Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-02-06
ECLI:NL:GHSHE:2025:292
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
6,134 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 6 februari 2025
Zaaknummer: 200.343.801/01
Zaaknummer eerste aanleg: 10775431 OV VERZ 23-5514
in de zaak in hoger beroep van:
[rechthebbende] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: rechthebbende,
advocaat: mr. W.J. Jurgers,
Als belanghebbenden in deze zaak zijn aangemerkt:
[bewindvoerder] B.V. (hierna te noemen: de bewindvoerder);
[de moeder van de rechthebbende] (hierna te noemen: de moeder van de rechthebbende);
[de vader van de rechthebbende] (hierna te noemen: de vader van de rechthebbende);
[zus van de rechthebbende 1] (hierna te noemen: de zus van de rechthebbende);
[zus van de rechthebbende 2] (hierna te noemen: de zus van de rechthebbende);
[broer van de rechthebbende] (hierna te noemen: de broer van de rechthebbende).
In het kort:
Deze zaak gaat over het verzoek tot opheffing van het bewind over de goederen van de rechthebbende.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom van 25 april 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 juli 2024, heeft de rechthebbende verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende alsnog het bewind op te heffen over de goederen van de rechthebbende.
Kosten rechtens.
2.2.
Bij brief met bijlagen, ingekomen ter griffie op 17 september 2024, heeft de bewindvoerder geconcludeerd dat opheffing van het bewind nog prematuur is omdat het een te grote stap is voor de rechthebbende en ze nog te weinig inzicht heeft in de financiële gevolgen van haar handelen. Een zelfredzaamheidstraject lijkt de bewindvoerder meer passend.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 januari 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de rechthebbende, bijgestaan door haar advocaat.
2.3.1.
De bewindvoerder is, met bericht van verhindering, niet op de mondelinge behandeling verschenen.
2.3.2.
De vader, de moeder, de broer en de zussen zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet op de mondelinge behandeling verschenen.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 11 april 2024;
het V8-formulier met bijlagen (producties 1, 2 en 3) van de advocaat van de rechthebbende d.d. 6 augustus 2024.
Feiten
3.1.
Bij beschikking van 26 juni 2019 heeft de kantonrechter van de rechtbank
Zeeland-West-Brabant (locatie Bergen op Zoom) een bewind ingesteld over de goederen die aan de rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren, met benoeming van [bewindvoerder] B.V. tot bewindvoerder.
3.2.
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter van de rechtbank
Zeeland-West-Brabant (locatie Bergen op Zoom) het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind afgewezen.
3.3.
De rechthebbende kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De standpunten
3.4.
De rechthebbende voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling – samengevat – het volgende aan. Het bewind is destijds ingesteld vanwege (gok)verslavingsproblematiek maar dat is al lang niet meer aan de orde, zo blijkt ook nadrukkelijk uit het overgelegde bewijs. De rechthebbende is het niet eens met de bewindvoerder die meent dat het nog te vroeg is om het bewind op te heffen. De rechthebbende is al sinds oktober 2023 schuldenvrij en heeft circa € 10.000,- op haar spaarrekening staan. Ze woont sinds 2020 zelfstandig en heeft vanaf 2023 geen begeleiding meer. Ze begrijpt niet waarom haar niet de kans wordt geboden om op eigen benen te staan. Na de beslissing van de kantonrechter is het zelfredzaamheidstraject alsnog gestart en dat loopt ook goed. Handhaving van het bewind is niet langer nodig. Het bewind kan worden opgeheven.
3.5.
De bewindvoerder betoogt in haar brief - samengevat - dat het nog te vroeg is om het bewind op te heffen. Het bewind is in 2019 ingesteld vanwege verslavingsproblematiek en omdat het de rechthebbende ontbrak aan inzicht in haar financiën. Er was ook sprake van een aanzienlijke schuldenlast. De schuldenlast is door middel van een schuldentraject op 1 oktober 2023 afgewikkeld. De rechthebbende heeft meerdere keren aangegeven dat zij een onderneming wenste te starten als kindercoach. De bewindvoerder heeft, ondanks een uitdrukkelijk verzoek daartoe, nooit een ondernemingsplan ontvangen.
De rechthebbende wil niet meewerken aan een zelfredzaamheidstraject. Wel is de ontvangst van leefgeld omgezet van één keer per week in één keer per maand. Het is erg onrustig op de pin-bankrekening van de rechthebbende en dat baart de bewindvoerder zorgen. De bewindvoerder betwijfelt of de rechthebbende voldoende inzicht heeft in haar financiën en vraagt zich af hoe dit zal gaan als de rechthebbende een groter banksaldo tot haar beschikking heeft. Het lijkt de bewindvoerder meer passend om met de rechthebbende via een zelfredzaamheidstraject met daarin de nodige ‘opdrachten’ voor de rechthebbende toe te werken naar het door haar zelfstandig beheren van haar vermogen.
Motivering
3.6.
Het hof overweegt als volgt.
3.6.1.
Op grond van artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter een bewind instellen over één of meer van de goederen, die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren, indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, als gevolg van:
a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel;
b. verkwisting of het hebben van problematische schulden.
3.6.2.
Ingevolge artikel 1:449 lid 2 BW kan de kantonrechter het bewind opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de bewindvoerder of degene die gerechtigd is het bewind te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432 BW, alsmede ambtshalve.
3.6.3.
Op grond van het vorenstaande dient het hof te beoordelen of de noodzaak zoals bij de instelling van het bewind is vastgesteld niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol meer is.
3.6.4.
Op grond van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, is het hof van oordeel dat deze noodzaak niet meer bestaat. Het bewind is in 2019 ingesteld in verband met schulden die zijn ontstaan als gevolg van verslavingsproblematiek. De rechthebbende is vanaf oktober 2023 schuldenvrij. Ook heeft de rechthebbende een stabiel spaargeld opgebouwd van ongeveer € 10.000,-. Weliswaar wilde de rechthebbende niet meewerken aan een zelfredzaamheidstraject, maar ze ontvangt haar leefgeld nu al ruim een jaar één keer per maand (in plaats van één keer per week) en dat gaat goed. Niet gebleken is dat ze om bovenmatig extra geld bij de bewindvoerder heeft gevraagd of anderszins bijzondere uitgaven doet. De opmerking van de bewindvoerder dat de pinbankrekening onrustig is en derhalve zorgen baart is niet nader toegelicht, reden waarom daaraan voorbij wordt gegaan. De rechthebbende heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep inzicht gegeven in haar financiën en een toelichting gegeven op de situatie waarin ze zich in 2019 bevond. De rechthebbende heeft voorts een toelichting gegeven op haar huidige woon- en leefsituatie en een inkijk geboden in haar dagelijks leven, waarbij ze zich bewust heeft getoond van mogelijke valkuilen in verband met haar voormalige verslavingsproblematiek.
Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof voldoende aanleiding om aan te nemen dat rechthebbende haar gokverslaving op dit moment alweer enige tijd onder controle heeft. Ze woont sinds eind 2022 weer volledig zelfstandig en nadat ze tot en met april 2023 nog ondersteuning heeft gehad is sindsdien alle zorg beëindigd. Er is niet gebleken dat ze sindsdien een terugval heeft gehad.
De bewindvoerder heeft in de brief van september 2024 aangegeven nog zorgen te hebben, maar heeft niet meer gereageerd op de vraag van de advocaat van de rechthebbende eind 2024 of de zorgen nog actueel zijn. De bewindvoerder is evenmin verschenen tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep. De rechthebbende heeft de zorgen van de bewindvoerder gemotiveerd betwist en voldoende aannemelijk gemaakt dat de zorgen die eerder speelden over de geestelijke toestand van de rechthebbende niet meer aan de orde zijn.
Alles overziende en gelet op de financiële situatie van de rechthebbende alsmede de stabiliteit die er thans in het leven van de rechthebbende lijkt te zijn, is het hof van oordeel dat de rechthebbende voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de noodzaak voor het bewind niet langer bestaat. Het hof zal het verzoek tot opheffing van het bewind alsnog toewijzen.
De slotsom
3.7.
Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen en het verzoek van de rechthebbende om het bewind op te heffen alsnog toewijzen. Het hof zal het bewind opheffen met ingang van 1 april 2025 zodat de bewindvoerder enige tijd heeft om het bewind administratief af te wikkelen.
3.8.
Het hof zal hierna voorts bepalen dat een kopie van deze beschikking wordt gezonden aan de griffier van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom, in verband met aantekening in het Centraal curatele- en bewindregister.
3.9.
Gezien de aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.
Dictum
Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom van 25 april 2024;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
heft op, met ingang van 1 april 2025, het bewind over de goederen van [rechthebbende] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982;
bepaalt dat de bewindvoerder binnen twee maanden nadat het bewind is opgeheven de eindrekening en -verantwoording aflegt aan de rechthebbende en een - zo mogelijk door haar voor akkoord ondertekend - exemplaar ervan aan het Bewindsbureau van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom overlegt;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in artikel 1:391 BW een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom in verband met aantekening in het Centraal curatele- en bewindregister;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, C.N.M. Antens en M.L.F.J. Schyns en is in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 6 februari 2025
Zaaknummer: 200.343.801/01
Zaaknummer eerste aanleg: 10775431 OV VERZ 23-5514
in de zaak in hoger beroep van:
[rechthebbende] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: rechthebbende,
advocaat: mr. W.J. Jurgers,
Als belanghebbenden in deze zaak zijn aangemerkt:
[bewindvoerder] B.V. (hierna te noemen: de bewindvoerder);
[de moeder van de rechthebbende] (hierna te noemen: de moeder van de rechthebbende);
[de vader van de rechthebbende] (hierna te noemen: de vader van de rechthebbende);
[zus van de rechthebbende 1] (hierna te noemen: de zus van de rechthebbende);
[zus van de rechthebbende 2] (hierna te noemen: de zus van de rechthebbende);
[broer van de rechthebbende] (hierna te noemen: de broer van de rechthebbende).
In het kort:
Deze zaak gaat over het verzoek tot opheffing van het bewind over de goederen van de rechthebbende.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom van 25 april 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 juli 2024, heeft de rechthebbende verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende alsnog het bewind op te heffen over de goederen van de rechthebbende.
Kosten rechtens.
2.2.
Bij brief met bijlagen, ingekomen ter griffie op 17 september 2024, heeft de bewindvoerder geconcludeerd dat opheffing van het bewind nog prematuur is omdat het een te grote stap is voor de rechthebbende en ze nog te weinig inzicht heeft in de financiële gevolgen van haar handelen. Een zelfredzaamheidstraject lijkt de bewindvoerder meer passend.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 januari 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de rechthebbende, bijgestaan door haar advocaat.
2.3.1.
De bewindvoerder is, met bericht van verhindering, niet op de mondelinge behandeling verschenen.
2.3.2.
De vader, de moeder, de broer en de zussen zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet op de mondelinge behandeling verschenen.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 11 april 2024;
het V8-formulier met bijlagen (producties 1, 2 en 3) van de advocaat van de rechthebbende d.d. 6 augustus 2024.
Feiten
3.1.
Bij beschikking van 26 juni 2019 heeft de kantonrechter van de rechtbank
Zeeland-West-Brabant (locatie Bergen op Zoom) een bewind ingesteld over de goederen die aan de rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren, met benoeming van [bewindvoerder] B.V. tot bewindvoerder.
3.2.
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter van de rechtbank
Zeeland-West-Brabant (locatie Bergen op Zoom) het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind afgewezen.
3.3.
De rechthebbende kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De standpunten
3.4.
De rechthebbende voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling – samengevat – het volgende aan. Het bewind is destijds ingesteld vanwege (gok)verslavingsproblematiek maar dat is al lang niet meer aan de orde, zo blijkt ook nadrukkelijk uit het overgelegde bewijs. De rechthebbende is het niet eens met de bewindvoerder die meent dat het nog te vroeg is om het bewind op te heffen. De rechthebbende is al sinds oktober 2023 schuldenvrij en heeft circa € 10.000,- op haar spaarrekening staan. Ze woont sinds 2020 zelfstandig en heeft vanaf 2023 geen begeleiding meer. Ze begrijpt niet waarom haar niet de kans wordt geboden om op eigen benen te staan. Na de beslissing van de kantonrechter is het zelfredzaamheidstraject alsnog gestart en dat loopt ook goed. Handhaving van het bewind is niet langer nodig. Het bewind kan worden opgeheven.
3.5.
De bewindvoerder betoogt in haar brief - samengevat - dat het nog te vroeg is om het bewind op te heffen. Het bewind is in 2019 ingesteld vanwege verslavingsproblematiek en omdat het de rechthebbende ontbrak aan inzicht in haar financiën. Er was ook sprake van een aanzienlijke schuldenlast. De schuldenlast is door middel van een schuldentraject op 1 oktober 2023 afgewikkeld. De rechthebbende heeft meerdere keren aangegeven dat zij een onderneming wenste te starten als kindercoach. De bewindvoerder heeft, ondanks een uitdrukkelijk verzoek daartoe, nooit een ondernemingsplan ontvangen.
De rechthebbende wil niet meewerken aan een zelfredzaamheidstraject. Wel is de ontvangst van leefgeld omgezet van één keer per week in één keer per maand. Het is erg onrustig op de pin-bankrekening van de rechthebbende en dat baart de bewindvoerder zorgen. De bewindvoerder betwijfelt of de rechthebbende voldoende inzicht heeft in haar financiën en vraagt zich af hoe dit zal gaan als de rechthebbende een groter banksaldo tot haar beschikking heeft. Het lijkt de bewindvoerder meer passend om met de rechthebbende via een zelfredzaamheidstraject met daarin de nodige ‘opdrachten’ voor de rechthebbende toe te werken naar het door haar zelfstandig beheren van haar vermogen.
Motivering
3.6.
Het hof overweegt als volgt.
3.6.1.
Op grond van artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter een bewind instellen over één of meer van de goederen, die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren, indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, als gevolg van:
a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel;
b. verkwisting of het hebben van problematische schulden.
3.6.2.
Ingevolge artikel 1:449 lid 2 BW kan de kantonrechter het bewind opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de bewindvoerder of degene die gerechtigd is het bewind te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432 BW, alsmede ambtshalve.
3.6.3.
Op grond van het vorenstaande dient het hof te beoordelen of de noodzaak zoals bij de instelling van het bewind is vastgesteld niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol meer is.
3.6.4.
Op grond van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, is het hof van oordeel dat deze noodzaak niet meer bestaat. Het bewind is in 2019 ingesteld in verband met schulden die zijn ontstaan als gevolg van verslavingsproblematiek. De rechthebbende is vanaf oktober 2023 schuldenvrij. Ook heeft de rechthebbende een stabiel spaargeld opgebouwd van ongeveer € 10.000,-. Weliswaar wilde de rechthebbende niet meewerken aan een zelfredzaamheidstraject, maar ze ontvangt haar leefgeld nu al ruim een jaar één keer per maand (in plaats van één keer per week) en dat gaat goed. Niet gebleken is dat ze om bovenmatig extra geld bij de bewindvoerder heeft gevraagd of anderszins bijzondere uitgaven doet. De opmerking van de bewindvoerder dat de pinbankrekening onrustig is en derhalve zorgen baart is niet nader toegelicht, reden waarom daaraan voorbij wordt gegaan. De rechthebbende heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep inzicht gegeven in haar financiën en een toelichting gegeven op de situatie waarin ze zich in 2019 bevond. De rechthebbende heeft voorts een toelichting gegeven op haar huidige woon- en leefsituatie en een inkijk geboden in haar dagelijks leven, waarbij ze zich bewust heeft getoond van mogelijke valkuilen in verband met haar voormalige verslavingsproblematiek.
Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof voldoende aanleiding om aan te nemen dat rechthebbende haar gokverslaving op dit moment alweer enige tijd onder controle heeft. Ze woont sinds eind 2022 weer volledig zelfstandig en nadat ze tot en met april 2023 nog ondersteuning heeft gehad is sindsdien alle zorg beëindigd. Er is niet gebleken dat ze sindsdien een terugval heeft gehad.
De bewindvoerder heeft in de brief van september 2024 aangegeven nog zorgen te hebben, maar heeft niet meer gereageerd op de vraag van de advocaat van de rechthebbende eind 2024 of de zorgen nog actueel zijn. De bewindvoerder is evenmin verschenen tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep. De rechthebbende heeft de zorgen van de bewindvoerder gemotiveerd betwist en voldoende aannemelijk gemaakt dat de zorgen die eerder speelden over de geestelijke toestand van de rechthebbende niet meer aan de orde zijn.
Alles overziende en gelet op de financiële situatie van de rechthebbende alsmede de stabiliteit die er thans in het leven van de rechthebbende lijkt te zijn, is het hof van oordeel dat de rechthebbende voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de noodzaak voor het bewind niet langer bestaat. Het hof zal het verzoek tot opheffing van het bewind alsnog toewijzen.
De slotsom
3.7.
Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen en het verzoek van de rechthebbende om het bewind op te heffen alsnog toewijzen. Het hof zal het bewind opheffen met ingang van 1 april 2025 zodat de bewindvoerder enige tijd heeft om het bewind administratief af te wikkelen.
3.8.
Het hof zal hierna voorts bepalen dat een kopie van deze beschikking wordt gezonden aan de griffier van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom, in verband met aantekening in het Centraal curatele- en bewindregister.
3.9.
Gezien de aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.
Dictum
Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom van 25 april 2024;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
heft op, met ingang van 1 april 2025, het bewind over de goederen van [rechthebbende] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982;
bepaalt dat de bewindvoerder binnen twee maanden nadat het bewind is opgeheven de eindrekening en -verantwoording aflegt aan de rechthebbende en een - zo mogelijk door haar voor akkoord ondertekend - exemplaar ervan aan het Bewindsbureau van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom overlegt;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in artikel 1:391 BW een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom in verband met aantekening in het Centraal curatele- en bewindregister;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, C.N.M. Antens en M.L.F.J. Schyns en is in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.