Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-09-24
ECLI:NL:GHSHE:2025:2587
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummers: 23/1685 en 23/1686 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 3 november 2023, nummers BRE 22/3966 en 22/4009, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft voor het jaar 2017 de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd (hierna: de aanslag IB/PVV). Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en bij beschikking een boete opgelegd (hierna: de boetebeschikking). 1.2. Daarnaast heeft de inspecteur voor het jaar 2017 de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet opgelegd (hierna: de aanslag Zvw). Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht. 1.3. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de boetebeschikking gegrond verklaard en de boetebeschikking verminderd. 1.5. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.6. De zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . 1.7. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij. 1.8. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende was vennoot in [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ). Het winstaandeel van belanghebbende in deze vennootschap onder firma bedroeg 50%. De andere vennoot van [bedrijf] was de heer [naam] (hierna: [naam] ). [naam] had eveneens een winstaandeel van 50% in [bedrijf] . 2.2. Belanghebbende was in 2017 het gehele jaar gehuwd met [partner] . Het verzamelinkomen van de partner bedroeg in 2017 € 62.219. 2.3. In 2016 is door de inspecteur een controle ingesteld bij [bedrijf] . De controle betrof onder meer de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV voor de jaren 2013 tot en met 2015. De bevindingen hebben geleid tot omzetcorrecties in (navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw en het opleggen van vergrijpboeten. Belanghebbende en de inspecteur hebben in 2020 een vaststellingsovereenkomst gesloten betreffende (onder andere) de hoogte van de belastbare winst van [bedrijf] over de jaren 2013, 2014 en 2015. Deze bedraagt respectievelijk: € 102.81, € 131.241 en € 223.471. Wat betreft de vergrijpboeten is overeengekomen dat deze worden verminderd. 2.4. Rechtbank Amsterdam (afdeling privaatrecht) heeft in haar tussenvonnis van 5 juli 2017 [bedrijf] ontbonden en een vereffenaar benoemd. 2.5. De onderneming van [bedrijf] is op 15 augustus 2017 op een veiling verkocht voor een bedrag van € 440.555. De verkoop is via de vereffenaar verlopen. Bij de nota van afrekening heeft de vereffenaar in totaal € 92.963,16 aan kosten verrekend met de opbrengst. 2.6. In de aangiften omzetbelasting van [bedrijf] is over de periode van januari tot en met september 2017 een omzet van in totaal € 461.082 vermeld. 2.7. Rechtbank Amsterdam (afdeling privaatrecht) heeft op 1 november 2017 wederom een tussenvonnis gewezen. Partijen zijn bij dat tussenvonnis in de gelegenheid gesteld zich, met inachtneming van dat wat reeds in het tussenvonnis van 5 april 2017 is overwogen, uit te laten over de wijze waarop de verdeling van het vermogen van de vof plaats dient te vinden. Belanghebbende heeft vervolgens uitdrukkelijk het standpunt ingenomen dat een gelijke verdeling er toe leidt dat hem een bedrag van € 63.465,95 toekomt. 2.8. In het vonnis van rechtbank Amsterdam (af De inspecteur heeft de boete berekend op € 37.679 (50% van het bedrag aan belasting) en hij heeft rekening gehouden met de draagkracht van belanghebbende en de boete vastgesteld op € 20.000. 2.14. De inspecteur heeft de aanslag Zvw met dagtekening 21 december 2021 opgelegd naar het maximale bijdrage-inkomen van € 53.701. Er is € 138 belastingrente in rekening gebracht. 2.15. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV, de aanslag Zvw, de rentebeschikking IB/PVV, de rentebeschikking Zvw en de boetebeschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd. 2.16. De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de boetebeschikking gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar die ziet op de boetebeschikking vernietigd, de boete verminderd naar € 4.750, de beroepen voor het overige ongegrond verklaard en bepaald dat de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden. 3 Geschil en conclusies van partijen 3.1. In geschil is het antwoord op de volgende vragen: Is het gelijkheidsbeginsel geschonden? Zijn de aanslagen IB/PVV en Zvw terecht en tot de juiste bedragen opgelegd? Is de boetebeschikking – na vermindering door de rechtbank – terecht en tot het juiste bedrag opgelegd? 3.2. Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslagen IB/PVV en Zvw en vernietiging van de rentebeschikkingen en de boetebeschikking. 3.3. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4 Gronden Ten aanzien van het geschil Vraag 1: schending van het gelijkheidsbeginsel 4.1. Belanghebbende heeft tijdens het onderzoek ter zitting van het hof een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. In dat kader heeft belanghebbende gesteld dat medefirmant [naam] (door belanghebbende aangeduid als ‘de tegenpartij’) een deal heeft gemaakt met de Belastingdienst met betrekking tot onder meer de belastingheffing over het jaar 2017. Dat belanghebbende geen deal met de Belastingdienst aangeboden heeft gekregen, acht hij in strijd met het gelijkheidsbeginsel. De inspecteur heeft het bestaan van een deal tussen [naam] en de Belastingdienst bij gebrek aan wetenschap betwist. Verder heeft de inspecteur het hof verzocht deze stelling als tardief aan te merken en buiten behandeling te laten. Volgens de inspecteur heeft belanghebbende hiermee een nieuwe stelling ingenomen en kan redelijkerwijs niet van de inspecteur worden verlangd dat hij tijdens de zitting zonder nadere voorbereiding op die stelling reageert. 4.2. Het hof verwerpt belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat belanghebbende niet heeft voldaan aan de op hem rustende stelplicht. Belanghebbende stelt slechts dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, maar heeft niet gesteld dat de (door hem gestelde) ongelijke behandeling berust op een gevoerd begunstigend beleid, een oogmerk van begunstiging of dat sprake is van een situatie waar in de meerderheid van de gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven. Daarmee laat het hof in het midden of belanghebbende al dan niet te laat een beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft gedaan. Vraag 2: de (hoogte van de) aanslagen IB/PVV en Zvw Omkering en verzwaring van de bewijslast 4.3. In artikel 27e, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is bepaald dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan, het beroep van de belastingplichtige ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Het wetsartikel is van overeenkomstige toepassing in hoger beroep. Bij de zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast krijgt belanghebbende in plaats van de inspecteur de bewijslast met betrekking tot de hoogte van de aanslag (omkering) en wordt bovendien de bewijslast verzwaard omdat belanghebbende niet slechts aannemelijk moet maken, maar moet doen blijken – dat is overtuigend aantonen – dat, en in hoeverre, de aanslag te hoog is. De vereiste aangifte is, onder andere, niet gedaan indien één of meer gebreken in de aangift Belanghebbende heeft onvoldoende aangevoerd om aan de door de inspecteur gehanteerde bedragen te twijfelen. Dit betekent dat door € 0 als winst in de aangifte op te nemen, sprake is van een gebrek in de aangifte. Dit gebrek leidt ertoe dat de belasting die volgens de aangifte verschuldigd is, verhoudingsgewijs (…) en op zichzelf (…) aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. 4.5. Belanghebbende wist of had zich daarvan bewust moeten zijn bij het indienen van de aangifte (…). Het vonnis van rechtbank Amsterdam was er al ruim voordat belanghebbende zijn aangifte deed. Ook was de onderneming al eerder verkocht. Het was bij belanghebbende daarom bekend dat hij in 2017 winst heeft gehad. Onder die omstandigheden kon geen aangifte worden gedaan waarin een inkomen van € 0 is opgenomen. Ook als belanghebbende het geld niet daadwerkelijk heeft ontvangen, acht de rechtbank aannemelijk dat hij zich ervan bewust moet zijn geweest dat hij het inkomen dat hij verdiende wel in de aangifte moest opnemen. 4.6. (…) De rechtbank is (…) van oordeel dat de vereiste aangifte niet is gedaan, zodat omkering van de bewijslast volgt. Dit geldt voor zowel de aanslag IB/PVV 2017 als de aanslag Zvw 2017.” Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist en op goede gronden gegeven en bevestigt deze. Dat wat belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd, is in wezen een herhaling van zijn betoog in eerste aanleg en leidt het hof niet tot een ander oordeel dan de rechtbank. Belanghebbende is in hoger beroep niet met bewijs gekomen die een ander licht op de zaak kunnen werpen. Dit betekent dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan en dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. 4.7. Vervolgens dient de rechter te beoordelen of de door de inspecteur gemaakte schatting van het belastbare inkomen redelijk is. Het vereiste van een redelijke schatting strekt, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld door de inspecteur. In dat kader rust op de inspecteur de taak zijn schatting van het inkomen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan. De inspecteur moet aanknopingspunten verschaffen waaruit is af te leiden dat zijn schatting redelijk, dat wil zeggen niet willekeurig, is. Belanghebbende kan op zich volstaan met een betwisting van de redelijkheid. De beoordeling of een schatting van de inspecteur redelijk (niet willekeurig) is, is een minder strenge toets dan de beoordeling of en in hoeverre aannemelijk is dat de belastingplichtige een bedrag aan winst of omzet niet in zijn aangifte heeft verantwoord. Indien de hoogte van de schatting wordt betwist, komt de belastingrechter de bevoegdheid toe de schatting op redelijkheid te toetsen en zo nodig door een eigen in goede justitie opgemaakte schatting te vervangen. 4.8. De rechtbank heeft overwogen dat de schatting van de inspecteur redelijk is en dat belanghebbende niet overtuigend heeft aangetoond dat de aanslagen IB/PVV en Zvw te hoog zijn vastgesteld: “5.1. Naar het oordeel van de rechtbank is de schatting van de inspecteur redelijk. Deze is gebaseerd op concrete gegevens, zoals het vonnis van 20 juni 2018 van rechtbank Amsterdam en de gerealiseerde verkoopopbrengst. Daarnaast heeft hij rekening gehouden met de informatie die belanghebbende zelf aan hem heeft verstrekt, zoals de kosten die zien op de verkoop van [bedrijf] . Verder heeft de inspecteur bij de berekening van de belastbare winst rekening gehouden met de door belanghebbende aangegeven zelfstandigenaftrek. Ook heeft hij rekening gehouden met een stakingsaftrek en de MKB-winstvrijstelling. 5.2. Vervolgens moet belanghebbende overtuigend aantonen dat de aanslagen te hoog zijn. Belanghebbende heeft geen concrete stukken overgelegd om zijn stellingen te onderbouwen. De rechtbank is van oordeel dat hij daarom niet overtuigend heeft aangetoond dat de aanslagen te Deze maatstaf stemt overeen met de in fiscale wetgeving voorkomende formulering “doen blijken”, die inhoudt dat de desbetreffende feiten en omstandigheden overtuigend moeten worden aangetoond. 4.12. Belanghebbende voert aan dat hij geen opzet had op het doen van een onjuiste of onvolledige aangifte IB/PVV over het jaar 2017. Belanghebbende meende er juist goed aan te doen voor het jaar 2017 een nihilaangifte in te dienen en in een later stadium, wanneer hij en zijn medefirmant [naam] zouden beschikken over de juiste en volledige administratie, een juist bedrag aan te geven. 4.13. Het hof is van oordeel dat de inspecteur overtuigend heeft aangetoond dat aan de zijde van belanghebbende sprake is van voorwaardelijk opzet. De inspecteur heeft aangevoerd dat belanghebbende ermee bekend was dat de onderneming van [bedrijf] in 2017 is verkocht en wat daarvan de opbrengst was. Daarnaast was belanghebbende ermee bekend dat hij van die verkoop een bedrag van ongeveer € 80.000 tegoed had, zoals hij schrijft in zijn e-mail aan de inspecteur (zie onder 2.11). Daarnaast heeft de inspecteur aangevoerd dat belanghebbende in de civiele procedure bij de rechtbank Amsterdam uitdrukkelijk het standpunt heeft ingekomen dat aan hem een bedrag van de opbrengst toe moet komen (zie onder 2.7). Belanghebbende heeft desalniettemin bij het doen van aangifte niet alleen een verzamelinkomen van € 0, maar ook omzet en kosten van eveneens nihil en in de jaarrekening uitsluitend nihil-bedragen vermeld. Deze gedragingen van belanghebbende kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het doen van een onjuiste aangifte dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat belanghebbende dit heeft gewild, althans de aanmerkelijke kans hierop bewust heeft aanvaard. Dat belanghebbende heeft verklaard dat hij de aangifte IB/PVV heeft ingevuld op basis van de economische realiteit, namelijk dat de ontvanger beslag had gelegd op de opbrengst van de verkoop van de onderneming van [bedrijf] vanwege de te betalen belasting en boetes over de jaren 2013 tot en met 2015 (zie onder 2.3, 2.9, 2.11 en 2.12) en dat belanghebbende heeft verklaard dat hij vanwege het ontbreken van een juiste en volledige administratie een nihilaangifte heeft gedaan met de bedoeling deze in een later stadium te corrigeren naar het juiste bedrag (zie onder 4.12), kunnen naar het oordeel van het hof niet worden aangemerkt als een contra-indicatie zoals hiervoor bedoeld. Dat de ontvanger beslag had gelegd, maakt immers niet dat geen inkomsten zijn genoten. De ontvanger kon slechts beslag leggen op dat wat belanghebbende uit de verkoop van de onderneming toekwam. Met de verklaring dat vanwege het ontbreken van een juiste en volledige administratie een nihilaangifte is gedaan en dat hij naar eigen zeggen van plan was die onjuiste aangifte later te corrigeren, onderkent belanghebbende dat onjuist aangifte is gedaan en dat hij de kans daarop op de koop toe heeft genomen. Naar het oordeel van het hof is hiermee overtuigend aangetoond dat belanghebbende opzettelijk een onjuiste aangifte heeft gedaan. 4.14. Ten aanzien van de vraag of de boete passend en geboden is, overweegt het hof als volgt. Belanghebbende heeft tijdens het onderzoek ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij financieel aan de grond zit. Dit is niet door de inspecteur betwist. Het hof is daarom van oordeel dat een boete door de rechtbank verminderd tot een bedrag van € 4.750 tot onaanvaardbare financiële problemen zal leiden. Het hof zal de boetebeschikking op basis van de gestelde en niet-betwiste financiële omstandigheden verminderen tot € 1.000. Het hof acht deze boete gelet op de omstandigheden van het geval passend en geboden. De grondslag van de boete is het bedrag aan verschuldigde belasting. Dit bedrag is wegens het niet doen van de vereiste aangifte komen vast te staan met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast. Deze omstandigheid is voor het hof, gelet o