Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-09-09
ECLI:NL:GHSHE:2025:2455
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.319.804/02 arrest van 9 september 2025 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als [appellant] , advocaat: mr. M.A.F. Evers te [A] , tegen 1 [geïntimeerde sub 1] ,wonende te [woonplaats] , 2. Maja Investments Oisterwijk B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , 3. Maja Deelnemingen B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerden in principaal hoger beroep, appellanten in incidenteel hoger beroep, hierna gezamenlijk aan te duiden als [geïntimeerden] en ieder afzonderlijk als [geïntimeerde sub 1] respectievelijk Maja Investments en Maja Deelnemingen, advocaat: mr. H.L.J.M. van Grinsven te Tilburg, op het bij exploot van dagvaarding van 6 oktober 2022 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 20 juli 2022, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie en verweerder in reconventie en [geïntimeerden] als gedaagden in conventie en eisers in reconventie. 1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/370451 / HA ZA 21-303) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2 Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven met producties en eiswijziging; de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties; de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met producties; de mondelinge behandeling op 12 november 2024, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd; de bij H3 formulier van 1 november 2024 door [geïntimeerden] aan het hof toegezonden akte overlegging productie, met productie 40 die bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding heeft gebracht; de bij H3 formulier van 6 november 2024 door [appellant] aan het hof toegezonden akte overlegging productie met productie 75, die hij bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding heeft gebracht. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3 De beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep Vooraf: het geschil in het kort 3 [appellant] heeft met [geïntimeerden] overeenkomsten gesloten. In hoger beroep zijn met name drie overeenkomsten aan de orde, te weten (verkort weergegeven en in hoofdlijnen): Effectenportefeuille a. [appellant] en [geïntimeerde sub 1] hebben op 3 december 2004 een geldleningsovereenkomst gesloten in het kader van een effectenportefeuille. [appellant] heeft zich verplicht om 1/3e deel van de opbrengst uit de portefeuille aan [geïntimeerde sub 1] te betalen. [appellant] heeft zich ook verplicht om [geïntimeerde sub 1] op de hoogte te houden van de ontwikkelingen van de portefeuille. [geïntimeerde sub 1] heeft zich daartegenover verplicht om per jaar een vergoeden te betalen als compensatie voor de kosten van het beheer van de portefeuille. Aankoop van 45 ha gronden [appellant] en [geïntimeerde sub 1] hebben op 1 november 2009 een geldleningsovereenkomst gesloten in het kader van additionele financiering van aankoop van 45 ha gronden in [A] . [appellant] heeft, na in april 2009 een lening voor een bedrag van € 1.000.000 aan [geïntimeerde sub 1] te hebben verstrekt additioneel een bedrag van € 350.000 aan [geïntimeerde sub 1] geleend tegen een rente van 7,5% per jaar. [geïntimeerde sub 1] heeft zich verplicht om bij een winst op het project hiervan 18,75% te doen toekomen aan [appellant] . [geïntimeerde sub 1] heeft zich ook verplicht om inlichtingen te verstrekken die voor [appellant] van belang kunnen zijn. Realisatie van [XX] Campus Cluster I (BIC Cluster I) [appellant] en Maja Investments en/of Maja Deelnemingen hebben op 13 december 2017 een geldleningsovereenkomst gesloten in het kader van de realisatie van BIC Cluster I. [appel Het hof stelt partijen in de gelegenheid om zich over dit voornemen uit te laten. Het (incidenteel) hoger beroep van [geïntimeerde sub 1] ziet op de overeenkomst van 3 december 2004 met betrekking tot de effectenportefeuille. Het hof zal [appellant] veroordelen tot betaling van een voorschot aan [geïntimeerde sub 1] van € 635.685 (1/3e deel van de opbrengst verminderd met de door [geïntimeerde sub 1] verschuldigde compensatie voor de kosten van het beheer). [appellant] zal ook worden veroordeeld tot nakoming van zijn verbintenis om informatie aan [geïntimeerde sub 1] te verstrekken. Het hof ziet geen aanleiding om hieraan (betaling van) een dwangsom te verbinden. De feiten 3.1 In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. 3.1.1 [appellant] is actief als ondernemer en investeerder. 3.1.2 [geïntimeerde sub 1] is aandeelhouder en (voormalig) bestuurder van Maja Investments. Als gevolg van een uitspraak van de Ondernemingskamer van 10 oktober 2017 is [persoon D] (hierna: [persoon D] ) aangesteld geweest als onafhankelijk bestuurder van Maja Investments. Maja Investments is enig aandeelhouder en enig bestuurder van Maja Deelnemingen. 3.1.3 Op 3 december 2004 heeft [geïntimeerde sub 1] een overeenkomst van geldlening gesloten met [appellant] en [persoon A] , een broer van [appellant] . Deze overeenkomst houdt onder meer in: “(…) IN AANMERKING NEMENDE : (i) [appellant] heeft rechtstreeks of middellijk geïnvesteerd in een effectenportefeuille zoals gespecificeerd in Bijlage 1. (hierna te noemen: de “ Portefeuille ” ). De Portefeuille is gewaardeerd op € 12.600.000,-. (ii) [geïntimeerde sub 1] is bereid aan [appellant] een som van € 4.200.000,- (zegge: vier miljoen tweehonderdduizend Euro), hierna te noemen: de “ Hoofdsom ” , ter leen te verstrekken, gelijk [appellant] dit bedrag van [geïntimeerde sub 1] wenst te lenen. (iii) [appellant] verplicht zich de Hoofdsom, inclusief de daarover verschuldigde rente, uiterlijk voor 1 oktober 2010 aan [geïntimeerde sub 1] terug te betalen; (…) Artikel 1 - Hoofdsom 1.1 [geïntimeerde sub 1] zal de Hoofdsom aan [appellant] ter leen verstrekken, gelijk [appellant] de Hoofdsom ter leen zal ontvangen, zulks onder de voorwaarden van deze Overeenkomst. 1.2 Ondergetekenden I.a. en I.b. zijn beiden hoofdelijk aansprakelijk voor de nakoming van alle verplichtingen uit hoofde van deze Overeenkomst. Artikel 2 – Duur, aflossing, kosten en rente 2.1 Deze Overeenkomst wordt aangegaan voor een bepaalde periode, zulks tot 1 oktober 2010. (…) 2.3 In geval van een opbrengst in welke vorm dan ook (dividenden, verkoopopbrengsten, rentes etc.) uit de Portefeuille, zal [appellant] binnen één week na betaalbaarstelling van de opbrengst, een bedrag gelijk aan 1/3-deel van de opbrengst uitbetalen aan [geïntimeerde sub 1] , door overmaking naar een door [geïntimeerde sub 1] aan te geven bankrekening. (…) 2.12 [appellant] staat in voor een goed beheer van de Portefeuille. [geïntimeerde sub 1] zal € 50.000 per jaar vergoeden als compensatie voor alle kosten van het bewaren en beheren van de Portefeuille. (…) Artikel 7 Informatieplicht 7.1 [appellant] zal binnen twee weken na afloop van een elk kwartaal aan [geïntimeerde sub 1] een complete actuele opgave verstrekken van de samenstelling en waardering van de Portefeuille naar de toestand per het einde van dat betreffende kwartaal. Tevens wordt een overzicht van de mutaties en inkomsten in de Portefeuille gedurende dat kwartaal in de opgave vermeld. (…)”. 3.1.4 [geïntimeerde sub 1] , althans een aan hem gelieerde vennootschap, heeft in 2009 45 hectare grond in [A] gekocht met als doel om deze gronden in de toekomst te gaan ontwikkelen. Deze gronden zijn uiteindelijk voor een deel ontwikkeld tot [XX] Campus (hierna: BIC). BIC is een initiatief vanuit de industrie dat mede mogelijk is gemaakt door SDK Vastgoed B.V., de provincie Noord-Brabant, de gemeente [A] en de Brabantse Ontwikkelingsmaatschappij. 3.1.5 In april 2009 heeft [appellant] aan [geïntime van 2020 is onder meer opgenomen: “ (…) Swiss Sense International B.V. is in boekjaar 2020 opgericht en heeft 100% van de aandelen in Dinvest Holding XV B.V. en Dinvest Holding VII B.V. verkregen. Daarnaast heeft het op dezelfde dag 100% van de aandelen in Swiss Sense Holding B.V. verkregen, deels door een directe aankoop van aandelen en deels doordat Dinvest Holding XV B.V. en Dinvest Holding VII B.V. aandelen houden in Swiss Sense Holding B.V. (…)”. 3.1.10 V.O.F. [XX] Campus ( hierna: vof BIC ) betreft de samenwerking tussen Maja Deelnemingen en SDK Vastgoed Deelnemingen B.V. inzake de ontwikkeling van [XX] Campus. Maja Deelnemingen is van 1 december 2016 tot en met 16 april 2018 vennoot geweest van vof BIC . Op 16 april 2018 is Maja Deelnemingen uitgetreden als vennoot. Maja Deelnemingen I B.V. is op dezelfde dag toegetreden als vennoot van vof BIC . 3.1.11 Vanaf oktober 2017 hebben [appellant] , Maja Investments en Maja Deelnemingen onderhandeld over een door [appellant] te verstrekken financiering van € 1.650.000. Op 24 oktober 2017 heeft [geïntimeerde sub 1] een voorstel van [persoon B] (adviseur van [appellant] , hof) voor additionele financiering ontvangen. Op 24 oktober 2017 heeft [geïntimeerde sub 1] aan [persoon B] geschreven: “(…) Bij punt 3.1 staat dat de termijn 1/11/2018 afloopt Ik ontvang de winst bij verkoop aan een eindbelegger Dus wil dit graag veranderen dat dit sychroon loopt met deze verkoop Daarnaast is de 18,75 0/0 rendament hetgeen we al hebben afgesproken op dit project wat valt onder bic fase 1 Het gebouw waar we over gesproken hebben Het is niet bedoeld als deze 18,75 2x (…)”. Daar op reageert [persoon B] bij e-mail van 25 oktober 2017: “(…) Je had aangegeven dat de verkoop ergens mei 2018 zou kunnen plaatsvinden en daar heb ik een marge bij aangehouden en ben zo op 1 november uitgekomen. Als dit niet realistisch is moeten we dit aanpassen, maar ik wil wel een einddatum aanhouden De winstregeling 18,75% is inderdaad niet bedoeld als 2x (…)”. 3.1.12 Bij e-mail van 12 november 2017 heeft [geïntimeerde sub 1] aan [persoon B] geschreven: “(…) Wil wel zeggen dat het gaat om 18,72 0/0 van de winst Een minimum van 1 mio is een lachertje ,maar ik wil het gewoon houden op de 18,72 van de winst Zet er anders in op hal 1 minimaal 500 k Ik kan ook niet zien wat er in de wereld gebeurd Oplevering data met eind datum is accoord 31/12/2018 (…)”. Bij e-mail van 12 november 2017 15:36 reageert [persoon B] als volgt: “(…) We hebben al 3 weken geleden een voorstel gedaan waarop het zou kunnen werken. Dat had al uitgewerkt en geregeld kunnen zijn. (…) Ik voel erweinigvoor om aan de voorgestelde lening te tornen. Einddatum 31 12 2018 is goed. (…)”. 3.1.13 Op 5 december 2017 heeft [geïntimeerde sub 1] een namens [appellant] door [persoon B] aan hem toegezonden verklaring van 29 november 2017 ondertekend, daarin verklaart [geïntimeerde sub 1] : “(…) In aanmerking nemende dat [appellant] in 2009 een geldlening heeft verstrekt heeft bij de aankoop van 45 ha gronden te [A] waarbij aan [appellant] een winstrecht ad 18,75% op het project overeengekomen is. verklaren dat onder het project altijd is verstaan tevens alle ontwikkelingsactiviteiten die op vermelde grondposities plaats zullen vinden. Derhalve vallen dus ook alle opbrengsten die aan de ontwikkelingsactiviteiten zijn toe te rekenen onder het winstrecht van 18,75%. (…)”. 3.1.14 Voornoemde onderhandelingen hebben geleid tot een geldleenovereenkomst van 13 december 2017 tussen [appellant] als leningverstrekker enerzijds en Maja Investments en/of Maja Deelnemingen als leningnemer anderzijds. Deze overeenkomst houdt onder meer in: (…)” A. Inleiding 1. Op 1 december 2016 zijn Leningnemer en SDK Vastgoed Deelnemingen I B.V. een vennootschap onder firma aangegaan genaamd V.O.F. [XX] Campus (de VOF). Het doel van de VOF is het ontwikkelen van de zogeheten [XX] Campus in [A] (het BIC Project). De financiering van het project is nog niet gefinaliseerd. Rabobank heeft een f Hieruit volgt, onder meer, dat BIC fase 1 is verkocht voor een verkoopprijs van € 130.920.193, waarbij een bedrag van € 61.545.657 is betaald als koopprijs voor de verkochte aandelen en een bedrag van € 69.374.536 is betaald als aflossing van de door Rabobank verstrekte lening. Maja Deelnemingen heeft volgens het cashflowoverzicht per saldo € 24.376.244 ontvangen van de notaris die de levering van de aandelen heeft begeleid. 3.1.18 Een e-mail bericht van [persoon F] aan [persoon C] en [persoon D] van 5 november 2020 houdt onder meer in: “(…) Om het winst recht van [appellant] te kunnen vaststellen, hebben we, naast het cash-flow overzicht, natuurlijk ook een winstberekening (p&l) van het BIC project nodig. @ [persoon C] zou jij hiervoor kunnen zorgen? @ [persoon D] zou jij bij de verstrekte p&l kunnen verklaren dat de opgenomen kosten en opbrengsten juist en volledig zijn weergegeven? Daarnaast zouden wij graag de volgende documenten willen ontvangen: • Jaarrekeningen 2015 t/m 2019 en meest recente tussentijdse cijfers van: o Maja Investments Oisterwijk B.V. o Maja Deelnemingen B.V. o BIC Holdings 1 B.V. vh Maja Deelnemingen I B.V. o BIC GP B.V. o [XX] Campus C.V. o Maja Deelnemingen II B.V. o V.O.F. [XX] Campus • Definitieve completion accounts behorende bij de SPA zodra beschikbaar • Splitsingsakte + splitsingsbalans BIC Holdings 1 B.V. vh Maja Deelnemingen I B.V. • Onderbouwing van de hoogte van het depotbedrag • Factuur makelaarskosten € 1,2 mln • Afrekening van NIBC i.z. het winstrecht + specificatie van de berekening • Vaststellingsovereenkomst Roozen van Hoppe d.d. 4 december 2015 • Overzicht van alle (in)directe stortingen en onttrekkingen van Maja Deelnemingen B.V. in Maja Deelnemingen I B.V., V.O.F. [XX] Campus / [XX] Campus C.V./ BIC GP B.V. • Lening overeenkomsten Reggeborgh, Montalchino, Mommy en Frebadebi. En verder hebben we nog de volgende vragen: • Is onze conclusie terecht dat (op basis van de draft completion accounts) het winstaandeel van Leningnemer in BIC Cluster I gelijk is aan: Totale property sale value included value adjustments € 134.277.560 + (voorwaardelijke) opbrengst WestWing € 4.754.000 -/- Onderhanden werk fiscaal € 109.891.363 = € 29.140.197 x 50% = € 14.570.099 (tevens grondslag voor de berekening van de belastinglatentie), verminderd met makelaarskosten en eventuele (huur)garantie aanspraken van Koper en vermeerderd met een eventuele additionele koopsom? • Hoe wil Leningnemer in het kader van de overeengekomen winstdeling omgaan met eventuele toekomstige (garantie)aanspraken van Koper van BIC I? • Hoe wil Leningnemer in het kader van de overeengekomen winstdeling omgaan met de eventueel te ontvangen additionele koopsom ? • Zit het volledige resultaat (m.u.v. de verkoopwinst op de aandelen BIC Holdings 1 B.V. en BIC Holdings 2 B.V.) van de eerste fase van het BIC Project (BIC Cluster I) in BIC GP B.V., [XX] Campus C.V. en V.O.F. [XX] Campus ? Zo nee, welke opbrengsten en kosten zitten hier niet in en waarom zijn die niet 50:50 voor rekening van SDK? • Zitten er in voornoemde entiteiten resultaten die niet zien op BIC Cluster I? • Zijn er in de ohw-waardering van de CV rente- of anders kosten van de vennoten geactiveerd? Zit er in de waardering van het ohw een winstopslag? • Wat heeft de agiostorting in Maja II, bestemd voor de VOF in het kader van de verdere ontwikkeling van [XX] Campus te maken met het resultaat van BIC 1? Waarom wijkt het bedrag in het excel overzicht af van de overeenkomst? • Op welke projecten zag de samenwerking met Roozen van Hoppe? • Wat heeft de afboeking op de vorderingen o.b.v. de vaststellingsovereenkomst € -1.012.152 en de latere kwijtschelding van € 750k aan Roozen van Hoppe te maken met het resultaat op BIC I en waarom wordt de door Roozen van Hoppe betaalde rente buiten beschouwing gelaten? • Wat is de relatie door het in het overzicht genoemde verlies bij splitsing Maja Deelnemingen va € 148.843 en de bijlage 12 "verlies VSO" waarin de toelichting op de V&W is 3.1.25 Op 12 maart 2021 heeft [appellant] aan de Rechtbank Oost-Brabant verlof gevraagd tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van [geïntimeerde sub 1] , Maja Investments en Maja Deelnemingen voor een bedrag van € 2.373.951. Dit bedrag is opgebouwd uit 18,75 % van het winstaandeel, berekend over de minimale winst van € 10.638.614, vermeerderd met rente en kosten. Bij beschikking van 16 maart 2021 heeft de rechtbank het verlof verleend. Op 23 maart 2021 heeft [appellant] het eerste beslag gelegd. 3.1.26 [appellant] heeft Witlox van den Boomen en Aeternus B.V. (hierna: Aeternus) ingeschakeld om op basis van de van Maja Investments en Maja Deelnemingen ontvangen informatie te berekenen wat de aan [appellant] toekomende vergoeding is voor BIC fase 1. Witlox van den Boomen concludeert in zijn rapport van 8 februari 2023 dat de aan [appellant] toekomende vergoeding inzake BIC 1 € 2.172.000 bedraagt. Aeternus concludeert dat dat de aan [appellant] toekomende vergoeding inzake BIC I € 1.956.567 bedraagt. 3.1.27 Op 12 juni 2023 heeft Witlox van den Boomen een vergelijking gemaakt tussen de door [geïntimeerde sub 1] bij e-mail van 3 november 2011 afgegeven winst(delings)verwachtingen te weten € 25.000.000 en de winstverwachting volgens de e-mail van [persoon B] aan [geïntimeerde sub 1] van 16 oktober 2017, te weten € 24.000.000 en de winstrealisatie conform de SPA 21-09-2020, te weten € 29.140.197. Op grond hiervan is de aan [appellant] toekomende vergoeding, na kosten en uitgaande van een winstrecht van 18,75%, becijferd op respectievelijk € 2.343.750, € 1.546.875 en € 2.731.893. 3.1.28 [geïntimeerden] heeft een rapport van BDO van 4 maart 2024 overgelegd. De aan [appellant] toekomende vergoeding zou volgens dit rapport onder het minimum toegezegde aandeel van € 500.000 uitkomen. Volgens het addendum van 1 november 2024 bij dit rapport waarin is opgemerkt dat inmiddels alle eenheden zijn verhuurd, en geen verdere nakomende kosten uit hoofde van de huurgarantie zijn te verwachten, zou het resterend aandeel van [appellant] in de voorlopige winst € 714.513 zijn. 3.1.29 [appellant] heeft een overzicht van Witlox Van den Boomen, opgesteld door [persoon E] van [bedrijf A] , dat op 5 november 2024 aan [persoon F] is gezonden, overgelegd. Het overzicht ziet op het inzichtelijk maken van de verschillen tussen de resultaatsberekening van Witlox Van den Boomen enerzijds en BDO anderzijds. [persoon E] geeft daarin aan dat Witlox Van den Boomen, anders dan BDO, ervan uitgaat dat [appellant] “(…) aanspraak kan maken op een percentage van de winst voor belasting. (…)”. De vorderingen in eerste aanleg 3.2.1 In de onderhavige procedure heeft [appellant] in eerste aanleg in conventie gevorderd, kort gezegd, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat de rechtbank: 1. voor recht verklaart dat [geïntimeerde sub 1] op grond van artikel 7.3 van de geldleningsovereenkomst van 1 november 2009 contractueel verplicht is om bij verkoop van het door [geïntimeerde sub 1] aangekochte onroerend goed zoals bedoeld in de geldleningsovereenkomst van 1 november 2009, aan [appellant] te doen toekomen een vergoeding groot 18,75% van het winstaandeel van [geïntimeerde sub 1] in het project, 2. voor recht verklaart dat Maja Investments en Maja Deelnemingen op grond van artikel 9.2 van de van de overeenkomst van geldlening d.d. 13 december 2017 contractueel verplicht zijn om bij verkoop van de eerste fase van Brainport Industries Campus BIC Cluster I aan [appellant] te doen toekomen een vergoeding groot 18,75% van het winstaandeel van Maja Investments en Maja Deelnemingen in BIC Cluster I, met een minimum van EUR 500.000,--, 3. voor recht verklaart dat [geïntimeerde sub 1] op grond van artikel 7.1 van de geldleningsovereenkomst van 1 november 2009 [appellant] op eerste verzoek alle informatie moeten doen toekomen, die [appellant] in het kader van de geldleningsovereenkomst van 1 november 2009 noodzakelijk acht, 4. voor recht verklaart dat Maja Deelnemingen en Maj 3.2.3 In eerste aanleg in reconventie heeft Maja Investments, kort gezegd, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gevorderd dat de rechtbank: indien en voor zover tijdens de procedure bij de rechtbank Oost Brabant locatie 's-Hertogenbosch met kenmerk C/01/368494 komt vast te staan dat de uitkomst van mediation tussen [geïntimeerde sub 1] en [appellant] niet bindend was, [appellant] te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Maja Investments te betalen een bedrag gelijk aan de wettelijke (handels)rente ex artikel 6:119(a) BW over de periode van februari 2019 (aanvang verzuim) tot en met september 2020 over de twintig termijnen van € 15.000,00 die [appellant] te laat voldaan heeft; en I. primair: a. [appellant] veroordeelt om aan Maja Investments te betalen de restant koopsom van € 4.490.000,—, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, ter zake de overeengekomen aflossing van de restant koopprijs wegens de verkoop van (de aandelen in) Swiss Sense Holding B.V., te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119 a BW, dan wel de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, vanaf 27 augustus 2020, dan wel vanaf 11 september 2020, althans vanaf een in goede justitie te bepalen dag, tot aan de dag der algehele voldoening, subsidiair: a. [appellant] veroordeelt aan Maja Investments te betalen een in goede justitie te bepalen bedrag ter zake de overeengekomen aflossing van de restant koopprijs wegens de gehele dan wel gedeeltelijke verkoop door [appellant] van zijn aandelen van Swiss Sense Holding B.V., vermeerderd met de wettelijke (handels)rente vanaf de dag van verzuim, althans een in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening; b. [appellant] veroordeelt aan Maja Investments te betalen een bedrag van € 90.000,- te vermeerderen met € 15.000,00 per maand vanaf juli 2021 dat [appellant] het maandelijkse bedrag van € 15.000,00 niet aan Maja Investments voldaan heeft, vermeerderd met de wettelijke (handels)rente vanaf de dag van verzuim, althans een in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening; c. voor recht verklaart dat [appellant] op grond van de overeenkomst van 28 oktober 2014 tot het moment dat de volledig restant koopprijs voldaan is, verplicht is om Maja Investments nu en in de toekomst bij verkoop van (een deel van) zijn de aandelen van Swiss Sense Holding B.V. te informeren en geïnformeerd te houden over welke aandelen in Swiss Sense Holding B.V [appellant] hierbij verkocht heeft of zal verkopen; d. [appellant] veroordeelt tot het op uiterlijk 7 dagen na dagtekening van het vonnis, dan wel een in goede justitie te bepalen datum, verstrekken aan [geïntimeerde sub 1] van informatie over welke aandelen van Swiss Sense Holding B.V. verkocht zijn bij de verkoop van de aandelen van Swiss Sense Holding B.V., op straffe van een in goede justitie te bepalen dwangsom voor elke dag dat [appellant] niet aan deze verplichting voldoet, II. a. [appellant] veroordeelt om aan Maja Investments te betalen de buitengerechtelijke incassokosten van € 6.775 (exclusief btw) indien de primaire vordering bij I wordt toegewezen, dan wel € 1.675 (exclusief btw) indien de subsidiaire vordering onder II wordt toegewezen, althans een in goede justitie te bepalen bedrag. 3.2.4 In reconventie in eerste aanleg heeft [geïntimeerde sub 1] , kort gezegd, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad gevorderd dat de rechtbank: a. voor recht verklaart dat [appellant] op grond van artikel 7 van de overeenkomst van 3 december 2004 verplicht is om [geïntimeerde sub 1] nu en in de toekomst te informeren en geïnformeerd te houden over de samenstelling en waardering van de effectenportefeuille en eventuele herbeleggingen als ook aangaande de mutaties en inkomsten hiervan, een en ander tot het moment dat de volledige effectenportefeuille van 3 december 2004 en eventuele herbeleggingen hiervan zijn afgewikkeld en alle opbrengsten hiervan overeenkomstig de overeenkomst van 3 december 200 - dat partijen het er over eens zijn dat [appellant] op grond van de overeenkomst van 13 december 2017 recht heeft op een winstaandeel van 18,75%, maar dat partijen twisten over de vraag hoe de winst moet worden berekend en wanneer een mogelijke vordering van [appellant] opeisbaar is. Dat in de overeenkomst van geldlening van 13 december 2017 niets geregeld voor de situatie waarin de winst na verkoop nog niet definitief kan worden vastgesteld, zodat de overeenkomst een leemte laat die moet worden ingevuld (rechtsoverweging 4.9). - dat niet vaststaat dat partijen met artikel 9.2 van de overeenkomst van 13 december 2017 hebben bedoeld overeen te komen dat de vordering van [appellant] met betrekking tot zijn winstrecht bij verkoop direct opeisbaar is ook indien de winst nog niet definitief kan worden vastgesteld. De vordering van [appellant] , betreft een aandeel in de winst waarvan hij meent dat die in ieder geval gerealiseerd zal worden en dient daarmee te worden aangemerkt als een vordering op een voorschot op zijn winstaandeel. Ter onderbouwing van een contractuele aanspraak op een voorschot heeft [appellant] echter onvoldoende gesteld, zodat het verweer van [geïntimeerden] dat een recht op een voorschot niet is overeengekomen slaagt (rechtsoverweging 4.13 tot en met 4.15). - evenmin kan worden geoordeeld dat van [appellant] redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij afwacht totdat de winst definitief kan worden begroot. Bij dat oordeel betrekt de rechtbank dat de geldlening inclusief de rente vergoeding van 12% door Maja Investments en Maja Deelnemingen al is terug betaald (rechtsoverweging 4.16). - [appellant] heeft onvoldoende onderbouwd dat hij aanspraak kan maken op het subsidiair door hem gevorderde in goede justitie te bepalen bedrag. Dat hij op grond van de overeenkomst van 13 december 2017 recht zou hebben op een winstdeling van minimaal € 500.000 ook indien er geen winst wordt gemaakt, is door hem onvoldoende onderbouwd. De vordering met betrekking tot het winstaandeel van [appellant] op grond van de overeenkomst van 13 december 2017 zal daarom geheel worden afgewezen (rechtsoverweging 4.18.). - dat partijen in artikel 9.3 van de overeenkomst van 13 december 2017 een informatieverplichting voor Maja Investments en Maja Deelnemingen zijn overeengekomen waaraan geen beperkingen verbonden zijn en dat [appellant] op grond van die bepaling recht heeft op alle informatie die hij noodzakelijk acht voor de berekening van (zijn aandeel in) de winst. De vordering tot nakoming van de informatieverplichting zal worden toegewezen voor zover deze door [appellant] is geconcretiseerd in het e-mailbericht van 5 november 2020.Voor het overige is de vordering te algemeen geformuleerd om te worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal, zo heeft de rechtbank geoordeeld niet worden toegewezen (rechtsoverweging 4.21). - aan de benoeming van een deskundige, zoals Maja Investments en Maja Deelnemingen hadden verzocht, komt de rechtbank niet toe, nu dat niet is gevorderd en voor de beoordeling van de overige vorderingen niet noodzakelijk is (rechtsoverweging 4.22). De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat, omdat de vorderingen van [appellant] met betrekking tot zijn winstaandeel zijn afgewezen, de door [appellant] gelegde conservatoire beslagen ten onrechte zijn gelegd en dat de gevorderde beslagkosten worden afgewezen. Volgens de rechtbank zijn de gevorderde buitengerechtelijke kosten niet toewijsbaar en dient [appellant] als grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te worden veroordeeld (rechtsoverwegingen 4.23 tot en met 4.26). 3.3.2.2 In reconventie heeft de rechtbank ten aanzien van de vorderingen van [geïntimeerden] geoordeeld: - dat de voorwaarde voor de door [geïntimeerden] gevorderde verklaring voor recht betreffend de bevoegdheid tot verrekening van een bedrag van € 359.679 niet is vervuld en de rechtbank daarom niet aan de beoordeling van deze vordering toekomt (rechtsoverweging 4.27). - dat de vord verklaart voor recht dat Maja Investments en Maja Deelnemingen op grond van artikel 9.2 van de van de overeenkomst van geldlening d.d. 13 december 2017 contractueel verplicht zijn om bij verkoop van de eerste fase van [XX] Campus BIC Cluster I aan [appellant] te doen toekomen een vergoeding groot 18,75% van het winstaandeel van Maja Investments en Maja Deelnemingen in BIC Cluster I, met een minimum van EUR 500.000,-, 5.2. verklaart voor recht dat Maja Deelnemingen en Maja Investments op grond van artikel 9.3 van de overeenkomst van geldlening d.d. 13 december 2017 [appellant] op eerste verzoek alle informatie moeten doen toekomen, die [appellant] in het kader van de overeenkomst van geldlening d.d. 13 december 2017 noodzakelijk acht, 5.3. verklaart [appellant] in zijn vordering weergegeven bij rechtsoverweging 3.1.3 niet ontvankelijk (hof: deze vordering is hiervoor vermeld onder 3.2.1 sub 3), 5.4. veroordeelt Maja Investments en Maja Deelnemingen om [appellant] te doen toekomen de informatie die [appellant] in het kader van de geldleningsovereenkomst van 13 december 2017 bij e-mail van 5 november 2020 van [persoon F] (productie 11 bij dagvaarding) heeft verzocht, 5.5. veroordeelt [appellant] in de proceskosten, aan de zijde van [geïntimeerden] tot op heden begroot op € 12.198,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, 5.6. veroordeelt [appellant] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 255,-- aan salaris advocaat (voor conventie en reconventie tezamen), te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [appellant] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening, 5.7. verklaart dit vonnis in conventie, althans de daarvoor in aanmerking komende onderdelen, tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.8. wijst het meer of anders gevorderde af. 3.3.2.6 In reconventie heeft de rechtbank beslist als volgt: 5.9. gebiedt [appellant] om alle door hem ten laste van [geïntimeerden] gelegde beslagen op te heffen (en door te doen halen) binnen zeven dagen na dagtekening van dit vonnis, 5.10. veroordeelt [appellant] tot betaling aan [geïntimeerden] van een dwangsom van € 5.000,-- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat hij in gebreke blijft aan voormelde veroordeling bij 5.9. te voldoen, met dien verstande dat boven de som van € 100.000,- geen dwangsommen meer worden verbeurd, 5.11. veroordeelt [appellant] om aan Maja Investments te betalen een bedrag van € 4.490.000,-- (vier miljoen vierhonderdnegentig duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 11 september 2020 tot de dag van volledige betaling, 5.12. verklaart voor recht dat [appellant] op grond van artikel 7 van de overeenkomst van 3 december 2004 verplicht is om [geïntimeerde sub 1] nu en in de toekomst te informeren en geïnformeerd te houden over de samenstelling en waardering van de effectenportefeuille en eventuele herbeleggingen als ook aangaande de mutaties en inkomsten hiervan, een en ander tot het moment dat de volledige effectenportefeuille van 3 december 2004 en eventuele herbeleggingen hiervan zijn afgewikkeld en alle opbrengsten hiervan overeenkomstig de overeenkomst van 3 december 2004 zijn verdeeld en zijn betaald aan [geïntimeerde sub 1] , 5.13. veroordeelt [appellant] om uiterlijk 7 dagen na betekening van dit vonnis aan [geïntimeerde sub 1] alle informatie te verstrekken aangaande de huidige samenstelling en waardering van de effectenportefeuille en eventuele herbeleggingen van de overeenkomst van geldlening van 3 d Maja Investments en Maja Deelnemingen hoofdelijk te veroordelen tot uitkering van een bedrag van € 500.000, te weten het overeengekomen minimumbedrag van het winstrecht; VIII. Primair: Maja Investments en Maja Deelnemingen hoofdelijk te veroordelen tot het aan [appellant] doen toekomen van 18,75% van het winstaandeel van Maja Deelnemingen en Maja Investments in BIC 1, te weten een bedrag € 2.731.893 (een en ander te verminderen met een bedrag van € 500.000 als vordering VII. wordt toegewezen), althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van verzuim tot de dag der algehele voldoening; Subsidiair: Maja Investments en Maja Deelnemingen hoofdelijk te veroordelen tot het aan [appellant] doen toekomen van 18,75% van het winstaandeel van Maja Deelnemingen en Maja Investments in BIC 1, te weten een bedrag van € 2.172.000 althans € 1.956.56 (het hof begrijpt: € 1.956.567), (een en ander te verminderen met een bedrag van €500.000 als vordering VII. wordt toegewezen), althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van verzuim tot de dag der algehele voldoening; Meer subsidiair: Maja Investments en Maja Deelnemingen hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de schade van [appellant] , te weten een bedrag van € 2.343.750 (de door [geïntimeerde sub 1] geprognotiseerde winst inzake BIC cluster I), te vermeerderen met wettelijke rente, althans een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat; IX. [geïntimeerde sub 1] , Maja Investments en Maja Deelnemingen hoofdelijk te veroordelen tot het op eerste verzoek doen toekomen van alle informatie, die [appellant] in het kader van de geldleningsovereenkomst van 1 november 2009 (productie 7) en de overeenkomst van geldlening van 13 december 2017 (productie 9) noodzakelijk acht, waaronder doch niet beperkt tot: ● Overzichten van het verloop van het depotbedrag zoals ontvangen van VDB notarissen; ● Informatie inzake de verhuur van “Additional Space” Westwing, zoals bedoeld in artikel 1.17 van de bijlage 12 van de SPA; ● Status mediation traject en de (verwachte) financiële uitkomst; ● Overzicht van grondverkopen aan de gemeente [A] en de gerealiseerde financiële opbrengsten; ● Alle informatie inzake de vervulling van de additionele voorwaarden van artikel 1.1. sub a van de bijlage 12 van de SPA; ● Alle informatie inzake de huidige feitelijke situatie met betrekking tot de (niet) verhuurde ruimtes; Projectafrekening over BIC cluster I, waaruit de winst van het project blijkt volgens Maja Investments en Maja Deelnemingen; op straffe van een in goede justitie vast te stellen dwangsom voor het geval [geïntimeerde sub 1] , Maja Investments en Maja Deelnemingen niet aan de hoofdveroordeling voldoen. Vordering tot vergoeding van de gemaakte beslagkosten X. [geïntimeerde sub 1] , Maja Investments en Maja Deelnemingen hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de door [appellant] gemaakte beslagkosten van € 5.304,78 + P.M., te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van verzuim tot de dag der algehele voldoening; Vordering tot vergoeding van de gemaakte buitengerechtelijke kosten XI. [geïntimeerde sub 1] , Maja Investments en Maja Deelnemingen hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de door [appellant] gemaakte buiten gerechtelijke kosten en deze te begroten op grond van de staffel Buitengerechtelijke incassokosten op € 6.775, althans een in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van verzuim tot de dag der algehele voldoening; Vordering tot vergoeding van de gemaakte kosten voor vaststellen van schade en aansprakelijkheid XII. [geïntimeerde sub 1] , Maja Investments en Maja Deelnemingen hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de door [appellant] gemaakte kosten voor inschakeling van Aeternus en Witlox Van den Boomen ad EUR 10 [geïntimeerde sub 1] , Maja Investments en Maja Deelnemingen niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, althans de door hen aangevoerde grieven ongegrond te verklaren en af te wijzen; 3. bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep voor zover [appellant] daartegen geen grieven heeft gericht; in principaal en incidenteel hoger beroep: 4. [geïntimeerde sub 1] , Maja Investments en Maja Deelnemingen te veroordelen in de in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Internationale aspecten 3.5.1 De onderhavige zaak heeft internationale aspecten. [appellant] woont in België, [geïntimeerde sub 1] woont in Nederland en Maja Investments en Maja Deelnemingen zijn in Nederland gevestigd. Nu [appellant] [geïntimeerden] , die woonplaats heeft, op het grondgebied van een lidstaat, heeft opgeroepen voor het gerecht van die lidstaat is de Nederlandse rechter bevoegd, artikel 4 lid 1 Verordening (EU) nr.1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking). Tegen de toepassing van Nederlands recht door de rechtbank is geen grief gericht, zodat het hof van de toepasselijkheid van Nederlands recht uitgaat. De eiswijziging bij memorie van grieven 3.5.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] zijn eis gewijzigd [geïntimeerden] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging van [appellant] . Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis. De grieven Vastgestelde feiten 3.6.1 Met grief 1 richt [appellant] zich tegen de door de rechtbank onder rechtsoverweging 2.4 en 2.10 vastgestelde feiten. Volgens [appellant] wordt met de feitenvaststelling in rechtsoverweging 2.4., dat [geïntimeerde sub 1] , althans een aan hem gelieerde vennootschap in 2009 45 hectare grond heeft gekocht, een onjuiste voorstelling van zaken gegeven, omdat tussen partijen niet in geschil is dat Maja Deelnemingen de gronden heeft gekocht. 3.6.2 Het hof oordeelt dat dit betoog van [appellant] niet slaagt. Dat tussen partijen niet in geschil is dat Maja Deelnemingen de gronden heeft gekocht maakt niet dat met rechtsoverweging 2.4 een onjuiste voorstelling van zaken wordt gegeven. Tussen partijen is niet in geschil dat Maja Investments de aandeelhouder is van Maja Deelnemingen en dat [geïntimeerde sub 1] aandeelhouder is van Maja Investments. Bij het voorgaande komt dat de vaststelling als door de rechtbank gedaan van belang is, omdat het [geïntimeerde sub 1] is geweest die in het kader van de aankoop van de gronden met [appellant] de overeenkomst van geldlening van 1 november 2009 heeft gesloten. Dat speelt in deze procedure een rol. Met grief 1 betoogt [appellant] voorts dat anders dan in rechtsoverweging 2.4 is opgenomen, niet al die 45 ha gronden zijn ontwikkeld. Dat betoog van [appellant] slaagt, het hof heeft daarmee bij de feiten vaststelling rekening gehouden. Ten aanzien van het betoog van [appellant] , met grief 1, dat de rechtbank, meer specifiek, met rechtsoverweging 2.10 de feiten onjuist en onvolledig heeft vastgesteld, omdat in de periode tussen de overeenkomst van 1 november 2009 en 17 november 2017 tussen partijen is gecorrespondeerd over de winstrechten uit beide overeenkomsten, oordeelt het hof als volgt. Het hof stelt zelf de relevante feiten vast, en heeft bij de vaststelling daarvan (onder 3.1.7, 3.1.11 en 3.1.12) rekening gehouden met het in zoverre onbetwiste betoog van [appellant] dat tussen 1 november 2009 en 17 november 2017 tussen partijen is gecorrespondeerd over de winstrechten. Ook in zoverre slaagt grief 1. Het in zoverre slagen van grief 1 kan evenwel niet leiden tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep. Winstaandeel op grond van de geldleningsovereenkomst van 1 november 2009 3.6.3 Grief 2 is g Naar het oordeel van het hof betekent het voorgaande dat [appellant] redelijkerwijs heeft mogen begrijpen dat de rechtsverhouding tussen partijen is gewijzigd in die zin dat deze niet meer ziet op een aan [appellant] toekomende vergoeding van 18,75% van de winst op de waardestijging van de 45 ha gronden. De omstandigheden evenwel dat [geïntimeerde sub 1] hooguit recht had op dividend en zelf geen winstgerechtigde was, dat wil zeggen niet ten aanzien van BIC Cluster I, hetgeen door [appellant] niet is betwist, en is gesteld nog gebleken dat [geïntimeerde sub 1] ten aanzien van Cluster 2a, 2b en Landelijk Strijp wel winstgerechtigde zou zijn, maakt evenwel dat [appellant] er niet op mocht vertrouwen dat [geïntimeerde sub 1] daarmee ten laste van zichzelf aanvullend aan de overeenkomst van 1 november 2009 tussen hem en [appellant] een vergoeding gebaseerd op een winstrecht ten aanzien van Cluster 2a, 2b en Landelijk Strijp, heeft bedoeld te geven. Weliswaar staat in de overeenkomst van 1 november 2009 dat [geïntimeerde sub 1] aan [appellant] een winst van 18,75% “(…) zal doen toekomen (…)”, maar nu in de e-mail van 3 november 2011 de woorden “(…) ons deel van dit project (…)” worden gebruikt en de verklaring van 29 november 2017 is afgegeven kort voor de totstandkoming van de overeenkomst van 13 december 2017 die ziet op BIC Cluster I, maakt dat, dat onvoldoende is onderbouwd dat [geïntimeerde sub 1] een vergoeding gebaseerde op een winstrecht ten laste van zichzelf heeft willen geven ten aanzien van de Clusters 2a, 2b, en Landelijk Strijp. Dat [geïntimeerde sub 1] heeft bedoeld Maja Deelnemingen en/of Maja Investments aan een nadere invulling van de overeenkomst van 1 november 2009 te binden is, voor zover [appellant] dat heeft beoogd te betogen, niet voldoende onderbouwd. Naar [appellant] onder verwijzing naar de BIC ONE verhuurbrochure ook zelf betoogt, had ten aanzien van Cluster 2a en 2b en Landelijk Strijp nog geen ontwikkeling plaatsgevonden, en is door partijen niets aangevoerd over de bestaande rechten en plichten van Maja Deelnemingen en Maja Investments aangaande winstrechten ten aanzien van Cluster 2a, 2b en Landelijk Strijp, daarmee kan niet worden aangenomen dat [appellant] er op mocht vertrouwen dat [geïntimeerde sub 1] heeft beoogd Maja Deelnemingen en/of Maja Investments, aan een vergoeding gebaseerd op een winstrecht ten voordele van [appellant] daarover te binden. Voor zover ervan uit zou moeten worden gegaan dat [appellant] er wel op mocht vertrouwen dat [geïntimeerde sub 1] ten laste van zichzelf een vergoeding gebaseerd op een winstrecht aan [appellant] heeft willen afgeven geldt dat de gevorderde verklaring voor recht, vordering I, dan toch niet zou kunnen worden afgegeven, omdat deze een vergoeding van 18,75% van het winstrecht van [geïntimeerde sub 1] betreft, terwijl [geïntimeerde sub 1] geen winstrecht heeft en voorts onvoldoende is onderbouwd wat met “(…) rechtsopvolgers (…)” in vordering I is bedoeld. Dat [geïntimeerde sub 1] (indirect) aandeelhouder is van Maja Investments en Maja Deelnemingen maakt niet dat deze zijn rechtsopvolgers zijn. Daarmee is de vordering onvoldoende duidelijk om te kunnen worden toegewezen. Grief 2 slaagt niet, althans kan niet leiden tot toewijzing van vordering I en VI van [appellant] in hoger beroep. Winstaandeel op grond van de overeenkomst van 13 december 2017 3.6.5 Grief 3 is gericht tegen de rechtsoverwegingen 4.9 tot en met 4.16 van het vonnis waarvan beroep. Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de overeenkomst van 13 december 2017 geen regeling bevat voor de situatie dat de winst na verkoop nog niet definitief kan worden vastgesteld zodat de overeenkomst een leemte bevat die moet worden uitgelegd, maar dat geen van partijen duidelijkheid heeft verschaft over wat partijen voor die situatie zijn overeengekomen. De rechtbank heeft volgens [appellant] verder ten onrechte geoordeeld dat de aan hem toekomende vergoeding nog niet opeisbaar is, Als een gedeelte van de winst toch niet wordt gerealiseerd dienen Maja Investments en/of Maja Deelnemingen dit bedrag maar terug te vorderen aldus [appellant] . Voor zover het hof het primaire standpunt van [appellant] niet volgt vordert [appellant] subsidiair, op grond van artikel 6:162 BW een schadevergoeding van € 2.343.750 van [geïntimeerden] hoofdelijk. Meer subsidiair vordert [appellant] wijziging van de overeenkomst op grond van artikel 6:258 BW dan wel op grond van 6:248 BW en een veroordeling tot nakoming van de gewijzigde overeenkomst. De wijziging zou er volgens [appellant] in bestaan dat tussen [appellant] en [geïntimeerde sub 1] een regeling zou zijn getroffen conform de regeling die [geïntimeerden] met NIBC is overeengekomen. Te weten 18,75% van de ontwikkelingswinst (= netto opbrengst bij verkoop minus de som van € 4.500.000 en de door Maja Deelnemingen vanaf medio 2016 aantoonbaar als eigen vermogen geïnvesteerde bedragen in de vof., welk bedrag door [geïntimeerde sub 1] in zijn e-mail van 3 november 2011 is geprognotiseerd. 3.6.6 Daar beide zien op de vraag of de aan [appellant] toekomende vergoeding aan hem dient te worden betaald op het moment van verkoop van BIC Cluster I, ook indien het winstaandeel van Maja Investments en/of Maja Deelnemingen nog niet (volledig) kan worden berekend, beoordeeld het hof eerst het primaire betoog en het meer subsidiaire betoog van [appellant] . 3.6.6.1 Ten aanzien van het primaire betoog oordeelt het hof als volgt. Anders dan [appellant] betoogt heeft de rechtbank niet geoordeeld dat de leemte in de overeenkomst van 13 december 2017 moet worden uitgelegd maar dat deze moet worden ingevuld en de overeenkomst daartoe moet worden uitgelegd. Voor die invulling is voorts, volgens de rechtbank, geen plaats geweest omdat partijen dienaangaande geen duidelijkheid hebben verschaft. Geen grief is gericht tegen de maatstaf die volgens de rechtbank dient te worden toegepast bij de uitleg van de overeenkomst. De rechtbank heeft de uitleg gebaseerd op het arrest van de Hoge Raad van 5 april 2013, ECLI:NL:HR: 2013:BY8101. De in dat arrest van de Hoge Raad geven maatstaf luidt als volgt: “(…) Ook indien bij uitleg van een overeenkomst groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen, kunnen de overige omstandigheden van het geval meebrengen dat een andere (dan de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Beslissend blijft immers de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. (…)”. Bij e-mail van 24 oktober 2017 heeft [persoon B] in concept een overeenkomst van oktober 2017 aan [geïntimeerde sub 1] gezonden. Daarin is in artikel 3 Looptijd en aflossing opgenomen: “(…) 3.1 De Lening is aangegaan voor de duur van maximaal 1 jaar en loopt uiterlijk tot 1 november 2018 en de Lening zal op deze datum geheel door Leningnemer zijn afgelost (…)”. Bij e-mail van 24 oktober 2017 heeft [geïntimeerde sub 1] gereageerd als volgt: “(…) Bij punt 3.1 staat dat de termijn 1/11/2018 afloopt Ik ontvang de winst bij verkoop aan een eindbelegger Dus wil dit graag veranderen dat dit sychroon loopt met deze verkoop (…)”. In de overeenkomst van 13 december 2017 is onder A. Inleiding punt 3 opgenomen: “(…) Leningnemer zal naar verwachting pas in staat zijn de Lening en de overeengekomen rente (terug) te betalen aan Leningverstrekker als en wanneer de eerste fase (partijen genoegzaam bekend) van het BIC Project is verkocht en Leningnemer vervolgens haar gedeelte van de VOF zal ontvangen (…)”. Volgens [geïntimeerden] is deze passage, die, naar hij betoogt, afwijkt van de e-mailwisseling, in de overeenkomst opgenomen, omdat Maja Deelnemingen eerst over de winst van de vof dient te beschikken daar zij anders niet in staat is haar verplichtingen jegens [appellant] te voldoen. [appellant] heeft laatst genoemde 3.6.6.3 Ten aanzien van het subsidiaire betoog van [appellant] dat de hem toekomende vergoeding kan worden berekend en de betwisting daarvan door [geïntimeerden] , omdat volgens [geïntimeerden] in het kader van de verkoop van BIC Cluster I een huurgarantie is overeengekomen, inhoudende dat VOF BIC een huurgarantie verstrekt met betrekking tot leegstaande ruimten in BIC Cluster I gedurende 11,5 jaar vanaf 29 september 2020 en pas als de huurgarantie volledig is uitgewerkt de vordering van [appellant] ad 18,75% van de aan Maja Investments en/of Maja Deelnemingen uitgekeerde winst opeisbaar is, oordeelt het hof dat bij de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat partijen het er over eens zijn dat de door vof BIC aan de kopers van BIC Cluster I verstrekte huurgarantie niet meer aan de berekening van het winstaandeel van Maja Investments en/of Maja Deelnemingen in de weg staat daar alle ruimten zijn verhuurd. Was volgens het door [geïntimeerden] overgelegde rapport van BDO van 4 maart 2024 de aan [appellant] toekomende vergoeding onder het minimum toegezegde aandeel van € 500.000, volgens het addendum van 1 november 2024 bij dit rapport waarin is opgemerkt dat inmiddels alle eenheden zijn verhuurd, en geen verdere nakomende kosten uit hoofde van de huurgarantie zijn te verwachten zou het resterend aandeel van [appellant] in de voorlopige winst € 714.513 zijn. Van de zijde van [appellant] is een rapport van Witlox Van den Boomen van 8 februari 2023 en een rapport van Aeternus, waarvan het hof geen datum bekend is, overgelegd. Volgens het rapport van Witlox Van den Boomen is de aan [appellant] toekomende vergoeding € 2.172.000 en volgens het rapport van Aeternus is de aan [appellant] toekomende vergoeding € 1.956.567, hetgeen volgens [appellant] overeenkomt met de door [geïntimeerde sub 1] bij e-mail van 3 november 2011 geprognotiseerde vergoeding van € 2.343.750. Het hof kan bij gebrek aan deskundigheid ter zake niet zelf het winstaandeel van Maja Investments en/of Maja Deelnemingen en daarmee de aan [appellant] toekomende vergoeding berekenen en is voornemens voor de berekening daarvan een deskundige te benoemen om op basis van de hierna genoemde drie partijrapporten en het hierna genoemde addendum, met de aan deze rapporten en het addendum ten grondslag liggende stukken de aan [appellant] toekomende vergoeding te berekenen. Door partijen zal aan de deskundige worden voorgelegd: - de rapportage van Witlox Van den Boomen van 8-2-2023 Winstberekening BIC I, (productie 60 bij de memorie van grieven); - de rapportage van AETERNUS Vaststelling winstrecht [appellant] op project BIC Cluster I, (productie 61 bij de memorie van grieven); - het rapport Voorlopige winstberekening BIC CLUSTER 1 van BDO van 4 maart 2024 (productie 39 bij memorie van antwoord); en - het addendum van 1 november 2024 bij het rapport inzake “Voorlopige winstberekening BIC CLUSTER 1” van 4 maart 2024 (nagekomen productie 40) - en de aan deze rapporten en het addendum ten grondslag liggende stukken. - Eveneens dienen partijen aan de deskundige de nagekomen productie 75 van [appellant] , een door Witlox Van den Boomen, bij e-mail van 5 november 2024 van [persoon E] , senior expert corporate finance van [bedrijf A] aan [persoon F] gezonden, opgesteld overzicht betreffende de verschillen tussen de resultaatsbenadering door Witlox Van den Boomen enerzijds en BDO anderzijds, aan de deskundige voor te leggen. Het hof is voornemens aan de deskundige de vraag stellen: kunt u op basis van de rapportage van Witlox Van den Boomen van 8-2-2023 Winstberekening BIC I, productie 60 bij de memorie van grieven, de rapportage van AETERNUS Vaststelling winstrecht [appellant] op project BIC Cluster I, productie 61 bij de memorie van grieven, het rapport Voorlopige winstberekening BIC CLUSTER 1 van BDO van 4 maart 2024, productie 39 bij memorie van antwoord en het addendum van 1 november 2024 bij het rapport inzake “Voorlopige winstberekening BIC CLUSTER 1” van 4 maart 2024 Volgens [appellant] had de rechtbank op basis van de letterlijke tekst van de overeenkomst de uitleg van [appellant] moeten volgen en was het aan [geïntimeerden] om tegenbewijs te leveren nu deze zich beroept op een bedoeling van partijen die afwijkt van de letterlijke tekst. Uit de letterlijke tekst van de overeenkomst en de e-mail van 12 november 2017 van [geïntimeerde sub 1] blijkt volgens [appellant] dat het minimale bedrag van € 500.000 altijd direct verschuldigd is zodra de verkoop heeft plaats gevonden. Niet is overeengekomen dat Maja Investments en Maja Deelnemingen dit bedrag niet zouden hoeven te betalen indien geen winst is gemaakt, terwijl niet aannemelijk is dat Maja Investments en Maja Deelnemingen verlies bij de verkoop van BIC Cluster 1 hebben gemaakt, aldus [appellant] . 3.6.8 Onder verwijzing naar hetgeen het hof ten aanzien van grief 3 heeft geoordeeld, te weten dat [appellant] in redelijkheid behoorde te begrijpen dat eerst wanneer Maja Investments en/of Maja Deelnemingen haar winst heeft ontvangen tot uitkering van de aan [appellant] toekomende vergoeding dient te worden overgegaan, oordeelt het hof dat ook de minimale vergoeding eerst aan [appellant] verschuldigd is wanneer Maja Investments en/of Maja Deelnemingen haar winstrecht uitgekeerd heeft gekregen. In zoverre faalt grief 4. Ten aanzien van het betoog van [appellant] dat de minimale vergoeding ook aan hem dient toe te komen indien geen winst is gemaakt oordeelt het hof dat weliswaar is overeengekomen dat de aan [appellant] toekomende vergoeding eerst dient te worden uitgekeerd indien Maja Investments en/of Maja Deelnemingen haar winst heeft ontvangen, maar dat in de overeenkomst niet is opgenomen welke hoogte het winstrecht van Maja Investments en/of Maja Deelnemingen dient te hebben om de minimale vergoeding aan [appellant] te doen toekomen en het dat het onlogisch zou zijn te oordelen dat wanneer de winst € 0,01 zou zijn € 500.000 aan [appellant] toe komt en indien de winst € 0 of negatief zou zijn geen minimale vergoeding aan [appellant] toekomt. Gelet op het voorgaande oordeelt het hof dat aan [appellant] , zodra het winstaandeel van Maja Investments en/of Maja Deelnemingen is vastgesteld minimaal een vergoeding van € 500.000 toekomt. In zoverre slaagt grief 4. Vordering II primair van [appellant] in hoger beroep zal in zoverre worden toegewezen. Dit oordeel laat dus onverlet het oordeel van de rechtbank dat aan [appellant] geen voorschot op de aan hem toekomende vergoeding toekomt. Verstrekken van inlichtingen en informatie 3.6.9 Grief 5 is gericht tegen rechtsoverwegingen 4.4 en 4.21 van het vonnis waarvan beroep. Volgens [appellant] is voor zover de gevorderde veroordeling tot uitkering van de aan hem toekomende vergoeding niet toewijsbaar is, het recht van [appellant] op informatie op basis van de overeenkomsten uit 2009 en 2017 nog niet uitgewerkt. De rechtbank heeft, zo betoogt [appellant] , in rechtsoverweging 4.21 ten onrechte geoordeeld dat de vordering van [appellant] tot het verstrekken van informatie te algemeen is. [appellant] beschikt niet over alle relevante informatie over de transactie en weet niet welke informatie beschikbaar is, uit de door Maja Investments en Maja Deelnemingen verstrekte informatie volgen steeds nieuwe aanwijzingen, dit betekent dat [appellant] steeds aanvullende informatie moet opvragen. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte de gevorderde dwangsomveroordeling niet heeft toegewezen. Het is voor hem onbegrijpelijk dat aan hem wel een dwangsom wordt opgelegd en aan Maja Investment en Maja Deelneming niet. 3.6.10 Het hof oordeelt als volgt. In artikel 7.1 van de overeenkomst van 1 november 2009 is bepaald: “ Geldnemer is verplicht al die inlichtingen ten aanzien van geldnemer aan geldgever te verstrekken welke voor geldgever als schuldeiser van belang kunnen zijn. ” In artikel 9.3 van de overeenkomst van 13 december 2017 is bepaald: “ Leningverstrekker zal Leningnemer op eerste verzoek alle Hoge Raad 25-11-2005, ECLI:NL:HR:2005:AT9060, maar dat het in zoverre slagen van de grief niet kan leiden tot vernietiging van het vonnis, omdat [appellant] zelf betoogt dat het oordeel tot opheffing van de beslagen niet in stand kan blijven indien het hof oordeelt dat [appellant] een opeisbare vordering heeft. Ten aanzien van het betoog van [appellant] dat hij eerst na betekening van het vonnis dwangsommen kan verbeuren oordeelt het hof dat dat betoog juist is, maar dat het vonnis daaraan niet afdoet, door het oordeel in rechtsoverweging 5.10 van het vonnis waarvan beroep, dat [appellant] een dwangsom verbeurt indien hij niet aan de veroordeling in rechtsoverweging 5.9 van het vonnis waarvan beroep voldoet om de beslagen binnen zeven dagen na dagtekening van het vonnis op te heffen. Bij het voorgaande komt dat is gesteld noch gebleken dat [geïntimeerden] dwangsommen heeft opgeëist. Het vonnis is op 26 juli 2022 betekend en de beslagen zijn op 1 augustus 2022 opgeheven. Grief 6 slaagt in zoverre niet. Geldleningsovereenkomst van 3 december 2004 3.6.13 Grief 7 is gericht tegen rechtsoverweging 4.41 van het vonnis waarvan beroep dat het beroep van [appellant] op opschorting van zijn verplichtingen uit de overeenkomst van 3 december 2004 faalt. Naar het hof begrijpt betoogt [appellant] dat de rechtbank hem ten onrechte op grond van artikel 21 Rv niet heeft toegelaten tot een nadere onderbouwing van zijn beroep op opschorting, totdat [geïntimeerde sub 1] de achterstallige managementfee heeft betaald. Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde sub 1] de managementvergoeding, genoemd in voornoemde overeenkomst van 3 december 2004, waarvan de looptijd op 1 oktober 2012 is verstreken, van € 50.000 per jaar, tot 30 september 2012 betaald, maar heeft Brouwer de management vergoeding sinds 1 oktober 2012 niet betaald, terwijl op 1 oktober 2010 telefonisch is afgesproken dat de overeenkomst van 3 december 2004 is verlengd, maar met een verlaagde management vergoeding van € 25.000. 3.6.14 Het hof oordeelt dat geen grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat partijen het er (inmiddels) over eens zijn dat de overeenkomst van 3 december 2004 is voortgezet na 1 oktober 2010. In het licht van deze voortzetting oordeelt het hof dat de rechtbank niet de sanctie om [appellant] niet meer toe te laten tot een nadere onderbouwing van zijn stellingen met betrekking tot de betalingsachterstand, had moeten opleggen, althans dat in hoger beroep, waartoe het hof verwijst naar hetgeen is geoordeeld in rechtsoverweging 3.7.9, voldoende is onderbouwd en onvoldoende is betwist dat genoemde overeenkomst na 1 oktober 2010 is voortgezet. In zoverre slaagt grief 7, maar wat daar verder ook van zij, de rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het beroep van [appellant] op opschorting van zijn informatie verplichtingen uit voornoemde overeenkomst niet slaagt. [geïntimeerde sub 1] heeft immers onbetwist betoogd dat [appellant] de betaling van de managementvergoeding nog niet had gevraagd. In zoverre faalt grief 7. Bij de beoordeling van het incidenteel hoger beroep zal het hof de door [appellant] gevorderde managementvergoeding die hij, naar het hof begrijpt, met de vordering van [geïntimeerde sub 1] betreffende 1/3 van de opbrengsten van de effectenportefeuille wenst te verrekenen, beoordelen. 3.6.15 Met grief 8 betoogt [appellant] dat indien een of meerdere van zijn grieven slaagt/slagen de rechtbank ten onrechte de gevorderde beslagkosten en de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten heeft afgewezen en [appellant] ten onrechte in de proceskosten heeft veroordeeld. 3.6.16.1 Het hof oordeelt dat deze grief slaagt voor wat betreft de afwijzing van de gevorderde beslagkosten. Daar, zoals het hof ten aanzien van grief 3 heeft geoordeeld, het winstaandeel van Maja Investments en/of Maja Deelnemingen en daarmee de aan [appellant] toekomende vergoeding thans kan worden berekend en partijen het eens zijn dat dit niet nihil is, kan niet worden geoorde 3.7.3 Het hof oordeelt dat in artikel 9.3 van de overeenkomst van geldlening van 13 december 2017 is overeengekomen “Leningverstrekker zal Leningnemer op eerste verzoek alle informatie doen toekomen die Leningverstrekker in het kader van deze overeenkomst noodzakelijk acht.” Alhoewel in dit artikel staat dat leningverstrekker informatie dient te verschaffen en [appellant] de leningverstrekker is, is geen grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de informatieverplichting rust op Maja Deelnemingen en Maja Investments. Het artikel ziet voorts zoals de rechtbank heeft geoordeeld op alle informatie die leningverstrekker in het kader van deze overeenkomst noodzakelijk acht. Met [appellant] is het hof van oordeel dat geen beperkingen zijn verbonden aan het recht van [appellant] op informatie die hij in het kader van deze overeenkomst noodzakelijk acht. Dat Maja Deelnemingen en Maja Investments anders hebben mogen begrijpen is niet voldoende onderbouwd. Weliswaar geldt op grond van artikel 6:2 BW dat schuldeiser en schuldenaar verplicht zijn om zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid, maar gelet op de overeengekomen bepaling en de uitleg daarvan is het in eerste instantie aan [appellant] om te bepalen wat hij redelijk acht en aan Dat Maja Deelnemingen en Maja Investments omdat te betwisten. Om die reden zal het hof de door de rechtbank in rechtsoverweging 5.2 gegeven verklaring voor recht niet wijzigen in de door Maja Deelnemingen en Maja Investments voorgestane zin. Het betoog van [geïntimeerden] dat de onder 5.2 van het dictum van het vonnis waarvan beroep gegeven verklaring voor recht haaks staat op hetgeen de rechtbank heeft geoordeeld in rechtsoverweging 4.21 en 5.4 van het vonnis waarvan beroep gaat niet op. De rechtbank heeft het recht op informatie in rechtsoverweging 4.21 van het vonnis waarvan beroep niet beperkt tot een specifieke e-mail, zoals zij betogen, maar heeft geoordeeld dat de in de e-mail van 5 november 2020 gevraagde informatie aan [appellant] dient te worden verstrekt. 3.7.4 [geïntimeerden] heeft in incidenteel hoger beroep haar eis gewijzigd. De eiswijziging ziet op de voorwaardelijke vordering van [geïntimeerden] in eerste aanleg in reconventie, kort gezegd: indien en voor zover de rechtbank in conventie een (voorlopig) bedrag aan winstrecht aan [appellant] toewijst, deze voor recht verklaart dat Maja Deelnemingen en/of Maja Investments (alsnog) gerechtigd is/zijn om een bedrag van € 359.679 met het nog definitief vast te stellen winstrecht van [appellant] te verrekenen, althans [appellant] te veroordelen tot betaling van dat bedrag. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen, omdat niet was voldaan aan de voorwaarde. [geïntimeerden] wijzigt haar eis in reconventie in incidenteel hoger beroep, onder I, in die zin dat onvoorwaardelijk wordt gevorderd, kort gezegd, [appellant] te veroordelen tot betaling aan [geïntimeerden] van een bedrag van € 359.679. [geïntimeerden] doet daarbij onvoorwaardelijk een beroep op verrekening indien het hof oordeelt dat ter zake het winstrecht reeds door [geïntimeerden] moet worden betaald. 3.7.5 Het hof oordeelt dat [geïntimeerden] deze vordering niet voldoende heeft onderbouwd. Bij de onderhandelingen aangaande de totstandkoming van de overeenkomst van 13 december 2017 is, zo betoogt [geïntimeerde sub 1] c.s. afgesproken dat van de bedongen 12%, naar het hof begrijpt rente over de lening, in de toekomst voor 7% met het winstrecht zou worden verrekend. [geïntimeerde sub 1] heeft ter onderbouwing van dit betoog een e-mail van 17 november 2017 van [persoon B] aan [geïntimeerde sub 1] overgelegd waarin deze afspraak wordt bevestigd. Deze bevestiging is volgens [appellant] evenwel achterhaald, omdat de overeenkomst van 13 december 2017 de volledige door partijen bereikte wilsovereenstemming bevat. Gelet op het voorgaande oordeelt het hof dat [geïntimeerden] de vordering niet voldoende heeft onderbouwd. Zonder voldoende nader Het voorgaande betekent dat aan [geïntimeerde sub 1] als voorschot een bedrag van € 866.935 verminderd met € 231.250 = € 635.685 zal worden toegekend. 3.7.10 De vordering onder IV in incidenteel hoger beroep, inhoudende om [appellant] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde sub 1] te betalen een bedrag van € 50.000 ter zake de verbeurde dwangsommen een en ander te vermeerderen met wettelijke rente vanaf zeven dagen na betekening van het vonnis aan [appellant] tot de dag der algehele voldoening, zal worden afgewezen. Als onvoldoende betwist staat vast dat [appellant] op 4 augustus 2022 de informatie als bedoeld in rechtsoverweging 5.13 van het vonnis waarvan beroep heeft verstrekt, dat is tijdig na betekening van het vonnis waarvan beroep op 28 juli 2022. De slotsom 3.8 Gelet op al het voorgaande zal het hof bepalen als in het dictum is opgenomen. Verkort weergegeven zullen de vorderingen van [appellant] onder II primair en IV als bepaald in het dictum, IX en X van zijn memorie van grieven worden toegewezen als hierna vermeld in het dictum en de vorderingen onder I, II subsidiair, III, VI, VII, XI en XII zullen worden afgewezen. De beslissing met betrekking tot de vordering van [appellant] onder VIII en XIII zal worden aangehouden tot na het deskundigenbericht. De vordering van [geïntimeerden] onder II en III deels zullen worden toegewezen als hierna in het dictum wordt vermeld en de vorderingen onder I, III en IV zullen (voor het overige) worden afgewezen. Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen zich bij akte uit te laten over het aantal, de deskundigheid en - bij voorkeur eensluidend - de persoon van de te benoemen deskundige(n). Voorts kunnen partijen suggesties doen over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Het hof is voornemens de kosten van de deskundige(n), gelet op artikel 195 Rv (oud) dat in deze zaak nog van kracht is, zie artikel XIIA Staatsblad 2024, 62 en Staatsblad 2024, 72, voorshands ten laste van [appellant] als eisende partij te brengen. 3.9 Het hof houdt iedere verdere beslissing aan, waaronder begrepen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg (onder 5.5, 5.6 en 5.16 van het vonnis waarvan beroep) en de proceskostenveroordeling in principaal en incidenteel hoger beroep. 4 De uitspraak Het hof: op het principaal en incidenteel hoger beroep vernietigt de onder 5.1 van het vonnis waarvan beroep gegeven verklaring voor recht en, opnieuw rechtdoende: verklaart voor recht dat Maja Investments en Maja Deelnemingen op grond van artikel 9.2 van de overeenkomst van geldlening van 13 december 2017 contractueel verplicht zijn om bij verkoop van BIC 1 aan [appellant] te doen toekomen een vergoeding groot 18,75% van het winstaandeel van Maja Investments en Maja Deelnemingen in BIC Cluster I, met een minimum van € 500.000 ongeacht of winst of verlies wordt gemaakt; bekrachtigt de onder 5.2 van het vonnis waarvan beroep gegeven verklaring voor recht dat Maja Investments en Maja Deelnemingen op grond van artikel 9.3 van de overeenkomst van geldlening van 13 december 2017, [appellant] op eerste verzoek alle informatie moet doen toekomen, die [appellant] in het kader van de overeenkomst van geldlening van 13 december 2017 noodzakelijk acht. vernietigt de onder 5.3 van het vonnis waarvan beroep gegeven verklaring voor recht en, opnieuw rechtdoende: verklaart voor recht dat [geïntimeerde sub 1] op grond van artikel 7.1 van de geldleningsovereenkomst van 1 november 2009 [appellant] op eerste verzoek alle informatie moet doen toekomen, die [appellant] in het kader van de overeenkomst van geldlening van 1 november 2009 noodzakelijk acht, met dien verstande dat het slechts informatie betreft die ziet op BIC Cluster I; bekrachtigt de veroordeling onder 5.4 van het vonnis waarvan beroep, waarin Maja Investments en Maja Deelnemingen zijn veroordeeld om [appellant] te doen toekomen de informatie die [appellant] in het kader van de geldleningsovereenkomst van 13 december 2017 bij e-ma