zeer gericht op het gevolg dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans hierop bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat de verdachte die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken.
Het hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging in al hun onderdelen.
Resumerend acht het hof, op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Nu het hof het forensisch letselrapport niet tot het bewijs bezigt, behoeft het voorwaardelijke verzoek van de verdediging geen nadere bespreking.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder feit 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
mishandeling.
Het onder feit 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
poging tot zware mishandeling.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
De raadsman van de verdachte heeft ten aanzien van feit 1 gesteld dat de verdachte een geslaagd beroep op putatief noodweer toekomt.
Het hof stelt allereerst vast dat het verweer van de verdediging niet is aan te merken als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van artikel 359, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, zodat het verweer geen bespreking behoeft. Desalniettemin overweegt het hof dienaangaande het volgende.
Het hof stelt voorop dat bij een beroep op putatief noodweer dient te worden onderzocht of er sprake was van verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte, bijvoorbeeld omdat hij niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld, dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld.
Het hof is van oordeel dat daarvoor geen begin van aannemelijkheid uit het dossier of het verhandelde ter terechtzitting kan worden afgeleid. Het hof heeft immers vastgesteld dat geen sprake was van een noodweersituatie. Er zijn evenmin feiten of omstandigheden gebleken op grond waarvan verdachte kon of mocht menen dat sprake was van een op handen zijnde wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf door aangever [naam slachtoffer twee] . Het beroep op putatief noodweer wordt dan ook verworpen.
Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsman betoogd dat verdachte een geslaagd beroep op noodweer(exces) toekomt en hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Onder verwijzing naar het juridisch kader zoals hierboven weergegeven, gaat hof bij het vaststellen van de feitelijke toedracht uit van de inhoud van voornoemde bewijsmiddelen. Uit het voorliggende dossier en het onderzoek ter terechtzitting is de aan het noodweerverweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden, zodat het verweer reeds vanwege het ontbreken van feitelijke grondslag faalt.
Dictum
Het hof verwerpt eveneens het noodweerexcesverweer reeds op de grond dat hiervoor is vastgesteld dat niet is gebleken van een noodweersituatie.
Ook anderszins zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich op 23 november 2022 schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [naam slachtoffer twee] . De verdachte heeft [naam slachtoffer twee] met kracht in het gezicht geslagen. Daarnaast is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij zich op 26 november 2022 schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. De verdachte heeft het slachtoffer [naam benadeelde partij één] met een scherp en/of puntig voorwerp in de hals gestoken. Aldus heeft de verdachte zich binnen zeer korte tijd schuldig gemaakt aan twee geweldsfeiten. Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is voor het hof niet duidelijk geworden waarom de verdachte geweld heeft gebruikt tegen de slachtoffers, zodat het hof enkel kan concluderen dat de verdachte slechts werd gedreven door zijn eigen frustraties. Dit acht het hof, mede gelet op verdachtes strafblad (zie hierna), zorgwekkend. Met zijn handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en bij hen gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht. Met name het steekincident acht het hof bijzonder ernstig. Het feit dat het slachtoffer door de handelwijze van de verdachte geen zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen, is een gelukkige omstandigheid die geenszins aan de verdachte is te danken. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 oktober 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit volgt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld, waaronder ter zake van geweldsdelicten.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij uitzicht heeft op een baan bij zijn vorige werkgever. De verdachte heeft een woning in België en hij is voornemens om na detentie daar te gaan wonen.
Naar het oordeel van het hof kan, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en in verband met een juiste normhandhaving, niet worden volstaan met de oplegging van een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij één]
De benadeelde partij [naam benadeelde partij één] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 25.050,34, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in een bedrag van € 50,34 aan materiële schade ter zake medicatie en een bedrag van € 25.000,00 aan immateriële schade.
De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 7.542,13, bestaande uit een bedrag van € 42,13 als vergoeding van materiële schade en een bedrag van € 7.500,00 als vergoeding van immateriële schade. De vordering is voor zover die ziet op de materiële schade voor het overige afgewezen, waarbij de benadeelde partij ten aanzien van de meer gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk is verklaard in de vordering.
De benadeelde partij heeft bij monde van diens advocaat ter terechtzitting in hoger beroep te kennen gegeven de vordering in hoger beroep te handhaven, doch de vordering ter zake van de immateriële schade te matigen tot een bedrag van € 15.000,00.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de beslissing van de rechtbank zal bevestigen met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. De advocaat-generaal vordert de toewijzing van de immateriële schadevergoeding en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel met € 2.000,00 te verhogen.
De raadsman van de verdachte heeft – in lijn met de door hem bepleite vrijspraak – primair bepleit dat het hof de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk zal verklaren. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering, omdat deze een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Meer subsidiair heeft de raadsman zich ten aanzien van de materiële schade gerefereerd aan het oordeel van het hof, doch bepleit dat het hof het bedrag aan smartengeld zal matigen.
Het hof overweegt als volgt.
Ten aanzien van de materiële schade
Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 2 meer subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een totaalbedrag van € 42,13 wegens kosten voor medicatie. Hoewel de vordering niet door de verdediging is betwist, is het hof van oordeel dat niet het gehele bedrag van € 50,34 kan worden toegewezen, nu de op pagina 39 van de vordering bijgevoegde kwitantie ter zake van een deel van de medicatie ad € 8,21 dateert van 28 oktober 2022. Die datum ligt voor de bewezenverklaarde datum, zodat de vordering voor dat deel wordt afgewezen.
Immateriële schade
Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de benadeelde partij [naam benadeelde partij één] als gevolg van het onder feit 2 meer subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Daartoe overweegt het hof als volgt.
Het hof heeft vastgesteld dat verdachte de benadeelde partij met een scherp en/of puntig voorwerp in de hals heeft gestoken. De benadeelde partij heeft daardoor letsel in zijn hals opgelopen. De benadeelde partij is na het steekincident onmiddellijk naar het ziekenhuis vervoerd en daar is de wond gehecht. Blijkens de onderbouwing van de vordering is het steekincident heel beangstigend voor het slachtoffer geweest en is sprake van psychisch letsel in de zin van een posttraumatisch stresssyndroom, waarvoor de benadeelde partij behandeling heeft gezocht bij een psycholoog. Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep komt naar voren dat de benadeelde partij thans nog steeds angstgevoelens voor de verdachte heeft. Het hof is van oordeel dat het gestelde geestelijk letsel dat door het bewezenverklaarde is opgetreden valt onder het bereik van artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het hof begroot deze immateriële schade naar billijkheid op het bedrag van € 7.500,00. Het hof zal de benadeelde partij voor de meer gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering aanbrengen bij de civiele rechter.
Dictum
Het hof verwerpt eveneens het noodweerexcesverweer reeds op de grond dat hiervoor is vastgesteld dat niet is gebleken van een noodweersituatie.
Ook anderszins zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich op 23 november 2022 schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [naam slachtoffer twee] . De verdachte heeft [naam slachtoffer twee] met kracht in het gezicht geslagen. Daarnaast is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij zich op 26 november 2022 schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. De verdachte heeft het slachtoffer [naam benadeelde partij één] met een scherp en/of puntig voorwerp in de hals gestoken. Aldus heeft de verdachte zich binnen zeer korte tijd schuldig gemaakt aan twee geweldsfeiten. Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is voor het hof niet duidelijk geworden waarom de verdachte geweld heeft gebruikt tegen de slachtoffers, zodat het hof enkel kan concluderen dat de verdachte slechts werd gedreven door zijn eigen frustraties. Dit acht het hof, mede gelet op verdachtes strafblad (zie hierna), zorgwekkend. Met zijn handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en bij hen gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht. Met name het steekincident acht het hof bijzonder ernstig. Het feit dat het slachtoffer door de handelwijze van de verdachte geen zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen, is een gelukkige omstandigheid die geenszins aan de verdachte is te danken. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 oktober 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit volgt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld, waaronder ter zake van geweldsdelicten.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij uitzicht heeft op een baan bij zijn vorige werkgever. De verdachte heeft een woning in België en hij is voornemens om na detentie daar te gaan wonen.
Naar het oordeel van het hof kan, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en in verband met een juiste normhandhaving, niet worden volstaan met de oplegging van een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij één]
De benadeelde partij [naam benadeelde partij één] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 25.050,34, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in een bedrag van € 50,34 aan materiële schade ter zake medicatie en een bedrag van € 25.000,00 aan immateriële schade.
De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 7.542,13, bestaande uit een bedrag van € 42,13 als vergoeding van materiële schade en een bedrag van € 7.500,00 als vergoeding van immateriële schade. De vordering is voor zover die ziet op de materiële schade voor het overige afgewezen, waarbij de benadeelde partij ten aanzien van de meer gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk is verklaard in de vordering.
De benadeelde partij heeft bij monde van diens advocaat ter terechtzitting in hoger beroep te kennen gegeven de vordering in hoger beroep te handhaven, doch de vordering ter zake van de immateriële schade te matigen tot een bedrag van € 15.000,00.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de beslissing van de rechtbank zal bevestigen met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. De advocaat-generaal vordert de toewijzing van de immateriële schadevergoeding en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel met € 2.000,00 te verhogen.
De raadsman van de verdachte heeft – in lijn met de door hem bepleite vrijspraak – primair bepleit dat het hof de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk zal verklaren. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering, omdat deze een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Meer subsidiair heeft de raadsman zich ten aanzien van de materiële schade gerefereerd aan het oordeel van het hof, doch bepleit dat het hof het bedrag aan smartengeld zal matigen.
Het hof overweegt als volgt.
Ten aanzien van de materiële schade
Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 2 meer subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een totaalbedrag van € 42,13 wegens kosten voor medicatie. Hoewel de vordering niet door de verdediging is betwist, is het hof van oordeel dat niet het gehele bedrag van € 50,34 kan worden toegewezen, nu de op pagina 39 van de vordering bijgevoegde kwitantie ter zake van een deel van de medicatie ad € 8,21 dateert van 28 oktober 2022. Die datum ligt voor de bewezenverklaarde datum, zodat de vordering voor dat deel wordt afgewezen.
Immateriële schade
Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de benadeelde partij [naam benadeelde partij één] als gevolg van het onder feit 2 meer subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Daartoe overweegt het hof als volgt.
Het hof heeft vastgesteld dat verdachte de benadeelde partij met een scherp en/of puntig voorwerp in de hals heeft gestoken. De benadeelde partij heeft daardoor letsel in zijn hals opgelopen. De benadeelde partij is na het steekincident onmiddellijk naar het ziekenhuis vervoerd en daar is de wond gehecht. Blijkens de onderbouwing van de vordering is het steekincident heel beangstigend voor het slachtoffer geweest en is sprake van psychisch letsel in de zin van een posttraumatisch stresssyndroom, waarvoor de benadeelde partij behandeling heeft gezocht bij een psycholoog. Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep komt naar voren dat de benadeelde partij thans nog steeds angstgevoelens voor de verdachte heeft. Het hof is van oordeel dat het gestelde geestelijk letsel dat door het bewezenverklaarde is opgetreden valt onder het bereik van artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het hof begroot deze immateriële schade naar billijkheid op het bedrag van € 7.500,00. Het hof zal de benadeelde partij voor de meer gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering aanbrengen bij de civiele rechter.