Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-09-16
ECLI:NL:GHSHE:2025:2548
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.350.238/01 arrest van 16 september 2025 in de zaak van [xx] Beheer B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als [xx] , advocaat: mr. A.C. Teeuw te Middelharnis, tegen 1 [geïntimeerde sub 1] ,wonende te [woonplaats] , 2. [geïntimeerde sub 2] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerden in principaal hoger beroep, geïntimeerde sub 1 tevens appellant in incidenteel hoger beroep, hierna tezamen aan te duiden als [geïntimeerden] , en elk afzonderlijk als respectievelijk [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] , advocaat: mr. J.O. de Wilde te 's-Hertogenbosch, op het bij exploot van dagvaarding van 15 januari 2025 ingeleide hoger beroep van het kortgedingvonnis van 18 december 2024, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, met toepassing van artikel 29a Rv mondeling gewezen tussen [xx] Beheer als gedaagde en [geïntimeerden] als eisers. 1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/429387 / KG ZA 24-585) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2 Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties 1 en 2; de aantekening op de rol waaruit blijkt dat de verzochte behandeling als spoedappel is geweigerd; de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, met producties 15 tot en met 17; de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3 De beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep De vaststaande feiten en de kern van het geschil 3.1.1. Het gaat in dit kort geding kort samengevat om het volgende. [xx] heeft drie percelen grond te koop aangeboden aan [geïntimeerde sub 1] voor een koopprijs van € 925.000,--. [geïntimeerde sub 1] heeft te kennen gegeven dat hij van zins is van het aanbod gebruik te maken overeenkomstig de bepalingen van de in 2012 tussen partijen overeengekomen aanbiedingsverplichting. Partijen verschillen van mening over de vraag of [xx] overeenkomstig onderdeel 4 van die aanbiedingsverplichting een deskundige moet benoemen die dan samen met een door [geïntimeerde sub 1] te benoemen deskundige tot een waarde moet komen waarvoor [geïntimeerde sub 1] tot aankoop kan overgaan, dan wel of [xx] van de verkoop mag afzien nu [geïntimeerde sub 1] de door [xx] genoemde koopprijs van € 925.000,-- niet heeft geaccepteerd. 3.1.2. In dit hoger beroep kan op hoofdlijnen worden uitgegaan van de volgende feiten. a. [geïntimeerden] hebben bij notariële akte van 6 december 2012 de percelen agrarische grond aan [straatnaam A] te [A] , kadastraal bekend als gemeente [B] , sectie [--] [perceel A] , [perceel B] en [perceel C] , gezamenlijk groot 4.49.40 hectare (hierna: de percelen) aan [xx] verkocht en geleverd voor een bedrag van € 300.000,--. b. In de akte zijn partijen een aanbiedingsverplichting voor [xx] jegens [geïntimeerde sub 1] overeengekomen. Over die aanbiedingsverplichting staat in de akte onder meer het volgende: “ AANBIEDINGSVERPLICHTING De comparanten, handelend als gemeld, verklaarden nog het volgende te zijn overeengekomen: Voor het geval koper het bij deze akte aan haar geleverde geheel of gedeeltelijk wenst te vervreemden, is zij verplicht alvorens tot vervreemding over te gaan, het betreffende registergoed eerst schriftelijk te koop aan te bieden aan de verkoper sub 1.a. genoemd in deze akte (hierna ook te noemen: aanbiedingsgerechtigde). (…) Indien de aanbiedingsplichtige het hiervoor bepaalde niet nakomt, zal zij ten behoeve van de aanbiedingsgerechtigde een direct opeisbare boete verbeuren van éénhonderd euro (€ 100,--), onverminderd het recht van de aanbiedingsgerechtigde om alsno Indien gemeente [C] van een aankoop af zou zien om welke reden dan ook bestaat absoluut geen behoefte tot verkoop van de genoemde percelen. In het vertrouwen hierbij op correcte wijze aan de in 2012 aangegane verplichting te hebben voldaan verblijf ik met vriendelijke groet, in afwachting,” - e. Bij brief van 30 augustus 2024 heeft de advocaat van [geïntimeerden] onder meer het volgende meegedeeld aan [xx] : 1. Met deze brief bericht ik u dat cliënt van zins is gebruik te maken van het aanbod uit uw brief die hij op 6 augustus 2024 van u heeft ontvangen (gedateerd 29 juli 2024, doch met poststempel van 5 augustus 2024). Een en ander in overeenstemming met de bepalingen uit de Aanbiedingsverplichting. 2. Aldus treedt cliënt (uit hoofde van het vierde lid van de Aanbiedingsverplichting) graag met u in overleg om – binnen één maand na 6 september 2024, derhalve uiterlijk 5 oktober 2024 – tot de vaststelling van de koopprijs te komen. 3. Graag verneem ik van u.” - [--] . Bij ongedateerde brief, door de advocaat van [geïntimeerden] ontvangen op 2 oktober 2025, heeft [xx] aan de advocaat van [geïntimeerden] onder meer het volgende meegedeeld: “(…) verwijs ik naar mijn schrijven aan [geïntimeerde sub 1] door laatstgenoemde ontvangen op 6 augustus j.l. waarvan de inhoud voor zich spreekt. De markt heeft de koopprijs bepaald op een koopsom ad. € 925.000,-. Uw klient is gerechtigd hier gebruik van te maken, overdracht in nader overleg. Blijkt uw klient niet van zins aan te kopen zal het hem toekomende voorkeursrecht tot aankoop vervallen zijn. Ik zal alsdan tot verkoop overgaan. (…) Ik wens uiterlijk 10 oktober a.s. te vernemen of uw klient tot aankoop over wenst te gaan.” g. De gemeente heeft op 1 oktober 2024 contact opgenomen met [geïntimeerde sub 1] en met hem een afspraak gemaakt voor 9 oktober 2024. [geïntimeerde sub 1] laat zich hierbij adviseren door [YY] Beheer B.V. h. De advocaat van [geïntimeerden] heeft [xx] bij brief van 9 oktober 2024 verzocht en bij brief van 15 november 2024 gesommeerd om een deskundige aan te wijzen die namens hem medewerking zal verlenen aan de op grond van onderdeel 4 van de Aanbiedingsverplichting te verrichten waardebepaling. i. Bij brief van 10 december 2024 heeft [xx] aan de advocaat van [geïntimeerden] onder meer het volgende meegedeeld: “Ten overvloede breng ik nogmaals onder uw aandacht dat ik nimmer voornemens ben geweest verkoop aangaande de betreffende percelen te overwegen. Ik wens wel in te gaan op de vergaande interesse van de spontane gegadigde, de gemeente [C] . Het protocol inzake het geldende voorkeursrecht werd mijnerzijds correct gevolgd in het aanbieden aan uw cliënt. Opmerkelijk is dat uw cliënt nimmer heeft (doen) aangeven of hij wilde kopen en zo ja voor welke koopsom. De koopsom waarvoor ik wens te vervreemden omvat de bieding van de gemeente. Ik onderwerp mij niet aan getaxeerde bedragen, uitslagen hiervan binden mij niet. (…) Gezien de opstelling van uw cliënt, dan wel van u namens uw client overweeg ik in sterke mate mijn voornemen tot verkoop te staken.” - j. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt. Het kort geding bij de voorzieningenrechter 3.2.1. In de onderhavige procedure vorderde [geïntimeerde sub 1] in het geding bij de voorzieningenrechter, als onmiddellijke voorziening bij voorraad in de zin van artikel 254 Rv, samengevat, [xx] te bevelen een deskundige te benoemen in de zin van onderdeel 4 van de Aanbiedingsverplichting, middels het kenbaar maken van de naam en het (kantoor)adres van een deskundige die de bereidheid tot het verrichten van de betreffende werkzaamheden binnen een redelijke termijn en tegen een gebruikelijke vergoeding, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom. Volgens de tekst van de inleidende dagvaarding is de vordering ingesteld namens beide geïntimeerden, maar in de pleitnotities van [geïntimeerden] is duidelijk gemaakt dat de vordering geacht moet worden alleen door [geïntimeerde sub 1] te zijn ingesteld, om [geïntimeerde sub 1] heeft het beroepen kortgedingvonnis op 30 december 2024 aan [xx] laten betekenen en [xx] daarbij bevel gedaan om binnen vier weken na die datum een deskundige te benoemen in de zin van onderdeel 4 van de Aanbiedingsverplichting, middels het kenbaar maken van de naam en het (kantoor)adres van de deskundige die de bereidheid tot het verrichten van de betreffende werkzaamheden binnen een redelijke termijn en tegen een gebruikelijke vergoeding heeft uitgesproken. [geïntimeerde sub 1] heeft daarbij aan [xx] aangezegd dat bij niet- of niet tijdige voldoening aan vorenstaand bevel het vonnis tegen [xx] zal worden ten uitvoer gelegd door gebruik te maken van de in het vonnis neergelegde dwangsomveroordeling. Het geding in principaal en incidenteel hoger beroep en de partijen daarbij 3.4.1. Tussen partijen staat vast dat de vorderingen in eerste aanleg, voor zover mede ingesteld namens [geïntimeerde sub 2] , door hem zijn ingetrokken. Daarna resteerde als enig eiser in het geding bij de voorzieningenrechter nog [geïntimeerde sub 1] . De voorzieningenrechter heeft in overeenstemming daarmee alleen ten aanzien van [geïntimeerde sub 1] beslist over de vordering. Dit past bij de stelling van beide partijen dat de Aanbiedingsplicht alleen is overeengekomen ten gunste van [geïntimeerde sub 1] en niet mede ten gunste van [geïntimeerde sub 2] . Dit brengt mee dat [xx] de dagvaarding in hoger beroep ten onrechte mede heeft gericht tegen [geïntimeerde sub 2] . [xx] heeft ook niet duidelijk gemaakt waarom zij [geïntimeerde sub 2] mede heeft betrokken in dit hoger beroep. Het hof zal [xx] daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover gericht tegen [geïntimeerde sub 2] . Het hof zal [xx] voorts in de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde sub 2] veroordelen, maar die kosten op nihil begroten omdat niet gebleken is van door [geïntimeerde sub 2] in hoger beroep gemaakte proceskosten. 3.4.2. [xx] heeft in principaal hoger beroep 10 grieven aangevoerd. [xx] heeft op basis van die grieven geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen kortgedingvonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van – naar het hof begrijpt – [geïntimeerde sub 1] , met veroordeling van [geïntimeerde sub 1] in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente. 3.4.3. [geïntimeerde sub 1] heeft de grieven van [xx] in principaal hoger beroep bestreden. Verder heeft [geïntimeerde sub 1] in incidenteel hoger beroep één grief aangevoerd tegen het beroepen vonnis. [geïntimeerde sub 1] heeft in principaal hoger beroep geconcludeerd tot bekrachtiging van het beroepen kortgedingvonnis met uitzondering van de in incidenteel hoger beroep bestreden overweging. In incidenteel hoger beroep heeft [geïntimeerde sub 1] geconcludeerd tot vernietiging van de laatste zin van rechtsoverweging 4.10 van het vonnis luidende: “en dat zij daarbij in het bijzonder acht slaan op het door de gemeente [C] uitgebrachte bod.” , en opnieuw rechtdoende, te oordelen dat de vaststelling van de koopprijs zal geschieden “tegen de vrije verkoopwaarde van de Percelen op het tijdstip van de aanbieding, zonder rekening te houden met het bod van de Gemeente”. Tot slot heeft [geïntimeerde sub 1] in principaal en incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot veroordeling van [xx] in de proceskosten. 3.4.4. [xx] heeft de grief van [geïntimeerde sub 1] in incidenteel hoger beroep bestreden. Over grief 2 in principaal hoger beroep: het spoedeisend belang van [geïntimeerde sub 1] bij zijn vordering 3.5.1. Het hof ziet aanleiding om eerst grief 2 in principaal hoger beroep te behandelen. Deze grief is gericht tegen rov. 4.2 van het beroepen vonnis, luidende als volgt: “Het spoedeisend belang wordt aangenomen aangezien de markt zodanig is, dat er een transactiewaarde voor de Percelen bestaat die ook in het belang van [geïntimeerde sub 1] op dit moment binnen zijn bereik moet kunnen komen.” In de toelichting op de grief betoogt [xx] dat die overweging onjui Volgens onderdeel 1 van de Aanbiedingsverplichting is [xx] , als hij de percelen wil vervreemden, verplicht om de percelen alvorens tot vervreemding over te gaan, eerst schriftelijk te koop aan te bieden aan [geïntimeerde sub 1] . Dat is wat [xx] naar het voorshands oordeel van het hof heeft gedaan door middel van de brief van 29 juli 2024, zodat de regels uit de Aanbiedingsverplichting van toepassing zijn geworden. 3.7.5. Dat [xx] in de brief meteen een prijs heeft genoemd die hij voor de percelen wil ontvangen, leidt naar het voorshands oordeel van het hof niet tot een ander oordeel. Dat laat namelijk onverlet dat [xx] , omdat hij de percelen wilde verkopen aan de gemeente, vanwege de Aanbiedingsverplichting de percelen eerst te koop heeft aangeboden aan [geïntimeerde sub 1] . [xx] heeft daarbij in de brief bovendien tot driemaal toe verwezen naar de aanbiedingsverplichting: “Ter uwe behoeve werd een aanbiedingsplicht opgenomen ter mijner laste. Indien ik voornemens zou worden het destijds gekochte te verkopen. (…) Op basis van hetgeen in 2012 werd overeengekomen voldoe ik hierbij namens [xx] Beheer B.V. aan de destijds aangegane verplichting en wordt u hierbij in de gelegenheid gesteld het destijds verkochte terug te kopen (…) In het vertrouwen hierbij op correcte wijze aan de in 2012 aangegane verplichting te hebben voldaan verblijf ik (…)” In de ongedateerde brief, door de advocaat van [geïntimeerden] ontvangen op 2 oktober 2025, heeft [xx] bovendien geschreven dat de Aanbiedingsplicht zou vervallen als [geïntimeerde sub 1] het aanbod om de percelen voor € 925.000,-- aan te kopen, niet zou accepteren, en dat [xx] zich dan vrij zou achten de percelen aan de gemeente te verkopen. Ook hieruit blijkt dat [xx] beoogde om een aanbod te doen zoals bedoeld in de Aanbiedingsverplichting. Hetzelfde blijkt uit de brief van [xx] van 10 december 2024 aan de advocaat van [geïntimeerde sub 1] , waarin de directeur van [xx] schrijft: “Het protocol inzake het geldende voorkeursrecht werd mijnerzijds correct gevolgd in het aanbieden aan uw cliënt.” 3.7.6. De regels van de Aanbiedingsverplichting zijn dus toepasselijk geworden, inclusief de in de onderdelen 4 en 5 neergelegde regels over de bepaling van de verkoopprijs en de gevolgen daarvan. 3.7.7. Om bovenstaande redenen verwerpt het hof grief 3 in principaal hoger beroep. Over de vraag of [xx] zich vervolgens nog uit de in de Aanbiedingsverplichting omschreven procedure mocht terugtrekken, zal het hof hierna bij de behandeling van de grieven 5 tot en met 7 in principaal hoger beroep oordelen. Over grief 4 in principaal hoger beroep: heeft [geïntimeerde sub 1] de termijnen van de aanbiedingsverplichting in acht genomen? 3.8.1. In rov. 4.3 van het beroepen vonnis heeft de voorzieningenrechter onder meer geoordeeld: dat [geïntimeerde sub 1] de termijnen die in de regeling van de Aanbiedingsplicht worden genoemd, in acht heeft genomen; dat het feit dat [xx] de aangetekende brief van [geïntimeerde sub 1] , waarin hij ingaat op het aanbod van [xx] , niet heeft afgehaald, niet maakt dat [xx] een beroep kan doen op een latere kennisneming van die brief. 3.8.2. Grief 4 in principaal hoger beroep is tegen die overweging gericht. In de toelichting op de grief stelt [xx] dat niet gebleken is dat [geïntimeerde sub 1] binnen één maand te kennen heeft gegeven van het aanbod gebruik te willen maken. 3.8.3. Het hof stelt naar aanleiding van deze grief het volgende voorop. [geïntimeerde sub 1] heeft gesteld dat hij de brief van [xx] van 29 juli 2024, waarin [xx] de percelen aan [geïntimeerde sub 1] te koop aanbood, op 6 augustus 2024 heeft ontvangen. Deze ontvangstdatum is ook genoemd in de brief van de advocaat van [geïntimeerde sub 1] aan [xx] van 9 augustus 2024, met vermelding van het feit dat op de envelop een poststempel van 5 augustus 2024 stond. Hetzelfde is vermeld in de brief van de advocaat van [geïntimeerde sub 1] aan [xx] van 30 augustus 2024. [xx] heeft niet betwist dat hij de brief pas op De vaststelling van de koopprijs moet dan volgens onderdeel 4 geschieden tegen de vrije verkoopwaarde van het verkochte op het tijdstip van de aanbieding, welke waarde dan moet worden vastgesteld door twee, door ieder van partijen voor wat betreft zijn “eigen” deskundige, te benoemen deskundigen die tezamen tot een waardebepaling moeten te komen. Dat partijen onderling geen overeenstemming bereiken over de koopprijs laat dus onverlet dat de onderdelen van de Aanbiedingsverplichting bepalen hoe dan de koopprijs tot stand moet komen. Dat kan een andere prijs zijn dan de door [xx] (of de door [geïntimeerde sub 1] ) gewenste prijs. 3.9.4. Onderdeel 5 van de Aanbiedingsplicht geeft vervolgens uitsluitend aan [geïntimeerde sub 1] de keuze om het aanbod tot koop voor de overeenkomstig onderdeel 4 door deskundigen bepaalde koopprijs te accepteren, dan wel van de aankoop af te zien. Indien [geïntimeerde sub 1] dan van de aankoop afziet, staat het [xx] vrij de percelen aan een derde (zoals bijvoorbeeld de gemeente) te verkopen. De regeling van de Aanbiedingsplicht geeft aan [xx] niet het recht om, nadat hij op grond van de Aanbiedingsplicht de percelen aan [geïntimeerde sub 1] te koop heeft aangeboden, alsnog van de verkoop af te zien. Het hof acht dit een voorstelbare en niet onredelijke regeling. Aangenomen moet immers worden dat bij [xx] (de aanbiedingsplichtige) daadwerkelijk de wens bestond om de percelen te verkopen. Dat die verkoop dan vervolgens moet plaatsvinden tegen de door deskundigen bepaalde vrije verkoopwaarde op het tijdstip van de aanbieding, ook indien [xx] wellicht op een hogere prijs had gehoopt, acht het hof niet onredelijk. Het hof verwijst op dit punt ook naar hetgeen hierna met betrekking tot het incidenteel hoger beroep zal worden overwogen over de door de deskundigen te verrichten waardebepaling. 3.9.5. [xx] heeft naar het voorshands oordeel van het hof geen feiten of omstandigheden gesteld die van dien aard zijn dat zij tot een andere (met de bewoordingen van de aanbiedingsplicht strijdige) uitleg van de aanbiedingsplicht moeten leiden. 3.9.6. De door [xx] genoemde rechterlijke uitspraken waarin anders is geoordeeld, brengen het hof niet tot een ander oordeel. Dat betreft andere gevallen met andere omstandigheden, en het hof is bovendien niet gebonden aan oordelen van andere feitenrechters tussen andere partijen. 3.9.7. Om bovenstaande redenen verwerpt het hof de grieven 5, 6 en 7. Over grief 8 in principaal hoger beroep: maakt [geïntimeerde sub 1] misbruik van recht? 3.10.1. [xx] heeft in het geding bij de voorzieningenrechter nog betoogd dat [geïntimeerde sub 1] misbruik van recht maakt door zich in de gegeven omstandigheden op de regeling van de aanbiedingsverplichting te beroepen. De voorzieningenrechter heeft dat verweer verworpen in rov. 4.7 van het vonnis. 3.10.2. Grief 8 in principaal hoger beroep is tegen dat oordeel gericht. Volgens [xx] is het kwalijk dat [geïntimeerde sub 1] , bijgestaan door een vastgoedadviseur, in overleg is getreden met de gemeente over de door de gemeente gewenste ontwikkeling van de percelen. 3.10.3. Het hof verwerpt deze grief. Het staat [geïntimeerde sub 1] naar het voorshands oordeel van het hof vrij om van de aanbiedingsplicht gebruik te maken, en hij is vervolgens vrij om met de percelen te doen wat hem goeddunkt. [xx] ontvangt op haar beurt de door deskundigen bepaalde vrije verkoopwaarde voor de percelen, voor de bepaling waarvan het hof verwijst naar hetgeen hierna over het incidenteel hoger beroep wordt overwogen.. Over grief 9 in principaal hoger beroep: moet [xx] meewerken aan benoeming van een erkende taxateur? 3.11. Grief 9 in principaal hoger beroep heeft, mede gelet op de daarbij gegeven toelichting, geen zelfstandige betekenis naast de andere grieven. Deze grief hoeft dus niet nader besproken te worden. Over grief 10 in principaal hoger beroep: moet aan de veroordeling van [xx] een dwangsom worden verbonden. 3.12.1. Grief 10 in principaal hoger beroep is geric Daarbij moeten de deskundigen naar het voorshands oordeel van het hof rekening houden met alle feiten en omstandigheden die op het tijdstip van de aanbieding aan de orde waren, waaronder: de serieuze belangstelling die de gemeente had getoond voor de percelen; het in dat kader door de gemeente uitgebrachte bod van € 925.000,--; het feit dat dit bod “op het tijdstip van de aanbieding” (hof bij brief van 29 juli 2024 die door [geïntimeerde sub 1] op 6 augustus 2024 is ontvangen) was neergelegd in een concept koopovereenkomst tussen [xx] en de gemeente; de omstandigheid dat in de concept koopovereenkomst de ontbindende voorwaarde is opgenomen van – naar het hof begrijpt – het niet verlenen van goedkeuring door het college van burgemeester en wethouders en/of de gemeenteraad aan de aankoop van de percelen; de mate van de kans die eind juli/begin augustus 2024 aanwezig was dat die goedkeuring zou worden geweigerd; mogelijke belangstelling van projectontwikkelaars voor de percelen. 3.13.5. De deskundigen moeten dus niet alleen, zoals door de voorzieningenrechter overwogen, “in het bijzonder acht slaan op het door de gemeente [C] uitgebrachte bod” . Dat bod is één van de relevante feiten en omstandigheden waar de deskundigen acht op moeten slaan, naast onder meer de andere feiten en omstandigheden die hiervoor in rov. 3.13.4 zijn opgesomd. De grief in incidenteel hoger beroep is in zoverre gegrond. Het hof zal het beroepen vonnis daarom vernietigen, voor zover het betreft de in rov. 4.10 opgenomen overweging dat de deskundigen “daarbij in het bijzonder acht slaan op het door de gemeente [C] uitgebrachte bod.” 3.13.6. Het hof ziet overigens geen aanleiding om, zoals door [xx] bepleit, te bepalen dat de vaststelling van de koopprijs zal geschieden tegen de vrije verkoopwaarde van de percelen op het tijdstip van de aanbieding, “zonder rekening te houden met het bod van de gemeente”. Het bod van de gemeente is namelijk wel degelijk één van de relevante factoren bij de prijsbepaling die de deskundigen moeten verrichten. Het hof zal dienaangaande geen nadere instructie aan de deskundigen geven, aangezien onderdeel 4 van de Aanbiedingsverplichting in samenhang met hetgeen hiervoor in rov. 3.13.4 is overwogen, aan de deskundigen voldoende duidelijkheid geeft. 3.13.7. De grief in incidenteel hoger beroep heeft dus ten dele doel getroffen. Conclusie en afwikkeling 3.14.1. Omdat de grieven in principaal hoger beroep geen doel hebben getroffen, zal het hof het beroepen vonnis bekrachtigen voor zover in principaal hoger beroep aangevochten. 3.14.2. Omdat de grief in incidenteel hoger beroep ten dele doel heeft getroffen, zal het hof rechtsoverweging 4.10 van het beroepen vonnis vernietigen voor zover het betreft de zinsnede “dat zij daarbij in het bijzonder acht slaan op het door de gemeente [C] uitgebrachte bod.” Het hof zal volstaan met die vernietiging en er geen andere zinsnede voor in de plaats stellen. 3.14.3. Het hof zal [xx] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het principaal hoger beroep. Het hof zal die kosten aan de zijde van [geïntimeerde sub 1] vaststellen op: Griffierechten € 362,-- Salaris advocaat € 1.214,-- (1 punt x tarief II) Nakosten € 178,-- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) + Totaal € 1.754,-- 3.14.4. In incidenteel hoger beroep zijn partijen over en weer deels in het gelijk en deels in het ongelijk gesteld. Het hof zal de proceskosten van het incidenteel hoger beroep daarom compenseren tussen de partijen, aldus dat elke partij de eigen proceskosten moet dragen. 3.14.5. Al het voorgaande leidt tot de onderstaande uitspraak. 4 De uitspraak Het hof: op het principaal en incidenteel hoger beroep: verklaart [xx] niet ontvankelijk in het principaal hoger beroep, voor zover ingesteld tegen [geïntimeerde sub 2] ; veroordeelt [xx] in de proceskosten van het principaal hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde sub 2] , en begroot die kosten (aan de zijde van [geïnt