Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-09-18
ECLI:NL:GHSHE:2025:2521
ECLI:NL:GHSHE:2025:2521 text/xml public 2026-06-02T09:10:58 2025-09-18 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-09-18 200.341.884_01 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2521 text/html public 2026-06-02T09:09:51 2026-06-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:2521 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 18-09-2025 / 200.341.884_01 Personen- en familierecht, afwikkeling huwelijkse voorwaarden. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht zaaknummer : 200.341.884/01 zaaknummer rechtbank : C/02/408290/ FA RK 23-1672 beschikking van de meervoudige kamer van 18 september 2025 inzake [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in het principaal hoger beroep, verweerster in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. C.J.H.E. Jeurissen te Breda, tegen [de man] , wonende te [woonplaats] , verweerder in het principaal hoger beroep, verzoeker in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. B.H. van der Zwan te Rotterdam. 1 De zaak in het kort Deze zaak gaat over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. 2 Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 27 februari 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 3 Het geding in hoger beroep 3.1. De vrouw is op 27 mei 2024 in hoger beroep gekomen. Het beroepschrift bevat de producties 1 t/m 12. 3.2. De man heeft op 9 april 2025 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend, met de producties 1 t/m 12. 3.3. De vrouw heeft op 13 mei 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend, met de producties 13 t/m 18. 3.4. Bij het hof zijn verder de volgende stukken ingekomen: - het proces-verbaal van de op 6 december 2023 gehouden mondelinge behandeling in eerste aanleg; - het journaalbericht van de advocaat van de man van 28 augustus 2024 met als bijlage de kennisgeving van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking; aanvullend verzoek c.q. aanvulling verzoek van de vrouw, ingekomen ter griffie op 23 april 2025; verweerschrift van de man op het aanvullend verzoek c.q. aanvulling verzoek van de vrouw, ingekomen ter griffie op 30 april 2025; het journaalbericht van de advocaat van de vrouw van 14 mei 2025 met als bijlage de vertaling van pagina 1 en 12 van productie 17; het journaalbericht van de advocaat van de vrouw van 19 mei 2025 met de mededeling dat op de mondelinge behandeling voor de vrouw een tolk in de Poolse taal zal optreden. 3.5. De mondelinge behandeling heeft op 21 mei 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Voor de vrouw is als tolk in de Poolse taal opgetreden mevrouw I. Wachnik (Wbtv-nummer 40147). 4 De feiten Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast: partijen zijn op 19 september 2022 gehuwd na het maken van huwelijkse voorwaarden op 16 augustus 2021; op 5 april 2023 heeft de man het verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Daarop is bij de bestreden beschikking van 27 februari 2024 de echtscheiding uitgesproken; de echtscheidingsbeschikking is op 26 augustus 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 5 De omvang van het geschil 5.1. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover van belang, het volgende beslist: “(…) gelast, uitvoerbaar bij voorraad, de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de verdeling van de gemeenschappelijke goederen van partijen op de wijze zoals vermeld in de rechtsoverwegingen 4.15 tot en met 4.53; compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; wijst het meer of anders verzochte af.” 5.2. De vrouw ve De man acht het wenselijk dat hieraan een dwangsom wordt verbonden om te voorkomen dat de vrouw geen medewerking zal verlenen aan de nieuwe taxatie van het stuk grond met woonhuis in Polen. De man verzoekt uw gerechtshof dat de vrouw ter verzekering van nakoming van de beschikking met betrekking tot de taxatie van het stuk grond met woonhuis in Polen, een dwangsom verbeurt aan de man van € 750,- per dag met een maximum van € 10.000,- voor iedere keer dat de vrouw in gebreke mocht blijven aan deze beschikking te voldoen. - de man een vergoeding heeft op de vrouw ter hoogte van € 21.900,- in verband met voorhuwelijkse investeringen in het woonhuis in Polen.” 5.4. De vrouw heeft in het incidenteel hoger beroep verweer gevoerd. Zij verzoekt het hof: “(…) de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken c.q. de verzoeken van de man in appel af te wijzen als zijnde ongegrond/onbewezen. Kosten rechtens.” 5.5. De vrouw heeft in principaal hoger beroep drie grieven gericht tegen de bestreden beschikking. De man heeft in incidenteel hoger beroep twee grieven gericht tegen de beschikking waarvan beroep. De grieven van partijen zien op de volgende onderwerpen: afwikkeling huwelijkse voorwaarden (grief 1 en 2 vrouw); bankrekeningen (grief 3 vrouw); stuk grond met bebouwing in Polen (grief 1 man); vergoedingsrecht € 21.900,-- (grief 2 man). 5.6. Het hof zal de grieven hierna per onderwerp bespreken. Alvorens daartoe over te gaan, zal het hof eerst ingaan op de rechtsmacht en het toepasselijke recht en op het aanvullend verzoek van de vrouw, dat ter griffie is ingekomen op 23 april 2025. 6 De motivering van de beslissing Rechtsmacht en toepasselijk recht 6.1. De zaak heeft internationale aspecten nu de man de Nederlandse nationaliteit heeft en de vrouw de Poolse nationaliteit. Omdat beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding op grond van art. 3 lid 1 sub a onder i Brussel II-ter rechtsmacht toe. 6.2. Daarnaast heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht – omdat hij met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding (op grond van art. 3 lid 1 sub a onder i Brussel II ter) rechtsmacht heeft – om te beslissen in zaken betreffende het huwelijksvermogensstelsel die met het echtscheidingsverzoek verband houden (art. 5 lid 1 van de Verordening (EU) 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels). 6.3. Geen grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Nederlands recht van toepassing is. Ook het hof zal daarom uitgaan van toepasselijkheid van Nederlands recht (vgl. HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:200). Het aanvullend verzoek van de vrouw 6.4. Het aanvullend verzoek richt zich, kort gezegd, tegen de beslissing van de rechtbank om de voormalige echtelijke woning gelegen aan [adres 1] te [woonplaats] (hierna: de woning) toe te delen aan de man. De rechtbank heeft daarover in rov. 4.25 tot en met 4.27 het volgende overwogen: “4.25. Partijen zijn gezamenlijk. ieder voor de onverdeelde helft, eigenaar van de woning. Partijen zijn het erover eens dat de woning wordt toebedeeld aan de man tegen de getaxeerde waarde van € 323 000,= (zoals opgenomen in het door de vrouw overgelegde taxatierapport van In de [B.V. 1] B.V. van 9 november 2023) en dat de op de woning rustende hypotheek bij [B.V. 2] B.V. geheel door de man zal worden gedragen en afgelost, onder vrijwaring van de vrouw. Deze toedeling vindt plaats onder de voorwaarde dat de vrouw zal worden ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van deze hypotheek. 4.26. De overwaarde van de woning moet worden berekend door de getaxeerde waarde van de woning van € 323.000,= te verminderen met de waarde van de genoemde hypotheek. Partijen zijn het niet eens over de hoogte van de hypotheek. D Subsidiair: te bepalen dat de woning gelegen aan [adres 1] te [woonplaats] dient te worden verkocht door tussenkomst van makelaar [makelaar] te [plaats 1] , alsmede te bepalen dat de overwaarde (= verkoopopbrengst -/- hypotheekschuld -/- verkoopkosten, zoals makelaarskosten) van de gezamenlijke woning tussen partijen bij helfte wordt verdeeld. En voorts de man te veroordelen binnen om binnen 72 uur na betekening van de in deze te wijzen beschikking (althans binnen een termijn die uw Gerechtshof in goede justitie vermeent te behoren) zijn onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan verkoop door [makelaar] te [plaats 1] van het registergoed van de man en de vrouw, staande en gelegen aan [adres 1] te [woonplaats] tegen een door de makelaar vast te stellen vraagprijs en laatprijs en voorts door de man te veroordelen a) schriftelijke opdracht tot verkoop te verstrekken aan [makelaar] te [plaats 1] , b) zijn medewerking te verlenen aan al hetgeen door [makelaar] te [plaats 1] noodzakelijk wordt geacht om het registergoed aan [adres 1] te [woonplaats] te verkopen tegen de redelijkerwijs best haalbare prijs en medewerking te verlenen aan alle daartoe door de makelaar voorgestelde acties (zoals open huizen routes), waarbij alle adviezen van de makelaar, ook die ten aanzien van de stellen vraagprijs, zullen worden opgevolgd. Met bepaling dat wanneer de man niet die (rechts)handelingen verricht waartoe hij gehouden is, de vrouw op grond van artikel 3:299 BW gemachtigd is om de woning vervolgens mede namens de man te verkopen, dan wel met verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag voor iedere dag, een dagdeel aan te merken als dag, dat de man hiermee in gebreke blijft, na dat 7 dagen zijn verstreken nadat hij daartoe per aangetekende brief is gesommeerd. En voorts de man te veroordelen om na verkoop van de woning mee te werken aan de notariële overdracht van de gezamenlijke woning gelegen aan [adres 1] te [woonplaats] en daartoe alle noodzakelijke rechtshandelingen te verrichten en overeenkomsten en aktes te ondertekenen, met bepaling dat wanneer de man niet die (rechts)handelingen verricht waartoe hij gehouden is, de vrouw op grond van artikel 3:299 BW gemachtigd is om de woning vervolgens mede namens de man te leveren aan de opvolgend eigenaar dan wel met verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag, een dagdeel aan te merken als dag, voor iedere dag dat hij hiermee in gebreke blijft, na dat 7 dagen zijn verstreken nadat hij daartoe per aangetekende brief is gesommeerd. Meer subsidiair: Te bepalen dat de woning aan [adres 1] te [woonplaats] aan de man wordt toegedeeld, onder de opschortende voorwaarde dat de vrouw zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen drie maanden na datum van de in dezen te wijzen beschikking wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op de woning rustende hypotheek en uitkering aan de vrouw van de helft van de overwaarde. En deze overwaarde te berekenen op basis van de marktwaarde zoals te taxeren door een door partijen gezamenlijk te kiezen dan wel door uw Gerechtshof te benoemen ter plaatse goed bekend staande NVM- makelaar, en waarbij ter berekening van de overwaarde als peildatum ter zake de hypotheekschuld de datum van de notariele akte van verdeling gehanteerd zal worden. En voorts, voor zover de man niet binnen 3 maanden na datum van de in dezen te wijzen beschikking aan de opschortende voorwaarde (ontslag uit hoofdelijke aansprakelijkheid + uitkering helft overwaarde) heeft voldaan, de man te veroordelen binnen om binnen 72 uur na betekening van de in deze te wijzen beschikking (althans binnen een termijn die uw Gerechtshof in goede justitie vermeent te behoren) zijn onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan verkoop door [makelaar] te [plaats 1] van het registergoed van de man en de vrouw, staande en gelegen aan [adres 1] te [woonplaats] tegen een door de makelaar vast te stellen vraagprijs en laatprijs en voorts door de man te veroordelen a) schriftelijke opdracht tot v Met haar aanvullend verzoek beoogt de vrouw aanpassing aan nieuwe ontwikkelingen, in die zin dat de overgang van de woning aan de man nog altijd niet is gerealiseerd, terwijl de door de rechtbank daarvoor bepaalde termijn van drie maanden inmiddels ruimschoots is verstreken. Van strijd met de eisen van een goede procesorde is geen sprake. Over het primaire verzoek 6.8.2. De vrouw verzoekt de woning aan haar toe te delen voor € 323.000,--. Het hof wijst dit verzoek af. De vrouw heeft tegenover de gemotiveerde betwisting van de man onvoldoende (nader) onderbouwd dat zij de overname van de woning kan financieren. Het had op haar weg gelegen om aan de hand van concrete bescheiden inzichtelijk te maken hoe zij de overname van de woning kan financieren. Dit heeft zij nagelaten, hetgeen voor haar eigen rekening en risico dient te komen. Voor zover de vrouw ter mondelinge behandeling in hoger beroep nog heeft gesteld dat haar kinderen bereid zijn om de overname van de woning te financieren, gaat het hof daaraan voorbij als onvoldoende onderbouwd. Over het subsidiaire verzoek 6.8.3. Ook het verzoek tot, kort gezegd, verkoop van de woning aan een derde, wijst het hof af. Met het overleggen van een verklaring van zijn hypotheekadviseur (pr. 13 in hoger beroep), heeft de man genoegzaam aangetoond dat hij de overname van de woning wél kan financieren. Over het meer subsidiaire verzoek 6.8.4. Dit verzoek wijst het hof ook af. De man heeft voldoende toegelicht waarom de overgang van de woning aan hem nog niet heeft plaatsgevonden. Hij heeft onweersproken verklaard dat de financiering van de overname van de woning onlosmakelijk is verbonden met de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk, zodat niet van de man verwacht kan worden dat hij reeds op één onderdeel, te weten de toedeling van de woning aan hem, een betaling aan de vrouw zal voldoen. Slotsom 6.8.5. De slotsom van het voorgaande is dat het hof het aanvullend verzoek van de vrouw op alle onderdelen zal afwijzen. De grieven Afwikkeling huwelijkse voorwaarden (grief 1 en 2 vrouw) 6.9. Grief 1 en 2 keren zich tegen rov. 4.34 van de bestreden beschikking. Daarin heeft de rechtbank het volgende overwogen: “Uit het bepaalde in artikel 2.1 en 2.2. van de huwelijkse voorwaarden en hetgeen op de mondelinge behandeling is gesteld door beide partijen, leidt de rechtbank af dat het uitgangspunt van partijen was dat het in deze artikelen genoemde vermogen van ieder van hen bij echtscheiding terugbetaald zou worden aan de desbetreffende partij. Een authentieke akte, zoals de akte huwelijkse voorwaarden, levert ingevolge artikel 157 lid 2 Rv tussen partijen dwingend bewijs op van de (waarheid van de) daarin opgenomen verklaring van partijen. Dit komt erop neer dat het ervoor gehouden moet worden dat bij het aangaan van deze notariële akte tussen partijen niet in geschil was dat van de gemeenschap van goederen zijn uitgezonderd het vermogen van de man van € 135.494,69 en het vermogen van de vrouw van € 10.000,=. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de man van de stelling van de vrouw, had het op de weg van de vrouw gelegen om tegenbewijs te leveren van haar stellingen. Zij heeft hiertoe geen aanbod gedaan. De rechtbank gaat daarom aan de stellingen van de vrouw voorbij. Dit betekent dat de gemeenschap aan de man een bedrag van € 135.494,69 dient te vergoeden en aan de vrouw een bedrag van € 10.000,=. Per saldo betekent dit dat de vrouw aan de man een bedrag van € 62.747,35 moet voldoen.” 6.10. Met haar grieven betoogt de vrouw dat de huwelijkse voorwaarden vernietigbaar zijn vanwege dwaling, dan wel misbruik van omstandigheden. Dát zijn de vernietigingsgronden waarop de vrouw zich, als verklaard bij de mondelinge behandeling in hoger beroep, heeft beroepen en waarvan de man dit ook zo heeft begrepen, gelet op hetgeen hij hierover naar voren heeft gebracht. 6.11. Voor zover hier relevant, luiden de huwelijkse voorwaarden als volgt: “(...) 1.2 wettelijke beperkte gemeenschap van goederen E Op de vraag van de notaris of er een vertaler aanwezig moest zijn, heeft de vrouw aangegeven dat zij alles begreep van hetgeen zij besproken hadden en ook dat ze thuis de conceptakte had ontvangen en deze uitvoerig had doorgenomen. Mocht de notaris hebben opgemerkt dat een vertaler toch noodzakelijk was, dan had hij deze alsnog ingeschakeld. Het was de wens van de vrouw om met de huwelijkse voorwaarden de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen uit te breiden naar een algehele gemeenschap van goederen. Aangezien de man over veel vermogen en spullen beschikte zou zij hier veel voordeel van ondervinden. Nu uiteindelijk is gebleken dat het bedrag dat de man heeft geïnvesteerd in de woning ervoor zorgt dat hij een vordering zal hebben op de vrouw, doet zij er alles aan om daar onder uit te komen. Er is wel degelijk sprake geweest van een investering ter hoogte van € 135.494,69. Hij verwijst daarvoor naar de door hem als producties HB 2 tot en met HB 5 in hoger beroep in het geding gebrachte stukken. Dat de vrouw niet wist wat een vergoedingsrecht inhield is dubieus, gelet op het feit zij zelf ook een vergoedingsrecht heeft laten opnemen in de huwelijkse voorwaarden ter hoogte van € 10.000,--. De vrouw is hierover wel degelijk ingelicht. Van een onjuiste voorstelling van zaken, is dan ook geen sprake. Weersproken wordt ten slotte dat het tegen de wens van de vrouw in is, dat het stuk grond in Polen onderdeel is gaan uitmaken van de huwelijksgemeenschap. Partijen hebben hierover uitvoerig met de notaris gesproken. 6.15. Het hof oordeelt als volgt. Het beroep van de vrouw op vernietigbaarheid van de huwelijkse voorwaarden gaat niet op. De feiten waarop de vrouw zich beroept, zijn door de man voldoende gemotiveerd betwist. Het hof wijst hierbij ook op de (onweersproken) schriftelijke verklaring van de notaris waarin de notaris de procedure schetst voor het opmaken en ondertekenen van stukken (productie HB1 vws man). Voor zover de vrouw heeft betoogd dat het de bedoeling van partijen was om alleen de daadwerkelijke investeringen van de man in de woning van de huwelijksgemeenschap uit te zonderen, overweegt het hof als volgt. Het hof stelt vast dat de uitleg van de inhoud van de huwelijkse voorwaarden in geschil is. Volgens vaste rechtspraak dient de uitleg van de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden te geschieden aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Zie o.m. HR 3 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6085 en HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1564. De Haviltex-maatstaf (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158) luidt als volgt: “De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.” Bij deze uitleg dient de rechter rekening te houden met alle bijzondere omstandigheden van het gegeven geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427, NJ 2005/493). Uit hetgeen de man in zijn stukken en ter mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht, leidt het hof af dat ook hij ervan uitgaat dat van de huwelijksgemeenschap zijn uitgezonderd de daadwerkelijk door hem gedane investeringen in de woning. Volgens de man gaat het daarbij om het in de huwelijkse voorwaarden opgenomen bedrag van € 135.494,69. Voor de onderbouwing van dit bedrag verwijst hij naar de door hem in hoger beroep overgelegde producties HB 2 tot en met HB 5. Het hof stelt vast dat de vrouw de in