Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-09-11
ECLI:NL:GHSHE:2025:2481
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
1,804 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:GHSHE:2025:2481 text/xml public 2026-05-06T11:30:43 2025-09-11 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-09-11 200.350.490_01 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2481 text/html public 2026-05-06T11:30:12 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:2481 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 11-09-2025 / 200.350.490_01 kinderalimentatie, overeenstemming GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht zaaknummer : 200.350.490/01 zaaknummer rechtbank : C/03/322986 / FA RK 23-3794 beschikking van de meervoudige kamer van 11 september 2025 inzake [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in het principaal hoger beroep, verweerster in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. S.X.J. Zuidema te Heerlen, tegen Stichting [stichting] in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan de in [woonplaats] woonachtige [de man] (hierna te noemen: de bewindvoerder), gevestigd te [vestigingsplaats] , verweerder in het principaal hoger beroep, verzoeker in het incidenteel hoger beroep, advocaat mr. V.C.C. Luijten te Heerlen. 1 Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 8 november 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2 Het geding in hoger beroep 2.1. De vrouw is op 29 januari 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 8 november 2024. 2.2. De man heeft op 4 april 2025 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend. Gelet op het schrijven van de advocaat van 19 mei 2025 (zie hierna) beschouwt het hof dit processtuk als ingediend namens de bewindvoerder. 2.3. De vrouw heeft op 9 mei 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend. 2.4. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: - V8-formulier d.d. 19 mei 2025 van de advocaat van de bewindvoerder, waarin de advocaat verklaart namens de bewindvoerder op te treden; - V6-formulier d.d. 12 augustus 2025 van de advocaat van de vrouw met als bijlagen producties 6, 7 en 8; - V6-formulier d.d. 25 augustus 2025 met bijlagen van de advocaat van de bewindvoerder. 2.5. De mondelinge behandeling heeft op 28 augustus 2025 plaatsgevonden. Daarbij zijn verschenen: - mr. Luijten namens de bewindvoerder, - de man; - de vrouw, bijgestaan door mr. Zuidema. Er is geen vertegenwoordiger van de bewindvoerder verschenen. 3 De feiten 3.1. De man en de vrouw zijn de (juridische) ouders van: - [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2010 (hierna: [minderjarige 1] ), - [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2014 (hierna: [minderjarige 2] ), hierna samen ook te noemen: de kinderen. De kinderen wonen bij de vrouw. 3.2. De man en de vrouw zijn op 27 juni 2018 in een vaststellingsovereenkomst overeengekomen dat de man een bijdrage van € 95,- per kind per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen. 3.3. Bij beschikking van 8 juni 2020 heeft de rechtbank de vaststellingsovereenkomst gewijzigd voor zover het betreft de kinderalimentatie en bepaald dat de man met ingang van 1 juli 2019 met een bedrag van € 145,- per kind per maand zal bijdragen in de kosten van de kinderen. 3.4. Op [geboortedatum] 2023 is [minderjarige 3] geboren, de zoon van de man en mevrouw [nieuwe partner] . 3.5. Bij beschikking van 15 december 2023 heeft de kantonrechter in de rechtbank Limburg, locatie Maastricht wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden een bewind ingesteld van 1 januari 2024 tot 1 januari 2029 over de (toekomstige) goederen van de man. 3.6. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie, zoals vastgesteld in de beschikking van 8 juni 2020, gewijzigd en bepaald dat de kinderalimentatie met ingang van 1 juni 2023 € 48,- per kind per maand bedraagt en vanwege de wettelijke indexering € 51,- per kind per maand vanaf 1 januari 2024. 4 De omvang van het geschil 4.1. De vrouw is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven zien op de overweging van de rechtbank dat de man en de nieuwe partner niet samenwonen (grief 1) en op de draagkracht van de man (grief 2). De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en de bijdrage in het levensonderhoud van de kinderen te stellen op € 161,30 per maand per kind. 4.2. De bewindvoerder heeft verweer gevoerd en tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. De grief van de bewindvoerder ziet op de draagkracht van de man. De bewindvoerder verzoekt de bijdrage die de man aan de vrouw dient te leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te stellen op een bedrag van maximaal € 25,- per kind per maand met ingang van 1 juni 2023. 4.3. De vrouw heeft vervolgens een verweerschrift in incidenteel hoger beroep ingediend en het hof verzocht het incidenteel hoger beroep af te wijzen. 5 De motivering van de beslissing Overeenstemming 5.1. Partijen hebben bij aanvang van de mondelinge behandeling in hoger beroep het hof bericht dat zij algehele overeenstemming hebben bereikt over de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Zij hebben een gewijzigd bedrag afgesproken met ingang van 1 september 2025 en daarbij geconstateerd dat de man over de voorgaande periode aan zijn verplichtingen uit hoofde van kinderalimentatie heeft voldaan. Partijen hebben hun verzoeken in hoger beroep gewijzigd conform hetgeen zij zijn overeengekomen en het hof verzocht die overeenstemming in een beschikking vast te leggen. Gelet hierop heeft een verdere inhoudelijke behandeling van de zaak niet (meer) plaatsgevonden. Partijen zijn overeengekomen dat: - de man met ingang van 1 september 2025 aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding zal voldoen van € 85,- per kind per maand. Het hof zal de verzoeken in principaal hoger beroep en incidenteel hoger beroep als dienovereenkomstig gewijzigd beschouwen en beslissen als volgt. 6 De beslissing Het hof: in principaal en incidenteel hoger beroep: vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht van 8 november 2024, en in zoverre opnieuw beschikkende: wijzigt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie zoals die is vastgelegd in de beschikking van 8 juni 2020, en bepaalt dat de man met ingang van 1 september 2025 aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2010 en [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2014 een bedrag van € 85,- per kind per maand zal betalen, verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, G.M. Goes en S.P.A. WensinkVergunst, bijgestaan door mr. E.G.A. Janssen als griffier, en is op 11 september 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.