Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-10-21
ECLI:NL:GHSHE:2025:2899
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.353.854/01 arrest van 21 oktober 2025 in de zaak van [xx] Bouw en Installatie Advies B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante, hierna aan te duiden als [xx] , advocaat: mr. J.W.H. Raadgever te Amsterdam, tegen Enexis Netbeheer B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als Enexis, advocaat: mr. H.H.D. van Schilt te 's-Hertogenbosch, op het bij exploot van dagvaarding van 16 april 2025 ingeleide hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/411385 / KG ZA 24-679 gewezen vonnis van 20 maart 2025 (hierna: het bestreden vonnis) tussen [xx] als eiseres en Enexis als gedaagde. 1 Het verloop van de procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: de spoedappeldagvaarding van 16 april 2025; de afwijzing door de rolraadsheer van het verzoek van [xx] om de zaak als spoedappel te behandelen; de memorie van antwoord. 1.2. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg 2 De beoordeling Feiten 2.1. In rechtsoverwegingen 2.1. tot en met 2.13 van het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Deze feiten zijn niet betwist en vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staan nog enkele andere feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van deze relevante feiten. 2.1.1. [xx] is een adviesbureau gespecialiseerd in onder meer projectmanagement voor (bouw)projecten. 2.1.2. [xx] heeft van Included Development B.V. (hierna: de projectontwikkelaar) de opdracht gekregen om voor aansluitingen bij de netbeheerder te zorgen op het elektriciteitsnet voor de herontwikkeling van een (oud) bedrijfspand. Dit pand is gelegen aan [adres] . Op deze locatie zal - na sloop van het bestaande pand - een bedrijfsverzamelgebouw worden opgericht (hierna: het gebouw). 2.1.3. Enexis is de netbeheerder van het elektriciteitsnetwerk ter plaatse. Zij is in die hoedanigheid verantwoordelijk voor de aansluiting en transport van elektriciteit op het door haar beheerde netwerk. 2.1.4. Enexis is als netbeheerder op grond van artikel 23 lid 1 Elektriciteitswet (hierna: E-wet) verplicht om degene die daar om verzoekt binnen een redelijke termijn aan te sluiten op het door haar beheerde net. De aansluitplicht op grond van artikel 23 lid 1 E-wet moet worden onderscheiden van de verplichting om aan degene die daar om verzoekt een aanbod te doen voor transport van elektriciteit op grond van artikel 24 lid 1 E-wet (de transportplicht). Deze verplichting geldt op grond van artikel 24 lid 2 E-wet niet voor zover de netbeheerder voor het gevraagde transport redelijkerwijs geen transportcapaciteit ter beschikking heeft. 2.1.5. Op 26 april 2024 heeft [xx] een eerste aanvraag (onderverdeeld in drie afzonderlijke deelaanvragen) ingediend voor tien kleinverbruik aansluitingen van 3x80 Ampère (A) voor een tiental afzonderlijk te realiseren bedrijfsruimten in het gebouw. Het betreft acht nieuwe aansluitingen en de verplaatsing/verzwaring van twee bestaande aansluitingen van respectievelijk 3x50 A en 3x63 A. 2.1.6. In de aanvraag van 26 april 2024 heeft [xx] bijgevoegd de situatieschets Tesselschadestraat 2 en het voorontwerp van het project. Blijkens deze schetsen omvat het plan het slopen van de bestaande bebouwing en het bouwen van een nieuw gebouw, onderverdeeld in twee hallen. 2.1.7. Enexis heeft voor de aanvraag geen offerte uitgebracht omdat volgens Enexis sprake is van één WOZ-object c.q. één organisatorisch geheel en dat [xx] daarvoor een grootverbruikersaansluiting had moeten aanvragen. Op 4 juni 2024 heeft Enexis [xx] het volgende bericht: “(…) We hebben naar de aanvraag gekeken en dit is niet toegestaan. De klant maakt duidelijk 1 pand waar hij meerdere KV aan In de onderhavige procedure vorderde [xx] , dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. Enexis veroordeelt, althans gebiedt, om voor de aanvragen voor de aansluitingen (10 x aansluitingen van 3 x 80 ampère) zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 10 (tien) werkdagen na de datum van het te wijzen vonnis aan [xx] , ten behoeve van de projectontwikkelaar, een offerte uit te brengen, en; II. Enexis veroordeelt, althans gebiedt, om binnen 18 (achttien) weken na akkoord door of namens de projectontwikkelaar op deze offerte, de gevraagde aansluitingen (10 x aansluitingen van 3 x 80 ampère) daadwerkelijk gerealiseerd te hebben, althans binnen een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn; III. Enexis veroordeelt tot het betalen van een dwangsom van € 10.000,- per dag of een dagdeel dat Enexis geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft te voldoen aan hetgeen gevorderd is onder I en/of II, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom; IV. Enexis veroordeelt in de kosten van het geding, te vermeerderen met nakosten, onder bepaling dat indien de gedingkosten niet binnen genoemde termijn zijn betaald, hierover vanaf de achtste dag wettelijke rente verschuldigd is. 2.2.2. Aan deze vorderingen heeft [xx] , kort samengevat, ten grondslag gelegd dat Enexis tekort is geschoten in de nakoming van haar aansluitingsplicht omdat Enexis ten onrechte geen offerte heeft afgegeven, terwijl een deugdelijke onderbouwing ontbreekt van de stelling van Enexis dat het (op te richten) gebouw niet bestaat uit meerdere WOZ-objecten op basis van de Wet WOZ. Daarnaast is Enexis tekortgeschoten in de nakoming van haar aansluitplicht die volgt uit de leden 1 en 4 van artikel 23 E-Wet, nu Enexis niet binnen een redelijke termijn van 18 weken een offerte heeft uitgebracht voor de tien aangevraagde kleinverbruik aansluitingen (hierna: KV aansluitingen). 2.2.3. Enexis heeft gemotiveerd verweer gevoerd. 2.2.4. In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [xx] afgewezen en [xx] in de proceskosten veroordeeld, uitvoerbaar bij voorraad. De omvang van het hoger beroep 2.3.1. [xx] geeft in hoger beroep zes grieven aangevoerd. [xx] heeft - kort gezegd - geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende de vorderingen van [xx] alsnog toe te wijzen, met dien verstande dat in hoger beroep wordt verzocht Enexis te veroordelen, althans te gebieden, om binnen een redelijke termijn (dus niet binnen 18 weken) na akkoord door of namens de projectontwikkelaar op de offerte de gevraagde aansluitingen daadwerkelijk gerealiseerd te hebben en Enexis te veroordelen in de kosten van beide instanties. 2.3.2. Enexis heeft - kort gezegd - het hof verzocht het hoger beroep van [xx] te verwerpen, het bestreden vonnis voor zover nodig met verbetering van de gronden te bekrachtigen, met veroordeling van [xx] in de kosten van het hoger beroep. Spoedeisend belang 2.4. Evenals de voorzieningenrechter oordeelt het hof dat het spoedeisend belang is gelegen in de aard van de vorderingen van [xx] . Eiswijziging 2.5. Enexis heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging van [xx] . Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis. Het beoordelingscriterium 2.6. Het hof constateert dat geen grief is gericht tegen de overweging van de voorzieningenrechter dat beoordeeld moet worden of [xx] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de rechter in een eventuele bodemprocedure tot het oordeel zal komen dat er voor het te realiseren gebouw sprake is van tien afzonderlijke WOZ-objecten en dat Enexis daarom gehouden is om voor de gevraagde kleinverbruik aansluitingen een offerte uit te brengen en deze te realiseren binnen een - na eiswijziging in hoger beroep - redelijke termijn (rechtsoverweging 4.3. van het bestreden vonnis). Het hof zal met inachtnemi In dat geval draagt Enexis, die meent dat de objectafbakeningen in de WOZ-beschikkingen niet moeten worden gevolgd, de bewijslast dit aannemelijk te maken. Deze beoordeling van de WOZ objectafbakening vindt doorgaans plaats aan de hand van de in de belastingrechtspraak volgende vier stappen: (i) welke onroerende zaken in de zin van artikel 3:3 van het BW kunnen worden geïdentificeerd? (ii) In hoeverre is de eigendom c.q. zakelijke gerechtigheid van deze zaken verdeeld over verschillende personen? (iii) Kunnen deze zaken worden opgesplitst in gedeelten die blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt? (iv) Vormen de onroerende zaken of de zelfstandige gedeelten een samenstel? Beoordeling van de grieven 2.8. Grief 1 is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat [xx] aan de WOZ-beschikking niet (langer) het bewijsvermoeden kan ontlenen waar hij zich ter onderbouwing van zijn aanvraag voor tien KV aansluitingen op heeft beroepen (rechtsoverweging 4.4. van het bestreden vonnis). Zonder enige nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te waarom [xx] aan de WOZ-beschikking die ziet op het huidige, nog te slopen pand, wel een bewijsvermoeden kan ontlenen. Het hof sluit dan ook aan bij het door de voorzieningenrechter gegeven oordeel dat [xx] aan de WOZ-beschikking geen bewijsvermoeden kan ontlenen. Grief 1 faalt. 2.9. Met grief 2 komt [xx] op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat Enexis zich vooralsnog terecht op het standpunt heeft gesteld dat op de tekeningen sprake is van één bedrijfsverzamelgebouw met gedeelde ruimtes en dat geen sprake lijkt te zijn van afgescheiden onderdelen binnen het te realiseren gebouw (rechtsoverweging 4.5. van het bestreden vonnis). Deze grief slaagt niet, en het hof overweegt daartoe als volgt. 2.9.1 [xx] stelt zich op het standpunt dat in het nieuwe te bouwen pand tien afzonderlijke WOZ-objecten worden gerealiseerd, die recht geven op elk een eigen aansluiting. Volgens [xx] beschikt elke bedrijfsruimte (onder meer) over (i) een eigen toegangsdeur waardoor de toegang niet verkregen wordt via een gemeenschappelijke ruimte maar vanaf haar eigen toegangsdeur, (ii) over eigen sanitaire voorzieningen en pantry’s, (iii) een fysieke afsluiting van elkaar en (iv) staan de huurders van de verschillende bedrijfsruimten afzonderlijk ingeschreven bij de kamer van koophandel en wordt per bedrijfsruimte een eigen huisnummer toegekend. [xx] onderbouwt zijn stellingen middels de bij productie 1 bij dagvaarding overgelegde bouwtekening. Het hof stelt evenwel vast dat uit de bouwtekening volgt dat het pand bestaat uit een linker en een rechter gedeelte (de in rechtsoverweging 2.1.6. genoemde hallen). Zoals door Enexis naar voren is gebracht, en naar het (voorlopig) oordeel van het hof ook uit de tekening blijkt, is binnen ieder gedeelte toegang tot de bedrijfsruimtes, de kantine, kleedruimtes en douches. Anders dan [xx] stelt, leidt het hof uit de tekening af dat de kantine, kleedruimtes, douches en wc’s gemeenschappelijk van aard zijn. Niet iedere bedrijfsruimte beschikt zelfstandig over voornoemde voorzieningen, maar deze voorzieningen worden kennelijk gedeeld met de gebruikers van de verschillende bedrijfsruimtes. Het hof is van oordeel dat [xx] niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van tien bedrijfsruimten die als afgescheiden onderdelen binnen het nog te realiseren gebouw kunnen worden aangemerkt. Hooguit kunnen het linker en rechter gedeelte van het pand (de zogenoemde hallen) als afgescheiden onderdelen binnen het te realiseren pand worden aangemerkt. Een en ander leidt tot het voorlopig oordeel dat op basis van de bouwtekening ten aanzien van de bedrijfsruimten sprake is van een feitelijk samenstel. 2.10. Grief 3 is gericht tegen het (ten overvloede gegeven) oordeel van de voorzieningenrechter dat zelfs als wel zou kunnen worden gesproken van tien zelfstandige aansluitbare WOZ-objecten, dit evenmin kan leiden tot de door [xx] gewenste aansl