Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-10-28
ECLI:NL:GHSHE:2025:2972
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.346.118/01 arrest van 28 oktober 2025 in de zaak van [xx] Bouw B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante, hierna aan te duiden als [xx] , advocaat: mr. D. Bercx te Nijmegen, tegen [yy] Agrarisch Bedrijf B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als [yy] , advocaat: mr. Th.J.H.M. Linssen te Tilburg, op het bij exploot van dagvaarding van 11 september 2025 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 26 juni 2024, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [xx] als eiseres en [yy] als gedaagde. 1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/394638 / HA ZA 23-426) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2 Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven, met producties 18 tot en met 23; de memorie van antwoord, met producties 4 tot en met 9; de mondelinge behandeling, waarbij partij [xx] spreekaantekeningen heeft overgelegd; de bij H16-formulier van 23 september 2025 door [xx] toegezonden producties 10 tot en met 17, die [xx] bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding heeft gebracht. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3 De beoordeling De kern van het geschil 3.1.1. [xx] heeft op grond van een overeenkomst van aanneming in 2017 een aardappelbewaarloods aan [adres] gebouwd voor [yy] . De daarvoor oorspronkelijk overeengekomen aanneemsom van € 450.000,- exclusief btw is door [yy] betaald. Volgens [xx] is de verschuldigde aanneemsom tijdens de bouw door opgedragen en uitgevoerd meerwerk gewijzigd. Zij stelt in deze procedure onder meer dat tussen [xx] en [yy] in mei 2019 is afgesproken dat voor dit meerwerk een bedrag van € 108.310,01 exclusief btw in rekening zou mogen worden gebracht. [yy] betwist het bestaan van een dergelijke afspraak. [yy] meent dat slechts een bedrag van € 8.310,01 exclusief btw aan meerwerk is overeengekomen, welk bedrag zij ook heeft voldaan. 3.1.2. De rechtbank heeft de vordering tot betaling van de twee onbetaald gelaten facturen van elk € 50.000,- exclusief btw afgewezen. Het hof komt tot een ander oordeel. Nu [yy] niet voldoende gemotiveerd heeft weersproken dat partijen hebben afgesproken dat voor het meerwerk een bedrag van in totaal € 108.310,01 exclusief btw in rekening zou mogen worden gebracht, kan de vordering tot betaling van het nog openstaande deel worden toegewezen. Dat oordeel wordt hierna verder toegelicht. De feiten 3.2. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. 3.2.1. [xx] exploiteert een aannemingsbedrijf. De heer [xx] (hierna: de heer [xx] ) is statutair directeur van [xx] . [yy] exploiteert een varkenshouderij en teelt daarnaast aardappels op verschillende locaties. De heer [yy] (hierna: de heer [yy] ) is statutair directeur van [yy] . 3.2.2. Partijen hebben in 2017 met elkaar gesprekken gevoerd over de nieuwbouw van een aardappelbewaarloods aan [adres] . Naar aanleiding van deze gesprekken heeft [xx] op 5 april 2017 aan [yy] een schriftelijke offerte doen toekomen met als omschrijving “nieuwbouw aardappelbewaarplaats inclusief opslagplaats afm. 27,59 x 53,50 m1” . [xx] offreerde een prijs van € 456.750,- exclusief btw. Vervolgens hebben partijen over deze prijs onderhandeld en hebben zij een akkoord bereikt op het bedrag van € 450.000,- exclusief btw. 3.2.3. [xx] heeft de overeengekomen aanneemsom van € 450.000,- exclusief btw gefactureerd in negen gelijke termijnen van € 50.000,- exclusief btw. De eerste zeven termijnen heeft [yy] direct voldaan. De termijnen acht en negen heeft [yy] opgeschort in verband met gestelde tekortkomingen in de bouw (lekkages en condensvorming in/aan het dak). Nadat [xx] uiteindelijk de gehele dakconstructie heeft verwijderd en heeft vervangen door een nieuwe dakconstructie, was het pr In een WhatsApp bericht van 27 maart 2023 heeft de heer [xx] aan de heer [yy] het volgende geschreven: “Goedemorgen [yy] ik heb Jouw zojuist weer gebeld maar kreeg geen gehoor, de prijzen in de varkens sector zijn weer een tijdje zeer goed, neem aan dat je zo langzamerhand de 100 k excl BTW wel kunt betalen, graag vandaag bericht”. 3.2.12. Bij brief van 14 april 2023 heeft de advocaat van [xx] [yy] gesommeerd tot betaling. 3.2.13. [xx] heeft op 15 juni 2023 ten laste van [yy] conservatoir beslag doen leggen op de onroerende zaak aan [adres B] . De vorderingen van [xx] en de beslissingen van de rechtbank 3.3.1. In de onderhavige procedure heeft [xx] in eerste aanleg -na wijziging van eis- gevorderd dat de rechtbank [yy] veroordeelt om aan [xx] te betalen: 1. een bedrag van € 112.832,50 inclusief btw te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over deze hoofdsom vanaf 12 juni 2019 tot aan de dag van algehele betaling, 2. een bedrag van € 1.985,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, 3. een bedrag van € 1.994,92 aan beslagkosten, 4. de proceskosten. 3.3.2. Hetgeen [xx] aan deze vordering ten grondslag heeft gelegd en de daartegen door [yy] gevoerde verweren zullen, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. 3.3.3. In het eindvonnis van 26 juni 2024 heeft de rechtbank overwogen dat de meest verstrekkende reactie op het verweer van [yy] tegen de vorderingen inhoudt dat [yy] haar rechten heeft verwerkt om nog inhoudelijk te reclameren tegen het meerwerk, omdat [yy] zou hebben toegezegd te betalen. De rechtbank komt tot het oordeel dat de omstandigheden 1) dat [yy] volgens [xx] niet eerder heeft gereclameerd en de aan haar gezonden facturen zonder protest heeft behouden en 2) dat als zou komen vast te staan dat [yy] op 29 mei 2019 geen opmerkingen heeft gemaakt over de eindafrekening, onvoldoende zijn voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking. Uit de verklaring van [persoon A] ter zitting volgt volgens de rechtbank niet dat [yy] op 29 mei 2019 heeft toegezegd te zullen betalen. Aan bewijslevering is de rechtbank daarom niet toegekomen. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat [xx] met haar stellingen en de in het geding gebrachte producties onvoldoende heeft onderbouwd dat zij [yy] tijdig heeft gewezen op de prijsverhoging tot een bedrag van € 112.832,50 en dat daarnaast niet is komen vast te staan dat [yy] met deze prijsverhoging akkoord is gegaan. Voor zover [xx] zich op het standpunt heeft gesteld dat [yy] de noodzaak van een prijsverhoging uit zichzelf had moeten begrijpen, is dat standpunt volgens de rechtbank onvoldoende toegelicht. Op grond daarvan heeft de rechtbank de vorderingen van [xx] afgewezen en [xx] in de proceskosten veroordeeld. Het geschil in hoger beroep 3.4.1. [xx] heeft in hoger beroep zes grieven aangevoerd. Het hof zal de grieven en hetgeen [xx] ter onderbouwing daarvan heeft aangevoerd in het hierna volgende -voor zover relevant- bespreken. [xx] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en het alsnog integraal toewijzen van haar vorderingen in eerste aanleg, met veroordeling van [yy] in de kosten van beide instanties, en tot het terug betalen aan [xx] van hetgeen zij aan [yy] heeft betaald naar aanleiding van het vonnis waarvan beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan de dag der algehele voldoening. 3.4.2. [yy] heeft de grieven gemotiveerd weersproken en heeft geconcludeerd dat de vorderingen van [xx] alsnog moeten worden afgewezen, althans dat het vonnis waarvan beroep, zo nodig met verbetering en/of aanvulling van gronden moet worden bevestigd, met veroordeling van [xx] in de kosten van het hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover. De afspraak tot betaling 3.5.1. De grieven 1 tot en met 4 lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Met deze grieven richt [xx] zich -onder andere- tegen de hiervoor onder rov. 3.3.3 weergegeven oordelen van de rechtbank ten aanzien van het beroep op recht Voor [xx] levert dat immers op geen enkele wijze een voordeel op of dient dit een ander doel. Nog sterker: tijdens de mondeling behandeling bij het hof heeft [xx] aangegeven dat hij liever gewoon had ‘doorgefactureerd’. Dat en om welke reden dit anders zou zijn, is door [yy] niet uitgewerkt. Ook dit feit wijst in de richting van de door [xx] gestelde afspraak. 3.5.7. Daar komt bij dat [yy] één van de drie facturen wél direct heeft betaald. Zijn verklaring daarvoor overtuigt niet. Pas tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [yy] toegelicht dat deze factuur zag op tijdens het werk opgedragen meerwerk dat bestond uit het toevoegen van kunststof wanden in het hokje van 9 m2 waar de computer hangt. Dat zou mondeling zijn overeengekomen. [xx] heeft gewezen op de post “2101 Kunststofwanden” in de eindafrekening, waar een ‘A’ staat voor enkele posten waar een afwijking ten opzichte van de oorspronkelijke begroting in zit. Dat geldt echter niet voor de post voor kunststofplanken in het voorportaal (volgens [xx] “het hokje”): die post was in de begroting van 5 april 2017 al opgenomen ten bedrage van € 1.570,27. Daarmee geconfronteerd heeft [yy] slechts opgemerkt dat hij alleen weet dat hij € 8.000,- méér moest betalen omdat er meer kunststof in de bouw zit. Die uitleg volstaat niet, temeer niet nu [yy] in de memorie van antwoord nog heeft gesteld dat het feit dat er meer kunststof in de bouw is verwerkt, een gevolg is van een fout van [xx] . Dit verdraagt zich niet met de verklaring van [yy] tijdens de mondelinge behandeling dat het bedrag van € 8.310,01 ziet op goedgekeurd meerwerk in verband met kunststof wanden. Het bedrag is voor het hof bovendien niet te herleiden tot een van de posten in de eindafrekening of een ander stuk waaruit deze post blijkt. Veel meer voor de hand ligt de uitleg door [xx] , namelijk dat dit het bedrag is dat resteert na het ‘opknippen’ van de totale meerwerksom (vgl. rov. 3.5.5). 3.5.8. Ook hetgeen zich ná het factureren heeft voorgedaan wijst op het bestaan van de door [xx] gestelde afspraak. Nadat betaling van de facturen 19-00245 en 19-00246 uitbleef, heeft de heer [xx] meerdere keren tevergeefs gebeld en terugbelverzoeken achtergelaten. Dat is niet weersproken en blijkt ook uit de WhatsApp berichten die zijn overgelegd. [xx] heeft gesteld dat de heer [xx] de heer [yy] uiteindelijk op 24 mei 2022, 28 juni 2022 en 24 november 2022 heeft gesproken en dat de inhoud van die gesprekken is weergegeven in de daarna per mail of WhatsApp verstuurde berichten, die ook steeds zijn opgevolgd, bijvoorbeeld op 27 oktober 2022 met de vraag of “er al iets bekend” is. In die berichten wordt meer en minder expliciet terugverwezen naar de betalingsafspraak over het nog openstaande bedrag van € 100.000,- exclusief btw. De details in deze berichten zijn specifiek (zoals waar het gaat om de opkoopregeling en het vervolgcontact ná de vakantie van de heer [yy] ) en het hof oordeelt het in het licht van de overige feiten en omstandigheden in deze zaak niet geloofwaardig dat de heer [xx] die zou hebben verzonnen. De heer [yy] ontkent weliswaar dat hij na mei/juni 2019 nog met de heer [xx] heeft gesproken, maar ook die ontkenning vindt het hof niet geloofwaardig. Op geen enkele van de vele berichten heeft [yy] gereageerd. Dat had toch wel voor de hand gelegen als er gesprekken werden bevestigd die in zijn optiek niet -of met een andere inhoud- zouden hebben plaats gevonden. [yy] heeft niet ontkend dat de heer [yy] de berichten heeft ontvangen. Blijkens de blauwe vinkjes zijn ze ook gelezen en tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de heer [yy] ook verklaard dat er vast wel eens gezegd is -door de jongen op kantoor- dat er e-mails kwamen van [xx] . In eerste instantie is aangevoerd dat de heer [yy] er niet op heeft geantwoord omdat hij nooit mailt of appt. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft hij iets anders verklaard, namelijk dat hij bewust niet heeft geantwoord -of heeft laten antwoord