Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-09-16
ECLI:NL:GHSHE:2025:2543
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Hoger beroep
10,058 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2025:2543 text/xml public 2026-05-13T11:56:23 2025-09-19 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-09-16 200.344.267_01 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2543 text/html public 2026-05-13T11:36:50 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:2543 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 16-09-2025 / 200.344.267_01 aanneming van werk – grieven tegen bewijswaardering slagen, het hof waardeert het bewijs opnieuw en komt tot een andere uitkomst GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.344.267/01 arrest van 16 september 2025 in de zaak van [appellante] h.o.d.n. [xx] Montage & Bouwwerken , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna aan te duiden als [xx] , advocaat: mr. M.M. van den Boomen te Helmond, tegen 1 Kalverhouderij [YY] VOF, gevestigd te [woonplaats] , 2. [geïntimeerde sub 2] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen [geïntimeerde sub 2] , 3. [geïntimeerde sub 3] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen [geïntimeerde sub 3] , geïntimeerden, hierna gezamenlijk in mannelijk enkelvoud aan te duiden als [zz] , advocaat: mr. R.G.M. van der Pas te Ulvenhout, gemeente Breda (onttrokken), als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 22 oktober 2024 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/385459 / HA ZA 21-266 gewezen vonnis van 17 april 2024. 5 Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 22 oktober 2024 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast; het proces-verbaal van de mondelinge behandeling na aanbrengen van 18 november 2024; de memorie van grieven, tevens akte aanvulling grondslag en vermeerdering van eis met een productie; de memorie van antwoord; het H2-formulier van 2 mei 2025 voor de rol van 13 mei 2025 waarbij de advocaat van [zz] zich aan de zaak heeft onttrokken. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 6 De beoordeling De zaak en de beoordeling in het kort 6.1. Deze zaak gaat over het volgende. [xx] is aannemer en heeft met [zz] een mondelinge overeenkomst van aanneming van werk gesloten om voor de onderneming van [zz] een nieuwe kalverenstal te bouwen. [xx] heeft werkzaamheden verricht en facturen gestuurd. [zz] heeft een aantal facturen betaald, maar heeft uiteindelijk vier facturen onbetaald gelaten. [xx] vordert [zz] te veroordelen tot betaling van de facturen. Volgens [zz] hebben partijen een vaste prijs voor de werkzaamheden afgesproken en heeft hij in totaal al méér betaald dan het afgesproken bedrag. [zz] vordert op zijn beurt van [xx] terugbetaling van het volgens hem teveel betaalde bedrag. De rechtbank heeft geoordeeld dat partijen een vaste aanneemsom zijn overeengekomen. De rechtbank heeft de vordering van [xx] afgewezen en de vordering van [zz] toegewezen. 6.1.1. Het hof beoordeelt het bewijs in de zaak opnieuw en is van oordeel dat partijen geen vaste prijs hebben afgesproken voor de werkzaamheden. [xx] heeft een redelijke prijs gerekend voor de door hem verrichte werkzaamheden, daarom moet [zz] twee facturen betalen. Eén factuur hoeft hij niet te betalen, omdat daarvoor de bewijsstukken ontbreken. Met betrekking tot de laatste factuur krijgt [xx] nog de gelegenheid om te bewijzen dat partijen hebben afgesproken dat hij een winstopslag van 20% over de materialen in rekening mocht brengen. De feiten 6.2. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. 6.2.1. [xx] exploiteert een onderneming die zich richt op het uitvoeren van bouwwerkzaamheden. 6.2.2. Kalverhouderij [zz] VOF is een vennootschap onder firma waarvan [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] de vennoten zijn. [zz] is een agrarische onderneming die zich richt op het opfokken van (vlees)kalveren. 6.2.3. [xx] heeft in opdracht van [zz] vanaf 11 juni 2018 tot omstreeks juni 2019 werkzaamheden verricht in verband met de bouw van een kalverenstal. 6.2.4. [xx] heeft omstreeks 26 november 2018 een tweetal offertes (hierna ook: de offertes) opgemaakt: een offerte gedateerd 5 september 2018, met offertenummer OF2018032, onder vermelding van "offerte onderbouw" , voor een bedrag van € 200.013,-- inclusief btw; een offerte gedateerd 19 november 2018, met offertenummer OF2018042, onder vermelding van "offerte bovenbouw kalverenstal" , voor een bedrag van € 299.732,27 inclusief btw. 6.2.5. [xx] heeft in de periode van 1 mei 2018 tot en met 9 maart 2019 en in de periode van 4 mei 2019 tot en met 18 mei 2019 facturen verzonden aan [zz] , die door [zz] volledig zijn betaald. 6.2.6. [xx] heeft daarnaast de volgende facturen aan [zz] verzonden: factuur nr. 2019049 van 22 maart 2019, onder vermelding van "laatste termijn onderbouw incl meerwerk volgens overzicht ", voor een bedrag van € 97.921,67 inclusief btw (hierna: factuur 1); factuur nr. 2019056 van 20 april 2019, onder vermelding van "termijn factuur gedane werkzaamheden" , voor een bedrag van € 48.400,-- inclusief btw (hierna: factuur 2); factuur 2019071 van 13 juni 2019, onder vermelding van "geleverde isolatie" , "powerline 50mm sponning 120x500 16 stuks 8 onder garantie" , "stoeltjesprofiel" , "geleverd hout vuren 5x10 510" , "gewerkte uren 20-05 [A] + [B] " , "reisuren 20-05" , "gewerkte uren 3-6 [A] + [C] " , "reisuren 3-6" , voor een bedrag van € 2.507,87 inclusief btw (hierna: factuur 3); factuur 2019139 van 20 december 2019, onder vermelding van "20% opslag kosten geleverde materialen en uren tegen kostprijs" , "factuur 2019049 ex btw 80.927,00 20% opslag" , "factuur 2019056 ex btw 40.000,00 20% opslag" , "factuur 2019071 ex btw 2.072,62 20% opslag" , voor een bedrag van € 29.765,90 inclusief btw (hierna: factuur 4). 6.2.7. [zz] heeft factuur 1, 3 en 4 geheel onbetaald gelaten. [zz] heeft ten aanzien van factuur 2 een bedrag van € 25.000,-- voldaan, zodat een bedrag van € 23.400,-- onbetaald is gebleven. 6.2.8. In juni 2019 is [xx] gestopt met het verrichten van werkzaamheden omdat [zz] een deel van de facturen van [xx] niet voldeed. 6.2.9. Bij brief van 26 juni 2019 is [zz] namens [xx] gesommeerd om binnen 48 uur over te gaan tot betaling van de openstaande facturen. 6.2.10. Bij aangetekende brief van 9 augustus 2019 heeft [zz] [xx] gesommeerd de opgedragen werkzaamheden af te maken, aan te passen dan wel te herstellen. Daarbij is [xx] verzocht om een afspraak te maken om de financiële afrekening te bespreken. 6.2.11. Bij aangetekende brief van 17 februari 2020 is [zz] gesommeerd om veertien dagen na dagtekening van de brief over te gaan tot betaling van de onbetaald gelaten factuurbedragen vermeerderd met rente en kosten. De procedure in eerste aanleg 6.3. In de onderhavige procedure vordert [xx] in conventie bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. te verklaren voor recht dat [zz] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van aanneming van werk en dat hij vanaf 3 februari 2020 in verzuim verkeert; II. [zz] hoofdelijk te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [xx] te betalen een bedrag van € 153.595,44 inclusief btw, ter zake van de door [zz] verschuldigde resterende aanneemsom, althans enig ander door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 29 juni 2019 dan wel 3 februari 2020, althans vanaf de dag van de dagvaarding, tot de dag van algehele voldoening; III. [zz] hoofdelijk te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [xx] te voldoen een bedrag aan buitengerechtelijke kosten van € 2.314,59 (zegge: tweeduizend driehonderdveertien euro en negenenvijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf 29 juni 2019 dan wel 3 februari 2020, althans vanaf de dag van de dagvaarding, tot de dag van algehele voldoening; IV.
Volledig
[zz] hoofdelijk te veroordelen in de nakosten van dit geding ten bedrage van € 131,-- zonder betekening, of € 199,-- indien betekening van het vonnis plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf acht dagen na dagtekening van het vonnis tot de dag van algehele voldoening. 6.4. [zz] vordert in reconventie om [xx] bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om aan [zz] een bedrag van € 21.847,11 te betalen, vermeerderd met primair de wettelijke handelsrente en subsidiair de wettelijke rente, in beide gevallen primair vanaf 6 maart 2020 subsidiair vanaf 23 juni 2021, onder veroordeling van [xx] in de proceskosten. 6.5. Partijen hebben over en weer gemotiveerd verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover in hoger beroep van belang, nader ingegaan. 6.6. In het tussenvonnis van 7 juli 2021 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast. 6.6.1. In het tussenvonnis van 1 maart 2023 heeft de rechtbank [zz] toegelaten tegenbewijs te leveren tegen de door de rechtbank voorshands bewezen geachte stelling dat [zz] in strijd met de waarheid stelt dat de inhoud van de offertes de tussen partijen gemaakte afspraken belichamen. 6.6.2. In het eindvonnis van 17 april 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat [zz] erin geslaagd is tegenbewijs te leveren. De rechtbank heeft als vaststaand aangenomen dat de offertes de inhoud van de overeenkomst tegen een vaste aanneemsom weergeven. Op grond daarvan heeft de rechtbank de vordering van [xx] in conventie afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld. In reconventie heeft de rechtbank de vordering van [zz] toegewezen. De rechtbank heeft [xx] veroordeeld tot betaling aan [zz] van een bedrag van € 21.847,11, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 6 maart 2020 en heeft [xx] in de proceskosten veroordeeld. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen. De procedure in hoger beroep 6.7. [xx] heeft in hoger beroep geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen. [xx] heeft zijn eis vermeerderd en vordert in hoger beroep, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. te verklaren voor recht dat [zz] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van aanneming van werk en dat hij vanaf 3 februari 2020 in verzuim is komen te verkeren; II. [zz] hoofdelijk te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [xx] te betalen een bedrag van primair € 153.595,44 inclusief btw en subsidiair € 83.321,52 inclusief btw, ter zake de door [zz] verschuldigde resterende aanneemsom, althans een door het hof te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 29 juni 2019 of vanaf 3 februari 2020, althans vanaf de datum van de dagvaarding in eerste aanleg, tot de dag van algehele voldoening; III. [zz] hoofdelijk te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [xx] te voldoen een bedrag aan buitengerechtelijke kosten van primair € 2.314,59 (het hof begrijpt:) inclusief btw en subsidiair € 1.608,22 exclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf 29 juni 2019 of vanaf 3 februari 2020, althans vanaf de datum van de dagvaarding in eerste aanleg, tot de dag van algehele voldoening; IV. [zz] hoofdelijk te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [xx] te voldoen een bedrag van € 43.918,59 ter zake de veroordeling in reconventie en de proceskosten in eerste aanleg, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf 30 april 2024 tot de dag van algehele voldoening; V. [zz] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van beide instanties, inclusief de gevorderde nakosten, met uitdrukkelijke bepaling dat geïntimeerden de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zullen zijn als zij de proceskosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest zullen hebben betaald. 6.8. [zz] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis. Hij heeft gevorderd dat het hof, uitvoerbaar bij voorraad, [xx] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep, dan wel zijn vorderingen zal afwijzen, met veroordeling van [xx] in de kosten van het hoger beroep. 6.9. [zz] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging van [xx] . Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Het hof zal recht doen op de gewijzigde eis. 6.10. [xx] heeft vijf grieven geformuleerd. De grieven richten zich tegen de bewijswaardering van de rechtbank, het daaruit voortvloeiende oordeel dat uit de offertes volgt dat partijen een vaste aanneemsom zijn overeengekomen en de daaraan verbonden afwijzing van de vorderingen van [xx] en toewijzing van de vorderingen van [zz] . De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. De grieven tegen de bewijswaardering 6.11. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 1 maart 2023 als volgt overwogen. [xx] heeft al werkzaamheden voor [zz] verricht vanaf omstreeks vijf á zes maanden voorafgaand aan de op de offertes vermelde datum. Het feit dat [xx] aan [zz] de gewerkte uren en bestede materialen heeft gefactureerd en [zz] deze facturen (deels) heeft betaald, duidt op een andere overeenkomst dan een overeenkomst met vaste aanneemsom/prijs. Op 4 augustus 2018 heeft [xx] de facturen van 1 mei 2018 en 2 juni 2018 gecrediteerd. Daardoor werd meer tijd gecreëerd voor het indienen van een MIA\Vamil-aanvraag (Milieu-investeringsaftrek en Willekeurige afschrijving milieu-investeringen). De facturen zouden opnieuw worden verzonden met een latere datum, hetgeen ook daadwerkelijk is gebeurd. Met de creditering van de facturen werd voldaan aan een door de accountant van [zz] gestelde eis, omdat alleen facturen van drie maanden vóór de datum van de nog in te dienen MIA\Vamil-aanvraag voor vergoeding in aanmerking zouden komen. Uit Whatsappberichten van [geïntimeerde sub 3] en [xx] van 26 en 27 november 2018 blijkt verder dat [geïntimeerde sub 3] sterk heeft aangedrongen op een aangepaste offerte enkel ten behoeve van de MIA\Vamil subsidieaanvraag. 6.11.1. Op grond van deze omstandigheden heeft de rechtbank voorshands bewezen verklaard dat [zz] in strijd met de waarheid stelt dat de inhoud van de offertes de tussen partijen gemaakte afspraken belichamen. Hiertegen is geen grief gericht. 6.12. Met het doel om dit voorshands door [xx] geleverde bewijs te ontzenuwen, heeft [zz] vier getuigen laten horen: [persoon A] (accountant van [zz] ), [xx] , [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] . 6.13. In rov. 2.4.1. van het bestreden vonnis overweegt de rechtbank: "(...) De volgorde waarin de getuigen zijn gehoord en de omstandigheid dat [xx] als eerste partijgetuige is gehoord en [zz] en [geïntimeerde sub 3] , anders dan [xx] , alle voorgaande verhoren hebben bijgewoond, doet niet ter zake voor de aan hun verklaringen toe te kennen bewijskracht. Wel heeft in het algemeen te gelden dat de rechtbank die omstandigheden betrekt als het gaat om de waardering van de inhoud en overtuigingskracht van de verklaring van een getuige. Daarbij gaat het om de innerlijk overtuiging van de rechter waarvoor de rechter volgens vaste rechtspraak geen motiveringsplicht heeft." 6.13.1. Volgens [xx] doet de volgorde van het horen van de getuigen en het feit dat de getuigen [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] , anders dan [xx] , alle voorgaande verhoren hebben bijgewoond, wel degelijk ter zake voor de aan hun verklaringen toe te kennen bewijskracht. Hoewel de rechtbank zegt dat zij die omstandigheden erbij betrekt als het gaat om de waardering van de inhoud en overtuigingskracht van de verklaringen, heeft de rechtbank ten onrechte teveel gewicht toegekend aan de verklaringen van [geïntimeerde sub 2] . De rechtbank heeft op basis van de verklaringen van [persoon A] en [geïntimeerde sub 2] geoordeeld dat [zz] is geslaagd in het te leveren tegenbewijs. [geïntimeerde sub 2] had belang bij de getuigenverklaringen en de uitkomst van de door de rechtbank te nemen beslissing.
Volledig
Door volledig kennis te nemen van de verklaringen van [persoon A] en [xx] alvorens zelf te verklaren, kon [geïntimeerde sub 2] zijn eigen verklaring daarmee in lijn brengen en de verklaring van [xx] betwisten. De rechtbank heeft hiermee onvoldoende rekening gehouden, nu aan de verklaring van [geïntimeerde sub 2] doorslaggevende betekenis is toegekend. Aangezien [geïntimeerde sub 2] , anders dan [xx] , gelegenheid heeft gehad zijn verklaring op de overige verklaringen af te stemmen, is er volgens [xx] sprake van een ongelijke procedurele behandeling. 6.14. De rechtbank heeft aan [zz] en zijn advocaat voorafgaand aan de getuigenverhoren aangegeven dat bij de beoordeling van de verklaringen rekening kan worden gehouden met het feit dat zij de verhoren van [xx] en [persoon A] hebben bijgewoond. Desondanks hebben [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] er bewust voor gekozen alle verhoren bij te wonen en hebben zij als laatste verklaard. Zij hebben daarmee, anders dan [xx] , de mogelijkheid gehad hun verklaringen op alle voorgaande getuigenverklaringen af te stemmen. Hierbij komt dat [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] als partijen bij het geschil en degenen die belast zijn met het leveren van tegenbewijs belang hebben bij de uitkomst van de bewijsverrichtingen. Het hof is van oordeel dat dit maakt dat hun verklaringen met de nodige behoedzaamheid moeten worden bezien. De rechtbank heeft dit niet – althans niet kenbaar – meegewogen bij de waardering van het getuigenbewijs. 6.15. [xx] heeft verklaard: "Over de MIA/VAMIL vertelde [persoon A] dat vanwege een termijn van 3 maanden, de factuur waarop die 60.000 euro was betaald gecrediteerd moest worden. Eerst kwam hij met het feit dat het geld terugbetaald moest worden, ik heb gezegd dat dat niet kan, omdat ik het ook al had aangewend voor materialen voor de kalverstal. Er was immers al eind augustus gestart en in september is de eerste beton gestort. Toen was het ook goed als de oorspronkelijke factuur gecrediteerd werd en er nieuwe zouden worden gemaakt waarmee dan het oorspronkelijke bedrag verrekend kon worden. (...) U vraagt naar de offertes die ik heb gestuurd op 5 september en 19 november 2018, de producties 11 en 12 bij de dagvaarding. Die stukken heb ik pas gemaakt rond 26 november 2018. De data in het verleden zijn erop gezet vanwege de MIA/VAMIL. Dat heb ik niet zelf bedacht, dat kwam van [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 2] [hof: [zz] ] en van [persoon A] . De omschrijving is wel van mij en ook de bedragen heb ik bepaald. (...) Wat mij betreft hebben die 2 offertes alleen maar betekenis voor de MIA/VAMIL. Die offertes bevatten niet wat is afgesproken, daarvoor waren ze niet bedoeld. (...) Die 2 offertes 11 en 12 hadden echt alleen maar functie voor de MIA/VAMIL. Omdat ik iets moest doen heb ik als uitgangspunt mijn oorspronkelijke offerte genomen en heb ik iets aangepast. Zoals ik al zei schrok [zz] van de bedragen die volgens hem te hoog waren, zodat de begroting niet uitkwam." 6.15.1. De verklaring van [xx] is in lijn met het voorshandse bewijsoordeel en levert naar het oordeel van het hof geen bijdrage aan ontzenuwen van het voorshands geleverde bewijs. 6.16. [geïntimeerde sub 3] heeft verklaard: "Ik heb gehoord wat de eerdere 3 getuigen hebben gezegd vandaag. U vraagt of ik nog aanvullende of afwijkende opmerkingen wil maken over de inhoud van het gesprek met [persoon A] . Ik ben daarbij geweest, maar alles is daar wel over gezegd vandaag. Ik heb ook niets aan te vullen op wat mijn vriend [geïntimeerde sub 2] [hof: [zz] ] vandaag heeft gezegd. Ik ben niet bij het gesprek geweest waarin [xx] en mijn vriend de zakelijke kant doornamen, maar ik kan bevestigen dat zo’n gesprek er wel is geweest voorafgaand aan de eerste activiteiten van [xx] . Ik was thuis, maar ik nam niet deel aan het gesprek dus ik kan van de inhoud niet veel zeggen. De 2 offertes die meerdere keren ter sprake komen zijn wel degelijk de offertes die ook de afspraken met [xx] inhouden. (...)" 6.16.1. [geïntimeerde sub 3] is niet bij het gesprek van 22 november 2018 aanwezig geweest en zij verklaart ook niet dat [geïntimeerde sub 2] of [persoon A] haar naderhand van de inhoud van het gesprek op de hoogte hebben gesteld. Hetgeen [geïntimeerde sub 3] heeft verklaard kan dan ook geen bijdrage leveren aan het ontzenuwen van het voorshands geleverde bewijs. Daarbij komt dat haar verklaring met de nodige behoedzaamheid moet worden bezien (rov. 6.14). 6.17. [persoon A] heeft als volgt verklaard: "In het gesprek werd mij niet duidelijk hoe precies de afspraken tussen partijen waren over de bouw. Maar er was wel overeenstemming dat [xx] voor [zz] zou bouwen. Er werd immers al gebouwd. (...) Mij werd verteld dat de bouw op 6 september 2018 was gestart. Er staat ook dat dit wordt bevestigd door de aannemer. Aan het gesprek [hof: van 22 november 2018] waarvan dit verslag is gemaakt ging vooraf een signaal van mijn collega die zich bezighield met de subsidieaanvraag. Zij vroeg mij in gesprek te gaan met [zz] en daarbij aandacht te vragen voor de 3 maanden termijn voor de MIA/VAMIL. Dat was de insteek bij het gesprek op 22 november. (...) Na dit gesprek is de offerte ook gemaakt. In het gesprek zelf zijn naar mijn herinnering geen afspraken gemaakt over de precieze inhoud van de overeenkomst tussen [xx] en [zz] en over bedragen. Het punt was dat [xx] nog met onbekende inkoopkosten zat en dat maakte dat de afspraken niet werden gemaakt. In het gesprek is toen ook meegegeven dat [xx] stelposten kon opnemen, maar dat er een offerte moest komen om de subsidieaanvraag veilig te stellen. (...) Het bestaan van een offerte is een administratieve voorwaarde voor de MIA/VAMIL." 6.17.1. Uit de getuigenverklaring van [persoon A] volgt dat tussen partijen overeenstemming bestond dat [xx] in opdracht van [zz] werkzaamheden voor [zz] zou verrichten en dat er voorafgaand aan het gesprek op 22 november 2018 geen prijsafspraken waren gemaakt. De werkzaamheden zijn in september 2018 gestart. [zz] was omstreeks november 2018 van plan om een MIA\Vamil-aanvraag in te dienen, maar had daarvoor met spoed een offerte van [xx] nodig die niet ouder was dan drie maanden. Met dat doel heeft er op 22 november 2018 tussen [zz] , [persoon A] en [xx] een gesprek plaatsgevonden. Aan [xx] is tijdens dit gesprek meegegeven dat er een offerte moest komen om de aanvraag voor de MIA\Vamil veilig te stellen en dat [xx] indien nodig stelposten kon opnemen. Na dit gesprek heeft [xx] de offertes opgesteld en deze gedateerd op data in het verleden (5 september 2018 en 19 november 2018). [persoon A] verklaart dat er tijdens het gesprek niet is gesproken over de inhoud van de offertes of over bedragen. Uit zijn verklaring kan dan ook niet worden afgeleid dat partijen tijdens het gesprek of voorafgaand daaraan (prijs)afspraken hebben gemaakt, die vervolgens in de offertes zijn weergegeven, zoals door [zz] is gesteld. Zijn verklaring ondersteunt eerder het voorshands oordeel dat de offertes enkel zijn opgesteld om de MIA\Vamil-aanvraag te kunnen indienen en niet de werkelijke afspraken (te weten: geen prijsafspraak) tussen partijen weergeven. De verklaring van [persoon A] levert dan ook geen bijdrage aan het ontzenuwen van het voorshands geleverde bewijs. 6.18. [zz] heeft als volgt verklaard: "Voorafgaand aan het gesprek met [persoon A] in november 2018 had ik nog geen offerte ontvangen van [xx] . In dat gesprek ging het over het feit in verband met de MIA/VAMIL wel offertes moesten komen en daar zat druk achter. Ik herinner me wel dat ik met [xx] samen een door hem gemaakte calculatie van het werk heb doorgenomen al voor de werkzaamheden begonnen. (...) U vraagt of er in het gesprek met [persoon A] ook gesproken is over de inhoud van de offertes of de te noemen bedragen. Volgens mij niet. U vraagt of er in dat gesprek iets gezegd is wat kan verklaren dat de offertes in het verleden zijn gedateerd. Ja, dat wel. Dat had te maken met de 3 maanden termijn. (...) U vraagt mij naar de afspraken met [xx] die de basis waren voor zijn werk bij ons. Er waren geen afspraken.
Volledig
Hij zou een offerte uitbrengen, maar dat kwam er maar niet van vanwege zijn privésituatie. Wij wilden wel voort met de bouw en we hebben dus in afwachting van de offerte de bouw door laten gaan. (...)" 6.18.1. Uit de verklaring van [zz] kan niet worden afgeleid dat er prijsafspraken zijn gemaakt. Zijn verklaring levert dan ook geen bijdrage aan het ontzenuwen van het voorshands geleverde bewijs, nog daargelaten dat zijn verklaring met de nodige behoedzaamheid moet worden bezien (rov. 6.14). 6.19. Het hof hecht verder belang aan de Whatsappberichten tussen [geïntimeerde sub 3] en [xx] van 26 en 27 november 2018, die het voorgaande bevestigen: [geïntimeerde sub 3] : "Ze moet de offerte vandaag hebben, anders GEEN Mia/vamill voor ons [emoticon]. Hopelijk kun je hem vanochtend afmaken." [xx] : "Ben vanavond pas thuis." [geïntimeerde sub 3] : "Dan heb ik een heel groot probleem!!" (...) "Ze moet vandaag alles bij Qlip indienen, om een certificaat aan te vragen" "Heb je al wel iets op papier?" "Kan ik het anders zelf afmaken?" [geïntimeerde sub 3] : "Hey, bedankt alvast voor de offerte! (...)" "Hey, klopt het dat de loods niet op de offerte staat?" "Moet zo snel mogelijk offerte hebben van de complete stal met loods. Vanavond? [xx] : "Loods zit er volgens mij bij op de overhead deuren na" (...) [geïntimeerde sub 3] : "Die miste we inderdaad" "Kan je dat vandaag misschien [emoticon]" (...) [geïntimeerde sub 3] : "Dat was snel.. maar we schrikken wel [emoticon] (...)" [xx] : "Heb nou gewoon een gedeelte bijgezet heb daar geen prijzen van opgevraagd dus zal straks lager uitvallen maar dan Kun je m indienen" "Als het straks lager uitviel was het toch beter dan hoger" [geïntimeerde sub 3] : "Das waar, maar we zouden wel graag weten waar we aan toe zijn.. hebben nu een gat van €40000,-. Zo komt onze begroting niet uit [emoticon]" [xx] : "Ja maar zo lang ik geen definitieve tekeningen heb kan ik ook geen definitieve prijs maken" 6.20. Volgens [zz] kwam de verwachting die hij had over de met het project gepaard gaande kosten uit de offertes. [zz] betoogt dat uit de getuigenverklaringen volgt dat [xx] de inhoud van de offertes – waaronder de bedragen – heeft bepaald en niet [zz] . Dit wijst er volgens hem op (zo begrijpt het hof) dat de offertes moeten worden gezien als een aanbod van [xx] in het kader van een nog te sluiten (nadere) overeenkomst van aanneming van werk, en niet zijn opgesteld in het kader van de aanvraag voor de MIA\Vamil. Dat [xx] heeft verklaard dat hij de omschrijving en de bedragen in de offertes heeft bepaald, maakt het bewijsoordeel van het hof niet anders. Dit past immers evengoed bij het scenario dat de offertes zijn opgesteld in het kader van de MIA\Vamil-aanvraag. Daarbij komt dat uit de Whatsappberichten blijkt dat [geïntimeerde sub 3] voorstelt dat zij de offerte afmaakt en aangeeft dat zij de offerte aangepast wil hebben omdat zij het bedrag te hoog vindt. Dit wijst er niet op dat alleen [xx] verantwoordelijk was voor de inhoud van de offertes en [zz] daarmee geen bemoeienis heeft gehad. Daarbij komt dat volgens de verklaring van [persoon A] tijdens het gesprek op 22 november 2018 aan [xx] is meegegeven dat er een offerte moest komen om de aanvraag voor de MIA\Vamil veilig te stellen en dat [xx] indien nodig stelposten kon opnemen. Voor zover [zz] nog betoogt dat de offertes moeten worden gezien als het nader overeenkomen van een vaste aanneemsom voor een al lopende opdracht zonder prijsafspraak, volgt het hof hem daarin niet: uit de verklaring van [persoon A] volgt immers dat er tijdens het gesprek geen afspraken zijn gemaakt en hem uit het gesprek niet duidelijk werd welke afspraken er tussen partijen precies golden. 6.20.1. [zz] stelt dat er voorafgaand aan het gesprek in november 2018 geen offerte of enig ander schriftelijk stuk afkomstig van [xx] bestond met betrekking tot de bouw van de kalverenstal, hetgeen volgens hem wel van [xx] als professionele aannemer had mogen worden verwacht. Het hof gaat hieraan voorbij, nu [xx] zijn vorderingen niet baseert op een schriftelijke offerte of ander stuk (van welke datum dan ook), maar op de stelling dat hij, zonder offerte of prijsafspraken, werkzaamheden voor [zz] heeft verricht tegen een redelijke prijs. Daarbij komt dat schriftelijke vastlegging van de afspraken geen vereiste is voor totstandkoming van een overeenkomst van aanneming van werk, nu het niet gaat om de bouw van een woning. 6.20.2. [zz] beroept zich nog op de verklaring van [geïntimeerde sub 3] dat de offertes de afspraken inhouden die tussen [zz] en [xx] zijn gemaakt. Het hof gaat ook daaraan voorbij, nu [geïntimeerde sub 3] heeft verklaard dat zij zelf niet aanwezig is geweest bij de bespreking op 22 november 2018 en [persoon A] en [geïntimeerde sub 2] juist hebben verklaard dat tijdens dit gesprek geen afspraken zijn gemaakt over de precieze inhoud van de overeenkomst tussen [xx] en [zz] of over bedragen. 6.20.3. [xx] heeft op 16 januari 2019 aan [zz] een factuur gestuurd met daarop een verwijzing naar de offerte gedateerd op 19 november 2018 (Of2018042). Volgens [zz] moet daaruit worden opgemaakt dat de offertes niet uitsluitend zijn opgesteld voor de MIA\Vamil-aanvraag. Hoewel [xx] deze verwijzing op de factuur van 16 januari 2019 niet heeft toegelicht, is dit enkele feit van onvoldoende gewicht tegenover het hiervoor overwogene en maakt dit het oordeel van het hof dan ook niet anders. 6.21. Uit het voorgaande volgt dat [zz] naar het oordeel van het hof niet is geslaagd in het leveren van tegenbewijs tegen het voorshandse oordeel dat de offertes enkel zijn opgemaakt met het oog op het verkrijgen van de MIA\Vamil-aanvraag en niet de werkelijke afspraken tussen partijen ten aanzien van de overeenkomst van aanneming van werk weergeven. De grieven die zijn gericht tegen de bewijswaardering door de rechtbank slagen dus, dan wel behoeven geen nadere bespreking. Het hof zal vervolgens beoordelen wat dit betekent voor de vorderingen. De vorderingen en grondslagen 6.22. [xx] heeft het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd. [zz] wilde dat [xx] een nieuwe kalverenstal voor hem zou bouwen. [xx] heeft daarvoor een initiële offerte opgesteld voor een aanneemsom van € 619.138,02 exclusief btw en een deelofferte met betrekking tot de keldervloer voor een aanneemsom van € 151.336,95 exclusief btw. [zz] is daarmee mondeling akkoord gegaan en [xx] is op 11 juni 2018 begonnen met de werkzaamheden voor de bouw van de kalverenstal. [zz] heeft vervolgens zijn plannen veranderd, waardoor een deel van de werkzaamheden aan de kalverenstal door [zz] zelf en door een derde in plaats van door [xx] zou worden verricht. Partijen hebben geen nieuwe prijsafspraken gemaakt en geen nieuwe offerte opgesteld. [xx] is steeds werkzaamheden aan de kalverenstal blijven verrichten en heeft facturen gestuurd op basis van de door hem tot dan toe verrichte werkzaamheden (uurloon en materiaalkosten tegen kostprijs). Deze facturen zijn aanvankelijk steeds door [zz] betaald. Nadat [zz] drie facturen onbetaald had gelaten, is [xx] in juni 2019 gestopt met de werkzaamheden. Hij vordert betaling van drie openstaande facturen voor verrichte werkzaamheden (factuur 1, 2 en 3). Daarnaast stelt hij dat hij met [zz] (mondeling) heeft afgesproken dat hij bij de oplevering van het werk een winstopslag van 20% over de materialen in rekening zou brengen, omdat alle materialen tegen kostprijs aan [zz] werden geleverd. [zz] heeft de in rekening gebrachte winstopslag onbetaald gelaten en [xx] vordert ook betaling van deze factuur (factuur 4). [xx] vordert (primair) in totaal een bedrag van € 153.595,44. 6.23. [zz] betwist dat hij de initiële offerte en de deelofferte heeft aanvaard, hij heeft deze nooit ontvangen. Hij stelt dat hij met [xx] heeft afgesproken dat [xx] werkzaamheden zou verrichten ten behoeve van de bouw van een kalverenstal voor [zz] tot een totaalbedrag van € 499.745,27 inclusief btw, conform de projectomschrijving van 26 november 2018 in samenhang met de offertes.
Volledig
De totale aanneemsom moet verminderd worden met een bedrag van € 68.140,82,-- inclusief btw voor niet door [xx] uitgevoerde werkzaamheden, zodat een te betalen bedrag van € 431.604,45 resteert. [zz] heeft door middel van betaling van de door [xx] verzonden facturen in totaal al een bedrag van € 453.451,56 voldaan. Dit is méér dan de resterende aanneemsom, zodat hij terugbetaling vordert van het volgens hem teveel aan [xx] betaalde bedrag van € 21.847,11. 6.24. [xx] betwist dat partijen een prijs voor de werkzaamheden zijn overeengekomen. [zz] wilde gebruikmaken van de fiscale regeling voor Milieu-investeringsaftrek (MIA) en de Willekeurige afschrijving milieu-investeringen (Vamil). Daarvoor had [zz] een schriftelijke offerte nodig van niet meer dan drie maanden oud. [xx] heeft toen op verzoek van [zz] de projectomschrijving van 26 november en de offertes van 5 september 2018 en 19 november 2018 opgesteld, zodat [zz] daarmee een MIA\Vamil-aanvraag kon indienen. De projectomschrijving en de offertes zijn enkel opgesteld voor de MIA\Vamil-aanvraag en geven niet de tussen partijen gemaakte afspraken weer. Op het moment dat [xx] deze stukken op verzoek van [zz] heeft opgesteld, waren de werkzaamheden door [xx] al ruimschoots gestart en waren daarvoor ook al facturen verstuurd op basis van de bestede uren en gebruikte materialen, die door [zz] steeds zijn betaald. 6.25. Het hof begrijpt de stellingen van [xx] zo, dat partijen na het wijzigen van de oorspronkelijke plannen mondeling een overeenkomst van aanneming van werk hebben gesloten voor de bouw van een gedeelte van de kalverenstal, dat zij daarbij geen prijsafspraken hebben gemaakt maar dat [xx] de gewerkte uren en bestede materialen tegen kostprijs in rekening zou brengen, met na oplevering nog een winstopslag van 20% over de bestede materialen. De stal is begin augustus 2019 opgeleverd, doordat deze door [zz] in gebruik is genomen. Op grond van artikel 7:752 van het Burgerlijk Wetboek (BW) stelt [xx] dat [zz] hem een redelijke prijs is verschuldigd voor de door hem verrichte werkzaamheden en geleverde materialen. Beoordelingskader 6.26. Aanneming van werk is een overeenkomst waarbij de ene partij (de aannemer) zich jegens de andere partij (de opdrachtgever) verbindt om een werk van stoffelijke aard tot stand te brengen en op te leveren, tegen een door de opdrachtgever te betalen prijs in geld (artikel 7:750 BW). Het is daarbij geen constitutief vereiste dat de door de opdrachtgever te betalen prijs moet zijn bepaald op het moment van totstandkoming van de overeenkomst. Indien de prijs bij het sluiten van de overeenkomst niet is bepaald of slechts een richtprijs is bepaald, is de opdrachtgever voor de werkzaamheden een redelijke prijs verschuldigd (artikel 7:752 lid 1 BW). 6.27. Partijen hebben afgesproken dat [xx] tegen betaling werkzaamheden zal verrichten aan de bouw van een kalverenstal voor [zz] . Partijen zijn het niet eens over de afspraken omtrent betaling van de door [xx] verrichte werkzaamheden: [xx] stelt dat partijen geen expliciete prijsafspraken hebben gemaakt, zodat [zz] voor de werkzaamheden een redelijke prijs is verschuldigd. [zz] stelt zich op het standpunt dat partijen een vaste aanneemsom zijn overeengekomen. 6.28. Het hof stelt voorop dat de aannemer moet stellen en, bij voldoende betwisting bewijzen, dat (i) aan hem de opdracht is verstrekt om voor rekening van de opdrachtgever een werk tot stand te brengen, (ii) dat het werk door hem is opgeleverd en door de opdrachtgever is aanvaard en (iii) dat het door hem gevorderde een redelijke prijs is voor de door hem verrichte werkzaamheden. De aannemer hoeft niet te stellen en bewijzen dat partijen geen afspraken omtrent de te betalen prijs hebben gemaakt. Als de opdrachtgever zich er vervolgens op beroept dat er tussen partijen een prijsafspraak is gemaakt, rust op de opdrachtgever de last die prijsafspraak te bewijzen (HR 21 juni 1968, NJ 1968/290 (Van der Zee/Martens)). 6.29. [xx] heeft gemotiveerd gesteld dat partijen een overeenkomst van aanneming van werk hebben gesloten, zonder prijsafspraken te maken. [zz] betwist niet dat (i) tussen partijen een overeenkomst van aanneming van werk tot stand is gekomen en dat [xx] werkzaamheden heeft verricht aan de bouw van de kalverenstal. Hij betwist daarnaast niet (ii) dat de stal begin augustus 2019 door ingebruikname is opgeleverd. Daarmee heeft [xx] vooralsnog aan zijn stelplicht voldaan. 6.30. [zz] stelt het volgende. In maart 2018 hebben partijen gesproken over een door [xx] voor [zz] te bouwen kalverenstal. [xx] heeft toen een kostenraming met [zz] besproken, zodat [zz] een globaal idee had van de kosten/prijs. [zz] heeft aangegeven dat zijn budget ongeveer € 650.000,-- bedroeg. Er zijn toen geen afspraken gemaakt. [zz] heeft verschillende keren om een schriftelijke offerte gevraagd, maar die is er nooit gekomen. [zz] wilde graag gebruik maken van fiscale aftrekregelingen voor bepaalde investeringen. Om die te kunnen aanvragen, was een schriftelijke offerte nodig. Daarom heeft [xx] op of omstreeks 26 november 2018 de offertes alsnog opgesteld met daarin opgenomen een prijsafspraak. Het hof begrijpt de stellingen van [zz] aldus, dat hij stelt dat partijen een vaste aanneemsom zijn overeengekomen, dan wel dat [zz] op grond van de offertes mocht begrijpen dat partijen een richtprijs van € 499.493,28 zijn overeengekomen. 6.31. [xx] betwist dat partijen een prijsafspraak hebben gemaakt en dat deze in de offertes is vastgelegd. De offertes zijn enkel opgesteld om een MIA\Vamil-aanvraag te kunnen indienen. [xx] verwijst naar door hem overgelegde Whatsapp-berichten van 26 en 27 november 2018, waaruit volgens hem blijkt dat [geïntimeerde sub 3] er bij [xx] op heeft aangedrongen een offerte op te stellen. [xx] heeft al vanaf juni 2018 gewerkte uren en bestede materialen gefactureerd, die door [zz] steeds zijn betaald. Deze wijze van factureren wijst niet op een prijsafspraak. 6.32. Nu [zz] stelt dat partijen prijsafspraken hebben gemaakt in de vorm van een vaste aanneemsom dan wel richtprijs van € 499.493,28 inclusief btw, draagt [zz] daarvan de stelplicht en bewijslast. [zz] heeft zijn stelling onderbouwd door te verwijzen naar de offertes en gesteld dat deze de tussen partijen gemaakte prijsafspraak weergeven. Gelet op hetgeen hiervoor in rov. 6.21 is geoordeeld, staat echter vast dat de offertes enkel zijn opgemaakt met het oog op het kunnen indienen van de aanvraag voor de MIA\Vamil en niet de werkelijke tussen partijen gemaakte afspraken weergeven. Daarmee heeft [zz] zijn stelling dat partijen een prijsafspraak hebben gemaakt onvoldoende onderbouwd. De gevolgen van het voorgaande 6.33. Nu niet is komen vast te staan dat partijen prijsafspraken hebben gemaakt, zullen de vorderingen van [zz] worden afgewezen. [xx] heeft zijn stellingen voldoende gemotiveerd en onderbouwd (rov. 6.29), zodat het door hem gevorderde voor toewijzing in aanmerking komt. 6.33.1. De vordering van [xx] zal worden toegewezen, voor zover die betrekking heeft op betaling van de facturen 2 en 3. [zz] heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd met betrekking tot factuur 2 en 3; hij heeft niet betwist dat de betreffende werkzaamheden door [xx] zijn verricht en de materialen zijn besteed aan de bouw van zijn kalverenstal. Ook heeft [zz] niet betwist dat de door [xx] in rekening gebrachte prijs voor deze werkzaamheden een redelijke prijs is (rov. 6.28. iii). 6.33.2. [zz] heeft factuur 1 betwist. Deze factuur verwijst volgens hem naar de initiële offerte van [xx] . Daarop staan echter alleen projectgegevens ingevuld, maar ontbreken de onderliggende bewijsstukken voor het gedeclareerde bedrag. Gelet op deze gemotiveerde betwisting had het op de weg van [xx] gelegen het gevorderde bedrag van factuur 1 nader te onderbouwen met stukken waaruit blijkt dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt en ten goede zijn gekomen aan de bouw van de kalverenstal van [zz] . Nu hij dat heeft nagelaten, zal de vordering worden afgewezen voor zover die ziet op betaling van factuur 1. 6.33.3.