Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-07-24
ECLI:NL:GHSHE:2025:2949
Strafrecht
Hoger beroep
2,025 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:GHSHE:2025:2949 text/xml public 2026-03-31T15:18:38 2025-10-27 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-07-24 20-001554-24 Uitspraak Hoger beroep Op tegenspraak NL Maastricht Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2949 text/html public 2026-03-31T15:14:55 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:2949 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 24-07-2025 / 20-001554-24 Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit wordt gepleegd met betrekking tot een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet. Diefstal. Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking. Parketnummer : 20-001554-24 Uitspraak : 24 juli 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 4 juni 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-145292-23 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970, wonende te [adres 1] . Hoger beroep De rechtbank heeft verdachte ter zake van: Feit 1 primair: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit wordt gepleegd met betrekking tot een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet; Feit 2 primair diefstal; Feit 3 primair diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking; veroordeeld tot: -een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren; en -een taakstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] geheel toegewezen voor een bedrag van € 4.802,51, heeft voor dat bedrag eveneens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd en heeft dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 september 2021 tot de dag der algehele voldoening. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast van 58 dagen. Tenslotte is de verdachte in de proceskosten van de benadeelde partij veroordeeld, welke op nihil zijn begroot. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] gedeeltelijk toegewezen voor een bedrag van € 773,62, heeft voor dat bedrag eveneens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd en heeft dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 september 2021 tot de dag der algehele voldoening. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast van 15 dagen. Tenslotte is de verdachte in de proceskosten van de benadeelde partij veroordeeld, welke op nihil zijn begroot. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis. De verdediging heeft verweren gevoerd betreffende de bewezenverklaring en de strafoplegging. Anders dan in eerste aanleg heeft de verdediging in hoger beroep geen verweer gevoerd met betrekking tot de rechtmatigheid van het binnentreden van de politie in het door de verdachte gehuurde pand. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust met in begrip van de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen, de toegewezen wettelijke rentes en de proceskostenveroordeling maar met uitzondering van de opgelegde straf. Standpunten verdediging Ten aanzien van de bewezenverklaring De verdediging heeft het in eerste aanleg gevoerde verweer herhaald dat verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde en het onder 2 primair en subsidiair en het onder 3 primair en subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Kern van het betoog is - gelijk als in eerste aanleg - dat verdachte het pand waarin de hennepkwekerij is aangetroffen en waarin diefstal van stroom en water is vastgesteld vrijwel direct na ondertekening van de huurovereenkomst heeft onderverhuurd aan een ander waardoor hij geen zicht meer heeft gehad op wat er zich in dat pand heeft afgespeeld. Het hof gaat met de rechtbank voorbij aan dit verweer en sluit aan bij hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft overwogen op pagina 7 van het vonnis. De rechtbank heeft daar het volgende overwogen: Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat op 2 september 2021 in de woning aan [adres 2] een hennepkwekerij met daarin 448 hennepplanten is aangetroffen. Ten behoeve van de kwekerij, waarbij sprake was van 1 eerdere oogst, werden elektriciteit en water gestolen. Het pand werd sinds 1 maart 2020 gehuurd door de verdachte en verdachte was ook contractant bij de elektriciteits- en watermaatschappij. Uitgangspunt is dat een huurder van onroerend goed bekend mag worden verondersteld met (en dus geacht mag worden opzet te hebben op) al hetgeen zich in dat onroerend goed bevindt. Aldus kan gesteld worden dat de verdachte opzet had op het telen van hennepplanten en de diefstal van elektriciteit en water, behoudens feiten en omstandigheden waaruit het tegendeel blijkt Alternatief scenario De verdachte heeft ontkend wetenschap te hebben gehad van en bemoeienis te hebben gehad met de hennepkwekerij en de diefstal van water en elektriciteit. Tijdens een telefonisch contact met de politie heeft de verdachte verklaard dat hij de woning had onderverhuurd ‘aan een nichtje, daar de vriend van en diens neef. Later heeft de verdachte tijdens zijn verhoor bij de politie op 16 september 2021 verklaard dat hij het pand, meteen na het afsluiten van de huur, had onderverhuurd aan de neef van [medeverdachte] . Deze [medeverdachte] was werkzaam bij het bedrijf van de verdachte in Duitsland. De verdachte heeft tijdens zijn politieverhoor toegezegd ervoor zorg te dragen dat het huurcontract met de neef van [medeverdachte] , een kopie van het paspoort van de neef, het gsm-nummer en adres van de neef aan de politie zouden worden verstrekt. Die stukken heeft hij nimmer verstrekt. Kortom, niet alleen heeft de verdachte wisselend verklaard over wie de onderhuurder zou zijn geweest, maar bovendien heeft hij geen handen en voeten gegeven aan zijn "alternatieve scenario'. Een aannemelijke, het bewijs ontzenuwende, consistente, alternatieve verklaring heeft de verdachte derhalve niet geboden”. Het hof overweegt aanvullend dat verdachte evenmin in de fase van het hoger beroep stukken heeft bijgebracht waaruit blijkt van de aannemelijkheid van het bestaan van een onderhuurovereenkomst ten aanzien van het pand met de neef van [medeverdachte] . Wel heeft de verdediging in hoger beroep een stuk ingebracht om aannemelijk te maken dat verdachte in het buitenland verbleef waardoor hij ook niet in staat is geweest om hennep te telen en ten behoeve daarvan elektriciteit en water te stelen. Het hof gaat aan dit door de verdediging ingebrachte stuk voorbij. Het zou volgens mededelingen van de verdediging een kopie van een bladzijde uit het paspoort van verdachte zijn, maar het hof heeft dit niet kunnen vaststellen omdat de tenaamstelling van het paspoort ontbreekt. Nu de overgelegde kopie ook voor het overige geen gegevens bevat kan het hof evenmin plaatsen waarop de daarop geplaatste stempel met als datum 3 maart 2020 betrekking heeft.