Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-02-26
ECLI:NL:GHSHE:2025:2453
Strafrecht
Hoger beroep
13,398 tokens
Inleiding
Parketnummer: 20-002610-23
Uitspraak : 26 februari 2025
TEGENSPRAAK (ex artikel 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 16 augustus 2023, met parketnummer 03-181948-23 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf onder parketnummer 03-107348-23, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak’ (feit 1 primair) en ‘diefstal’ (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van een eerder aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 8 weken.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte door diens raadsman naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.
De verdediging heeft vrijspraak van het onder 1 (primair en subsidiair) tenlastegelegde bepleit en zich met betrekking tot een bewezenverklaring ter zake van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van het hof. Indien het hof komt tot vrijspraak van feit 1, heeft de verdediging verzocht om oplegging van een lagere straf. Echter, nu de verdachte de in eerste aanleg oplegde gevangenisstraf reeds geheel heeft uitgezeten, is verzocht dit te compenseren door
slechts de gedeeltelijke tenuitvoerlegging te gelasten van de onder parketnummer
03-107348-23 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 8 weken.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De verdachte is in eerste aanleg door de politierechter partieel vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde feit, te weten voor zover ziende op het (mede)plegen van diefstal van de fiets van [benadeelde 1] . Het hof is van oordeel dat deze partiële vrijspraak van feit 1 primair als een beschermde vrijspraak moet worden beschouwd.
Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen deze in eerste aanleg gegeven beslissing tot partiële vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de beschermde partiële vrijspraak van feit 1 primair.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat nog aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis – voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen – en met de gronden waarop dit berust, met verbetering en aanvulling van de bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 primair en met aanvulling van de toepasselijke wettelijke voorschriften.
Indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, zal het hof de inhoud van de redengevende bewijsmiddelen welke door de politierechter op pagina 4 van het vonnis zijn vermeld, uitwerken in een aanvulling op dit verkorte arrest, welke aanvulling dan aan het verkorte arrest wordt gehecht. De politierechter heeft immers volstaan met het opsommen van de bewijsmiddelen, zonder de inhoud van die bewijsmiddelen weer te geven. Het hof is echter – nu de verdachte geen bekennende verklaring heeft afgelegd – gebonden aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359, derde lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Verbetering en aanvulling van de bewijsoverwegingen
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het onder 1 (primair en subsidiair) tenlastegelegde bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte heeft verklaard dat hij niet betrokken is bij de diefstal van de fiets van [benadeelde 2] , hetgeen blijkt uit het feit dat hij is blijven staan toen de politie ter plaatse kwam en niet zoals de medeverdachte is weggerend. Voorts is gewezen op de door de getuige [getuige 1] op
5 juli 2024 bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring. In die verklaring komt [getuige 1] grotendeels terug op zijn bij de politie afgelegde getuigenverklaring van 21 juli 2023. Deze eerdere verklaring van de getuige [getuige 1] dient derhalve van het bewijs te worden uitgesloten.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Uit het dossier volgt dat de fiets van [benadeelde 2] op 21 juli 2023 te Maastricht door middel van braak is weggenomen. De getuige [getuige 1] heeft deze diefstal vanuit zijn woning waargenomen en is kort daarna door de politie daarover als getuige gehoord. Zijn verklaring is opgenomen door verbalisant [verbalisant] . Uit het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris d.d. 20 augustus 2024, blijkt dat verbalisant [verbalisant] de verklaring van de getuige [getuige 1] ter plekke in concept heeft opgenomen in zijn smartphone. De verbalisant heeft daarbij hardop voorgelezen wat hij typte, zodat de getuige kon horen wat hij noteerde. De conceptversie van deze verklaring is vervolgens digitaal ondertekend door de getuige [getuige 1] . Het hof heeft daarbij waargenomen dat deze paraaf sterk gelijkend is op de paraaf die door de getuige onder zijn bij de raadsheer-commissaris aflegde verklaring is gezet. Anders dan de verdediging, acht het hof de door de getuige [getuige 1] op 21 juli 2023, kort na de diefstal, afgelegde verklaring betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Echter, gelet op diens stellige ontkenning bij de raadsheer-commissaris, zal het hof de verklaring dat [getuige 1] heeft gezien dat de fiets werd gedragen door twee mannen, niet voor het bewijs bezigen. Deze bewijsoverweging van de politierechter zal het hof derhalve schrappen.
Het hof is van oordeel dat op grond van de gebezigde bewijsmiddelen wel kan worden vastgesteld dat de fiets van [benadeelde 2] door in elk geval één van de daders is verplaatst. De fiets is immers aangetroffen op een andere plek dan dat de fiets eerder door de aangever was gestald, met een vernield kettingslot. Naar het oordeel van het hof hebben de daders derhalve als heer en meester over de fiets beschikt, zodat sprake is van een voltooide diefstal door middel van braak.
Voor wat betreft het medeplegen van deze diefstal door de verdachte, overweegt het hof dat uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat door de getuige [getuige 1] is waargenomen dat één van de daders – een man in een lichtgrijs trainingspak – heeft gepoogd het fietsslot door te slijpen met een flex (het hof begrijpt: een haakse slijpmachine) en dat de andere dader – een man met een donker trainingspak en een rugtas – erbij stond en ondertussen goederen in een blauwe big shopper aan het wegstoppen was. Vervolgens heeft de man in het lichtgrijze trainingspak de flex in de rugzak van de andere man weggestopt.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beschermde partiële vrijspraak van feit 1 primair.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. dr. M.J.M.A. van der Put, voorzitter,
mr. R. Lonterman en mr. J.H. de Krijger, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,
en op 26 februari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. De Krijger is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer: 20-002610-23
Uitspraak : 26 februari 2025
TEGENSPRAAK (ex artikel 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 16 augustus 2023, met parketnummer 03-181948-23 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf onder parketnummer 03-107348-23, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak’ (feit 1 primair) en ‘diefstal’ (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van een eerder aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 8 weken.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte door diens raadsman naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.
De verdediging heeft vrijspraak van het onder 1 (primair en subsidiair) tenlastegelegde bepleit en zich met betrekking tot een bewezenverklaring ter zake van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van het hof. Indien het hof komt tot vrijspraak van feit 1, heeft de verdediging verzocht om oplegging van een lagere straf. Echter, nu de verdachte de in eerste aanleg oplegde gevangenisstraf reeds geheel heeft uitgezeten, is verzocht dit te compenseren door
slechts de gedeeltelijke tenuitvoerlegging te gelasten van de onder parketnummer
03-107348-23 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 8 weken.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De verdachte is in eerste aanleg door de politierechter partieel vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde feit, te weten voor zover ziende op het (mede)plegen van diefstal van de fiets van [benadeelde 1] . Het hof is van oordeel dat deze partiële vrijspraak van feit 1 primair als een beschermde vrijspraak moet worden beschouwd.
Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen deze in eerste aanleg gegeven beslissing tot partiële vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de beschermde partiële vrijspraak van feit 1 primair.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat nog aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis – voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen – en met de gronden waarop dit berust, met verbetering en aanvulling van de bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 primair en met aanvulling van de toepasselijke wettelijke voorschriften.
Indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, zal het hof de inhoud van de redengevende bewijsmiddelen welke door de politierechter op pagina 4 van het vonnis zijn vermeld, uitwerken in een aanvulling op dit verkorte arrest, welke aanvulling dan aan het verkorte arrest wordt gehecht. De politierechter heeft immers volstaan met het opsommen van de bewijsmiddelen, zonder de inhoud van die bewijsmiddelen weer te geven. Het hof is echter – nu de verdachte geen bekennende verklaring heeft afgelegd – gebonden aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359, derde lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Verbetering en aanvulling van de bewijsoverwegingen
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het onder 1 (primair en subsidiair) tenlastegelegde bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte heeft verklaard dat hij niet betrokken is bij de diefstal van de fiets van [benadeelde 2] , hetgeen blijkt uit het feit dat hij is blijven staan toen de politie ter plaatse kwam en niet zoals de medeverdachte is weggerend. Voorts is gewezen op de door de getuige [getuige 1] op
5 juli 2024 bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring. In die verklaring komt [getuige 1] grotendeels terug op zijn bij de politie afgelegde getuigenverklaring van 21 juli 2023. Deze eerdere verklaring van de getuige [getuige 1] dient derhalve van het bewijs te worden uitgesloten.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Uit het dossier volgt dat de fiets van [benadeelde 2] op 21 juli 2023 te Maastricht door middel van braak is weggenomen. De getuige [getuige 1] heeft deze diefstal vanuit zijn woning waargenomen en is kort daarna door de politie daarover als getuige gehoord. Zijn verklaring is opgenomen door verbalisant [verbalisant] . Uit het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris d.d. 20 augustus 2024, blijkt dat verbalisant [verbalisant] de verklaring van de getuige [getuige 1] ter plekke in concept heeft opgenomen in zijn smartphone. De verbalisant heeft daarbij hardop voorgelezen wat hij typte, zodat de getuige kon horen wat hij noteerde. De conceptversie van deze verklaring is vervolgens digitaal ondertekend door de getuige [getuige 1] . Het hof heeft daarbij waargenomen dat deze paraaf sterk gelijkend is op de paraaf die door de getuige onder zijn bij de raadsheer-commissaris aflegde verklaring is gezet. Anders dan de verdediging, acht het hof de door de getuige [getuige 1] op 21 juli 2023, kort na de diefstal, afgelegde verklaring betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Echter, gelet op diens stellige ontkenning bij de raadsheer-commissaris, zal het hof de verklaring dat [getuige 1] heeft gezien dat de fiets werd gedragen door twee mannen, niet voor het bewijs bezigen. Deze bewijsoverweging van de politierechter zal het hof derhalve schrappen.
Het hof is van oordeel dat op grond van de gebezigde bewijsmiddelen wel kan worden vastgesteld dat de fiets van [benadeelde 2] door in elk geval één van de daders is verplaatst. De fiets is immers aangetroffen op een andere plek dan dat de fiets eerder door de aangever was gestald, met een vernield kettingslot. Naar het oordeel van het hof hebben de daders derhalve als heer en meester over de fiets beschikt, zodat sprake is van een voltooide diefstal door middel van braak.
Voor wat betreft het medeplegen van deze diefstal door de verdachte, overweegt het hof dat uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat door de getuige [getuige 1] is waargenomen dat één van de daders – een man in een lichtgrijs trainingspak – heeft gepoogd het fietsslot door te slijpen met een flex (het hof begrijpt: een haakse slijpmachine) en dat de andere dader – een man met een donker trainingspak en een rugtas – erbij stond en ondertussen goederen in een blauwe big shopper aan het wegstoppen was. Vervolgens heeft de man in het lichtgrijze trainingspak de flex in de rugzak van de andere man weggestopt.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beschermde partiële vrijspraak van feit 1 primair.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. dr. M.J.M.A. van der Put, voorzitter,
mr. R. Lonterman en mr. J.H. de Krijger, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,
en op 26 februari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. De Krijger is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer: 20-002610-23
Uitspraak : 26 februari 2025
TEGENSPRAAK (ex artikel 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 16 augustus 2023, met parketnummer 03-181948-23 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf onder parketnummer 03-107348-23, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak’ (feit 1 primair) en ‘diefstal’ (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van een eerder aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 8 weken.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte door diens raadsman naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.
De verdediging heeft vrijspraak van het onder 1 (primair en subsidiair) tenlastegelegde bepleit en zich met betrekking tot een bewezenverklaring ter zake van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van het hof. Indien het hof komt tot vrijspraak van feit 1, heeft de verdediging verzocht om oplegging van een lagere straf. Echter, nu de verdachte de in eerste aanleg oplegde gevangenisstraf reeds geheel heeft uitgezeten, is verzocht dit te compenseren door
slechts de gedeeltelijke tenuitvoerlegging te gelasten van de onder parketnummer
03-107348-23 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 8 weken.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De verdachte is in eerste aanleg door de politierechter partieel vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde feit, te weten voor zover ziende op het (mede)plegen van diefstal van de fiets van [benadeelde 1] . Het hof is van oordeel dat deze partiële vrijspraak van feit 1 primair als een beschermde vrijspraak moet worden beschouwd.
Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen deze in eerste aanleg gegeven beslissing tot partiële vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de beschermde partiële vrijspraak van feit 1 primair.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat nog aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis – voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen – en met de gronden waarop dit berust, met verbetering en aanvulling van de bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 primair en met aanvulling van de toepasselijke wettelijke voorschriften.
Indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, zal het hof de inhoud van de redengevende bewijsmiddelen welke door de politierechter op pagina 4 van het vonnis zijn vermeld, uitwerken in een aanvulling op dit verkorte arrest, welke aanvulling dan aan het verkorte arrest wordt gehecht. De politierechter heeft immers volstaan met het opsommen van de bewijsmiddelen, zonder de inhoud van die bewijsmiddelen weer te geven. Het hof is echter – nu de verdachte geen bekennende verklaring heeft afgelegd – gebonden aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359, derde lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Verbetering en aanvulling van de bewijsoverwegingen
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het onder 1 (primair en subsidiair) tenlastegelegde bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte heeft verklaard dat hij niet betrokken is bij de diefstal van de fiets van [benadeelde 2] , hetgeen blijkt uit het feit dat hij is blijven staan toen de politie ter plaatse kwam en niet zoals de medeverdachte is weggerend. Voorts is gewezen op de door de getuige [getuige 1] op
5 juli 2024 bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring. In die verklaring komt [getuige 1] grotendeels terug op zijn bij de politie afgelegde getuigenverklaring van 21 juli 2023. Deze eerdere verklaring van de getuige [getuige 1] dient derhalve van het bewijs te worden uitgesloten.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Uit het dossier volgt dat de fiets van [benadeelde 2] op 21 juli 2023 te Maastricht door middel van braak is weggenomen. De getuige [getuige 1] heeft deze diefstal vanuit zijn woning waargenomen en is kort daarna door de politie daarover als getuige gehoord. Zijn verklaring is opgenomen door verbalisant [verbalisant] . Uit het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris d.d. 20 augustus 2024, blijkt dat verbalisant [verbalisant] de verklaring van de getuige [getuige 1] ter plekke in concept heeft opgenomen in zijn smartphone. De verbalisant heeft daarbij hardop voorgelezen wat hij typte, zodat de getuige kon horen wat hij noteerde. De conceptversie van deze verklaring is vervolgens digitaal ondertekend door de getuige [getuige 1] . Het hof heeft daarbij waargenomen dat deze paraaf sterk gelijkend is op de paraaf die door de getuige onder zijn bij de raadsheer-commissaris aflegde verklaring is gezet. Anders dan de verdediging, acht het hof de door de getuige [getuige 1] op 21 juli 2023, kort na de diefstal, afgelegde verklaring betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Echter, gelet op diens stellige ontkenning bij de raadsheer-commissaris, zal het hof de verklaring dat [getuige 1] heeft gezien dat de fiets werd gedragen door twee mannen, niet voor het bewijs bezigen. Deze bewijsoverweging van de politierechter zal het hof derhalve schrappen.
Het hof is van oordeel dat op grond van de gebezigde bewijsmiddelen wel kan worden vastgesteld dat de fiets van [benadeelde 2] door in elk geval één van de daders is verplaatst. De fiets is immers aangetroffen op een andere plek dan dat de fiets eerder door de aangever was gestald, met een vernield kettingslot. Naar het oordeel van het hof hebben de daders derhalve als heer en meester over de fiets beschikt, zodat sprake is van een voltooide diefstal door middel van braak.
Voor wat betreft het medeplegen van deze diefstal door de verdachte, overweegt het hof dat uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat door de getuige [getuige 1] is waargenomen dat één van de daders – een man in een lichtgrijs trainingspak – heeft gepoogd het fietsslot door te slijpen met een flex (het hof begrijpt: een haakse slijpmachine) en dat de andere dader – een man met een donker trainingspak en een rugtas – erbij stond en ondertussen goederen in een blauwe big shopper aan het wegstoppen was. Vervolgens heeft de man in het lichtgrijze trainingspak de flex in de rugzak van de andere man weggestopt.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beschermde partiële vrijspraak van feit 1 primair.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. dr. M.J.M.A. van der Put, voorzitter,
mr. R. Lonterman en mr. J.H. de Krijger, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,
en op 26 februari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. De Krijger is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer: 20-002610-23
Uitspraak : 26 februari 2025
TEGENSPRAAK (ex artikel 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 16 augustus 2023, met parketnummer 03-181948-23 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf onder parketnummer 03-107348-23, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak’ (feit 1 primair) en ‘diefstal’ (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van een eerder aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 8 weken.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte door diens raadsman naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.
De verdediging heeft vrijspraak van het onder 1 (primair en subsidiair) tenlastegelegde bepleit en zich met betrekking tot een bewezenverklaring ter zake van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van het hof. Indien het hof komt tot vrijspraak van feit 1, heeft de verdediging verzocht om oplegging van een lagere straf. Echter, nu de verdachte de in eerste aanleg oplegde gevangenisstraf reeds geheel heeft uitgezeten, is verzocht dit te compenseren door
slechts de gedeeltelijke tenuitvoerlegging te gelasten van de onder parketnummer
03-107348-23 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 8 weken.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De verdachte is in eerste aanleg door de politierechter partieel vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde feit, te weten voor zover ziende op het (mede)plegen van diefstal van de fiets van [benadeelde 1] . Het hof is van oordeel dat deze partiële vrijspraak van feit 1 primair als een beschermde vrijspraak moet worden beschouwd.
Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen deze in eerste aanleg gegeven beslissing tot partiële vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de beschermde partiële vrijspraak van feit 1 primair.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat nog aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis – voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen – en met de gronden waarop dit berust, met verbetering en aanvulling van de bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 primair en met aanvulling van de toepasselijke wettelijke voorschriften.
Indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, zal het hof de inhoud van de redengevende bewijsmiddelen welke door de politierechter op pagina 4 van het vonnis zijn vermeld, uitwerken in een aanvulling op dit verkorte arrest, welke aanvulling dan aan het verkorte arrest wordt gehecht. De politierechter heeft immers volstaan met het opsommen van de bewijsmiddelen, zonder de inhoud van die bewijsmiddelen weer te geven. Het hof is echter – nu de verdachte geen bekennende verklaring heeft afgelegd – gebonden aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359, derde lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Verbetering en aanvulling van de bewijsoverwegingen
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het onder 1 (primair en subsidiair) tenlastegelegde bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte heeft verklaard dat hij niet betrokken is bij de diefstal van de fiets van [benadeelde 2] , hetgeen blijkt uit het feit dat hij is blijven staan toen de politie ter plaatse kwam en niet zoals de medeverdachte is weggerend. Voorts is gewezen op de door de getuige [getuige 1] op
5 juli 2024 bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring. In die verklaring komt [getuige 1] grotendeels terug op zijn bij de politie afgelegde getuigenverklaring van 21 juli 2023. Deze eerdere verklaring van de getuige [getuige 1] dient derhalve van het bewijs te worden uitgesloten.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Uit het dossier volgt dat de fiets van [benadeelde 2] op 21 juli 2023 te Maastricht door middel van braak is weggenomen. De getuige [getuige 1] heeft deze diefstal vanuit zijn woning waargenomen en is kort daarna door de politie daarover als getuige gehoord. Zijn verklaring is opgenomen door verbalisant [verbalisant] . Uit het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris d.d. 20 augustus 2024, blijkt dat verbalisant [verbalisant] de verklaring van de getuige [getuige 1] ter plekke in concept heeft opgenomen in zijn smartphone. De verbalisant heeft daarbij hardop voorgelezen wat hij typte, zodat de getuige kon horen wat hij noteerde. De conceptversie van deze verklaring is vervolgens digitaal ondertekend door de getuige [getuige 1] . Het hof heeft daarbij waargenomen dat deze paraaf sterk gelijkend is op de paraaf die door de getuige onder zijn bij de raadsheer-commissaris aflegde verklaring is gezet. Anders dan de verdediging, acht het hof de door de getuige [getuige 1] op 21 juli 2023, kort na de diefstal, afgelegde verklaring betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Echter, gelet op diens stellige ontkenning bij de raadsheer-commissaris, zal het hof de verklaring dat [getuige 1] heeft gezien dat de fiets werd gedragen door twee mannen, niet voor het bewijs bezigen. Deze bewijsoverweging van de politierechter zal het hof derhalve schrappen.
Het hof is van oordeel dat op grond van de gebezigde bewijsmiddelen wel kan worden vastgesteld dat de fiets van [benadeelde 2] door in elk geval één van de daders is verplaatst. De fiets is immers aangetroffen op een andere plek dan dat de fiets eerder door de aangever was gestald, met een vernield kettingslot. Naar het oordeel van het hof hebben de daders derhalve als heer en meester over de fiets beschikt, zodat sprake is van een voltooide diefstal door middel van braak.
Voor wat betreft het medeplegen van deze diefstal door de verdachte, overweegt het hof dat uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat door de getuige [getuige 1] is waargenomen dat één van de daders – een man in een lichtgrijs trainingspak – heeft gepoogd het fietsslot door te slijpen met een flex (het hof begrijpt: een haakse slijpmachine) en dat de andere dader – een man met een donker trainingspak en een rugtas – erbij stond en ondertussen goederen in een blauwe big shopper aan het wegstoppen was. Vervolgens heeft de man in het lichtgrijze trainingspak de flex in de rugzak van de andere man weggestopt.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beschermde partiële vrijspraak van feit 1 primair.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. dr. M.J.M.A. van der Put, voorzitter,
mr. R. Lonterman en mr. J.H. de Krijger, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,
en op 26 februari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. De Krijger is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer: 20-002610-23
Uitspraak : 26 februari 2025
TEGENSPRAAK (ex artikel 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 16 augustus 2023, met parketnummer 03-181948-23 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf onder parketnummer 03-107348-23, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak’ (feit 1 primair) en ‘diefstal’ (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van een eerder aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 8 weken.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte door diens raadsman naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.
De verdediging heeft vrijspraak van het onder 1 (primair en subsidiair) tenlastegelegde bepleit en zich met betrekking tot een bewezenverklaring ter zake van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van het hof. Indien het hof komt tot vrijspraak van feit 1, heeft de verdediging verzocht om oplegging van een lagere straf. Echter, nu de verdachte de in eerste aanleg oplegde gevangenisstraf reeds geheel heeft uitgezeten, is verzocht dit te compenseren door
slechts de gedeeltelijke tenuitvoerlegging te gelasten van de onder parketnummer
03-107348-23 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 8 weken.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De verdachte is in eerste aanleg door de politierechter partieel vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde feit, te weten voor zover ziende op het (mede)plegen van diefstal van de fiets van [benadeelde 1] . Het hof is van oordeel dat deze partiële vrijspraak van feit 1 primair als een beschermde vrijspraak moet worden beschouwd.
Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen deze in eerste aanleg gegeven beslissing tot partiële vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de beschermde partiële vrijspraak van feit 1 primair.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat nog aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis – voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen – en met de gronden waarop dit berust, met verbetering en aanvulling van de bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 primair en met aanvulling van de toepasselijke wettelijke voorschriften.
Indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, zal het hof de inhoud van de redengevende bewijsmiddelen welke door de politierechter op pagina 4 van het vonnis zijn vermeld, uitwerken in een aanvulling op dit verkorte arrest, welke aanvulling dan aan het verkorte arrest wordt gehecht. De politierechter heeft immers volstaan met het opsommen van de bewijsmiddelen, zonder de inhoud van die bewijsmiddelen weer te geven. Het hof is echter – nu de verdachte geen bekennende verklaring heeft afgelegd – gebonden aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359, derde lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Verbetering en aanvulling van de bewijsoverwegingen
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het onder 1 (primair en subsidiair) tenlastegelegde bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte heeft verklaard dat hij niet betrokken is bij de diefstal van de fiets van [benadeelde 2] , hetgeen blijkt uit het feit dat hij is blijven staan toen de politie ter plaatse kwam en niet zoals de medeverdachte is weggerend. Voorts is gewezen op de door de getuige [getuige 1] op
5 juli 2024 bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring. In die verklaring komt [getuige 1] grotendeels terug op zijn bij de politie afgelegde getuigenverklaring van 21 juli 2023. Deze eerdere verklaring van de getuige [getuige 1] dient derhalve van het bewijs te worden uitgesloten.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Uit het dossier volgt dat de fiets van [benadeelde 2] op 21 juli 2023 te Maastricht door middel van braak is weggenomen. De getuige [getuige 1] heeft deze diefstal vanuit zijn woning waargenomen en is kort daarna door de politie daarover als getuige gehoord. Zijn verklaring is opgenomen door verbalisant [verbalisant] . Uit het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris d.d. 20 augustus 2024, blijkt dat verbalisant [verbalisant] de verklaring van de getuige [getuige 1] ter plekke in concept heeft opgenomen in zijn smartphone. De verbalisant heeft daarbij hardop voorgelezen wat hij typte, zodat de getuige kon horen wat hij noteerde. De conceptversie van deze verklaring is vervolgens digitaal ondertekend door de getuige [getuige 1] . Het hof heeft daarbij waargenomen dat deze paraaf sterk gelijkend is op de paraaf die door de getuige onder zijn bij de raadsheer-commissaris aflegde verklaring is gezet. Anders dan de verdediging, acht het hof de door de getuige [getuige 1] op 21 juli 2023, kort na de diefstal, afgelegde verklaring betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Echter, gelet op diens stellige ontkenning bij de raadsheer-commissaris, zal het hof de verklaring dat [getuige 1] heeft gezien dat de fiets werd gedragen door twee mannen, niet voor het bewijs bezigen. Deze bewijsoverweging van de politierechter zal het hof derhalve schrappen.
Het hof is van oordeel dat op grond van de gebezigde bewijsmiddelen wel kan worden vastgesteld dat de fiets van [benadeelde 2] door in elk geval één van de daders is verplaatst. De fiets is immers aangetroffen op een andere plek dan dat de fiets eerder door de aangever was gestald, met een vernield kettingslot. Naar het oordeel van het hof hebben de daders derhalve als heer en meester over de fiets beschikt, zodat sprake is van een voltooide diefstal door middel van braak.
Voor wat betreft het medeplegen van deze diefstal door de verdachte, overweegt het hof dat uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat door de getuige [getuige 1] is waargenomen dat één van de daders – een man in een lichtgrijs trainingspak – heeft gepoogd het fietsslot door te slijpen met een flex (het hof begrijpt: een haakse slijpmachine) en dat de andere dader – een man met een donker trainingspak en een rugtas – erbij stond en ondertussen goederen in een blauwe big shopper aan het wegstoppen was. Vervolgens heeft de man in het lichtgrijze trainingspak de flex in de rugzak van de andere man weggestopt.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beschermde partiële vrijspraak van feit 1 primair.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. dr. M.J.M.A. van der Put, voorzitter,
mr. R. Lonterman en mr. J.H. de Krijger, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,
en op 26 februari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. De Krijger is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer: 20-002610-23
Uitspraak : 26 februari 2025
TEGENSPRAAK (ex artikel 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 16 augustus 2023, met parketnummer 03-181948-23 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf onder parketnummer 03-107348-23, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak’ (feit 1 primair) en ‘diefstal’ (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van een eerder aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 8 weken.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte door diens raadsman naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.
De verdediging heeft vrijspraak van het onder 1 (primair en subsidiair) tenlastegelegde bepleit en zich met betrekking tot een bewezenverklaring ter zake van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van het hof. Indien het hof komt tot vrijspraak van feit 1, heeft de verdediging verzocht om oplegging van een lagere straf. Echter, nu de verdachte de in eerste aanleg oplegde gevangenisstraf reeds geheel heeft uitgezeten, is verzocht dit te compenseren door
slechts de gedeeltelijke tenuitvoerlegging te gelasten van de onder parketnummer
03-107348-23 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 8 weken.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De verdachte is in eerste aanleg door de politierechter partieel vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde feit, te weten voor zover ziende op het (mede)plegen van diefstal van de fiets van [benadeelde 1] . Het hof is van oordeel dat deze partiële vrijspraak van feit 1 primair als een beschermde vrijspraak moet worden beschouwd.
Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen deze in eerste aanleg gegeven beslissing tot partiële vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de beschermde partiële vrijspraak van feit 1 primair.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat nog aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis – voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen – en met de gronden waarop dit berust, met verbetering en aanvulling van de bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 primair en met aanvulling van de toepasselijke wettelijke voorschriften.
Indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, zal het hof de inhoud van de redengevende bewijsmiddelen welke door de politierechter op pagina 4 van het vonnis zijn vermeld, uitwerken in een aanvulling op dit verkorte arrest, welke aanvulling dan aan het verkorte arrest wordt gehecht. De politierechter heeft immers volstaan met het opsommen van de bewijsmiddelen, zonder de inhoud van die bewijsmiddelen weer te geven. Het hof is echter – nu de verdachte geen bekennende verklaring heeft afgelegd – gebonden aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359, derde lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Verbetering en aanvulling van de bewijsoverwegingen
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het onder 1 (primair en subsidiair) tenlastegelegde bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte heeft verklaard dat hij niet betrokken is bij de diefstal van de fiets van [benadeelde 2] , hetgeen blijkt uit het feit dat hij is blijven staan toen de politie ter plaatse kwam en niet zoals de medeverdachte is weggerend. Voorts is gewezen op de door de getuige [getuige 1] op
5 juli 2024 bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring. In die verklaring komt [getuige 1] grotendeels terug op zijn bij de politie afgelegde getuigenverklaring van 21 juli 2023. Deze eerdere verklaring van de getuige [getuige 1] dient derhalve van het bewijs te worden uitgesloten.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Uit het dossier volgt dat de fiets van [benadeelde 2] op 21 juli 2023 te Maastricht door middel van braak is weggenomen. De getuige [getuige 1] heeft deze diefstal vanuit zijn woning waargenomen en is kort daarna door de politie daarover als getuige gehoord. Zijn verklaring is opgenomen door verbalisant [verbalisant] . Uit het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris d.d. 20 augustus 2024, blijkt dat verbalisant [verbalisant] de verklaring van de getuige [getuige 1] ter plekke in concept heeft opgenomen in zijn smartphone. De verbalisant heeft daarbij hardop voorgelezen wat hij typte, zodat de getuige kon horen wat hij noteerde. De conceptversie van deze verklaring is vervolgens digitaal ondertekend door de getuige [getuige 1] . Het hof heeft daarbij waargenomen dat deze paraaf sterk gelijkend is op de paraaf die door de getuige onder zijn bij de raadsheer-commissaris aflegde verklaring is gezet. Anders dan de verdediging, acht het hof de door de getuige [getuige 1] op 21 juli 2023, kort na de diefstal, afgelegde verklaring betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Echter, gelet op diens stellige ontkenning bij de raadsheer-commissaris, zal het hof de verklaring dat [getuige 1] heeft gezien dat de fiets werd gedragen door twee mannen, niet voor het bewijs bezigen. Deze bewijsoverweging van de politierechter zal het hof derhalve schrappen.
Het hof is van oordeel dat op grond van de gebezigde bewijsmiddelen wel kan worden vastgesteld dat de fiets van [benadeelde 2] door in elk geval één van de daders is verplaatst. De fiets is immers aangetroffen op een andere plek dan dat de fiets eerder door de aangever was gestald, met een vernield kettingslot. Naar het oordeel van het hof hebben de daders derhalve als heer en meester over de fiets beschikt, zodat sprake is van een voltooide diefstal door middel van braak.
Voor wat betreft het medeplegen van deze diefstal door de verdachte, overweegt het hof dat uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat door de getuige [getuige 1] is waargenomen dat één van de daders – een man in een lichtgrijs trainingspak – heeft gepoogd het fietsslot door te slijpen met een flex (het hof begrijpt: een haakse slijpmachine) en dat de andere dader – een man met een donker trainingspak en een rugtas – erbij stond en ondertussen goederen in een blauwe big shopper aan het wegstoppen was. Vervolgens heeft de man in het lichtgrijze trainingspak de flex in de rugzak van de andere man weggestopt.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beschermde partiële vrijspraak van feit 1 primair.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. dr. M.J.M.A. van der Put, voorzitter,
mr. R. Lonterman en mr. J.H. de Krijger, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,
en op 26 februari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. De Krijger is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.