Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-10-07
ECLI:NL:GHSHE:2025:2747
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Familie- en jeugdrecht zaaknummer 200.354.390/01 arrest van 7 oktober 2025 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna aan te duiden als de man, advocaat: mr. A.Ch. Osté te Oosterhout, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als de vrouw, advocaat: mr. C.M.M. Mikkers te Heeze. op het bij exploot van dagvaarding van 6 mei 2025 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 27 februari 2025 en 8 april 2025, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant gewezen tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde. Deze procedure gaat over de minderjarigen: [persoon A] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ; [persoon B] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] . In deze procedure is als informant aangemerkt: Stichting Jeugdbescherming Brabant , locatie [A] , hierna te noemen: de GI. In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming , locatie: [B] , hierna te noemen: de raad 1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/412684 / KG ZA 25-64) 1.1. Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen. 2 Het geding in hoger beroep 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep van 6 mei 2025 met grieven en producties (alsmede een eiswijziging), die gelet op het bepaalde in artikel 2.13.1 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven op 14 mei 2025 is aangepast naar 25 pagina’s; de memorie van antwoord van 7 juli 2025 met producties; de brief van de GI van 8 juli 2025; het H12-formulier van 23 juni 2025 met producties 17 tot en met 19 van mr. Osté; het H12-formulier van 8 juli 2025 met producties 20 tot en met 25 van mr. Osté; het H12-formulier van 10 juli 2025 met productie 4 van mr. Mikkers; het H12-formulier van 26 augustus 2025 met producties 26 tot en met 36 van mr. Osté. 2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 juli 2025. Daarbij zijn verschenen: de man, bijgestaan door mr. Osté; de vrouw, bijgestaan door mr. Mikkers. 2.2.1. De raad is opgeroepen voor de mondelinge behandeling maar heeft gemeld niet te zullen verschijnen. De GI is als informant opgeroepen voor de mondelinge behandeling, maar heeft gemeld niet te kunnen verschijnen. 2.3. De behandeling van de zaak is op de mondelinge behandeling van 10 juli 2025 aangehouden omdat voor de vrouw geen tolk beschikbaar was. De voortgezette mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2025. Daarbij zijn verschenen: de man, bijgestaan door mr. Osté; de vrouw, bijgestaan door mr. Mikkers en een tolk [persoon C] ; [persoon D] , [persoon E] en [persoon F] namens de GI, die als informanten zijn gehoord. 2.4. Hoewel behoorlijk opgeroepen, is namens de raad op 28 augustus 2025 niemand verschenen. 2.5. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3 De beoordeling De feiten 3.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. 3.1.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad en zij zijn de ouders van [persoon A] , geboren op [geboortedatum] (hierna te noemen: [persoon A] ). 3.1.2. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [persoon A] . Tijdens de relatie van partijen maakte ook de andere minderjarige zoon van de vrouw deel uit van het gezin: [persoon B] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] (hierna te noemen: [persoon B] ). 3.1.2. [persoon B] en [persoon A] wonen bij de vrouw en hebben een zorg- en contactregeling met de man. 3.1.3. [persoon A] en [persoon B] zijn bij beschikking van deze rechtbank van 15 januari 2025 onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar. De ondertoezichtstelling wordt uitgevoerd door de GI. 3.1.4. Op grond van het arrest van dit hof van 23 juli 2024 in kort geding ve dat de vrouw hetzij de ID kaart dan wel het paspoort van [persoon B] aan de man dient te overhandigen, uiterlijk op de dag dat [persoon B] in de vakanties bij de man zal verblijven waarbij de man het document weer aan de vrouw zal afgeven op de dag dat [persoon B] weer bij de vrouw zal gaan verblijven (het document reist aldus met [persoon B] mee) op straffe van een dwangsom van euro 250,- per elke dag dat de vrouw hierbij in gebreke zal zijn dit na te komen, met een maximum van euro 5.000,- I.J. dat een vakantie-, feest- en studiedagen (vrije schooldagen) regeling zal gelden, voor alle vrije schooldagen, voor beide ouders, voor de duur van de bodemprocedure (totdat er een in kracht van gewijsde gegane beslissing zal liggen), o.b.v. van een 50%-50% verdeling als volgt waarbij: o de kinderen in eenweekse vakanties de eerste helft bij de verzorgende ouder verblijven, vanaf vrijdag na school tot woensdag 12.00 uur en de tweede helft bij de niet verzorgende ouder vanaf diezelfde woensdag 12.00 uur tot de laatste dag (zondag) van de vakantie 18.00 uur; o de kinderen in tweeweekse vakanties de eerste week bij de verzorgend ouder verblijven van vrijdag na school tot zondag 18.00 uur op de laatste dag (zondag) van die week en de tweede week bij de niet verzorgende ouder vanaf diezelfde zondag 18.00 uur tot de laatste dag (zondag) van die vakantie 18.00 uur; o de kinderen in de zomervakantie de eerste drie weken bij de verzorgende ouder verblijven van vrijdag na school tot 18.00 uur op de laatste dag (zondag) van die periode en de laatste drie weken bij de niet verzorgende ouder verblijven vanaf diezelfde zondag 18.00 uur tot de laatste dag (zondag) van die vakantie 18.00 uur; o de overige feest- en studie dagen eveneens bij helfte worden gedeeld, met dien verstande dat deze om- en om worden verdeeld, waarbij de eerste feestdag/studiedag na de beschikking bij de verzorgende ouder zal zijn; o waarbij de man de kinderen bij de verblijfplaats van de vrouw zal halen en brengen en het tijdstip van overdracht 09.30 uur zal zijn (en halve studie dagen qua tijd zullen worden aangepast naar de schooltijden); o Vaderdag altijd bij de man ongeacht de omgangsregeling; subsidiair, indien de primaire vorderingen niet zouden kunnen worden toegewezen: II.A. dat een vakantie-, feest- en studiedagen regeling zal gelden, in goede justitie vast te stellen voor [persoon A] resp. [persoon B] door het gerechtshof, voor beide ouders (voor de duur van de bodemprocedure, totdat er een in kracht van gewijsde gegane beslissing zal liggen); II.B. dat een omgangsregeling zal gelden voor de vrouw, in goede justitie vast te stellen; II.C. dat de bestaande omgangsregeling tussen de man en de kinderen wordt uitgebreid tot het moment dat in de nog op te starten bodemprocedure een definitieve regeling zal zijn vastgelegd en wel als volgt uit te breiden: o II.C.I. de kinderen elke week bij de man zullen verblijven, van woensdag middag (na school) tot donderdag ochtend (voor school) en, o II.C.2. de kinderen elke week bij de man zullen verblijven, indien de vrouw aangeeft de kinderen niet te kunnen brengen naar hockey/voetbal/zwemles: zaterdag van 07.45 uur tot 11.30 uur; zondag van 07.45 uur tot 11.30 uur; meer subsidiair:III.A. de huidige omgangsregeling tussen de man en de kinderen uit te breiden op aanvullende dagen, door het hof in goede justitie vast te stellen. 3.5. Bij Memorie van Antwoord van 7 juli 2025 heeft de vrouw gevorderd: - primair: de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, dan wel het hoger beroep van de man te verwerpen; subsidiair: zo nodig onder aanvulling en verbetering van gronden, de vonnissen van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 27 februari 2025 en 8 april 2025 te bekrachtigen; zowel primair als subsidiair: de man te veroordelen in de kosten van beide procedures. Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht 3.6. Het hof zal de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter beoordelen op en I.J., alsmede het subsidiair en meer subsidiair gevorderde liggen nog voor. 3.17. Het hof stelt, alvorens tot beoordeling te komen van de grieven, het volgende voorop. Het hof dient ambtshalve vast te stellen of aan de zijde van de man in hoger beroep sprake is van een spoedeisend belang. Daarbij wordt voorop gesteld dat in hoger beroep niet beslissend is of in eerste aanleg al dan niet terecht een spoedeisend belang is aangenomen. Het gaat erom of ten tijde van de uitspraak in hoger beroep een spoedeisend belang aanwezig is (zie HR 31 mei 2002, LJN AE3437, NJ 2003/343 m.nt. HJ. Snijders). 3.18. Voor het treffen van een voorziening in kort geding is ingevolge artikel 254 lid 1 Rv plaats in alle spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist. Daarvan is onder meer sprake in het geval dat van een eiser niet kan worden gevergd dat hij een bodemprocedure afwacht. De vraag of sprake is van een voldoende spoedeisend belang dient te worden beantwoord aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. De procedure in kort geding is bedoeld voor spoedeisende gevallen waarin de belangen van de betrokkenen vragen om een onmiddellijke voorziening die voorlopig van kracht is tot de rechter in de bodemzaak een definitieve beslissing geeft. Voor een grondig onderzoek naar de feiten is geen plaats. Deze kort geding procedure leent zich niet voor een bewijsprocedure. 3.19. De voorzieningenrechter heeft de vordering van de man om [persoon A] voorlopig aan hem toe te vertrouwen afgewezen op de grond van de overweging dat – kort en zakelijk weergegeven – het op de weg van de man ligt om een bodemprocedure te starten. Over alle zaken waarvoor de man nu een vordering instelt, is al eens in kort geding beslist. Er zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden gebleken. Er zijn verder door de man geen aanknopingspunten aangevoerd die er nu toe nopen om bij wege van voorlopige voorziening in kort geding te beslissen op de geschilpunten tussen partijen. 3.20. Het hof is van oordeel dat dergelijke aanknopingspunten ook in hoger beroep niet zijn gebleken. Evenmin zijn feiten of omstandigheden gesteld noch aannemelijk geworden op grond waarvan moet worden aangenomen dat dit spoedeisend belang voor wat betreft deze vordering nadien alsnog is ontstaan. 3.21. Het hof stelt in dit kader voorop dat sprake is van een bijzonder complexe situatie, waarbij de kinderen inmiddels onder toezicht staan van de GI en de kinderen zwaar belast worden met de strijd tussen de ouders. Uiteraard zouden de kinderen (en de ouders) gebaat zijn bij duidelijkheid. De man is echter al in verschillende kort geding procedures voorgehouden dat de grootste mate van duidelijkheid en bestendigheid kan worden gecreëerd als over de voorliggende kwesties in een bodemprocedure wordt beslist. In een bodemprocedure kan dieper en meer definitief worden ingegaan op wat in het belang van de kinderen wenselijk zou zijn. Het hof leest in de stukken dat de man pas een bodemprocedure wil starten als er sprake is van een stabiele situatie, maar daarmee gaat de man er naar het oordeel van het hof aan voorbij dat stabiliteit juist of ook kan worden gecreëerd doordat de rechter in een bodemprocedure beslissingen neemt over de kwesties die partijen verdeeld houdt. Inmiddels heeft de vrouw een bodemprocedure bij de rechtbank aanhangig gemaakt. 3.22. In de opvoedsituatie van de kinderen bij de vrouw ziet het hof ook geen spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening. De man onderbouwt zijn stellingen ter zake de “taal, socialisatie en integratie problemen van de kinderen” niet en hij onderbouwt op geen enkele wijze dat deze problemen, zou vastgesteld worden dat daarvan sprake is, door de vrouw worden veroorzaakt, terwijl de vrouw de stellingen van de man ter zake uitvoerig en gemotiveerd heeft betwist. De GI heeft in het kader van de ondertoezichtstelling bovendien zicht