Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-09-16
ECLI:NL:GHSHE:2025:2538
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.338.366/01 arrest van 16 september 2025 in de zaak van [B.V. 1] , gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante, hierna aan te duiden als [B.V. 1] , advocaat: mr. J.C.T. Papeveld te Waalwijk, tegen 1 [B.V. 2] , gevestigd te [vestigingsplaats] , 2. [B.V. 3] , gevestigd te [vestigingsplaats] , 3. [B.V. 4] , gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerden, hierna aan te duiden als [B.V. 2] , [B.V. 3] en [B.V. 4] en gezamenlijk als [geïntimeerden] , advocaat: mr. R.A.C.J. van Kessel te Boxtel, op het bij exploten van dagvaarding van 6 november 2023 en 8 november 2023 en herstelexploten van 8 november 2023 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 9 augustus 2023, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen [B.V. 1] als eiseres en [geïntimeerden] als gedaagden. 1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/325562 / HA ZA 17-635) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het hiervoor genoemde vonnis. 2 Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaardingen in hoger beroep; de memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis, met producties; de memorie van antwoord tevens antwoord op wijziging van eis, met producties; de mondelinge behandeling op 19 februari 2025, waarbij beide partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd; de bij H-formulier van 7 februari 2025 door [B.V. 1] toegezonden producties, die [B.V. 1] bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding heeft gebracht; de bij H-formulier van 18 februari 2025 door [geïntimeerden] toegezonden producties, die [geïntimeerden] bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding hebben gebracht; tijdens de mondelinge behandeling is arrest bepaald; het op verzoek van [geïntimeerden] opgemaakte proces-verbaal, met aangehecht de bij brief van 22 april 2025 toegezonden reactie van [B.V. 1] op het proces-verbaal. Vervolgens is de behandeling van de zaak ingevolge artikel 37 lid 5 Rv geschorst. Na hervatting van de zaak heeft het hof opnieuw een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de hiervoor vermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3 De beoordeling Kern van de zaak 3.1. [voornaam] , [voornaam] en [voornaam] zijn via hun persoonlijke holdingvennootschappen aandeelhouder van [B.V. 4] en op die manier eigenaar van de [XXX] Groep, een agrarisch bedrijf. Deze procedure houdt verband met een al langer lopend geschil tussen aan de ene kant [voornaam] en aan de andere kant [voornaam] en [voornaam] . De verhouding tussen [voornaam] , [voornaam] en [voornaam] is de afgelopen jaren verslechterd en er liepen en lopen verschillende juridische procedures tussen [voornaam] aan de ene kant en [voornaam] en [voornaam] aan de andere kant. Op 12 september 2016 heeft de algemene vergadering van aandeelhouders van [B.V. 4] [B.V. 1] , de persoonlijke holdingvennootschap van [voornaam] , ontslagen als bestuurder. In deze procedure vordert [B.V. 1] vernietiging van dit ontslagbesluit en een verklaring voor recht dat de managementovereenkomst met [B.V. 4] voortduurt. De feiten 3.2. In rov. 2 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Met grief I wordt deze vaststelling bestreden. Het hof zal een nieuw overzicht geven van de vaststaande feiten die voor de beoordeling in hoger beroep van belang zijn. Hoedanigheid van partijen i. Alle vennootschappen die partij zijn in deze procedure maken deel uit van de [XXX] Groep. Het bedrijf is in de jaren ’70 gestart door [echtpaar XXX] . Zij zijn gestart met een melkveehouderij. Het bedrijf is later uitgebreid met een nertsenhouderij en een vleesvarkensbedrijf (thans: een zeugenhouderij). Het bedrijf beschikt bovendien over landbouwgronden. Deze gronden zijn dienstbaar aan de bedrijfsvoering, waarbij gedacht moet worden aan het plaatsen van mest en het winnen van voer voor de eigen dieren. Na het overlijden van [de vrouw] heeft [de man] zich geleidelijk teruggetrokke Dit betekent dat hiervoor nieuwe financiële middelen dienen te worden aangetrokken. Wij zijn toen gelijk begonnen met het trachten van verzamelen van alle benodigde gegevens, echter nu zijn we 5 maanden verder en ben jij voor ons nog steeds onbereikbaar en zijn de door jouw te verstrekken gegevens nog steeds niet aangeleverd. Middels deze mail willen wij nogmaals sterk benadrukken dat we binnen enkele weken al in grote liquiditeitsproblemen komen en dat dan gelijk het voer voor de levende haven niet meer betaald kan worden. Ook posten als personeelskosten en belastingen kunnen niet op zich laten wachten. Graag nu snelle reactie binnen 24 uur om alle medewerking te verlenen aan de totale afwikkeling van de financiering die zoals je weet zeker 3 miljoen euro zal bedragen. (…)” Bij e-mailbericht van 26 mei 2016 heeft [voornaam] geschreven dat de gevraagde informatie al beschikbaar is voor [voornaam] en [voornaam] . [voornaam] heeft voorts geschreven: “(…) Verdere afspraken die in december 2015 door jouw getekend zijn over verdere uitwerking van financiering zijn nooit uitgevoerd. Recent heb ik daar je nog opgewezen toen zij je dat je er niets van aantrok van de getekend afspraken. In 2015 heb iedereen er meerdere malen op gewezen dat er teveel en verkeerde investering werden gedaan. En dat dit grootte financiële problemen zou gaan opleveren Het door schuiven van alleen nertsen pelzen van verkoop jaar 2016 naar 2017 heb ik ook meerdere malen bekritiseert dat dit een groot financieel liquide probleem zou veroorzaken en misschien nog wel extra verlies bij verder prijs daling. Dat uitstel van verkoop pelzen 3 mij financiering voor aangetrokken moest worden werd stellig ontkend max 2 mij nu spreek je zelf over 3 mij zelfs meer. (…) Hier zal ik dan ook duidelijk over zijn dat ik hier nooit meer akkoord ga. Ook het investeringsplan is als behalve volgens afspraak wat schriftelijk door alleen getekend in december 2015 Er zou alleen geld aangetrokken worden voor de explatatie nertsen en geen enkele investering zou nog gedaan worden in de nertsen zolang het verbod van kracht is voor de nertsen. Verder zou er in de varkens enkele investeringen gedaan worden Deze zijn alleen geschrapt en vervangen door alleen nertsen investeringen zelf nieuwbouw. (…)” Bij e-mailbericht van 28 mei 2016 hebben [voornaam] en [voornaam] aan [voornaam] laten weten dat zij het niet eens zijn met de inhoud van zijn e-mailbericht van 26 mei 2016. Bij e-mailbericht van 30 mei 2016 hebben [voornaam] en [voornaam] vervolgens uitgenodigd voor een vergadering op 1 juni 2016 om de situatie te bespreken. Tijdens deze vergadering hebben [voornaam] en [voornaam] medegedeeld dat zij hem op non-actief willen stellen indien hij niet meewerkt aan de financiering die volgens hen noodzakelijk is. Op 30 juni 2016 heeft advieskantoor [yyy] een financieringsmemorandum opgesteld met als vraagstelling: “De bedrijfsactiviteiten van de [XXX] Groep worden verricht in een viertal agrarische bedrijfstakken: nertsenhouderij, zeugenhouderij, kalverenhouderij en akkerbouw. Vanwege de actuele prijsontwikkelingen op de markt van nertsenpelzen heeft [XXX] Groep ervoor gekozen om de verkoop van nertsenpelzen deels op te schorten. Hierdoor ontstaat voor de [XXX] Groep een incidentele liquiditeitsbehoefte, welke als gevolg van een noodzakelijk investeringsprogramma in de voorliggende jaren uit eigen middelen thans bij voorkeur bancair wordt ingevuld. Om de kosten van de nertsenhouderij in 2016 en deels in 2017 deels voor te kunnen financieren verzoekt de [XXX] Groep de Rabobank een overbruggingskrediet beschikbaar te stellen van € 4.250.000,-. Het overbruggingskrediet wordt aangevraagd door [B.V. 4] B.V., ten behoeve van de dochtermaatschappijen, in dit memorandum bekend als de [XXX] Groep. Het voorstel is om deze faciliteit middels een lening en een krediet in rekening courant beschikbaar te stellen. Dit voorstel wordt hierna uitgewerkt.” Op 21 juli 2016 heeft Rabobank een offerte opgesteld voor [voornaam] wil voor het vrijgeven van de financiering uit de tweede tranche (evt in delen) werken met driemaal gelijktijdige ondertekening van de verklaring door elk van de vennoten (=persoonlijk recht) o Deze verklaring en vrijgave ziet alleen op exploitatie [voornaam] wil zo snel mogelijk de herstructurering afronden (inbreng VOF delen (ex nertsendeel) en oprichten Stak) [voornaam] wil verder dat bij de afronding de opties voor ontvlechting van zijn deel (zoals eerder besproken) wordt ingebouwd. Over deze voorgaande punten is gesproken en er is overeenstemming bereikt. In die discussie zijn nog de volgende punten naar voren gekomen. Daarover is ook overeenstemming: Extra vrijgave van € 500.000 uit de tweede tranche. De reden om dit te doen is om te voorkomen dat in het aanstaande pelsseizoen men nogmaals aan tafel moet en beslissen. Belanghebbenden hebben besloten om dit bedrag uit de tweede tranche te halen. Daarover is dus tussen de drie vennoten overeenstemming en hoeft geen aparte verklaring naar de bank. In het gesprek werd instemmend gereageerd op de afronding van de herstructurering. Dit kan in gang gezet worden. Dat betekent voor Werner dat hij zijn vordering uit Werwij BV afgelost wil zie (ongeveer € 340.000) Daarover is besloten dat dit ook kan gebeuren uit laatstgenoemd bedrag van € 500.000. (…)” Op 2 augustus 2016 heeft Rabobank een gewijzigde offerte opgesteld, conform de op 1 augustus 2016 gemaakte afspraken. Ten aanzien van de geldlening van € 2.000.000,- is opgenomen dat een bedrag van € 1.500.000,- zal worden gestort op een depotrekening en dat (over)boekingen door Rabobank worden verwerkt na opdracht van de drie aandeelhouders van [B.V. 4] . Deze offerte is op 3 augustus 2016 getekend door [voornaam] en [voornaam] . Bij e-mailbericht van 2 augustus 2016 heeft de voerleverancier laten weten dat de afspraken over de voerbetalingen voor de nertsenhouderij niet worden nagekomen en dat zij om die reden de voerleveringen voor de nertsenhouderij opschort. Bij brief van 3 augustus 2016 heeft de advocaat van [voornaam] en [voornaam] aan Rabobank onder andere geschreven dat [voornaam] ondanks de op 1 augustus 2016 gemaakte afspraken de aangepaste offerte niet zal tekenen, waardoor een financiële noodsituatie ontstaat. Om die reden verzoekt de advocaat Rabobank om ermee akkoord te gaan dat alleen [voornaam] en [voornaam] de offerte tekenen. Volgens de advocaat zijn op grond van de statuten van [B.V. 4] de handtekeningen van twee van de drie bestuurders hiervoor voldoende. Bij e-mailbericht van 4 augustus 2016 heeft Rabobank het verzoek van de advocaat van [voornaam] en [voornaam] van 3 augustus 2016 afgewezen: “(…) Zoals besproken op 1 augustus volgen wij in het financieringsvoorstel de huidige structuur van de ondernemingen-groep. Daaruit volgt voor de bank dat de handtekeningen van drie bestuurders aanwezig dienen te zijn om de financiering te kunnen verstrekken. (…)”. Op 9 augustus 2016 heeft [voornaam] de offerte van Rabobank ondertekend, met daarbij de toevoeging dat deze onder protest en dwang is getekend, dat hij het financieringsmemorandum nooit overhandigd heeft gekregen, dat hij jaarcijfers nooit heeft gezien en dat hij grote vraagtekens heeft bij de haalbaarheid van de financiering en de toegestuurde cijfers. Bij e-mailbericht van 10 augustus 2016 heeft [voornaam] aan [voornaam] en [voornaam] geschreven dat het liquiditeitstekort volgens hem per direct kan worden opgelost door pelzen in onderpand te geven. [voornaam] heeft hierop gereageerd met de mededeling dat het goed is dat [voornaam] wil meedenken en met dit voorstel komt. Bij e-mailbericht van 14 augustus 2016 heeft [voornaam] aan [voornaam] en [voornaam] onder andere geschreven dat hij met Rabobank heeft gesproken over het bijlenen van € 400.000,- onder de bestaande hypotheek en dat dat volgens hem op korte termijn mogelijk is, waarmee het liquiditeitsprobleem voorlopig zal zijn opgelost. Bij brief van 15 augustus 2016 aan [voornaam] , [voornaam] , 4] te veroordelen om per 1 maart 2021, althans met ingang van een andere door de rechtbank te bepalen datum, en zolang de rechtsverhouding tussen [B.V. 4] en [B.V. 1] bestaat maandelijks € 4.166,67 te vermeerderen met 21% omzetbelasting, althans enig ander door de rechtbank in goede justitie te bepalen vergoeding, aan [B.V. 1] te betalen; 8. gedaagden hoofdelijk, des de een betalende de ander bevrijdende, te veroordelen in de kosten van dit geding, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis – en voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening; 9. gedaagden hoofdelijk, des de een betalende de ander bevrijdende, te veroordelen in de nakosten ter hoogte van € 131,- dan wel, indien betekening van het vonnis plaatsvindt op € 192,-. 3.3.2. [geïntimeerden] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, hierna aan de orde komen. 3.3.3. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen van [B.V. 1] afgewezen, met veroordeling van [B.V. 1] in de proceskosten. De procedure in hoger beroep 3.4.1. [B.V. 1] heeft in hoger beroep zeven grieven aangevoerd en haar eis gewijzigd. [B.V. 1] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het toewijzen van haar gewijzigde vorderingen: Ten aanzien van de vordering ex art. 2:15 lid 1 sub a + sub b BW Het ten processe bedoelde besluit van 12 september 2016 inhoudende het ontslag van [B.V. 1] als (statutair) bestuurder van [B.V. 4] te vernietigen; [geïntimeerden] te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van een daartoe veroordelend arrest [B.V. 1] a. in het register van de Kamer van Koophandel in te schrijven als bestuurder van [B.V. 4] b. toe te laten tot de werkzaamheden als statutair bestuurder van [B.V. 4] c. in staat te stellen alle bevoegdheden uit te oefenen die op grond van boek 2 BW en de statuten op [B.V. 1] als statutair bestuurder rusten op straffe van een direct te verbeuren dwangsom van € 25.000,= en te vermeerderen met € 1.000,= per dagdeel dat zij niet aan deze veroordeling voldoen met een maximum van € 500.000,=, althans een door Uw Hof in goede justitie te bepalen dwangsom en maximum; Ten aanzien van de managementovereenkomst 3. Te verklaren voor recht dat er vanaf 1 januari 2015, althans een door Uw Hof in goede justitie te bepalen datum, er sprake is van een managementovereenkomst tussen [B.V. 4] en [B.V. 1] en de managementovereenkomst tot op heden niet is geëindigd c.q. is beëindigd; 4. Te verklaren voor recht dat tot het moment waarop de managementovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd [B.V. 4] € 50.000,- excl. BTW per jaar, althans een door Uw Hof in goede justitie te bepalen vergoeding, aan [B.V. 1] verschuldigd is; Proceskosten (eerste aanleg en hoger beroep) 5. Geïntimeerden hoofdelijk, des de een betalende de ander bevrijdend, te veroordelen om de door [B.V. 1] betaalde proceskostenveroordeling a € 1.814,- aan [B.V. 1] terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, althans een door Uw Hof in goede justitie te bepalen rentevergoeding, vanaf de datum waarop dit bedrag door [B.V. 1] aan geïntimeerden is betaald tot aan de dag der algehele voldoening; 6. Geïntimeerden hoofdelijk, des de een betalende de ander bevrijdend, te veroordelen in de proceskosten zoals aan de zijde van [B.V. 1] vervallen en in beide instanties, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze te wijzen arrest, en voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening; 7. Geïntimeerden hoofdelijk, des de een betalende de ander bevrijdende, te veroordelen in de nakosten ter hoogte van € 131,- dan wel, indien betekening van het in deze te wijzen vonnis plaatsvindt op € 192,-. 3.4.2. [geïntimeerden] hebben geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijzing van [B.V. 1] met zijn advocaat, en [voornaam] en [voornaam] namens [B.V. 3] en [B.V. 2] met hun advocaat. In het proces-verbaal van constatering staat voorts: “(…) Dat partijen inhoudelijk gediscussieerd hebben over de hoogte van de financiering, over de bedrijfsvoering en over het al dan niet splitsen; De inhoudelijke discussie is door mij gerechtsdeurwaarder niet op alle punten vastgelegd gelet op de complexiteit hiervan. (…) Na over en weer gediscussieerd te hebben zonder dat dit tot enige oplossing geleid heeft, hebben alle partijen ingestemd met een schorsing van deze Algemene Vergadering van Aandeelhouders om te kijken of er nog een oplossing in der minne mogelijk is voor de gerezen conflicten; Na hervatting van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders hebben de partijen [B.V. 2] en [B.V. 3] voorgesteld om tot stemming over te gaan. Vervolgens heeft de Voorzitter het voorstel in stemming gebracht (…) “ Uit deze gang van zaken volgt dat [B.V. 1] voldoende in de gelegenheid is gesteld om haar raadgevende stem te gebruiken. Zij is immers ruim van te voren geïnformeerd over de AvA en het agendapunt en zij heeft tijdens de AvA ruimschoots de gelegenheid gehad haar visie te geven, zo volgt uit het proces-verbaal van constatering. 3.5.4. [B.V. 1] heeft in dit kader aangevoerd dat het besluit om haar als bestuurder te ontslaan al vast stond. Dit blijkt volgens haar uit het feit dat de advocaat van [B.V. 3] en [B.V. 2] tijdens de vergadering van 1 juni 2016 heeft aangekondigd dat [B.V. 1] zou worden ontslagen als bestuurder van [B.V. 4] indien zij niet zou meewerken aan de financiering door Rabobank, hetgeen is herhaald tijdens de bespreking van 1 augustus 2016 en in de brief van de advocaat van 3 augustus 2016, en uit het feit dat Veeke in februari 2017 heeft verklaard dat op dat moment iedereen tegen [voornaam] is. Het hof volgt [B.V. 1] hierin niet. Uit het proces-verbaal van constatering volgt immers dat de AvA van 12 september 2016 is geschorst om te kijken of er nog een oplossing in der minne mogelijk was. Dit strookt niet met de stelling dat het besluit om [B.V. 1] te ontslaan al vast stond. Dan zou overleg over een oplossing in der minne immers geen zin hebben gehad. Het hof verwijst in dit verband bovendien naar hetgeen zij in rov. 3.6.5. hierna oordeelt over de stelling van [B.V. 1] dat sprake was van een vooropgezet plan om haar “eruit te werken”. 3.5.5. [B.V. 1] heeft aangevoerd dat op grond van de statuten van [B.V. 4] het besluit tot ontslag van een bestuurder kan worden genomen met 2/3 meerderheid van de stemmen, terwijl voor de herstructurering het vereiste van unanieme besluitvorming gold en [voornaam] ervan uitging dat dit ook na de herstructurering zou gelden. Dit leidt echter niet tot een andere conclusie. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt immers niet in te in te zien hoe deze omstandigheid zou leiden tot de conclusie dat [B.V. 1] onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om van haar raadgevende stem gebruik te maken. 3.5.6. [B.V. 1] heeft haar stelling dat zij onvoldoende informatie had om daadwerkelijk invulling te kunnen geven aan haar recht op een raadgevende stem onvoldoende onderbouwd. Ten tijde van de AvA beschikte [B.V. 1] over het financieringsmemorandum en de offerte van Rabobank (zie rov. 3.6.10. hierna). Hierbij komt dat uit de e-mailwisseling in de periode mei-september 2016 (rov. 3.2. onder ix-xxv) volgt dat is gesproken over een liquiditeitstekort en de noodzaak van financiering, en uit het verslag van de bespreking van 1 augustus 2016 (rov. 3.2. onder xvii) en het proces-verbaal van constatering (rov. 3.5.3. hiervoor) volgt dat partijen hebben gesproken over de financiering door Rabobank en het voorliggende financieringsvoorstel. Hieruit volgt niet dat [B.V. 1] onvoldoende informatie had om een adequate beslissing te kunnen nemen. Gesteld noch gebleken is dat [B.V. 1] in die periode in het kader van de voorliggende financiering door Rabobank heeft gewezen op het gebrek aan informatie of om onder ix e.v.) en uit het e-mailbericht van [voornaam] aan [voornaam] , [voornaam] en [de man] van 31 juli 2016 (rov. 3.2. onder xvi). Tussen [B.V. 1] enerzijds en [B.V. 3] en [B.V. 2] anderzijds bestond wel een verschil van inzicht over de omvang en de oorzaak van het liquiditeitstekort en over het nut en de noodzaak van de financiering door Rabobank. Volgens [B.V. 1] is het liquiditeitstekort veel kleiner en kan het worden opgelost met overbruggingskredieten van € 200.000,- (zie het e-mailbericht van 31 juli 2016) en is het financieringsmemorandum in die zin onjuist. De Rabobank-financiering is veel omvangrijker, en is daarom volgens haar niet in het belang van de onderneming. Hierbij speelt volgens [B.V. 1] ook een rol dat [B.V. 3] en [B.V. 2] , althans [voornaam] , [voornaam] en [voornaam] , grote bedragen aan de onderneming hebben onttrokken en dat zij de financiering door Rabobank willen gebruiken voor investeringen die niet in het belang van de onderneming zijn, zonder dat [B.V. 1] daarmee instemt. Uit de gang van zaken blijkt echter dat partijen tijdens de bespreking op 1 augustus 2016 afspraken hebben gemaakt waarmee aan de bezwaren van [B.V. 1] tegemoet werd gekomen, en dat Rabobank de offerte dienovereenkomstig heeft aangepast (zie rov. 3.2. onder xvii en xviii). De offerte van Rabobank betrof een rekening-courantfaciliteit van € 2.250.000,- die volgens de offerte uitsluitend mocht worden gebruikt voor de financiering van de bedrijfsuitoefening van de [XXX] Groep en een geldlening van € 2.000.000,-. Met de op 1 augustus 2016 gemaakte afspraken werd voorkomen dat de geldlening voor andere doeleinden dan de exploitatie van de onderneming van de [XXX] Groep zou worden gebruikt, zonder de instemming van [B.V. 1] . De uitkomst van de bespreking van 1 augustus 2016 was dat [B.V. 1] met inachtneming van de gemaakte afspraken akkoord was met de financiering door Rabobank, zo volgt uit het verslag van Veeke (rov. 3.2. onder xvii). Onder deze omstandigheden, en mede gezien de terughoudendheid die het hof in dit kader in acht moet nemen, is het naar het oordeel van het hof niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat de AvA het besluit heeft genomen om [B.V. 1] te ontslaan als bestuurder van [B.V. 4] . Doordat [B.V. 1] toch niet bereid bleek de offerte van Rabobank onvoorwaardelijk te tekenen, handelde zij in strijd met de op 1 augustus 2016 gemaakte afspraken en was er geen financiering voor het dreigende liquiditeitstekort beschikbaar waardoor zij het voortbestaan van [B.V. 4] en de aan haar gelieerde vennootschappen in ernstige mate in gevaar heeft gebracht. Deze gang van zaken rechtvaardigt het standpunt van [B.V. 3] en [B.V. 2] dat [B.V. 1] heeft gehandeld in strijd met de belangen van [B.V. 4] en de aan haar gelieerde vennootschappen. Dit maakt dat de AvA bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid en naar billijkheid tot het Besluit heeft kunnen komen. Daaraan doet niet af dat er volgens Rabobank vermogensbestanddelen aanwezig waren om de liquiditeitsproblematiek voor de korte termijn op te lossen (zie rov. 3.2. onder xxv hiervoor). Het hof verwijst op dit punt naar rov. 3.6.6. 3.6.5. Van een vooropgezet plan om [B.V. 1] “eruit te werken”, is naar het oordeel van het hof gezien het voorgaande dan ook geen sprake. Hierbij komt dat tijdens de AvA is gesproken over de voorliggende problematiek en dat partijen nog hebben geprobeerd om tot een oplossing in der minne te komen, hetgeen niet is gelukt (zie rov. 3.5.4. hiervoor). 3.6.6. Dat Rabobank in haar brief van 15 augustus 2016 heeft geschreven dat er volgens haar voldoende vermogensbestanddelen beschikbaar waren om de liquiditeitsproblematiek voor de korte termijn op te lossen en er na het ontslag van [B.V. 1] niet alsnog gebruik is gemaakt van de Rabobank financiering, leidt niet tot een andere conclusie. Dat er een oplossing voor de korte termijn mogelijk was door het te gelde maken van bepaalde activa, betekent in het licht van hetgeen hiervoor is De Ondernemingskamer heeft voorts overwogen dat de feitelijke situatie zo is dat [voornaam] leiding geeft aan de varkenshouderij en [voornaam] en [voornaam] aan de rundvee- nertsen- en akkerbouwtak en dat er verschillen van inzicht over de bedrijfsvoering bestaan die niet oplosbaar zijn gebleken via normaal overleg. In rov. 3.5. van beschikking heeft de Ondernemingskamer vervolgens geoordeeld dat deze situatie gegronde redenen oplevert om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken. Het liquiditeitstekort en de financiering door Rabobank spelen bij dit oordeel geen rol. 3.6.10. [B.V. 1] stelt terecht dat [yyy] het financieringsmemorandum heeft afgerond en aan Rabobank heeft toegestuurd, zonder haar daarbij te betrekken en zonder haar het financieringsmemorandum toe te sturen. [geïntimeerden] hebben in dit verband verwezen naar het e-mailbericht van 22 juli 2016 van Wijnen aan de advocaat van [B.V. 1] , maar hierbij is niet het financieringsmemorandum gevoegd. Hoewel deze gang van zaken niet strookt met het feit dat [B.V. 1] samen met [B.V. 3] en [B.V. 2] bestuurder was van [B.V. 4] en tussen hen de afspraak gold dat besluiten boven € 100.000,- uitsluitend gezamenlijk zouden worden genomen, leidt dit niet tot de conclusie dat het Besluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist. Vast staat immers dat [B.V. 1] vanaf 23 juli 2016 in ieder geval wel de beschikking had over het financieringsmemorandum (zie haar eigen e-mailbericht van 31 juli 2016, rov. 3.2. onder xvi hiervoor), dat zij op 1 augustus 2016 met haar medebestuurders over de financiering heeft gesproken en afspraken heeft gemaakt waarmee aan haar zorgen tegemoet werd gekomen, en dat voor het accepteren van de offerte van Rabobank haar instemming sowieso was vereist. Rabobank eiste handtekeningen van alle drie de bestuurders en was niet bereid om de financiering te verstrekken zonder onvoorwaardelijk commitment van alle drie de “vennoten” (rov. 3.2. onder xxi en xxv). Tussenconclusie 3.7.1. Uit het voorgaande volgt dat het Besluit niet vernietigbaar is op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a of sub b BW. Is er sprake van een voortdurende managementovereenkomst tussen [XXX] Holding en [B.V. 4] ? 3.8.1. [B.V. 1] stelt dat sprake is van een managementovereenkomst die niet is geëindigd door haar ontslag op 12 september 2016 en die voorziet in de betaling door [B.V. 4] van een jaarlijkse managementfee van € 50.000,-. Ter onderbouwing hiervan beroept zij zich op een aantal e-mailberichten van [yyy] , waaronder het bericht van 26 augustus 2016 over de concept jaarcijfers van [B.V. 4] over 2015. Hierin staat onder andere: “(…) Uit die cijfers blijken vorderingen in rekening courant van [B.V. 3] , [B.V. 2] en [B.V. 1] van ieder € 50.000,- op [B.V. 4] Deze vorderingen hebben te maken met de management fee over 2015 die [B.V. 4] verschuldigd is aan de persoonlijke holdings van de drie bestuurders. Deze management fee is niet uitbetaald maar is in rekening courant verrekend (…)” Zij beroept zich voorts op de concept-jaarrekeningen van [B.V. 4] 2015-2018 waaruit volgens haar blijkt dat de managementfee van € 50.000,- in de periode 2015-2018 jaarlijks in rekening-courant is verrekend. [B.V. 1] heeft er ten slotte op gewezen dat uit de desbetreffende pleitaantekeningen van [geïntimeerden] blijkt dat zij zich tijdens de mondelinge behandeling in de procedure bij de rechtbank op het standpunt heeft gesteld dat [B.V. 1] haar taken als statutair bestuurder heeft uitgevoerd op grond van een managementovereenkomst, en dat zij zich tijdens een kort geding tussen partijen in 2020 op het standpunt heeft gesteld dat er in de jaren 2015-2017 jaarlijks voor alle drie de bestuurders een managementfee van € 50.000,- is verrekend in rekening-courant en in 2018 voor ieder een bedrag van € 43.750,-. 3.8.2. Naar het oordeel van het hof volgt uit het door [B.V. 1] gestelde en uit de haar overgelegde en hiervoor genoemde documenten dat [B.V. 4