Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-09-30
ECLI:NL:GHSHE:2025:2681
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.325.521/01 arrest van 30 september 2025 in de zaak van Vereniging van Eigenaren Resort de Molenheide , gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante, hierna: de VvE, advocaat: mr. R.A.C.J. van Kessel te Boxtel, en [persoon A] ¸ wonende te [woonplaats] , gevoegde partij aan de zijde van de VvE, hierna: [woonplaats] , advocaat: mr. R.A.C.J. van Kessel te Boxtel, tegen Comfort Parcs [xx] B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde, hierna: Comfort Parcs, advocaat: mr. T. Vink te Amsterdam. als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 30 mei 2023 en 16 juli 2024 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/363009 / HA ZA 20-622 gewezen vonnis van 20 april 2022. 8 Het verloop van de procedure Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 16 juli 2024, waarbij [woonplaats] in het incident is toegelaten als gevoegde partij aan de zijde van de VvE en waarbij is verstaan dat de procedure voor wat betreft de door de VvE ingestelde vorderingen in de memorie van grieven met 1, 2 en 4 geduid, met ingang van 16 april 2024 is geschorst; de memorie van antwoord met producties; de bij H-formulier van 2 april 2025 door de VvE toegezonden producties 13 tot en met 17, de bij H-formulier van 4 april 2025 door Comfort Parcs toegezonden producties 64 tot en met 67 en de bij H-formulier van 11 april 2025 door de VvE toegezonden productie 18, welke producties partijen bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding hebben gebracht. het proces-verbaal van de op 15 april 2025 gehouden mondelinge behandeling; de H-formulieren waaruit blijkt dat partijen geen (nadere) minnelijke regeling hebben bereikt en dat zij arrest hebben gevraagd. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. 9 De beoordeling de feiten 9.1. Geen grieven zijn gericht tegen de vaststelling van de vaststaande feiten door de rechtbank in de rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.12 van het bestreden vonnis, welke feiten ook voor het hof uitgangspunt vormen. Het gaat in dit geding om het volgende. 9.1.1. Comfort Parcs is eigenaar en beheerder van Resort de Molenheide, een recreatiepark met chalets waarvan de meeste zijn verkocht aan particulieren. Een aantal voorzieningen op het park, en ook de infrastructuur, zijn in eigendom gebleven van Comfort Parcs. De VvE is opgericht teneinde de belangen te behartigen van de eigenaars van een kavel op het park. Alle eigenaars van een kavel zijn ingevolge een kettingbeding bij aankoop van de kavel verplicht lid van de VvE. Tussen (de rechtsvoorganger van) Comfort Parcs en de VvE is in 2004 een beheerovereenkomst tot stand gekomen (productie 2 bij inleidende dagvaarding), waaraan alle parkbewoners zijn gebonden. 9.1.2. In de beheerovereenkomst is bepaald dat Comfort Parcs zorgdraagt voor het beheer van het park ( artikel 1 ), waaronder in ieder geval worden verstaan taken, diensten en leveringen met betrekking tot de algemene verzorging, de terreinverlichting, speel- en centrumvoorzieningen en het openluchtzwembad ( artikel 2 ). In artikel 4 van de beheerovereenkomst is bepaald dat groot onderhoud, zoals herbestrating, vervanging van infrastructurele voorzieningen, waaronder het openluchtzwembad en dergelijke, niet onder het in de eerdere artikelen omschreven beheer valt. Dit groot onderhoud, alsmede al die werkzaamheden die van overheidswege of door nutsbedrijven worden voorgeschreven, worden door toedoen van de beheerder (Comfort Parcs) uitgevoerd en aan de vereniging in rekening gebracht. Artikel 5 van de beheerovereenkomst bepaalt dat elektriciteit, water en gas door de beheerder (Comfort Parcs) worden geleverd via een eigen distributienet van het resort, alsook dat het verbruik wordt geregistreerd door middel van tussenmeters in meterkasten – die zich bevinden op de centrale voorzieningen of op de kavels en die ongeacht de standplaats eigendom blijven van Comfor De volgende vorderingen van de VvE heeft de rechtbank niet toegewezen (de vorderingen zijn afgewezen of de VvE is daarin niet-ontvankelijk verklaard): - vorderingen 1 tot en met 4, ertoe strekkende dat Comfort Parcs op de voet van artikel 2 van de beheerovereenkomst (achterstallig) onderhoud moet verrichten en daarmee verband houdende kosten moet betalen; - vordering 5 ertoe strekkende dat voor recht wordt verklaard dat parkbewoners zonder voorafgaande toestemming van Comfort Parcs zonnepanelen mogen plaatsen en dat Comfort Parcs moet meewerken aan de daarmee verband houdende vervanging of aanpassing van de elektriciteitsmeter op kosten van Comfort Parcs; - vordering 6 tot veroordeling van Comfort Parcs om dagelijks van 9.00 tot 19.00 uur tenminste één medewerker op de receptie aanwezig te laten zijn; - vordering 7 tot veroordeling van Comfort Parcs om de horecagelegenheid dagelijks (behalve op maandag) geopend te houden van 17.00 tot 21.00 uur; - vordering 8 tot veroordeling van Comfort Parcs tot vergoeding van de door de VvE gedragen kosten van het vervangen van de vijverpomp ten bedrage van € 4.365,34; - vorderingen 9 tot en met 12 die ertoe strekken om Comfort Parcs te verplichten jaarlijks inzichtelijk te maken welk regulier onderhoud is verricht en welke kosten daarmee verband hielden, en een addendum bij de beheerovereenkomst tot stand te brengen waarin wordt vastgelegd wat onder regulier onderhoud valt (en dus voor rekening komt van Comfort Parcs) en wat onder het begrip groot onderhoud valt (en dus voor rekening komt van de VvE). - het eerste deel van vordering 15, ertoe strekkende om voor recht te verklaren dat het tarief dat is vastgesteld door de rechtbank bij vonnis van 17 mei 2018 in de kwestie [yy] (rov. 6.1 en 6.2), bekrachtigd bij arrest van dit hof van 24 maart 2020, een all-in tarief is waarin reeds alle prijscomponenten zijn verdisconteerd; - vordering 16, strekkende tot een verklaring voor recht dat Comfort Parcs betreffende de (jaarlijkse) waterprijzen die zij in rekening brengt aan de parkbewoners hetzelfde tarief dient te hanteren als de [xx] gezinnen betalen conform de tarievenregeling van Brabantwater. - vordering 17, ertoe strekkende voor recht te verklaren dat hetgeen de parkbewoners tot op heden aan Comfort Parcs hebben betaald betreffende de waterprijzen, onverschuldigd is betaald voor zover deze prijzen de tarievenregeling van Brabantwater te boven zijn gegaan; - vordering 18, strekkende tot een verklaring voor recht dat de VvE geen huur verschuldigd is voor het gebruik van de milieustraat; - vordering 19 tot strekkende betaling van € 8.834,95, te vermeerderen met wettelijke rente en met € 581,80 per maand, ter zake van de maandelijkse bijdrage die Comfort Parcs als eigenaar van een aantal kavels verschuldigd is. het geschil in hoger beroep 9.3. Bij memorie van grieven tevens houdende verandering van eis heeft de VvE vijf grieven aangevoerd. De VvE concludeert tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar – in hoger beroep gewijzigde – vorderingen, met dien verstande dat zij haar vorderingen met betrekking tot achterstallig parkonderhoud (1 tot en met 4), openingstijden van de receptie (6), openingstijden van de horeca (7) en de huurbetalingen voor de milieustraat (18) in hoger beroep niet handhaaft. 9.4. Comfort Parcs heeft de grieven bestreden. 9.5. In het tussenarrest van 16 juli 2024 is verstaan - het hof houdt de in eerste aanleg gebezigde nummering aan - dat de vorderingen 5 (zonnepanelen) en 9 tot en met 12 (inzichtelijk maken van de onderhoudskosten en het addendum) zijn geschorst. Hierop behoeft dus niet te worden beslist. 9.6. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep is een schikking tot stand gekomen met betrekking tot vordering 8 (de vijverpomp), in die zin dat partijen zijn overeengekomen dat zij de kosten van de vervanging van de vijverpomp delen. Hierop behoeft dus niet te worden beslist. Ten aanzien van de VvE-bijdragen (vorder Op bladzijde 12 van het rapport wordt de heffingskorting uitdrukkelijk meegenomen als component voor de berekening van het tarief dat een gemiddelde [xx] particulier per jaar betaalt voor elektriciteit. Op bladzijde 14 van het rapport staat als conclusie vermeld: "Een gemiddeld particulier huishouden in [xx] betaalde in 2014 ca. € 0,1543/ kWh exclusief BTW voor elektriciteit. In dit bedrag zijn alle componenten meegenomen, inclusief de heffingskorting." Comfort Parcs heeft de inhoud en deugdelijkheid van het rapport als zodanig niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist. De conclusie moet naar het oordeel van het hof zijn dat het totale door Comfort Parcs in rekening te brengen energietarief per kWh niet hoger mag zijn dan het totale tarief dat een gemiddeld [xx] gezin met eenzelfde verbruik betaalt per kWh, inclusief de vaste kosten en inclusief de heffingskorting. Het eerste deel van vordering 15 is derhalve toewijsbaar in de enigszins aangepaste vorm zoals in het dictum bepaald (toegespitst op het onderhavige geschil), met inbegrip van de bij wijziging van eis toegevoegde zinsnede. Grief 4 slaagt in zoverre. Het watertarief 9.8.1. De VvE heeft gevorderd om voor recht te verklaren dat: - Comfort Parcs betreffende de (jaarlijkse) waterprijzen die zij in rekening brengt aan de parkbewoners hetzelfde tarief dient te hanteren als de [xx] gezinnen betalen conform de tarievenregeling van Brabant Water (vordering 16); - hetgeen de parkbewoners tot op heden aan Comfort Parcs hebben betaald betreffende de waterprijzen, onverschuldigd is betaald voor zover deze prijzen de tarievenregeling van Brabant Water te boven zijn gegaan (vordering 17). In het bestreden vonnis is de VvE niet-ontvankelijk verklaard in deze vorderingen, omdat de VvE volgens de rechtbank niet heeft voldaan aan de vereisten die artikel 3:305a BW stelt om een collectieve actie te kunnen starten en de VvE geen eigen belang heeft bij de vorderingen. Hiertegen is grief 5 gericht. 9.8.2. Grief 5 faalt voor zover deze is gericht tegen het oordeel van de rechtbank tot niet-ontvankelijkverklaring van de VvE in vordering 17. De beheerovereenkomst is gesloten tussen enerzijds Comfort Parcs en anderzijds de VvE. De individuele leden van de VvE zijn geen partij bij de beheerovereenkomst. Niet kan worden gezegd dat de VvE een eigen belang heeft bij de vordering. Aan de VvE zelf wordt geen water geleverd. Weliswaar is de VvE, zoals zij heeft aangevoerd, gemachtigd tot het voeren van de onderhavige procedure door middel van een procesvolmacht, maar die volmacht is niet afgeven door de individuele leden van de VvE. De VvE kan daarom niet worden geacht de vordering te hebben ingesteld namens die individuele leden. Ook heeft de VvE niet aangevoerd dat het oordeel van de rechtbank omtrent de eisen van artikel 3:305a BW onjuist is. 9.8.3. Grief 5 slaagt voor zover deze is gericht tegen het oordeel van de rechtbank tot niet-ontvankelijkverklaring van de VvE in vordering 16. De VvE is partij bij de beheerovereenkomst en heeft daarom een eigen belang bij een uitspraak over de uitleg van artikel 6 van die overeenkomst. Daaraan doet niet af, zoals Comfort Parcs heeft aangevoerd, dat Brabantwater uitsluitend levert aan de parkbewoners. De vordering heeft dezelfde grondslag als de hiervoor behandelde en toewijsbaar geachte vordering tot levering van elektriciteit, namelijk artikel 6 van de beheerovereenkomst. Als zodanig is tussen partijen niet in geschil - zie punt 35 van de memorie van antwoord - dat levering van water, evenals de levering van elektriciteit, dient plaats te vinden tegen de tarieven die een [xx] gezin betaalt. Evenmin is in geschil dat Brabant Water de enige leverancier van water is in [xx] . De vordering is derhalve toewijsbaar, met dien verstande dat de gevorderde verklaring voor recht in tijd zal worden begrensd tot de verkoop van het park aan de gemeente. Achterstallige VvE-bijdragen 9.9.1. De VvE vorderde in eerste aanleg veroordeling van Comfort Parcs tot betaling