Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-10-28
ECLI:NL:GHSHE:2025:2971
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.346.015/01 arrest van 28 oktober 2025 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant in de hoofdzaak, eiser in het voorwaardelijke incident, hierna aan te duiden als [appellant] , advocaat: mr. R.S. Vriend te Middelburg, tegen Stichting University College Roosevelt, gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde in de hoofdzaak, verweerster in het voorwaardelijke incident, hierna aan te duiden als UCR, advocaat: mr. S. van Waegeningh te Amsterdam, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 5 november 2024 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer 10794817 \ CV EXPL 23-5255 gewezen vonnis van 13 juni 2024. 5 Het verloop van de procedure 5.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 5 november 2024 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast; het proces-verbaal van comparitie van 19 december 2024; de memorie van grieven tevens voorwaardelijk incidentele vordering tot overlegging van bescheiden; de memorie van antwoord tevens antwoord op de voorwaardelijk incidentele vordering met producties; de op 1 oktober 2025 gehouden mondeling behandeling, waarbij beide partijen spreeknotities hebben overgelegd. 5.2. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 6 De beoordeling De samenvatting 6.1. [appellant] is in dienst van UCR. Volgens [appellant] heeft hij recht op de titel en functie van hoogleraar. Volgens UCR is dat niet zo: [appellant] is weliswaar eerder benoemd tot bijzonder hoogleraar maar die benoeming gold voor een bepaalde tijd en deze is inmiddels verstreken. Volgens [appellant] is hij gewoon hoogleraar. De kantonrechter heeft UCR in het gelijk gesteld. Het hof is van oordeel dat het hoger beroep van [appellant] tegen het oordeel van de kantonrechter niet slaagt. Het hof zal hierna uitleggen waarom dat zo is. De feiten 6.2. Het hof gaat uit van de volgende feiten. 6.2.1. UCR is een financieel onafhankelijke organisatie voor hoger onderwijs die in academische zin verbonden is aan de Universiteit van Utrecht (hierna: de UU). UCR biedt geen masteropleiding aan. 6.2.2. Het Familiefonds Hurgronje heeft op 27 februari 2012 een voorstel ingediend bij de UU tot instelling van een bijzondere leerstoel ten behoeve van onderwijs en onderzoek met betrekking tot de invloed van Zeeland in internationaal perspectief vanaf de middeleeuwen. De UU heeft in maart 2012 een structuurrapport opgesteld ter instelling van de bijzondere leerstoel ‘De geschiedenis van Zeeland in de Wereld’. In het structuurrapport wordt vermeld welke resultaten moeten worden behaald gedurende de vestigingstermijn van de bijzondere leerstoel en welke eisen worden gesteld aan de leerstoelhouder. Bij brief van 10 mei 2012 heeft het college van bestuur (hierna: CvB) van de UU aan het Familiefonds Hurgronje bericht dat zij heeft besloten het Familiefonds Hurgronje bevoegd te verklaren tot vestiging van de hiervoor genoemde bijzondere leerstoel, voor een periode van vijf jaar. 6.2.3. In september 2012 heeft de benoemingsadviescommissie rapport uitgebracht en [appellant] voorgedragen voor benoeming. Na adviezen te hebben ontvangen van zusterfaculteiten en een voordracht van het Familiefonds Hurgronje heeft de decaan van de UU bij brief van 28 november 2012 aan het CvB van de UU het benoemingsvoorstel aangeboden. Bij brief van 7 januari 2013 heeft het CvB van de UU aan het Familiefonds Hurgronje laten weten dat het CvB, na ingewonnen advies van het college van promoties, besloten heeft in te stemmen met de benoeming [appellant] op deze leerstoel voor een periode van vijf jaar. In deze brief wordt verder vermeld: “Graag ontvangen wij een afschrift van het benoemingsbesluit van uw bestuur dat tevens de datum van benoeming vermeldt. Na ontvangst van dit benoemingsbesluit zal [app In 2017 is het contract wederom aangepast. In het ‘Employment Contract’ tussen UCR en [appellant] van 21 september 2017 is vermeld: Article 1 Employee is, as of September 1, 2017, employed as Associate Professor within the Arts & Humanities Department. Article 2 The employment terms have been set for an indefinite period of time. Article 3 The salary will be paid in accordance with scale HL2 grade 8 (…) Article 4 The agreed upon employment consists of 0.3 fte. Working hours are to be determined by employee in consultation with the department head. De vorderingen, het oordeel van de kantonrechter en de vorderingen in hoger beroep 6.3.1. [appellant] heeft gevorderd dat de kantonrechter (samengevat weergegeven): 1. voor recht verklaart dat tussen hem en UCR een arbeidsovereenkomst geldt voor onbepaalde tijd en inhoudt een vaste aanstelling van in totaal 0,5 fte, meer specifiek onderverdeeld in een vaste aanstelling voor 0,2 fte als hoogleraar en een vaste aanstelling voor 0,3 fte als universitair hoofddocent; 2. UCR veroordeelt om de aanstelling als hoogleraar te herstellen en hem in staat stelt om de werkzaamheden als hoogleraar op de gebruikelijke wijze voort te zetten met alle bevoegdheden en faciliteiten; 3. UCR veroordeelt om het loon te betalen in de schaal van hoogleraar (HL1) en niet als Universitair Hoofddocent (UHD1); met veroordeling van UCR in de proceskosten. 6.3.2. De kantonrechter heeft alle vorderingen van [appellant] afgewezen. Daartoe heeft de kantonrechter overwogen dat [appellant] geen belang heeft bij zijn eerste vordering voor zover deze ziet op de arbeidsomvang en de vaste aanstelling als universitair hoofddocent omdat dit tussen partijen niet in geschil is. Verder heeft de kantonrechter (samengevat) overwogen dat [appellant] niet is benoemd tot gewoon hoogleraar maar tot bijzonder hoogleraar op een bijzondere leerstoel voor een beperkte periode en dat een onjuiste vermelding in de arbeidsovereenkomst niet maakt dat hij daaraan rechten kan ontlenen op de functietitel van hoogleraar. 6.3.3. [appellant] wil in hoger beroep dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en zijn vorderingen alsnog volledig toewijst, met veroordeling van UCR in de proceskosten van beide instanties. 6.3.4. [appellant] heeft daarnaast (voorwaardelijk) gevorderd dat UCR bescheiden moet overleggen op straffe van een dwangsom. De overlegging van bescheiden 6.4.1. [appellant] heeft gevorderd dat UCR bescheiden in het geding brengt op grond van de artikelen 194, 195, 195a en 22 Rv. Het hof begrijpt dat [appellant] doelt op het door hem tussen haakjes vermelde artikel 843a (oud) Rv (en artikel 22 Rv), aangezien de artikelen 194-195a Rv pas op 1 januari 2025 in werking zijn getreden, terwijl [appellant] al op 2 september 2024 in hoger beroep is gekomen. 6.4.2. UCR heeft in reactie op de voorwaardelijk incidentele vordering van [appellant] nieuwe producties in het geding gebracht (genummerd 18 tot en met 28). 6.4.3. Volgens UCR heeft zij met deze aanvullende producties alle relevante stukken in het geding gebracht. [appellant] heeft dat niet betwist, zodat het hof daarvan uitgaat. Het hof zal de incidentele vordering daarom afwijzen en de proceskosten (die moeten worden begroot op nihil) compenseren. Kern van het geschil: bijzonder of gewoon hoogleraar 6.5. Volgens [appellant] is de kantonrechter ten onrechte tot het oordeel gekomen dat hij geen recht heeft op het hoogleraarschap. Het hof verwerpt het hoger beroep van [appellant] en zal zijn grieven gezamenlijk beoordelen. 6.5.1. In artikel 9.19 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: Wet Howo) is het volgende bepaald: 1 Tot het personeel van de universiteit behoren in elk geval de hoogleraren. In het benoemingsbesluit wordt vermeld het wetenschapsgebied waarop de hoogleraar zijn onderwijs- en onderzoektaken uitoefent. 2 De hoogleraren zijn bij uitstek verantwoordelijk voor de ontwikkeling van het hun toegewezen wetenschapsgebied en voor de inhoud van het te Het CvB van de UU heeft het Familiefonds Hurgronje de bevoegdheid gegeven [appellant] te benoemen in de door het Familiefonds Hurgronje gevestigde bijzondere leerstoel en vervolgens is zijn benoeming éénmalig verlengd met vijf jaar. Uit de in 6.2.3 geciteerde brief van 12 januari 2013 volgt duidelijk dat [appellant] niet door het CvB van de UU maar door het Familiefonds Hurgronje is benoemd, dat hij is benoemd op de door het Familiefonds Hurgronje gevestigde bijzondere leerstoel en dat het een benoeming is voor vijf jaar. [appellant] was hiervan ook op de hoogte, aangezien hij destijds deze brief ook heeft ontvangen. [appellant] heeft erop gewezen dat in artikel 2.3 van de Hoofdlijnen Hooglerarenbeleid wordt vermeld dat een bijzonder hoogleraar werkzaam is op basis van een gastvrijheidsovereenkomst. [appellant] heeft nooit op basis van een gastvrijheidsovereenkomst gewerkt, maar op basis van met UCR gesloten arbeidsovereenkomsten. Het hof is van oordeel dat dit onvoldoende relevant is. Dat dit zo is vermeld in de Hoofdlijnen Hooglerarenbeleid, moet worden gezien als een praktische uitwerking van de manier waarop het hoogleraarschap kan worden uitgevoerd. De Hoofdlijnen Hooglerarenbeleid kunnen niet de wettelijke eisen die gelden voor de benoeming van een hoogleraar opzij zetten en dat is daarmee overigens ook niet gebeurd. Dat UCR in dit opzicht is afgeweken van de Hoofdlijnen Hooglerarenbeleid, maakt dus niet dat daarom wél sprake is van een benoeming tot hoogleraar. 6.5.6. De Hoofdlijnen Hooglerarenbeleid bevatten ook bepalingen voor een zogenaamde endowed chair waarvoor ook een benoeming van vijf jaar geldt en die ook door een externe instantie wordt gesponsord. Een endowed chair wordt volgens de Hoofdlijnen Hooglerarenbeleid bekleed door een vooraanstaande hoogleraar van de universiteit en de endowed chair wordt gesponsord door een externe instantie (artikel 2.2). Volgens [appellant] is duidelijk dat hij een endowed chair bekleedt. Dat is met zoveel woorden in de arbeidsovereenkomst vermeld (zie 6.2.4) en het Familiefonds Hurgronje heeft de endowed chair gesponsord. Volgens [appellant] is hij een gewoon hoogleraar, aangezien een endowed chair volgens de Hoofdlijnen Hooglerarenbeleid wordt bekleed door een gewoon hoogleraar. Een extra aanwijzing voor dit standpunt volgt volgens [appellant] uit de formulering van de arbeidsovereenkomst. Daarin is vermeld dat de arbeidsovereenkomst wordt aangegaan op voorwaarde van een benoeming als full professor (volgens [appellant] is dat een gewoon hoogleraar) aan de UU. Het hof is van oordeel dat voor deze argumenten hetzelfde geldt als hiervoor al is overwogen. Voor zover in de arbeidsovereenkomsten is afgeweken van de hiervoor genoemde voorschriften van de Wet Howo, dan heeft dat niet het door [appellant] gestelde rechtsgevolg. UCR kon niet met een afspraak afwijken van de wettelijke eisen die worden gesteld aan de benoemingsvoorschriften voor een hoogleraar, ook niet als zij die bedoeling had en ook niet als de bedoeling van [appellant] daarmee overeenstemde. Hetzelfde geldt voor de Hoofdlijnen Hooglerarenbeleid, ook daarmee kan niet worden afgeweken van de wettelijke eisen ter zake de benoemingsvoorschriften. Overigens is het hof van oordeel dat dit ook niet is gebeurd in de Hoofdlijnen Hooglerarenbeleid. In de Hoofdlijnen Hooglerarenbeleid is vermeld dat een endowed chair wordt bekleed door een vooraanstaande hoogleraar van de universiteit, dus door een persoon die al hoogleraar is en zijn sporen als zodanig ook al heeft verdiend. [appellant] was geen hoogleraar voordat hij bij UCR in dienst trad, dus een “vooraanstaande hoogleraar”, voor wie zo’n endowed chair bestemd is, was hij niet. [appellant] heeft geen benoemingsbesluit van het CvB van de UU tot gewoon hoogleraar. Hij is door het Familiefonds Hurgronje benoemd, niet als gewoon hoogleraar (want die bevoegdheid had het Familiefonds Hugronje niet) maar als bijzonder hoogleraar. [appellant] mocht in de gegeven omstandigheden aan