Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-09-03
ECLI:NL:GHSHE:2025:2372
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummers: 23/265 tot en met 23/268 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende, en het incidentele hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 6 januari 2023, nummers BRE 19/1273, 19/4052, 19/4053 en 20/9473, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur, en de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) , hierna: de minister. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft de (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2013 tot en met 2016 opgelegd. Tevens is telkens bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en is telkens bij beschikking een boete opgelegd. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. 1.6. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur. 1.7. De zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 23/263, 23/264 en 23/272 tot en met 23/277. 1.8. Partijen hebben voor de zitting pleitnota’s inclusief bijlagen toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota’s doorgestuurd naar de andere partij. Deze pleitnota’s worden met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen. 1.9. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.10. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende is gehuwd met mevrouw [partner] (de partner). Zij hebben drie kinderen en zijn woonachtig in Nederland. 2.2. Sinds 1 oktober 2013 drijft belanghebbende een onderneming in de vorm van een eenmanszaak, genaamd [eenmanszaak] . De activiteiten van belanghebbende betreffen IT-gerelateerde werkzaamheden, vooral op het gebied van telefonie. 2.3. Belanghebbende heeft voor de onderhavige jaren aangiften IB/PVV ingediend naar de volgende belastbare inkomens uit werk en woning (tevens verzamelinkomen): 2013 € 20.998 2014 € 1.267 2015 € 8.989 2016 € 3.280 2.4. De partner van belanghebbende heeft voor de jaren 2013, 2015 en 2016 een aangifte IB/PVV ingediend naar een verzamelinkomen van nihil. 2.5. Naar aanleiding van een op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) gedaan verzoek aan de officier van justitie heeft de inspecteur informatie ontvangen over een strafrechtelijk onderzoek bij het Haags Juristen College (HJC). Uit dit onderzoek is onder meer naar voren gekomen dat: ( i) belanghebbende in oktober 2012 een structuur bij HJC heeft gekocht, bestaande uit onder andere: (a) een nexus binnen de naar Panamees opgerichte Private Foundation genaamd [naam Foundation] (hierna: de nexus); (b) [Vennootschap 1] , een kapitaalvennootschap, opgericht naar het recht van de Seychellen op [datum 1] 2012 (hierna: [Vennootschap 1] ); en (c) [Vennootschap 2] , een kapitaalvennootschap, opgericht naar het recht van de Seychellen op [datum 1] 2012 (hierna: [Vennootschap 2] ). (ii) belanghebbende in oktober 2012 de opdrachtformulieren voor het oprichten van deze structuur heeft ondertekend; (iii) belanghebbende volgens het o Als contactpersoon van de vennootschap staat belanghebbende vermeld en als adres van de vennootschap het woonadres van belanghebbende in Nederland; ( v) in de jaren 2013 tot en met 2016 overboekingen hebben plaatsgevonden van [Vennootschap 3] naar belanghebbende. 2.7.2. Uit de van de autoriteiten van Belize ontvangen informatie volgt onder meer dat: ( i) belanghebbende van 2 juli 2013 tot 8 augustus 2013 bestuurder was van [Vennootschap 3] , waarna [naam 5] bestuurder werd. Volgens de autoriteiten van Belize was de rol van de heer [naam 5] in de vennootschap echter ‘not for management purpose’ en is daarom een algemene volmacht gegeven aan belanghebbende. (ii) volgens de autoriteiten van Belize niemand anders betrokken was bij [Vennootschap 3] ; (iii) belanghebbende de enig aandeelhouder was van [Vennootschap 3] ; (iv) de boekhouding van [Vennootschap 3] wordt bewaard op het woonadres van belanghebbende; ( v) [Vennootschap 3] op 3 januari 2017 is uitgeschreven uit het handelsregister; (vi) [Vennootschap 4] op 14 april 2014 is opgericht naar het recht van Belize; (vii) [naam 6] de enig bestuurder en aandeelhouder is van [Vennootschap 4] . 2.7.3. Uit de van de autoriteiten van Letland ontvangen informatie volgt onder meer dat: (i) [naam 6] op 26 augustus 2014 bestuurder en uiteindelijk gerechtigde was van [Vennootschap 4] ; (ii) [Vennootschap 4] een Letse bankrekening had die is geopend door [naam 6] op 21 november 2014; (iii) op een formulier van 26 augustus 2014 met betrekking tot een Letse bankrekening van [Vennootschap 4] een telefoonnummer van belanghebbende staat vermeld. 2.8. Vanuit de Letse bankrekening van [Vennootschap 4] zijn bedragen overgeboekt naar een Turkse bankrekening op naam van belanghebbende. Tevens zijn vanuit de Cypriotische bankrekening van [Vennootschap 3] bedragen overgeboekt naar [Vennootschap 4] . 2.9. In de periode november 2014 tot en met 31 december 2016 zijn er met betrekking tot de Letse bankrekening van [Vennootschap 4] contante opnamen gedaan in België. Uit het onderzoek is niet naar voren gekomen wie de contante opnamen heeft gedaan. 2.10. Naar aanleiding van de bevindingen van het onderzoek heeft de inspecteur de (navorderings)aanslagen en vergrijpboeten opgelegd. De volgende correcties zijn gemaakt. Met betrekking tot het inkomen uit werk en woning (box 1): 2.10.1. Ten aanzien van de vermelde vennootschappen zijn de volgende bedragen aan gebruikelijk loon in aanmerking genomen: [Vennootschap 2] [Vennootschap 3] [Vennootschap 4] Correctie 2013 € 43.000 € 43.000 € 86.000 2014 € 44.000 € 44.000 € 22.000 € 88.363 2015 € 44.000 € 44.000 € 88.000 2016 € 44.000 € 44.000 € 88.000 2.10.2. Voor het jaar 2014 heeft de inspecteur een uitkering van het UWV in aanmerking genomen van € 9.189, welke belanghebbende niet aangegeven had. Deze correctie is tussen partijen niet in geschil. 2.10.3. Voor de jaren 2015 en 2016 heeft de inspecteur de in de aangifte geclaimde startersaftrek en zelfstandigenaftrek gecorrigeerd, omdat volgens de inspecteur niet aan het urencriterium voldaan is. Met betrekking tot het inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2): 2.10.4. Voor alle jaren is een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen, en wel van € 27.550 voor 2013, € 50.000 voor 2014, € 49.188 voor 2015 en € 44.546 voor 2016. Daarvan is voor de jaren 2013, 2015 en 2016 de helft in aanmerking genomen bij belanghebbende en de helft bij zijn partner. De correcties resulteren aldus in inkomens uit box 2 bij belanghebbende van respectievelijk € 13.775, € 50.000, € 24.594 en € 22.273. 2.10.5. [Vennootschap 2] en [Vennootschap 3] hebben in 2013 € 17.550 respectievelijk € 10.000 overgemaakt aan belanghebbende. Belanghebbende heeft in 2015 € 27.089 ontvangen van [Vennootschap 3] en in 2016 € 1.957 ontvangen van [Vennootschap 3] . Met betrekking tot het inkomen uit sparen en beleggen (box 3): 2.10.6. Voor alle jaren is een rendementsgrondslag (na aftrek van heffingsvrij vermogen) in aanmerking genomen en wel van Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Bij de beoordeling of aan deze maatstaf is voldaan, dienen alle feiten en omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen. 4.4. De inspecteur heeft onder meer betoogd dat belanghebbende in de onderhavige jaren niet alleen werkzaamheden heeft verricht voor [Vennootschap 2] en [Vennootschap 3] , maar dat hij tevens (economisch) aandeelhouder was van deze vennootschappen. 4.5. Het hof is van oordeel dat de inspecteur - met al hetgeen hij heeft overgelegd en gelet op wat belanghebbende ter betwisting van dit standpunt van de inspecteur naar voren heeft gebracht - aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende in de onderhavige jaren enig (economisch) aandeelhouder was van [Vennootschap 2] en [Vennootschap 3] . Het hof overweegt daartoe als volgt. 4.5.1. Dat belanghebbende in 2013 (economisch) aandeelhouder was van [Vennootschap 2] volgt uit informatie die de inspecteur uit het strafrechtelijk onderzoek bij HJC heeft ontvangen (zie 2.5, in het bijzonder 2.5 (vii en ix). Hoewel belanghebbende formeel geen bestuurder was van [Vennootschap 2] (zie 2.5 (v)), heeft de inspecteur op basis van de overgelegde e-mailcorrespondentie die er in de periode mei 2013 tot en met september 2013 is geweest tussen belanghebbende en HJC (zie 2.5 (ix)), aannemelijk gemaakt dat belanghebbende tevens de feitelijk bestuurder was van [Vennootschap 2] . De inspecteur beschikt niet over aanwijzingen dat deze situatie (economisch aandeelhouder en feitelijk bestuurder) later is gewijzigd. De inspecteur mocht er daarom van uitgaan dat belanghebbende ook in 2014 nog economisch aandeelhouder en feitelijk bestuurder was van [Vennootschap 2] . Dat belanghebbende zijn belang in [Vennootschap 2] begin 2013 zou hebben overgedragen aan [naam 6] , zoals belanghebbende ter zitting bij het hof heeft gesteld, is niet door hem aannemelijk gemaakt. De in hoger beroep overgelegde verklaring van [naam 6] waarin hij verklaart dat hij [Vennootschap 2] heeft overgenomen leidt evenmin tot een ander oordeel. Hij heeft namelijk verklaard dat hij [Vennootschap 3] heeft opgericht na de overname van [Vennootschap 2] ; dit betekent dat de overname van [Vennootschap 2] moet hebben plaatsgevonden vóór 2 juli 2013. Nu uit de emailcorrespondentie (zie 2.5 (ix)) blijkt dat belanghebbende nog in september 2013 handelingen namens [Vennootschap 2] heeft verricht en [naam 6] zijn verklaring ook niet heeft onderbouwd met onderliggende stukken gaat het hof aan diens verklaring voorbij. Verder acht het hof de verklaring van belanghebbende ter zitting bij het hof dat de in 2.5. bedoelde e-mails met HJC niet van hem afkomstig zijn ongeloofwaardig. De in hoger beroep overgelegde verklaringen van [naam 7] en [naam 6] dat belanghebbende nimmer betrokken is geweest bij het beheer van [Vennootschap 2] stroken niet met hetgeen uit het onderzoek van de inspecteur naar voren is gekomen en worden ook niet onderbouwd met onderliggende stukken. Bovendien is niet duidelijk op basis van welke wetenschap zij dit hebben kunnen vaststellen. 4.5.2. Dat belanghebbende in de jaren 2013 tot en met 2016 enig (economisch) aandeelhouder was van [Vennootschap 3] volgt uit de informatie ontvangen van de Cypriotische autoriteiten (zie 2.7.1 in het bijzonder (iii)) en de autoriteiten van Belize (zie 2.7.2), waaruit is af te leiden dat belanghebbende enig aandeelhouder was van [Vennootschap 3] tot het moment van uitschrijving uit het “Register of Companies” op 3 januari 2017. De inspecteur beschikt niet over aanwijzingen dat dit anders is. Hij mocht er daarom van uitgaan dat belanghebbende in de jaren 2013 tot en met 2016 enig (economisch) aandeelhouder was van [Vennootschap 3] . De in hoger beroep overgelegde verklarin De cliëntele van [Vennootschap 4] bestaat met name uit afnemers in de regio [woonplaats] ; de woonplaats van belanghebbende; (iii) belanghebbende [Vennootschap 4] als nieuwe klant aandroeg bij [bedrijf 1] , maar het door belanghebbende opgegeven Turkse nummer van een boer (de heer [naam 6] ) blijkt te zijn die nergens vanaf weet; (iv) op een van de formulieren van de Letse bank van [Vennootschap 4] het telefoonnummer van belanghebbende staat genoemd; en (v) diverse domeinnamen die de rechtspersonen gebruiken geregistreerd staan bij [bedrijf 2] ( [bedrijf 3] ), belanghebbende hiervan de contactpersoon is en [Vennootschap 4] de kosten van [bedrijf 2] betaalt aan [bedrijf 3] . 4.12. Aangezien de bewijslast is omgekeerd en verzwaard (zie 4.10) is het aan belanghebbende om te doen blijken (is overtuigend aan te tonen) dat deze feitelijke stellingen van de inspecteur onjuist zijn. Het hof is van oordeel dat belanghebbende niet aan deze bewijslast heeft voldaan. Redelijke schatting 4.13. Nietttemin dient de rechter te beoordelen of de door de inspecteur gemaakte schattingen van het belastbare inkomen uit werk en woning, het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen redelijk zijn. Het vereiste van een redelijke schatting strekt, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld door de inspecteur. In dat kader rust op de inspecteur de taak zijn schatting van het inkomen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan; de inspecteur moet aannemelijk maken dat zijn schatting redelijk (niet willekeurig) is. Belanghebbende kan op zich volstaan met een betwisting van de redelijkheid. De beoordeling of een schatting van de inspecteur redelijk (niet willekeurig) is, is niet streng. Voor de beoordeling of de schatting redelijk is, dient mede in aanmerking te worden genomen in hoeverre de inspecteur beschikt over gegevens voor het opleggen van een aanslag en in hoeverre ervan mag worden uitgegaan dat de belastingplichtige in staat is opening van zaken te geven. Indien de hoogte van de schatting wordt betwist, komt de belastingrechter de bevoegdheid toe de schatting op redelijkheid te toetsen en zo nodig door een eigen in goede justitie opgemaakte schatting te vervangen. Inkomen uit werk en woning (box 1) 4.14. Hiervoor heeft het hof geoordeeld dat de inspecteur op basis van de normale bewijslastverdeling de gebruikelijk loon correcties, voor zover het de bedragen genoemd in 4.8 betreffen, aannemelijk heeft gemaakt. Deze correcties zijn reeds daarom in zoverre ook redelijk in het kader van de redelijke schattingstoets. De overige gebruikelijklooncorrecties (€ 44.363 (2014), € 44.000 (2015) en € 44.000 (2016)) hebben betrekking op [Vennootschap 4] en voor 2014 ook op [Vennootschap 2] . Het hof acht deze correcties redelijk aangezien de inspecteur is aangesloten bij de voor die jaren geldende normbedragen (2015 en 2016) en de correctie in 2014 lager is dan het voor dat jaar geldende (totale) normbedrag. Bovendien heeft de inspecteur met de in 4.11 genoemde feiten en omstandigheden zoals deze uit het onderzoek naar voren zijn gekomen naar het oordeel van het hof voldoende aanknopingspunten verschaft voor zijn – in de gebruikelijklooncorrecties besloten – standpunt dat belanghebbende in de jaren 2014 tot en met 2016 economisch aandeelhouder was van [Vennootschap 4] en belanghebbende ten behoeve van deze vennootschap in die jaren werkzaamheden heeft verricht. Naast het gebruikelijke loon heeft de inspecteur de uitkering van het UWV (2014) en de zelfstandigen- en startersaftrek (2015 en 2016) gecorrigeerd. Vast staat dat belanghebbende de uitkering van het UWV heeft ontvangen en deze derhalve terecht is gecorrigeerd door de inspecteur. Dit is ook niet in geschil. Met betrekking tot de gerechtigdheid op de zelfstandigen- en startersaftrek heeft belanghebbende – op wie De bankrekeningen zijn immers gevoed middels de opbrengsten en activiteiten uit de naar buitenlandse recht opgerichte entiteiten en het is niet bekend of de inspecteur met de diverse derdenonderzoeken en inlichtingenverzoeken een volledig beeld heeft van de omzet en kosten uit deze activiteiten. De aangegeven inkomsten en het vermogen zijn te gering om in het levensonderhoud te kunnen voorzien. Belanghebbende heeft niet doen blijken en ook niet aannemelijk gemaakt dat de correcties ten onrechte en/of tot een te hoog bedrag zijn vastgesteld in box 3 bij hem en zijn echtgenote. 4.19. Het hof overweegt als volgt. Op de inspecteur rust de taak zijn schatting, nu deze door belanghebbende wordt bestreden, van het inkomen uit sparen en beleggen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan; de inspecteur moet aannemelijk maken dat zijn schatting redelijk (niet willekeurig) is. Voor zover de inspecteur bedoeld heeft te betogen dat in het kader van deze redelijkheidstoets de bewijslast bij belanghebbende ligt, faalt deze (zie 4.13). De inspecteur is er bij de aanslagregeling van uitgegaan dat de Turkse bezittingen van belanghebbende op 1 januari 2013 € 242.278 bedroegen en heeft dit bedrag vervolgens ieder jaar met € 50.000 verhoogd. De inspecteur heeft desgevraagd niet kunnen toelichten hoe hij de hoogte van dit aanvangsbedrag van € 242.278 heeft bepaald. Het komt het hof voor dat dit bedrag willekeurig is gekozen. Het hof is daarom van oordeel dat de inspecteur de hoogte van zijn schattingen met onvoldoende feiten en omstandigheden heeft onderbouwd en de schattingen daarom niet de redelijkheidstoets kunnen doorstaan. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat belanghebbende de structuur eind 2012 heeft opgezet en het hof het, gelet op de gedingstukken, onwaarschijnlijk acht dat belanghebbende in zo’n kort tijdsbestek zulke opbrengsten met de activiteiten in de buitenlandse vennootschappen heeft behaald om tot een saldo van € 242.278 op 1 januari 2013 te komen. Het hof sluit zich verder aan bij de overwegingen van de rechtbank en neemt deze over. Dat belanghebbende volgens de inspecteur nog over een derde Turkse bankrekening zou beschikken, maar hij hier (nog) geen informatie over heeft ontvangen, maakt het oordeel van het hof niet anders. Ten slotte 4.20. Voor zover de correcties in stand blijven, heeft belanghebbende naar het oordeel van het hof niet doen blijken dat de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. 4.21. Concluderend worden de (navorderings)aanslagen, waarbij voor de jaren 2013, 2015 en 2016 de reguliere voordelen bij helfte over belanghebbende en zijn echtgenote op grond van artikel 2.17 Wet IB 2001 zijn verdeeld, verminderd naar aanslagen berekend naar: Belastbaar inkomen uit werk en woning Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen 2013 € 85.498 € 13.775 € 0 2014 € 100.000 € 34.349 € 0 2015 € 105.076 € 24.594 € 0 2016 € 98.155 € 22.273 € 0 4.22. Aangezien de met de belastingrentebeschikkingen samenhangende aanslagen worden verminderd, worden de bedragen aan in rekening gebrachte belastingrente dienovereenkomstig verminderd. Vergrijpboeten 4.23. De rechtbank heeft met betrekking tot de aan belanghebbende opgelegde vergrijpboeten als volgt overwogen: ‘3.22. Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2013, 2015 en 2016 vergrijpboeten opgelegd van respectievelijk € 47.036, € 54.211 en € 49.756, op grond van artikel 67e van de AWR (2013) en artikel 67d van de AWR (2015 en 2016). Die boeten zijn 100% van de door de correcties geheven belasting. 3.23. Op grond van artikel 67d AWR kan – voor zover hier van belang – een vergrijpboete worden opgelegd indien het aan opzet van een belastingplichtige is te wijten dat met betrekking tot de belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven, de aangifte niet, dan wel onjuist of onvolledig is gedaan. Op grond van artikel 67e AWR kan – voor zover hier van belang – een vergrijpboete worden opgelegd i Belanghebbende heeft in oktober 2012 de in 2.5 genoemde buitenlandse structuur gekocht en was in de aanslagjaren waarover vergrijpboeten zijn opgelegd (in ieder geval) economisch eigenaar van [Vennootschap 2] (2.5) en [Vennootschap 3] (2.7.1). Verder heeft hij voor deze buitenlandse vennootschappen in Nederland werkzaamheden verricht en van deze vennootschappen aanzienlijke bedragen ontvangen. Dat gebeurde veelal op buitenlandse bankrekeningen die op zijn naam stonden. Belanghebbende heeft echter in de ingediende aangiften geen enkele melding gemaakt van deze vennootschappen en de inkomsten die hij daaruit heeft genoten. Het hof is van oordeel dat deze gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op het gevolg dat geen gebruikelijk loon op grond van artikel 12a Wet LB 1964, danwel reguliere voordelen worden aangegeven dat het – nu van contra-indicaties niet is gebleken – niet anders kan zijn dan dat belanghebbende bewust de hiervoor bedoelde inkomsten uit het zicht van de Belastingdienst wilde houden. Dit laatste geldt niet voor dat deel van de boeten dat is gebaseerd op een gebruikelijk loon correctie met betrekking tot de voor [Vennootschap 4] door belanghebbende verrichte arbeid. Met hetgeen de inspecteur heeft aangedragen (4.11) is namelijk niet bewezen dat belanghebbende wist dat hij ten aanzien van [Vennootschap 4] het benodigde aanmerkelijk belang bezat. Daarom is niet komen vast te staan dat belanghebbende in zoverre onjuiste aangiften IB/PVV heeft gedaan. Hetzelfde heeft dan te gelden voor de in de boetegrondslag begrepen correcties reguliere voordelen (box 2) voor zover deze zien op onttrekkingen uit [Vennootschap 4] . Het hof merkt voor wat betreft de boetegrondslag concluderend op, dat deze dient te bestaan uit de verschuldigde belasting die is toe te rekenen aan een deel van de gebruikelijk loon correcties in box 1 en een deel van de box 2 correcties. De verschuldigde belasting die het gevolg is van de box 1 correcties ten aanzien van de UWV-uitkering (2014) en de starters- en zelfstandigenaftrek (2015 en 2016), dient ook geen onderdeel uit te maken van de boetegrondslag. De boetegrondslag betreft cijfermatig voor wat betreft de box 1 correcties € 64.500 (2013), € 44.000 (2015), € 44.000 (2016) (zie 4.8) en voor de box 2 correcties € 13.775 (2013) , € 13.544 (2015) en € 978 (2016) (zie 2.10.5.). Vervolgens dient te worden beoordeeld of er reden is om de vergrijpboeten te matigen. Het hof overweegt in dat kader als volgt. 4.25. De rechtbank heeft de boeten met 25% gematigd omdat de boetegrondslag tot stand is gekomen met omkering van de bewijslast. De inspecteur is het niet eens met deze matiging en heeft daarom incidenteel hoger beroep ingesteld. Volgens de inspecteur zouden de correcties ook zonder omkering van de bewijslast over de in geschil zijnde jaren juist zijn. Het hof ziet, anders dan de rechtbank, geen aanleiding om de vergrijpboeten vanwege de omstandigheid dat de boetegrondslag met omkering van de bewijslast tot stand is gekomen te matigen. De boetegrondslag dient te worden gevormd door de verschuldigde belasting over de (bewezen verklaarde) gebruikelijk loon correcties in box 1 en box 2 (zie 4.24). Voor de gebruikelijk loon correcties heeft de inspecteur geen (ruwe) schatting gemaakt maar is de inspecteur aangesloten bij de wettelijke normbedragen van artikel 12a Wet LB 1964. Evenmin is de inspecteur voor de box 2 correcties uitgegaan van (ruwe) schattingen, maar is hij aangesloten bij bedragen die belanghebbende daadwerkelijk in die jaren per bank heeft ontvangen van [Vennootschap 2] , [Vennootschap 3] en [Vennootschap 4] en bij de gedane pinopnames van de bankrekeningen van de vennootschappen. 4.26. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de boeten dienen te worden vernietigd dan wel te worden gematigd omdat er meerdere jaren in het geding zijn en de cumulatie leidt tot een disproportioneel totaalbedrag aan boeten en vanwege zijn pers 5 Beslissing Het hof: verklaart het hoger beroep gegrond; verklaart het incidentele hoger beroep gegrond; vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar uitsluitend voor zover het de aanslag IB/PVV 2014, de belastingrentebeschikking over 2014 en de vergrijpboeten betreft; bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige; vermindert de aanslag voor het jaar 2014 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 100.000, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 34.349 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil; vermindert de belastingrentebeschikking over 2014 dienovereenkomstig; vermindert de boete voor het jaar 2013 tot 80% van de boetegrondslag als bedoeld in 4.24; vermindert de boete voor het jaar 2015 tot 80% van de boetegrondslag als bedoeld in 4.24; vermindert de boete voor het jaar 2016 tot 80% van de boetegrondslag als bedoeld in 4.24; veroordeelt de minister tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 333,34; bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 136 vergoedt; veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 1.814. De uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, voorzitter, A.J. Kromhout en H.J. Cosijn, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 september 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. De griffier, De voorzitter, E.A.D. Dockx C.W.M.M. Verkoijen Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; de dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; e gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten. Na persoonsgebonden aftrek. De inspecteur stelt dat € 110.000 in aanmerking genomen had kunnen worden, maar er is € 88.363 in aanmerking genomen. Artikel 3.76 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). Op grond van artikel 2.17 Wet IB 2001. Op grond van artikel 2.17 Wet IB 2001. Vetgedrukt betreft de verminderingen. HR 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1312, r.o. 2.3.2. Op grond van artikel 12a, derde lid, Wet LB 1964 (2013 en 2014) respectievelijk artikel 12a, vierde lid, Wet LB 1964 (2015 en 2016). HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184 en HR 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1311. HR 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4483; HR 28 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6486 en HR 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1093. HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:20