Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-10-14
ECLI:NL:GHSHE:2025:2834
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.349.544/01 arrest van 14 oktober 2025 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna aan te duiden als [appellant] , advocaat: mr. J.M. Molkenboer te Tilburg, tegen De Huisadviseur Financiële Diensten B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als Huisadviseur FD, advocaat: mr. M.D. Meerkerk-van den Boogaard te Rotterdam, op het bij exploot van dagvaarding van 4 december 2024 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 4 september 2024 en 27 november 2024, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellant] als eiser en Huisadviseur FD als gedaagde. 1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/414323 / HA ZA 23-509) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en het tussenvonnis van 20 december 2023. 2 Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven met producties; de memorie van antwoord; het op 2 september 2025 gestuurde proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg, ter completering van het procesdossier; de op 15 september 2025 gehouden mondelinge behandeling, waarbij beide partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd; de op 5 september 2025 door Huisadviseur FD gestuurde productie 10 en door [appellant] gestuurde productie 18, die door partijen bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding zijn gebracht; een akte eiswijziging van [appellant] tijdens de mondelinge behandeling van 15 september 2025, waartegen Huisadviseur FD (deels voorwaardelijk) bezwaar heeft gemaakt. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3 De beoordeling De samenvatting 3.1.1. [appellant] was eigenaar van een beleggingspand in [A] . In de nacht van 31 mei op 1 juni 2023 heeft er brand gewoed in dat pand. Het pand bleek niet verzekerd te zijn. Volgens [appellant] was hij in de veronderstelling dat er wel een opstalverzekering was gesloten voor dat pand. [appellant] heeft drie partijen aansprakelijk gesteld: een adviseur van [appellant] (013Vastgoed), de partij die de koopovereenkomst had opgesteld (Huisadviseur) en de partij die bemoeienis heeft gehad met het tot stand brengen van een verzekering (Huisadviseur FD). Het hoger beroep is alleen nog gericht tegen laatstgenoemde partij. Volgens [appellant] had Huisadviseur FD moeten zorgen voor een opstalverzekering en is Huisadviseur FD aansprakelijk voor de schade die [appellant] heeft geleden. 3.1.2. Het hof is (anders dan de rechtbank) van oordeel dat tussen [appellant] en Huisadviseur FD een overeenkomst tot stand is gekomen. Het hof is ook van oordeel dat Huisadviseur FD tekort is geschoten in de nakoming van een zorgplicht. Huisadviseur FD had navraag moeten doen bij [appellant] waarom hij de offerte niet had terug gestuurd en had toen moeten waarschuwen tegen het onverzekerd zijn. Het hof kan er echter niet vanuit gaan dat er een opstalverzekering tot stand zou zijn gekomen. Het hof zal dat oordeel hierna motiveren. De feiten 3.2. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 4 september 2024 een overzicht gegeven van de feiten. Volgens Huisadviseur FD moet het hof uitgaan van dat overzicht, omdat [appellant] geen grief heeft gericht tegen dat overzicht. Het hof volgt dat standpunt niet volledig, omdat uit de memorie van grieven voldoende duidelijk blijkt (zowel voor het hof als voor Huisadviseur FD) dat volgens [appellant] nog enkele feiten aan dat overzicht moeten worden toegevoegd. Voor zover die aanvullingen niet zijn betwist door Huisadviseur FD (en voor zover relevant), zal het hof daarvan uitgaan. Daarnaast is het zo dat niet alle door de rechtbank vastgestelde feiten in hoger beroep nog relevant zijn. Dat komt omdat in hoger beroep minder partijen zijn betrokken dan in de procedure in eerste aanleg. Het hof zal daar [appellant] en [persoon B] hebben in het kader van de verzekering van de panden nooit direct contact met elkaar gehad. Alles verliep via [persoon A] . [appellant] heeft geen polisblad(en) ontvangen en geen verzekeringspremie betaald. Er is geen opstalverzekering tot stand gekomen. 3.2.14. In de nacht van 31 mei 2023 op 1 juni 2023 heeft er brand gewoed in het pand aan [adres] . [appellant] heeft de schade gemeld bij [persoon B] . [appellant] heeft (onder andere) Huisadviseur FD aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade. [appellant] heeft de woning laten taxeren in verband met de procedure. In het taxatierapport wordt vermeld dat de marktwaarde op 19 november 2024 € 225.000,- is in de niet herstelde staat en € 380.000,- wanneer deze conform de aangeleverde specificatie is herbouwd. [appellant] heeft het pand verkocht voor € 240.000,-. De vorderingen 3.3.1. Zoals hiervoor (in de samenvatting) al is vermeld heeft [appellant] naast Huisadviseur FD nog twee andere partijen gedagvaard: Huisadviseur B.V. (die werkzaamheden heeft verricht in het kader van de aankoop van de panden) en 013 Vastgoed B.V. (die volgens [appellant] in de persoon van de hiervoor genoemde heer [persoon A] advies- en bemiddelingswerkzaamheden heeft verricht). [appellant] heeft gevorderd dat de rechtbank (samengevat weergegeven): voor recht verklaart dat de gedaagden hebben gewanpresteerd jegens [appellant] en hun zorgplicht jegens hem hebben geschonden; hen hoofdelijk veroordeelt om € 150.000,- te betalen als voorschot op de door hem geleden schade; voor recht verklaart dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor door [appellant] geleden of nog te lijden schade door het ontbreken van een adequate opstalverzekering ter zake de woning gelegen aan het adres [adres] ; althans dat de rechtbank een beslissing neemt die de rechtbank juist acht; gedaagden veroordeelt in de proceskosten. 3.3.2. De procedure tegen 013 Vastgoed B.V. is geëindigd met een schikking. De rechtbank heeft de vorderingen tegen Huisadviseur B.V. en tegen Huisadviseur FD afgewezen. 3.3.3. Het hoger beroep van [appellant] is alleen nog gericht tegen Huisadviseur FD. [appellant] wil dat het hof de vonnissen vernietigt. In zijn memorie van grieven heeft hij geschreven dat het hof de hiervoor weergegeven vorderingen alsnog moet toewijzen. 3.3.4. [appellant] heeft, na een onderbreking van de mondelinge behandeling, verklaard de eis te willen wijzigen in die zin dat vordering 1 wordt gewijzigd (zoals hierna te vermelden), nummer 2 wordt ingetrokken, nummer 3 wordt gewijzigd (zoals hierna te vermelden), nummer 4 niet meer relevant is en nummer 5 gehandhaafd blijft. De advocaat van [appellant] heeft een akte eiswijziging aan het hof overhandigd. [appellant] heeft gevorderd dat het hof: voor recht verklaart dat Huisadviseur FD jegens [appellant] is tekort geschoten; voor recht verklaart dat Huisadviseur FD jegens [appellant] aansprakelijk is voor het tekort schieten jegens [appellant] ; (het hof begrijpt) Huisadviseur FD veroordeelt in de proceskosten. 3.3.5. Het hof heeft de mondelinge behandeling onderbroken om Huisadviseur FD de gelegenheid te geven zich te beraden over de eiswijziging. Vervolgens heeft Huisadviseur FD laten weten geen bezwaar te hebben tegen de gewijzigde eis nummer 1, tenzij het hof die eis breder uitlegt dan de oorspronkelijke eis nummer 1, maar wel tegen gewijzigde eis sub 2, wegens strijd met de twee-conclusie-regel en de goede procesorde. 3.3.6. Het hof is van oordeel dat het bezwaar gegrond is. Op grond van de zogenaamde twee-conclusie-regel (artikel 347 lid 1 Rv) mocht [appellant] in beginsel niet later dan in zijn memorie van grieven zijn eis wijzigen. [appellant] heeft niet gesteld dat of waarom een uitzondering moet worden gemaakt op die regel. Anders dan [appellant] heeft aangevoerd, komt de gewijzigde eis 2 niet neer op hetzelfde als de eerdere eis 3. Het hof is van oordeel dat de formulering van de gewijzigde eis 2 zou kunnen leiden tot een ruimere aanspr De daarop volgende Whatsapp van 4 februari 2023 van [persoon B] aan [persoon A] ( Verzekering [appellant] geregeld’) leidt er toe dat, in de gegeven context, [appellant] (dat wil zeggen [persoon A] namens [appellant] ) uit deze mededeling redelijkerwijs heeft kunnen en mogen afleiden dat Huisadviseur FD dat ook daadwerkelijk zo had opgevat en zichzelf vanaf dat moment beschouwde als zijn opdrachtnemer. 3.4.5. Het hof licht toe waarom de eerdere contacten in 2022 nog niet konden leiden tot het vertrouwen dat Huisadviseur FD opdrachtnemer was. Dat is relevant omdat daarmee ook wordt bepaald vanaf welk moment de zorgplicht van Huisadviseur FD een rol ging spelen (zie hierna onder 3.5.1). [appellant] heeft weliswaar betoogd dat hij al vóór februari 2023 mocht aannemen dat Huisadviseur FD de verzekering zou regelen, maar dat volgt het hof niet. Het hof is van oordeel dat de Whatsapp van 4 februari 2023 doorslaggevend is (ook al verschillen partijen van mening wat [persoon B] met dat bericht bedoelde). Anders dan [appellant] heeft aangevoerd, mocht hij er niet al op een eerder moment op vertrouwen dat Huisadviseur FD een overeenkomst met hem had. Het hof ziet niet in dat of waarom er een ‘all-in deal’ was inhoudende dat Huisadviseur FD (samen met Huisadviseur BV) zou zorgen voor alles wat er nodig was. Dat past ook niet bij de facturering voor het werk met betrekking tot de hypothecaire geldlening. De berichten van [persoon A] van 30 maart 2022 en 22 september 2022 aan [persoon B] , acht het hof te vaag om daaruit te kunnen afleiden dat [persoon B] er vanuit moest gaan dat [appellant] van hem verwachtte dat hij de verzekering voor hem ging regelen. Dat wordt niet anders wanneer het hof ook de andere communicatie daarbij betrekt. In dat verband is van belang dat aan de in juni 2022 door [persoon B] gestuurde offerte van [xx] geen opvolging is gegeven door of namens [appellant] . Dat betekent dat [persoon B] er toen vanuit kon gaan dat [appellant] kennelijk ook elders bezig was met het opvragen van offertes. In ieder geval valt moeilijk in te zien waarom [persoon B] toen moest begrijpen dat [appellant] er vanuit ging dat Huisadviseur FD (en niemand anders) voor [appellant] een verzekering ging regelen. In dit verband is van belang dat alle communicatie verliep via [persoon A] die een zakelijke vastgoed relatie was van [persoon B] en die voor meerdere panden om offertes vroeg. Zonder duidelijke mededelingen van [persoon A] / [appellant] valt niet in te zien waarom [persoon B] er vanuit moest gaan dat [appellant] erop vertrouwde dat Huisadviseur FD een opstalverzekering voor hem zou regelen en dat [appellant] die vraag niet tevens bij anderen had uitgezet. Dat Huisadviseur FD (in haar conclusie van antwoord) heeft aangevoerd dat zij als redelijk bekwaam en redelijk handelend adviseur al in december 2021 contact heeft opgenomen met [xx] , betekent niet dat Huisadviseur FD toen al opdrachtnemer was. Het hof begrijpt dat het standpunt van Huisadviseur FD is dat zij dat heeft gedaan als een handelen ter voorkoming van het plegen van een onrechtmatige daad (maar die grondslag hoeft het hof niet te beoordelen, omdat die niet past bij de vorderingen in dit hoger beroep). Tekortkoming 3.5.1. Het hof is van oordeel dat Huisadviseur FD is tekortgeschoten in de nakoming van haar zorgplicht ter zake van het volgende. Zoals hiervoor al is vermeld heeft [persoon A] meermaals aan [persoon B] gevraagd om een opstalverzekering voor [appellant] . Zoals hiervoor ook al is vermeld, heeft Huisadviseur FD aangevoerd dat zij geen ondertekende offerte retour heeft ontvangen, nadat zij deze op 30 januari 2023 had gestuurd. Het hof is van oordeel dat op Huisadviseur FD de zorgplicht rustte om bij [persoon A] na te vragen waarom dat zo was nadat zij de hiervoor geciteerde Whatsapp op 4 februari 2023 had gestuurd. Die vraag lag toen voor de hand, omdat Huisadviseur FD in juni 2022 ook al een offerte had gestuurd maar deze niet ondertekend retour had ontvangen, ter