Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-09-16
ECLI:NL:GHSHE:2025:2534
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Hoger beroep
2,686 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2025:2534 text/xml public 2026-04-15T15:25:06 2025-09-19 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-09-16 200.182.317_02 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Civiel recht; Burgerlijk procesrecht Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 251 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 252 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2534 text/html public 2026-04-15T15:19:37 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:2534 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 16-09-2025 / 200.182.317_02 Artikel 251 Rv niet van toepassing. Geen verval van instantie ogv art. 252 Rv. Wel niet-ontvankelijk omdat appellante geen grieven heeft aangevoerd. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.182.317/02 arrest van 16 september 2025 in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam, tegen Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant, gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde, advocaat: mr. Chr. H. van Dijk te Amsterdam, op het bij exploot van dagvaarding van 2 juli 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 22 april 2015, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen appellante als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en geïntimeerde als eiser in conventie, verweerder in reconventie. 1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 3129936 CV 14-3546) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2 Het geding in hoger beroep 2.1. Appellante heeft bij voormeld exploot van 2 juli 2015 geïntimeerde opgeroepen om te verschijnen ter openbare terechtzitting van dit hof van 29 december 2015, waarna geïntimeerde is verschenen. Appellante heeft op die rol het hof eenstemmig toestemming verzocht voor een afwijkende procesvoering (namelijk een ruime termijn voor de memorie van grieven in verband met eventuele onderhandelingen). Het hof heeft op de rol aangegeven dat dat niet mogelijk is op grond van artikel 2.12. pilotregeling. De zaak is vervolgens ambtshalve doorgehaald. 2.2. Op 21 juli 2025 heeft het hof een H8-formulier (Verzoek doorhalen zaak/hervatten (doorgehaalde) zaak) van geïntimeerde ontvangen met het verzoek de zaak te hervatten en waarin onder meer is opgenomen: “De zaak stond voor het verrichten van een proceshandeling door [appellante] (memorie van grieven) toen uw hof op 29 december 2015 de procedure ambtshalve heeft doorgehaald. De afgelopen (bijna) tien jaren is niets meer in de procedure gebeurd. Cliënte verzoekt uw hof op de voet van artikel 252 Rv een roldatum te bepalen waarop zij verval van instantie kan vorderen. Bijgaand gaat een kopie van de aanzegging aan mr. Reinders Folmer dat zij namens [appellante] de memorie van grieven uiterlijk twee weken na de hervatting van de procedure moet nemen. Dit moet op straffe van verval van het recht daartoe.” 2.3. Het hof heeft partijen bericht dat de zaak op de rol van 5 augustus 2025 zal worden hervat (zaaknummer 200.182.317/02), dat partijen dan opnieuw advocaat moeten stellen en dat aan appellante twee weken uitstel wordt verleend voor het nemen van de memorie van grieven (ambtshalve peremptoir). 2.4. Op de rol van 5 augustus 2025 heeft de advocaat van appellante bij H2-formulier medegedeeld dat afgezien wordt van het nemen van de memorie van grieven. 2.5. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. 3 De beoordeling 3.1. Uit artikel 251 lid 1 Rv volgt dat een partij verval van instantie kan vorderen als de wederpartij de proceshandeling waarvoor de zaak staat langer dan twaalf maanden niet heeft verricht. Op 29 december 2015 is de zaak bij het hof aangebracht en op die dag ambtshalve doorgehaald omdat partijen op eenstemmig verzoek een langere termijn wensten voor het nemen van de memorie van grieven in verband met eventuele onderhandelingen wat op grond van het destijds geldende “Procesreglement voor de pilot civiele dagvaardingszaken bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch” (2013) niet mogelijk was. 3.2. Anders dan geïntimeerde aanvoert, heeft de zaak dus niet voor een proceshandeling van de wederpartij gestaan. Dit heeft tot gevolg dat artikel 251 Rv niet van toepassing is en geïntimeerde geen verval van instantie kan vorderen op grond van artikel 252 Rv. 3.3. Appellante heeft echter medegedeeld dat zij afziet van het nemen van de memorie van grieven. 3.4. Nu appellante tegen het vonnis waarvan beroep geen grieven zal aanvoeren, kan zij in het hoger beroep niet worden ontvangen. Zij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in het door haar ingestelde hoger beroep. Geïntimeerde heeft niet verzocht een memorie van eis in incidenteel hoger beroep te mogen nemen. 3.5. Het hof ziet aanleiding om in dit geval de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. 4 De uitspraak Het hof: verklaart appellante niet ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep; compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus, dat iedere partij de eigen kosten daarvan zal dragen. Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. Rousseau, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 september 2025. griffier rolraadsheer
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2025:2534 text/xml public 2026-04-15T15:25:06 2025-09-19 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-09-16 200.182.317_02 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Civiel recht; Burgerlijk procesrecht Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 251 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 252 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2534 text/html public 2026-04-15T15:19:37 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:2534 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 16-09-2025 / 200.182.317_02 Artikel 251 Rv niet van toepassing. Geen verval van instantie ogv art. 252 Rv. Wel niet-ontvankelijk omdat appellante geen grieven heeft aangevoerd. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.182.317/02 arrest van 16 september 2025 in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam, tegen Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant, gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde, advocaat: mr. Chr. H. van Dijk te Amsterdam, op het bij exploot van dagvaarding van 2 juli 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 22 april 2015, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen appellante als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en geïntimeerde als eiser in conventie, verweerder in reconventie. 1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 3129936 CV 14-3546) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2 Het geding in hoger beroep 2.1. Appellante heeft bij voormeld exploot van 2 juli 2015 geïntimeerde opgeroepen om te verschijnen ter openbare terechtzitting van dit hof van 29 december 2015, waarna geïntimeerde is verschenen. Appellante heeft op die rol het hof eenstemmig toestemming verzocht voor een afwijkende procesvoering (namelijk een ruime termijn voor de memorie van grieven in verband met eventuele onderhandelingen). Het hof heeft op de rol aangegeven dat dat niet mogelijk is op grond van artikel 2.12. pilotregeling. De zaak is vervolgens ambtshalve doorgehaald. 2.2. Op 21 juli 2025 heeft het hof een H8-formulier (Verzoek doorhalen zaak/hervatten (doorgehaalde) zaak) van geïntimeerde ontvangen met het verzoek de zaak te hervatten en waarin onder meer is opgenomen: “De zaak stond voor het verrichten van een proceshandeling door [appellante] (memorie van grieven) toen uw hof op 29 december 2015 de procedure ambtshalve heeft doorgehaald. De afgelopen (bijna) tien jaren is niets meer in de procedure gebeurd. Cliënte verzoekt uw hof op de voet van artikel 252 Rv een roldatum te bepalen waarop zij verval van instantie kan vorderen. Bijgaand gaat een kopie van de aanzegging aan mr. Reinders Folmer dat zij namens [appellante] de memorie van grieven uiterlijk twee weken na de hervatting van de procedure moet nemen. Dit moet op straffe van verval van het recht daartoe.” 2.3. Het hof heeft partijen bericht dat de zaak op de rol van 5 augustus 2025 zal worden hervat (zaaknummer 200.182.317/02), dat partijen dan opnieuw advocaat moeten stellen en dat aan appellante twee weken uitstel wordt verleend voor het nemen van de memorie van grieven (ambtshalve peremptoir). 2.4. Op de rol van 5 augustus 2025 heeft de advocaat van appellante bij H2-formulier medegedeeld dat afgezien wordt van het nemen van de memorie van grieven. 2.5. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. 3 De beoordeling 3.1. Uit artikel 251 lid 1 Rv volgt dat een partij verval van instantie kan vorderen als de wederpartij de proceshandeling waarvoor de zaak staat langer dan twaalf maanden niet heeft verricht. Op 29 december 2015 is de zaak bij het hof aangebracht en op die dag ambtshalve doorgehaald omdat partijen op eenstemmig verzoek een langere termijn wensten voor het nemen van de memorie van grieven in verband met eventuele onderhandelingen wat op grond van het destijds geldende “Procesreglement voor de pilot civiele dagvaardingszaken bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch” (2013) niet mogelijk was. 3.2. Anders dan geïntimeerde aanvoert, heeft de zaak dus niet voor een proceshandeling van de wederpartij gestaan. Dit heeft tot gevolg dat artikel 251 Rv niet van toepassing is en geïntimeerde geen verval van instantie kan vorderen op grond van artikel 252 Rv. 3.3. Appellante heeft echter medegedeeld dat zij afziet van het nemen van de memorie van grieven. 3.4. Nu appellante tegen het vonnis waarvan beroep geen grieven zal aanvoeren, kan zij in het hoger beroep niet worden ontvangen. Zij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in het door haar ingestelde hoger beroep. Geïntimeerde heeft niet verzocht een memorie van eis in incidenteel hoger beroep te mogen nemen. 3.5. Het hof ziet aanleiding om in dit geval de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. 4 De uitspraak Het hof: verklaart appellante niet ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep; compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus, dat iedere partij de eigen kosten daarvan zal dragen. Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. Rousseau, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 september 2025. griffier rolraadsheer