Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-10-21
ECLI:NL:GHSHE:2025:2897
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.346.521/01 arrest van 21 oktober 2025 in de zaak van [appellant] , wonende te Polen , appellant in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als [appellant] , advocaat: mr. L.M.J. Pelswijk te Amsterdam (onttrokken), tegen [xx] Kappersbenodigdheden B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellante in het incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als [xx] , advocaat: mr. J.A.M.G. Vogels te Roermond, op het bij exploot van dagvaarding van 18 september 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van 29 augustus 2024, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, als voorzieningenrechter gewezen tussen [appellant] als eiser en [xx] als gedaagde. 5 Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 15 april 2025; het bericht van onttrekking als advocaat van [appellant] van mr. Veldwijk van 19 augustus 2025; de mondelinge behandeling van 12 september 2025, waarbij is gehoord: [persoon A] , directeur, namens [xx] , bijgestaan door mr. Vogels. [appellant] is , hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. 6 De verdere beoordeling Geen spoedeisend belang 6.1. Het hof moet ambtshalve beoordelen of [appellant] ten tijde van de uitspraak in hoger beroep een voldoende spoedeisend belang bij toewijzing van de gevorderde voorlopige voorziening heeft. Het hof overweegt daarover het volgende. 6.2. Tussen partijen is behalve dit kort geding bij het hof ook een bodemprocedure aanhangig. In die procedure heeft [appellant] bij verzoekschrift van 9 december 2024 de kantonrechter verzocht een op 11 oktober 2024 door [xx] aan [appellant] gegeven ontslag op staande voet (dat in dit kort geding niet voorligt) te vernietigen en om [xx] te veroordelen tot betaling van het loon over de maand juni 2024 van € 1.046,50 bruto en vanaf juli 2024 van € 2.300,00 (of 70% daarvan indien [appellant] nog ziek is) tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente. Dat is hetzelfde loon over dezelfde periode dat [appellant] in dit kort geding als voorlopige voorziening heeft gevorderd. De kantonrechter heeft de verzoeken van [appellant] bij beschikking van 10 maart 2025 afgewezen. [appellant] heeft daarvan hoger beroep ingesteld en het hof verzocht zijn verzoeken alsnog toe te wijzen. Daarmee heeft [appellant] de loonvordering die inzet van dit kort geding is ook in de bodemprocedure aan het hof voorgelegd. Het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling van 12 september 2025 ook de bodemprocedure behandeld. Het hof heeft daarin op 16 oktober 2025 uitspraak gedaan. [appellant] heeft bij zijn vorderingen in kort geding daarom geen spoedeisend belang meer. Om die reden komen zijn vorderingen niet voor toewijzing in aanmerking en slaagt het hoger beroep niet. Geen deskundigenverklaring in het geding gebracht 6.3. Het hof overweegt voorts nog het volgende. In het tussenarrest van 15 april 2025 heeft het hof onder andere als volgt overwogen. 3.9.1. Volgens [xx] heeft [appellant] de arbeidsovereenkomst opgezegd en kan hij daaraan worden gehouden. (…) Voorts was ten tijde van de opzegging door [appellant] op 11 juni 2024 geen sprake van ziekte. De ziekmelding kwam uit het niets aan het einde van de volgende werkdag, waarop [appellant] uitvoering had gegeven aan zijn opzegging door niet op zijn werk te verschijnen. Gelet op door [xx] in het geding gebrachte vakantiefoto’s van [appellant] zet [xx] grote vraagtekens bij het daadwerkelijk ziek zijn van [appellant] . (…) De enige reden die [appellant] voor zijn opzegging met onmiddellijke ingang heeft genoemd, is dat hij en zijn vriendin met onmiddellijke ingang naar Polen terugkeren. Dat was een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van [ap