Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-09-02
ECLI:NL:GHSHE:2025:2405
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.349.551/01 arrest van 2 september 2025 in de zaak van De Rijke Veiligheidsmiddelen & Services B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante, hierna aan te duiden als De Rijke, advocaat: mr. J.A. de Waard te Goes, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , advocaat: mr. R.J.H. van den Dungen te 's-Hertogenbosch. op het bij exploot van dagvaarding van 29 oktober 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 7 augustus 2024, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen De Rijke als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser (zaak-/rolnummer 10919720 \ CV EXPL 24-402). 1 De zaak in het kort [geïntimeerde] is van 20 september 2021 tot 1 december 2023 in dienst geweest bij De Rijke. Op de arbeidsovereenkomst tussen partijen is de CAO Metaal en Techniek Metaalbewerkingsbedrijf van toepassing verklaard. In deze cao is een regeling voor arbeidsduurverkorting (ADV) opgenomen. De Rijke heeft over de jaren 2021 en 2022 geen ADV-uren toegekend aan [geïntimeerde] . Partijen verschillen van mening over de vraag of [geïntimeerde] recht heeft op uitbetaling van ADV-uren over de jaren 2021 en 2022. Het hof oordeelt, net als de kantonrechter, dat het antwoord op die vraag ja is. 2 De procedure in hoger beroep 2.1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; het herstelexploot van 17 december 2024; de memorie van grieven; de memorie van antwoord met vier producties. 2.2. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3 De feiten In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. 3.1. [geïntimeerde] is per 20 september 2021 in dienst getreden van De Rijke. 3.2. In de door partijen gesloten arbeidsovereenkomst staat, voor zover van belang, het volgende: “(…). art. 1. De werknemer treedt met ingang van 20 september 2021 bij de werkgever in dienst als algemeen medewerker voor 40 uur per week. (…) art. 3. Het salaris bedraagt € 2.213,50 bruto per maand. Het uurloon is derhalve € 12,77 bruto. (…) art. 7. Op deze arbeidsovereenkomst is de CAO Metaal en Techniek Metaalbewerkingsbedrijf (hof: hierna de cao) van toepassing. (…).” 3.3. In de cao (versies 2019-2021 en 2021-2024) staat, voor zover van belang, het volgende: “ Voorwoord 1 Werkingssfeer De onderhavige collectieve arbeidsovereenkomst bevat de regelen welke minimaal in acht moeten worden genomen bij arbeidsovereenkomsten (…). (…). Artikel 17. Op welke tijden werkt de werknemer? (…) 3. ADV-tijd is de tijd waarop de werknemer niet werkt vanwege arbeidsduurverkorting. In artikel 18a staat alles over ADV. (…). Artikel 18. Hoeveel uur werkt de werknemer per week? 1. De normale werktijd is gemiddeld 38 uur per week (…). (…). Artikel 18a. Arbeidsduurverkorting (ADV) (…) 2. Gekozen kan worden uit de volgende vormen van ADV: a. ADV-blokken: elke 4 weken 8 uur aaneengesloten ADV. elke 2 weken 4 uur aaneengesloten ADV. elke week 2 uur aaneengesloten ADV. b. Flexibele werktijd. (…). c. ADV-dagen (…). d. Vrije keuze (…). De werkgever mag geen ADV-tijd geven op zondagen en feestdagen. (…). Artikel 18b. De werknemer heeft te veel of te weinig ADV-tijd gehad (…). 2. Stopt de werknemer met werken voor de werkgever en heeft hij nog ADV-tijd over? Of heeft hij te veel ADV gehad? Dan wordt dit verrekend in tijd of in geld. Gebeurt dit in geld? Dan geldt voor de waarde van ADV het salaris, zoals artikel 31 lid 1 van deze cao. (…).” 3.4. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is op 1 december 2023 geëindigd. 4 De procedure bij de kantonrechter 4.1.1. [geïntimeerde] heeft bij de kantonrechter, voor zover in hoger beroep nog van belang, gevorderd De Rijke uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen tot betaling van een bedrag van: € 2.307,51 bruto wegens niet toegekende ADV-uren, te vermeerderen met de w Kennelijk gaat De Rijke zelf hiervan vanaf 2023 ook uit, aangezien zij, zoals [geïntimeerde] onweersproken stelt, vanaf dat jaar haar werknemers die 40 uren per week werken en uitbetaald krijgen daarnaast twee uur ADV-uren per week (of 13 ADV-dagen per jaar) toekent. Verder staat vast dat partijen bij aanvang van de arbeidsovereenkomst niet hebben gesproken over het recht op ADV-dagen overeenkomstig de cao. Zij hebben immers geen andersluidende of aanvullende afspraken gemaakt over het recht van [geïntimeerde] op ADV-uren of de voorwaarden waaronder deze zouden worden toegekend. Noch De Rijke noch [geïntimeerde] heeft op dit punt de vaststelling van de kantonrechter bestreden. Dat over de relevante jaren de ADV uren feitelijk zijn uitbetaald is daarom niet gebleken. [geïntimeerde] mocht er op basis van de arbeidsovereenkomst en de daarin van toepassing verklaarde cao dan ook op vertrouwen dat hij naast zijn 40-urige werkweek met een maandsalaris van € 2.213,50 bruto exclusief vakantiegeld ook recht had op ADV-uren. Als hiermee al is afgeweken van de cao, moet dit worden gezien als een afwijking ten voordele van [geïntimeerde] als werknemer. Dat is op basis van de cao toegestaan. Redelijkheid en billijkheid/klachtplicht 5.5. De Rijke beroept zich nog op de redelijkheid en billijkheid (grief 4). Zij voert daartoe aan dat [geïntimeerde] opzettelijk een verstoorde arbeidsverhouding tussen partijen heeft gecreëerd om onder het tussen partijen overeengekomen relatiebeding uit te komen en dat toen pas discussie is ontstaan over de arbeidsduur en de vrije dagen, zodat [geïntimeerde] niet tijdig heeft geklaagd. Volgens De Rijke had zij [geïntimeerde] minder loon uitbetaald, als [geïntimeerde] eerder had geklaagd. De Rijke voert daarnaast aan dat het in de veiligheidsmiddelenbranche gebruikelijk is om te kiezen tussen 40 uur loon of 38 uur loon en meer vrije dagen. 5.5.1. Het hof begrijpt dat De Rijke met dit beroep bedoelt te stellen dat de toepassing van de in de cao opgenomen ADV-regeling in het geval van [geïntimeerde] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en daarom buiten toepassing moet blijven (artikel 6:248 lid 2 BW). Het is aan De Rijke om voldoende feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting te bewijzen dat hiervan sprake is. Naar het oordeel van het hof is De Rijke hierin niet geslaagd over het niet toekennen van ADV-uren. De stellingen van [geïntimeerde] in dit verband komen er met name op neer dat [geïntimeerde] niet tijdig heeft geklaagd. De Rijke beroept zich hiermee op schending van de klachtplicht van artikel 6:89 BW. [geïntimeerde] voert daartegenover aan dat hij regelmatig heeft verzocht om toekenning van ADV-uren en dat De Rijke in 2022 er al van op de hoogte was dat zij [geïntimeerde] ADV-uren diende toe te kennen. [geïntimeerde] verwijst daarbij naar e-mailcorrespondentie tussen De Rijke en administratiekantoor De Baak van juni 2022 (zie productie 6 van [geïntimeerde] in eerste aanleg, overgelegd middels de aanbiedingsbrief van Mr. Van Dungen d.d. 3 juni 2024 ten behoeve van de mondelinge behandeling in eerste aanleg). Dit wordt niet door De Rijke weersproken. Naar het oordeel van het hof kan hierom al niet kan worden geconcludeerd dat [geïntimeerde] te laat heeft geklaagd. Uit de e-mail van juni 2022 blijkt inderdaad dat er toen al tussen partijen discussie was over de ADV-uren. De door De Rijke gestelde gebruikelijke keuze tussen 40 uur loon of 38 uur loon en meer vrije dagen, kan, wat daarvan ook zij, evenmin leiden tot de conclusie dat de toepassing van de in de cao opgenomen ADV-urenregeling in deze zaak naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dit geldt alleen al, omdat aangenomen moet worden dat deze keuze bij aanvang van de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet aan [geïntimeerde] is voorgelegd. Vast staat immers dat de ADV-uren bij aanvang van de arbeidsovereenkomst geen onderwerp van gesprek zijn geweest. Overige feiten en omstandigheden vo