Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-10-09
ECLI:NL:GHSHE:2025:2799
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht Uitspraak : 9 oktober 2025 Zaaknummer : 200.358.819/01 Zaaknummer eerste aanleg : C/02/435550 / FT RK 25-369 in de zaak in hoger beroep van: [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna te noemen: [appellant] , advocaat: mr. B.J. van de Wijnckel te Oostburg, gemeente Sluis. 1 Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 2 september 2025. 2 Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 5 september 2025, heeft [appellant] het hof verzocht voormeld vonnis te vernietigen, op hem de schuldsaneringsregeling van toepassing te verklaren en de zaak verder te verwijzen naar de rechtbank voor voortzetting van de schuldsaneringsregeling. 2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - [appellant] , bijgestaan door mr. Van de Wijnckel. In de zaal was als toehoorder aanwezig mw. [partner] , de partner van [appellant] . 2.3. Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van: - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 26 augustus 2025, ontvangen op 19 september 2025; - de aanvullende gronden met producties, ontvangen op 24 september 2025; - de stukken van de eerste aanleg, ontvangen op 26 september 2025. 3 De beoordeling 3.1. [appellant] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsanerings-regeling uit te spreken. Uit de crediteurenlijst bij het verzoekschrift ex artikel 284 Fw (Faillissementswet) blijkt een totale schuldenlast van € 202.749,17, waaronder een schuld aan de belastingdienst van € 81.483,43 en een schuld aan het CJIB van € 802,43. Uit de verklaring als bedoeld in artikel 285 lid 1 sub f Fw blijkt dat geen minnelijk traject heeft plaatsgevonden, omdat de totale schuldenlast niet definitief was vast te stellen. 3.2. Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] afgewezen. De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat hij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden (aan de belastingdienst en het CJIB) in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. De rechtbank heeft geen toepassing gegeven aan de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw. 3.3. [appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. Hij heeft het volgende aangevoerd. 3.3.1. De schuld aan de belastingdienst is voor een deel een concurrente schuld, vanwege ten onrechte aan [appellant] en zijn partner verstrekte huurtoeslag en zorgtoeslag over de jaren 2023 en 2024. Achteraf bezien bleek dat [appellant] en zijn partner geen recht hadden op deze toeslagen, althans niet op de volledige toeslagen. Zij hebben toen echter volledig vertrouwd op een administratiekantoor dat hen verkeerd heeft geadviseerd. Voorts is een deel van de preferente schuld aan de belastingdienst een schuld van € 6.257,- van de partner van [appellant] en dient van de crediteurenlijst verwijderd te worden. Het overige deel van de preferente schuld aan de belastingdienst heeft betrekking op aanslagen IB/ZW, loonheffing, omzetbelasting en aanslagen motorrijtuigenbelasting. De aanslagen omzetbelasting hebben betrekking op de jaren 2017 tot en met 2019, dus langer dan drie jaren geleden. Wat betreft de aanslagen motorrijtuigenbelasting, voert [appellant] aan dat hij in totaal zes voertuigen op zijn naam had staan, waarop in 2022 beslag werd gelegd (productie 5: beslagexploot d.d. 12 oktober 2022). Vier auto’s waren op verzoek van [appellant] geschorst voor de motorrijtuigenbelasting tot 2024 of 2025. [appellant] heeft deze voertuigen in 2023 of 2024 naar de sloop gebracht zonder een vrijwaringsbewijs aan te vragen. Zodra de periode van schorsing was afgelopen, werd de motorrijtuigenbelasting