Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-10-07
ECLI:NL:GHSHE:2025:2740
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht arrest van 7 oktober 2025 in de zaak met zaaknummer 200.337.240/01 (de hoofdzaak) van [xx] Sloopwerken B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante, hierna te noemen: [xx] , advocaat: mr. M.C.J. Houben te Eindhoven, tegen 1 [persoon A] , wonende te [woonplaats] , 2. [persoon B] , handelende onder de naam [yy] Autoschadeherstelbedrijf , wonende te [woonplaats] , geïntimeerden, hierna gezamenlijk (ook) te noemen: [geïntimeerden] , en afzonderlijk [persoon A] en [persoon B] , advocaat: mr. P.E.A.M. Gerritse te Tilburg, en in de zaak met zaaknummer 200.337.376/01 (de vrijwaringszaak) van Clean Service Hapert B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante, hierna te noemen: CSH, advocaat: mr. T. Segers te ’s-Hertogenbosch, tegen [xx] Sloopwerken B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde, hierna te noemen: [xx] , advocaat: mr. M.C.J. Houben te Eindhoven, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 7 januari 2025 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummers C/02/390495 / HA ZA 21-584 (de hoofdzaak) en C/02/399845 / HA ZA 22-371 (de vrijwaringszaak) gewezen vonnis van 12 juli 2023. 5 Het verdere verloop van de procedure 5.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest in beide zaken van 7 januari 2025; de bij H16 formulier van 10 september 2025 door [geïntimeerden] ingediende akte met productie 7; de mondelinge behandeling van 23 september 2025 waarbij de zaken gezamenlijk zijn behandeld. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen alsmede [persoon C] (online) en de echtgenote van [persoon A] , mevrouw [persoon D] (hierna: [persoon D] ), vragen van het hof beantwoord. Als tolk voor [persoon B] heeft [persoon F] (tolkennummer: 29104) gefungeerd. Voorts hebben de advocaten van [xx] en [geïntimeerden] spreekaantekeningen overgelegd. Arrest is bepaald op heden. 5.2. Het hof doet uitspraak op de stukken van de eerste aanleg, de in het tussenarrest vermelde stukken en de hierboven vermelde stukken. Daarbij merkt het hof op dat in het tussenarrest per abuis niet in het hoger beroep van de hoofdzaak de akte uitlaten van 29 oktober 2024 van [geïntimeerden] , met producties 2 tot en met 6, is vermeld. Dat is hiermee gecorrigeerd. In het roljournaal is opgenomen dat de aktes van partijen die zijn ingediend voor de rol van 12 november 2024 zijn geweigerd. Die aktes behoren dus niet tot het procesdossier. Dit geldt dus ook voor de gefourneerde akte van 12 november 2024 van [geïntimeerden] met productie 7. 6 De verdere beoordeling Feiten in de hoofdzaak en de vrijwaringszaak 6.1. In rov. 3.1 van het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank feiten vastgesteld. Het hof zal deze feiten hierna weergegeven als rov. 6.1.1 tot en met 6.1.8. Grief 1 van [xx] is onder meer gericht tegen de tweede zin van rov. 6.1.5. Het hof zal dit feit preciseren mede op basis van de tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verkregen inlichtingen (zie ook hierna rov. 6.8 tot en met 6.10). Met inachtneming van die precisering kan van de door de rechtbank vastgestelde feiten worden uitgegaan. Grief 1 van [xx] voor zover die is gericht tegen de feitenvaststelling, leidt op zichzelf niet tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep. Dit hangt ook af van de beoordeling van de andere grieven van [xx] . 6.1.1. [persoon A] is eigenaar van de onroerende zaak gelegen aan [adres] . Het betreft een woning, waarin [persoon A] woonachtig is, en een bedrijfsruimte, die [persoon A] verhuurt aan [persoon B] . [persoon B] exploiteert in de bedrijfsruimte een autoschadeherstelbedrijf. 6.1.2. [persoon A] heeft aan [xx] opdracht gegeven tot het verwijderen van het asbesthoudend dak van de bedrijfsruimte (400 m2 golfplaten). 6.1.3. De aan de opdracht ten grondslag liggende offerte van 9 april 2019, die door [persoon A] is geaccepteerd, luidt – voor zover van belang – als volgt: “De uit te voeren werkzaamheden zi Tevens heeft de rechtbank [xx] veroordeeld aan [persoon A] te betalen als voorschot op de nog vast te stellen schadevergoeding een bedrag van € 5.789,50 ex BTW, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW en heeft de rechtbank [xx] veroordeeld tot vergoeding van schade die [persoon A] en [persoon B] hebben geleden door het toerekenbaar tekortschietend respectievelijk onrechtmatig handelen van [xx] , welke schadevergoeding is op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, waarvoor de rechtbank de zaak heeft verwezen naar de schadestaatprocedure. Daarnaast heeft de rechtbank [xx] veroordeeld tot betaling aan [persoon A] en [persoon B] samen van een bedrag van € 1.080,= ex BTW met betrekking tot expertisekosten. Tot slot heeft de rechtbank [xx] veroordeeld in de proceskosten. 6.2.5. In reconventie vorderde [xx] – samengevat – veroordeling van [persoon A] tot betaling van € 5.950,= ex BTW, vermeerderd met wettelijke rente en kosten. 6.2.6. [xx] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij in opdracht en voor rekening van [persoon A] saneringswerkzaamheden en meerwerk heeft uitgevoerd, dat zij daarvoor een bedrag van € 5.600,= ex BTW respectievelijk € 350,= ex BTW met [persoon A] is overeengekomen, dat zij voor de uitgevoerde werkzaamheden de factuur van 14 juni 2019 aan [persoon A] heeft toegezonden en dat [persoon A] die factuur ten onrechte onbetaald heeft gelaten. [xx] stelt dat [persoon A] vanaf 13 juli 2019 met betaling in verzuim verkeert en dat zij daarom vanaf die datum aanspraak kan maken op wettelijke handelsrente over het gevorderde. 6.2.7. [persoon A] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. 6.2.8. In het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de vordering in reconventie afgewezen, met veroordeling van [xx] in de proceskosten. in de vrijwaringszaak 6.2.9. In de vrijwaringszaak vorderde [xx] – samengevat – dat CSH wordt veroordeeld om aan haar te betalen al hetgeen waartoe zij in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, met veroordeling van CSH in de kosten. 6.2.10. [xx] stelde dat zij als hoofdaannemer de aannemingsovereenkomst met [persoon A] heeft gesloten. De feitelijke uitvoering van de opgedragen saneringswerkzaamheden heeft zij uitbesteed aan CSH als onderaannemer. Mocht in de hoofdzaak worden geoordeeld dat zij aansprakelijk is voor vergoeding van schade als gevolg van toerekenbaar tekortschietend en/of onrechtmatig handelen bij de uitvoering van de saneringswerkzaamheden, dan is CSH jegens haar toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van onder aanneming en op grond daarvan jegens haar schadeplichtig. 6.2.11. CSH heeft gemotiveerd verweer gevoerd. 6.2.12. In het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank CSH veroordeeld om aan [xx] te betalen al hetgeen waartoe [xx] als gedaagde in de hoofdzaak wordt veroordeeld om aan eisers in de hoofdzaak (met zaaknummer / rolnummer C/02/390495 / HA ZA 21-584) te betalen, met veroordeling van CSH in de proceskosten. Geschil in hoger beroep in de hoofdzaak 6.3.1. [xx] heeft zes grieven aangevoerd tegen het vonnis waarvan beroep. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep. Primair verzoekt [xx] [persoon A] en [persoon B] in hun vorderingen niet ontvankelijk te verklaren, althans deze aan hen als ongegrond en/of onbewezen te ontzeggen. Subsidiair is haar verzoek om, indien de vorderingen van [persoon A] (en, naar het hof begrijpt, [persoon B] ) strekkende tot schadevergoeding worden toegewezen, die schadevergoeding te matigen naar een in goede justitie te bepalen bedrag, wegens een schending van de plicht tot schadebeperkend handelen door [persoon A] en [persoon B] . Primair en subsidiair vordert [xx] [persoon A] te veroordelen om het bedrag ad € 5.950,00 excl. BTW aan [xx] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW daarover, vanaf de datum van het verzuim, zijnde 13 juli 2019. Tot slot vordert [xx] dat [persoon A] en [persoon B] in de proceskosten worden Het hof acht aannemelijk, mede op grond van de door [geïntimeerden] overgelegde productie 7 (CERTIFICAAT EINDCONTROLE NA ASBEST VERWIJDERING) en de verklaring van [persoon C] (productie 2 bij de akte uitlaten van 29 oktober 2024 van [geïntimeerden] , nader toegelicht tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep), dat [--] het gesaneerde gedeelte van het dak – dat wil zeggen: dak 1 – op 11 juni 2019 heeft vervangen en dat dit waterdicht was. [geïntimeerden] hebben er bovendien terecht op gewezen dat deze betwistingen niet relevant zijn, omdat zij geen schade vorderen ten aanzien van dak 1. 6.9. [xx] stelt ook dat [--] haar werkzaamheden in strijd met de geldende veiligheidsregels heeft verricht. Zij heeft dit echter niet concreet onderbouwd. Deze stelling vindt ook geen steun in voornoemd certificaat. Integendeel, daaruit blijkt dat op 11 juni 2019 inspectie van dak 1 heeft plaatsgevonden, dit is gecontroleerd en goed bevonden, en vervolgens is vrijgegeven door de omgevingsdienst Midden-West Brabant. Daarna heeft [--] haar werkzaamheden aan dak 1 verricht. Hier komt bij dat [geïntimeerden] er ook met betrekking tot deze stelling terecht op hebben gewezen dat die niet relevant is voor de beoordeling van de aansprakelijkheid [xx] voor de waterschade in verband met het verwijderen van dak 2. Overigens heeft [--] gezien het certificaat ook geen veiligheidsregels geschonden ten aanzien van dak 2. 6.10. Voor zover [xx] stelt dat er lekkage is ontstaan door de werkzaamheden aan de daken door [--] , overweegt het hof dat daarvoor, mede gelet op het voorgaande, geen aanwijzingen zijn. De conclusie kan geen andere zijn dan dat de waterschade is veroorzaakt doordat CSH op 12 juni 2019 dak 2 heeft verwijderd terwijl het regende, met name tijdens de neerslagpiek rond 9:00 uur. 6.11. Als verweer heeft [xx] ook aangevoerd dat partijen zijn overeengekomen dat [persoon A] zelf beschermende voorzieningen diende aan te brengen (zie de tekst van de offerte zoals hiervoor weergegeven in rov. 6.1.3). De betekenis van een omstreden bepaling van een overeenkomst moet door de rechter worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de zogenoemde Haviltex-maatstaf). Uit een en ander volgt dat redelijkheid en billijkheid hierbij een rol spelen. 6.12. Voorafgaand aan de uitvoering van de saneringswerkzaamheden is contact geweest tussen [persoon A] en [persoon E] van [xx] over de beschermende voorzieningen. Het hof verwijst naar de als productie 5 bij de inleidende dagvaarding overgelegde e-mailcorrespondentie. Daarin vraagt [persoon A] : ‘Wat dient te worden beschermt en hoe?’. [persoon A] heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat [persoon E] tijdens het daarop volgende telefoongesprek heeft gezegd dat hij ( [persoon A] ) alles leeg zou moeten halen. [persoon A] heeft daarop gezegd dat dit niet kan omdat het te veel is. Voor zover [xx] meent dat [persoon A] ervoor diende te zorgen dat de bedrijfsruimte volledig leeg was, deelt het hof die mening niet. Dát zijn partijen immers niet overeengekomen. [persoon A] is daarmee in het telefoongesprek met [persoon E] niet akkoord gegaan. Partijen zijn, blijkens de geaccepteerde offerte, wel overeengekomen dat [persoon A] beschermende voorzieningen diende aan te brengen. 6.13. Het hof stelt vast dat [geïntimeerden] daadwerkelijk beschermingsmaatregelen hebben getroffen. Daaronder moet onder meer worden begrepen het afdekken van het ventilatiekanaal met dekzeil. Dat dit is gebeurd, vindt ook steun in de verklaring van [persoon C] die als productie 2 bij de akte uitlaten van 29 oktober 2024 van [geïntimeerden] is overgelegd, welke ook op dit punt door [persoon C] tijdens de mondelinge behandeling nader is toegelicht. Zowel [persoon B] als [persoon D] hebben de medewerkers van CSH op de ochtend van 12 juni 2019 ook verzocht om niet te beginnen met de werkzaamheden. Blijkens zijn verklaring (productie 6 bij de inleidende dagvaarding) heeft [persoon C] zelfs op 11 juni 2019 al gewaarschuwd voor regen op 12 juni 2019. Hij schrijft daarin: ‘ Ik wijs hun op de voorspelde regen die dag (hof: 12 juni 2019) . Ik krijg als antwoord dat zij daar niet verantwoordelijk zijn. En dat dat niet hun probleem is. Ik sta versteld van een dergelijk antwoord. ’. 6.21. Door dak 2 niettemin te verwijderen, heeft CSH de gerechtvaardigde belangen van [persoon A] en [persoon B] veronachtzaamd, en wel op dusdanige wijze dat het beroep van [xx] op de exoneratieclausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [xx] heeft geen omstandigheden aangevoerd die tot een andere afweging leiden. 6.22. De slotsom is dat [xx] aansprakelijk is voor de door [geïntimeerden] geleden schade. In het navolgende zal het hof ingaan op het onderwerp ‘schade’. Schade 6.20. [geïntimeerden] vorderden in eerste aanleg concrete schadebedragen. De rechtbank heeft bij wijze van voorschot een concreet schadebedrag toegewezen en de zaak verwezen naar de schadestaatprocedure. Verder heeft de rechtbank de gevorderde expertisekosten toegewezen. Ook heeft de rechtbank schadeposten afgewezen, welke in hoger beroep niet aan de orde zijn (zie hiervoor rov. 6.3.3). 6.21. Grieven 4 tot en met 6, die zich voor gezamenlijke bespreking lenen, zijn gericht tegen overwegingen en beslissingen van de rechtbank ten aanzien van de door [geïntimeerden] geleden schade. Het hoger beroep van [xx] strekt er primair toe dat de vorderingen van [geïntimeerden] strekkende tot schadevergoeding alsnog geheel worden afgewezen, en subsidiair indien de vorderingen strekkende tot schadevergoeding worden toegewezen, dat die schadevergoeding wordt gematigd. 6.22. Op grond van de wet (artikel 612 Rv) en vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient de rechter, als hij een veroordeling tot schadevergoeding uitspreekt, te beoordelen of de schadeomvang direct in de uitspraak kan worden vastgelegd. Het hof acht zich gehouden dat in deze procedure ook te doen, met het oog op een rechtvaardige uitkomst en uit oogpunt van finale geschilbeslechting. Dat de rechtbank een verwijzing naar de schadestaatprocedure heeft uitgesproken, maakt dit niet anders. Uit het subsidiaire standpunt van [xx] , leidt het hof af dat [xx] er rekening mee heeft gehouden dat het hof een concreet schadebedrag vaststelt in deze procedure. Ook [geïntimeerden] hadden er rekening mee moeten houden dat het hof een concreet schadebedrag zou vaststellen, mede in aanmerking genomen dat zij concrete schadebedragen hebben gevorderd. Het hof heeft het onderwerp ‘schade’ tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep expliciet aan de orde gesteld. Partijen hebben de gelegenheid gehad zich (nader) uit te laten over de omvang van de schade die [geïntimeerden] hebben geleden. Het beginsel van hoor en wederhoor is dus ook in acht genomen. Het staat het hof dan ook vrij om in dit arrest een concreet schadebedrag toe te wijzen. Daardoor is verwijzing naar de schadestaatprocedure niet meer nodig. Ook een voorschot op de toe te wijzen schadevergoeding is niet meer aan de orde. 6.23. Bij zijn beslissing om de schadeomvang direct vast te leggen in dit arrest, heeft het hof ook het volgende betrokken. [xx] heeft zich op het standpunt gesteld dat de verwijzing naar de schadestaatprocedure een verwijzing naar ‘een feitelijk onwerkbare route’ is. Het hof volgt [xx] in dit standpunt, in die zin dat mede door het tijdsverloop sinds 12 juni 2019 de schade van [geïntimeerden] thans niet nauwkeurig meer kan worden vastgesteld, laat staan in een nog te entameren schadestaatprocedure. 6.24. Daarbij is het volgende van belang. Evenals de rechtbank (vonnis waarvan beroep, rov. 5.14), is het hof van oordeel dat de omvang van de schade niet uit het rapport van Résoudre (producti Grief 1 is gericht tegen de beslissingen van de rechtbank in de vrijwaringszaak zoals hiervoor weergegeven in rov. 6.2.12. Volgens CSH mocht zij, nu in de hoofdzaak het schadevergoedingsdebat nog geheel open ligt, er blijkens rechtspraak op vertrouwen dat de vrijwaringszaak aangehouden zou worden tot de uitspraak in de schadestaat, waarna CSH indien nodig in de vrijwaringsprocedure nog schadevergoedingsrechtelijke verweren zou kunnen voeren. 6.30. Deze grief faalt. Ten eerste berust deze grief op een verkeerde uitleg van het vonnis in de vrijwaringzaak. De rechtbank heeft CSH veroordeeld om aan [xx] te betalen waartoe [xx] in de hoofdzaak is veroordeeld, niet waartoe [xx] zal worden veroordeeld in de schadestaatprocedure . Dit is ook in overeenstemming met hetgeen CSH heeft gevorderd. Gelet daarop hoefde de rechtbank de beslissing in de vrijwaringszaak niet aan te houden. Ten tweede heeft het hof in het onderhavige arrest een concreet schadebedrag vastgesteld. Daarmee is verwijzing naar de schadestaatprocedure niet meer aan de orde. Om beide redenen is er ook in hoger beroep geen aanleiding is om de beslissing in de vrijwaringzaak aan te houden. 6.31. Nu [geïntimeerden] schadevergoeding hebben gevorderd in de hoofdzaak, had CSH er rekening mee moeten houden dat de rechtbank dan wel het hof in de hoofdzaak schadevergoeding zou vaststellen (zoals zowel de rechtbank als het hof hebben gedaan). Voor zover zij in de vrijwaringzaak meer of andere verweren had willen voeren dan zij heeft gedaan, heeft zij daarvoor de gelegenheid gehad. Die gelegenheid was er in haar processtukken in eerste aanleg en in hoger beroep, maar ook nog tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, waar de vrijwaringszaak gezamenlijk met de hoofdzaak is behandeld en waar het hof het onderwerp ‘schade’ expliciet aan de orde heeft gesteld. 6.32. Met grief 2 grieft CSH tegen de overweging van het vonnis in de vrijwaringszaak dat CSH jegens [xx] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de onder aannemingsovereenkomst en daarom aansprakelijk is voor de schade die [xx] daardoor leidt. CSH stelt zich op het standpunt dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van [xx] , wat met zich meebrengt dat CSH niet aansprakelijk is voor alle schade die [xx] dient te vergoeden op grond van het vonnis in de hoofdzaak, maar slechts voor een beperkt deel van deze schade. 6.33. Volgens CSH is er sprake van eigen schuld aan de zijde van [xx] , omdat het overeengekomene op grond van de onder aannemingsovereenkomst minimaal is. Er zijn geen afspraken en/of inlichtingen verstrekt door [xx] , specifiek over het al dan niet doorwerken bij regenval. Als die wel waren verstrekt, dan had CSH zich hieraan gehouden en was er geen (water)schade ontstaan. Het ontstaan van (water)schade is hierom in overwegende mate het gevolg van het tekortschieten van [xx] , aldus CSH. 6.34. Ook deze grief faalt. [xx] heeft hiertegen onder meer ingebracht dat het als algemeen bekend moet worden verondersteld dat het openbreken van een dak in de stromende regen getuigt van onverantwoordelijkheid. Volgens haar voert te ver dat zij had moeten waarschuwen voor dergelijke nalatigheid. Het hof deelt dit standpunt van [xx] , zoals ook blijkt uit de overwegingen over aansprakelijkheid in de hoofdzaak. Overigens heeft [persoon G] , bestuurder van CSH, ook te kennen gegeven tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep dat als de regen zo erg is, hij zich niet kan voorstellen dat er gesaneerd gaat worden. Niettemin hebben zijn medewerkers dat op de bewuste ochtend wel gedaan. Van eigen schuld van [xx] is dan ook geen sprake. Slotsom en afwikkeling in de hoofdzaak 6.35.1. De slotsom in de hoofdzaak is dat de grieven van [xx] gedeeltelijk slagen. Dit brengt mee dat het vonnis waarvan beroep in de hoofdzaak, voor zover aan de orde in hoger beroep (zie rov. 6.3.3), zal worden vernietigd, en wel voor zover de rechtbank de zaak naar de schadestaatprocedure heeft verwezen, een voorschot op de schadevergoe