Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-01-30
ECLI:NL:GHSHE:2025:236
Civiel recht
Hoger beroep
24,276 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 30 januari 2025
Zaaknummer : 200.348.512/01
Zaaknummers eerste aanleg : C/03/333625 en C/03/333626
in de zaak in hoger beroep van:
1 [appellant 1] ,
2. [appellant 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna afzonderlijk te noemen: [appellant 1] respectievelijk [appellant 2] , gezamenlijk: [appellanten] ,
advocaat: mr. J.G. van Ek te Heerlen.
Procesverloop
Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 19 november 2024.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties 1 en 2, ingekomen ter griffie op 25 november 2024, hebben [appellant 1] en [appellant 2] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en te bepalen dat zij alsnog worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 januari 2025. Bij die gelegenheid is gehoord:
- [appellant 1] , bijgestaan door mr. Van Ek.
[appellant 2] is, vanwege een vooraf aangekondigd medisch onderzoek op 15 januari 2025, niet ter zitting verschenen.
2.3.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 6 november 2024, ingekomen ter griffie op 4 december 2024;
- het V6-formulier, ingekomen ter griffie op 12 december 2024, met als bijlagen een verklaring van [appellant 1] en een overzicht van de kosten van de huishouding sinds het beslag;
- het V6-formulier, ingekomen ter griffie op 20 december 2024, met als bijlagen een brief van ziekenhuis [ziekenhuis] van 12 december 2024 (bijlage 1), het verzoekschrift in eerste aanleg met bijlagen (bijlage 2) en aanvullende stukken eerste aanleg (bijlage 3).
Beoordeling
3.1.
[appellanten] hebben de rechtbank op 7 augustus 2024 verzocht om ten aanzien van hen de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellanten] blijkt een totale schuldenlast van € 67.447,36. Daaronder bevindt zich een preferente schuld aan de Belastingdienst ter hoogte van € 10.051,50. Uit voornoemde verklaring blijkt ook dat het minnelijke traject is mislukt omdat drie van de zeven schuldeisers, die gezamenlijk 45,26% van de gehele schuld vertegenwoordigen, niet met het in het kader daarvan aangeboden percentage hebben ingestemd.
3.2.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verzoeken van [appellanten] afgewezen. De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellanten] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw zijn geweest.
3.3.
De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd. Bij de eerste controle van het verzoekschrift is gebleken dat niet van alle bankrekeningen de bankafschriften waren overgelegd. Na opvraag en ontvangst van de ontbrekende gegevens bleek dat ten laste van één van deze rekeningen, de privérekening van [appellant 2] , op 30 en 31 juli 2024 in totaal € 4.500,- was gepind, dit – aldus [appellanten] – om een tekort aan inkomen in de voorgaande periode aan te vullen. De gemeente heeft verklaard niet op de hoogte te zijn van de betreffende bankrekening. Het is verwijtbaar dat [appellanten] . de bewuste bankafschriften voor de gemeente en de rechtbank hebben achtergehouden én dat zij het bedrag één week voor de indiening van het verzoekschrift hebben gepind, terwijl zij dit geld hadden kunnen gebruiken om schuldeisers af te betalen. Dit staat nog los van het feit dat ze ter zitting twee verschillende verklaringen hebben gegeven over de herkomst van het geld en het waarom van die contante opnames. Met betrekking tot de eerste verklaring, de compensatie van het te weinige inkomen, is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat [appellanten] niet konden rondkomen met de € 1.500,- waarvan zij een bepaalde periode hebben geleefd. Er waren immers geen schulden in de vaste lasten ontstaan. Daarnaast zou in een wettelijke schuldsaneringsregeling de belastingteruggave ook niet (geheel) aan [appellanten] zijn toegekomen en kon dus niet zonder meer worden gezegd dat [appellanten] recht hadden op deze teruggave. De andere verklaring, over de schenking en de aanname van [appellanten] dat het bedrag vanwege de huwelijkse voorwaarden buiten de wettelijke schuldsaneringsregeling zou vallen, is volgens de rechtbank evenmin voldoende rechtvaardiging. Hoewel een deel van de schulden veroorzaakt is door het faillissement van [appellant 1] , zijn de schulden grotendeels ontstaan in de periode dat er nog sprake was van een gemeenschap van goederen. Hierdoor zijn beide verzoekers hoofdelijk aansprakelijk voor deze schulden. Er is ook nog een vordering van [bedrijf] van € 1.16,42 (het hof begrijpt: € 1.016,42) die alleen betrekking heeft op [appellant 2] . Hierdoor kan niet worden gezegd dat de schenking alleen aan verzoekster toekwam. Dit bedrag had aangewend moeten worden om de gezamenlijke schulden mee af te betalen. Nu dit bedrag niet meer aanwezig is, hebben [appellanten] hun schuldeisers benadeeld en is er in de in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend niet te goeder trouw gehandeld, aldus de rechtbank.
3.4.
[appellanten] . kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen. [appellanten] hebben in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. De rechtbank is ten onrechte op grond van de verkregen inlichtingen tot het oordeel gekomen dat [appellanten] ten aanzien van het ontstaan van de schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, niet te goeder trouw zijn geweest als bedoeld in artikel 288 lid 1 Fw. Er is geen sprake van verwijtbaar achterhouden van bankafschriften, omdat [appellanten] de ontbrekende bankafschriften op verzoek van de griffie van de rechtbank per omgaande hebben aangeleverd. [appellanten] hebben niet willens en wetens geld willen onttrekken aan het zicht van de schuldeisers. Dat er geen schulden ter zake de vaste lasten zijn ontstaan, komt omdat [appellanten] prioriteit hebben gegeven aan het betalen van de vaste lasten. Hierdoor konden zij andere uitgaven niet doen en hebben zij gemeend dat ze een “inhaalslag” moesten maken door geld te pinnen voor boodschappen, kleding en dergelijke. Het geld is niet opgegaan aan luxe zaken, maar aan alledaagse benodigdheden. [appellanten] hebben geen nieuwe schulden laten ontstaan voor de wettelijke schuldsaneringsregeling of tijdens het minnelijke schuldsanering-traject. In het toelatingsverzoek wordt door de gemeente opgemerkt, dat [appellanten] gemotiveerd zijn om hun schulden af te lossen, en dat is gebleken dat (citaat): "..de heer [appellant 1] altijd goed heeft meegewerkt om het minnelijke schuldsanering- en wettelijke schuldsaneringsregeling-dossier te voorzien van de relevante documenten.” Gezien het voorgaande kan niet worden gesteld dat [appellanten] niet te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het ontstaan van de schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend.
3.5.
Hieraan is door en namens [appellanten] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellanten] hebben een tijd geleefd van minder dan het vrij te laten bedrag als door de gemeente becijferd. Hierdoor meenden zij de gepinde € 4.500,- te mogen besteden aan alledaagse noodzakelijkheden. Het geld is allereerst voor een deel uitgegeven aan de woning van [appellanten] Zij moesten vanwege te hoge huurkosten verhuizen en kwamen terecht in een andere huurwoning waar door de vorige bewoner(s) aanpassingen aan het sanitair zijn gedaan via de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: WMO). Dit zorgde voor ongemak bij het gebruik maken van het toilet, de douche en de wastafel. Zo stak de klapstoel in de douche ingeklapt ongeveer 10 cm uit, waardoor er minder bewegingsruimte was. Ook lekte het toilet. De verhuurder had aangegeven dat [appellanten] de aanpassingen mochten vervangen, maar wel op eigen kosten. Dit hebben zij dan ook gedaan. In november 2024 hebben zij voor deze werkzaamheden nog een rekening van ongeveer € 1.000,- betaald van het eerder opgenomen contante geld. Een ander deel van het bedrag, ongeveer € 1.500,-, is besteed aan kleding. Zo heeft [appellant 2] onder meer een jurk van [merk] ter waarde van ongeveer € 600,- gekocht. Het opgenomen geld is inmiddels in zijn geheel besteed. Een schriftelijke onderbouwing met betrekking tot de gestelde contante betalingen hebben [appellanten] niet voorhanden.
3.6.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.6.1.
Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden.
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 30 januari 2025
Zaaknummer : 200.348.512/01
Zaaknummers eerste aanleg : C/03/333625 en C/03/333626
in de zaak in hoger beroep van:
1 [appellant 1] ,
2. [appellant 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna afzonderlijk te noemen: [appellant 1] respectievelijk [appellant 2] , gezamenlijk: [appellanten] ,
advocaat: mr. J.G. van Ek te Heerlen.
Procesverloop
Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 19 november 2024.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties 1 en 2, ingekomen ter griffie op 25 november 2024, hebben [appellant 1] en [appellant 2] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en te bepalen dat zij alsnog worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 januari 2025. Bij die gelegenheid is gehoord:
- [appellant 1] , bijgestaan door mr. Van Ek.
[appellant 2] is, vanwege een vooraf aangekondigd medisch onderzoek op 15 januari 2025, niet ter zitting verschenen.
2.3.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 6 november 2024, ingekomen ter griffie op 4 december 2024;
- het V6-formulier, ingekomen ter griffie op 12 december 2024, met als bijlagen een verklaring van [appellant 1] en een overzicht van de kosten van de huishouding sinds het beslag;
- het V6-formulier, ingekomen ter griffie op 20 december 2024, met als bijlagen een brief van ziekenhuis [ziekenhuis] van 12 december 2024 (bijlage 1), het verzoekschrift in eerste aanleg met bijlagen (bijlage 2) en aanvullende stukken eerste aanleg (bijlage 3).
Beoordeling
3.1.
[appellanten] hebben de rechtbank op 7 augustus 2024 verzocht om ten aanzien van hen de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellanten] blijkt een totale schuldenlast van € 67.447,36. Daaronder bevindt zich een preferente schuld aan de Belastingdienst ter hoogte van € 10.051,50. Uit voornoemde verklaring blijkt ook dat het minnelijke traject is mislukt omdat drie van de zeven schuldeisers, die gezamenlijk 45,26% van de gehele schuld vertegenwoordigen, niet met het in het kader daarvan aangeboden percentage hebben ingestemd.
3.2.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verzoeken van [appellanten] afgewezen. De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellanten] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw zijn geweest.
3.3.
De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd. Bij de eerste controle van het verzoekschrift is gebleken dat niet van alle bankrekeningen de bankafschriften waren overgelegd. Na opvraag en ontvangst van de ontbrekende gegevens bleek dat ten laste van één van deze rekeningen, de privérekening van [appellant 2] , op 30 en 31 juli 2024 in totaal € 4.500,- was gepind, dit – aldus [appellanten] – om een tekort aan inkomen in de voorgaande periode aan te vullen. De gemeente heeft verklaard niet op de hoogte te zijn van de betreffende bankrekening. Het is verwijtbaar dat [appellanten] . de bewuste bankafschriften voor de gemeente en de rechtbank hebben achtergehouden én dat zij het bedrag één week voor de indiening van het verzoekschrift hebben gepind, terwijl zij dit geld hadden kunnen gebruiken om schuldeisers af te betalen. Dit staat nog los van het feit dat ze ter zitting twee verschillende verklaringen hebben gegeven over de herkomst van het geld en het waarom van die contante opnames. Met betrekking tot de eerste verklaring, de compensatie van het te weinige inkomen, is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat [appellanten] niet konden rondkomen met de € 1.500,- waarvan zij een bepaalde periode hebben geleefd. Er waren immers geen schulden in de vaste lasten ontstaan. Daarnaast zou in een wettelijke schuldsaneringsregeling de belastingteruggave ook niet (geheel) aan [appellanten] zijn toegekomen en kon dus niet zonder meer worden gezegd dat [appellanten] recht hadden op deze teruggave. De andere verklaring, over de schenking en de aanname van [appellanten] dat het bedrag vanwege de huwelijkse voorwaarden buiten de wettelijke schuldsaneringsregeling zou vallen, is volgens de rechtbank evenmin voldoende rechtvaardiging. Hoewel een deel van de schulden veroorzaakt is door het faillissement van [appellant 1] , zijn de schulden grotendeels ontstaan in de periode dat er nog sprake was van een gemeenschap van goederen. Hierdoor zijn beide verzoekers hoofdelijk aansprakelijk voor deze schulden. Er is ook nog een vordering van [bedrijf] van € 1.16,42 (het hof begrijpt: € 1.016,42) die alleen betrekking heeft op [appellant 2] . Hierdoor kan niet worden gezegd dat de schenking alleen aan verzoekster toekwam. Dit bedrag had aangewend moeten worden om de gezamenlijke schulden mee af te betalen. Nu dit bedrag niet meer aanwezig is, hebben [appellanten] hun schuldeisers benadeeld en is er in de in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend niet te goeder trouw gehandeld, aldus de rechtbank.
3.4.
[appellanten] . kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen. [appellanten] hebben in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. De rechtbank is ten onrechte op grond van de verkregen inlichtingen tot het oordeel gekomen dat [appellanten] ten aanzien van het ontstaan van de schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, niet te goeder trouw zijn geweest als bedoeld in artikel 288 lid 1 Fw. Er is geen sprake van verwijtbaar achterhouden van bankafschriften, omdat [appellanten] de ontbrekende bankafschriften op verzoek van de griffie van de rechtbank per omgaande hebben aangeleverd. [appellanten] hebben niet willens en wetens geld willen onttrekken aan het zicht van de schuldeisers. Dat er geen schulden ter zake de vaste lasten zijn ontstaan, komt omdat [appellanten] prioriteit hebben gegeven aan het betalen van de vaste lasten. Hierdoor konden zij andere uitgaven niet doen en hebben zij gemeend dat ze een “inhaalslag” moesten maken door geld te pinnen voor boodschappen, kleding en dergelijke. Het geld is niet opgegaan aan luxe zaken, maar aan alledaagse benodigdheden. [appellanten] hebben geen nieuwe schulden laten ontstaan voor de wettelijke schuldsaneringsregeling of tijdens het minnelijke schuldsanering-traject. In het toelatingsverzoek wordt door de gemeente opgemerkt, dat [appellanten] gemotiveerd zijn om hun schulden af te lossen, en dat is gebleken dat (citaat): "..de heer [appellant 1] altijd goed heeft meegewerkt om het minnelijke schuldsanering- en wettelijke schuldsaneringsregeling-dossier te voorzien van de relevante documenten.” Gezien het voorgaande kan niet worden gesteld dat [appellanten] niet te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het ontstaan van de schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend.
3.5.
Hieraan is door en namens [appellanten] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellanten] hebben een tijd geleefd van minder dan het vrij te laten bedrag als door de gemeente becijferd. Hierdoor meenden zij de gepinde € 4.500,- te mogen besteden aan alledaagse noodzakelijkheden. Het geld is allereerst voor een deel uitgegeven aan de woning van [appellanten] Zij moesten vanwege te hoge huurkosten verhuizen en kwamen terecht in een andere huurwoning waar door de vorige bewoner(s) aanpassingen aan het sanitair zijn gedaan via de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: WMO). Dit zorgde voor ongemak bij het gebruik maken van het toilet, de douche en de wastafel. Zo stak de klapstoel in de douche ingeklapt ongeveer 10 cm uit, waardoor er minder bewegingsruimte was. Ook lekte het toilet. De verhuurder had aangegeven dat [appellanten] de aanpassingen mochten vervangen, maar wel op eigen kosten. Dit hebben zij dan ook gedaan. In november 2024 hebben zij voor deze werkzaamheden nog een rekening van ongeveer € 1.000,- betaald van het eerder opgenomen contante geld. Een ander deel van het bedrag, ongeveer € 1.500,-, is besteed aan kleding. Zo heeft [appellant 2] onder meer een jurk van [merk] ter waarde van ongeveer € 600,- gekocht. Het opgenomen geld is inmiddels in zijn geheel besteed. Een schriftelijke onderbouwing met betrekking tot de gestelde contante betalingen hebben [appellanten] niet voorhanden.
3.6.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.6.1.
Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden.
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 30 januari 2025
Zaaknummer : 200.348.512/01
Zaaknummers eerste aanleg : C/03/333625 en C/03/333626
in de zaak in hoger beroep van:
1 [appellant 1] ,
2. [appellant 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna afzonderlijk te noemen: [appellant 1] respectievelijk [appellant 2] , gezamenlijk: [appellanten] ,
advocaat: mr. J.G. van Ek te Heerlen.
Procesverloop
Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 19 november 2024.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties 1 en 2, ingekomen ter griffie op 25 november 2024, hebben [appellant 1] en [appellant 2] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en te bepalen dat zij alsnog worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 januari 2025. Bij die gelegenheid is gehoord:
- [appellant 1] , bijgestaan door mr. Van Ek.
[appellant 2] is, vanwege een vooraf aangekondigd medisch onderzoek op 15 januari 2025, niet ter zitting verschenen.
2.3.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 6 november 2024, ingekomen ter griffie op 4 december 2024;
- het V6-formulier, ingekomen ter griffie op 12 december 2024, met als bijlagen een verklaring van [appellant 1] en een overzicht van de kosten van de huishouding sinds het beslag;
- het V6-formulier, ingekomen ter griffie op 20 december 2024, met als bijlagen een brief van ziekenhuis [ziekenhuis] van 12 december 2024 (bijlage 1), het verzoekschrift in eerste aanleg met bijlagen (bijlage 2) en aanvullende stukken eerste aanleg (bijlage 3).
Beoordeling
3.1.
[appellanten] hebben de rechtbank op 7 augustus 2024 verzocht om ten aanzien van hen de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellanten] blijkt een totale schuldenlast van € 67.447,36. Daaronder bevindt zich een preferente schuld aan de Belastingdienst ter hoogte van € 10.051,50. Uit voornoemde verklaring blijkt ook dat het minnelijke traject is mislukt omdat drie van de zeven schuldeisers, die gezamenlijk 45,26% van de gehele schuld vertegenwoordigen, niet met het in het kader daarvan aangeboden percentage hebben ingestemd.
3.2.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verzoeken van [appellanten] afgewezen. De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellanten] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw zijn geweest.
3.3.
De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd. Bij de eerste controle van het verzoekschrift is gebleken dat niet van alle bankrekeningen de bankafschriften waren overgelegd. Na opvraag en ontvangst van de ontbrekende gegevens bleek dat ten laste van één van deze rekeningen, de privérekening van [appellant 2] , op 30 en 31 juli 2024 in totaal € 4.500,- was gepind, dit – aldus [appellanten] – om een tekort aan inkomen in de voorgaande periode aan te vullen. De gemeente heeft verklaard niet op de hoogte te zijn van de betreffende bankrekening. Het is verwijtbaar dat [appellanten] . de bewuste bankafschriften voor de gemeente en de rechtbank hebben achtergehouden én dat zij het bedrag één week voor de indiening van het verzoekschrift hebben gepind, terwijl zij dit geld hadden kunnen gebruiken om schuldeisers af te betalen. Dit staat nog los van het feit dat ze ter zitting twee verschillende verklaringen hebben gegeven over de herkomst van het geld en het waarom van die contante opnames. Met betrekking tot de eerste verklaring, de compensatie van het te weinige inkomen, is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat [appellanten] niet konden rondkomen met de € 1.500,- waarvan zij een bepaalde periode hebben geleefd. Er waren immers geen schulden in de vaste lasten ontstaan. Daarnaast zou in een wettelijke schuldsaneringsregeling de belastingteruggave ook niet (geheel) aan [appellanten] zijn toegekomen en kon dus niet zonder meer worden gezegd dat [appellanten] recht hadden op deze teruggave. De andere verklaring, over de schenking en de aanname van [appellanten] dat het bedrag vanwege de huwelijkse voorwaarden buiten de wettelijke schuldsaneringsregeling zou vallen, is volgens de rechtbank evenmin voldoende rechtvaardiging. Hoewel een deel van de schulden veroorzaakt is door het faillissement van [appellant 1] , zijn de schulden grotendeels ontstaan in de periode dat er nog sprake was van een gemeenschap van goederen. Hierdoor zijn beide verzoekers hoofdelijk aansprakelijk voor deze schulden. Er is ook nog een vordering van [bedrijf] van € 1.16,42 (het hof begrijpt: € 1.016,42) die alleen betrekking heeft op [appellant 2] . Hierdoor kan niet worden gezegd dat de schenking alleen aan verzoekster toekwam. Dit bedrag had aangewend moeten worden om de gezamenlijke schulden mee af te betalen. Nu dit bedrag niet meer aanwezig is, hebben [appellanten] hun schuldeisers benadeeld en is er in de in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend niet te goeder trouw gehandeld, aldus de rechtbank.
3.4.
[appellanten] . kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen. [appellanten] hebben in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. De rechtbank is ten onrechte op grond van de verkregen inlichtingen tot het oordeel gekomen dat [appellanten] ten aanzien van het ontstaan van de schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, niet te goeder trouw zijn geweest als bedoeld in artikel 288 lid 1 Fw. Er is geen sprake van verwijtbaar achterhouden van bankafschriften, omdat [appellanten] de ontbrekende bankafschriften op verzoek van de griffie van de rechtbank per omgaande hebben aangeleverd. [appellanten] hebben niet willens en wetens geld willen onttrekken aan het zicht van de schuldeisers. Dat er geen schulden ter zake de vaste lasten zijn ontstaan, komt omdat [appellanten] prioriteit hebben gegeven aan het betalen van de vaste lasten. Hierdoor konden zij andere uitgaven niet doen en hebben zij gemeend dat ze een “inhaalslag” moesten maken door geld te pinnen voor boodschappen, kleding en dergelijke. Het geld is niet opgegaan aan luxe zaken, maar aan alledaagse benodigdheden. [appellanten] hebben geen nieuwe schulden laten ontstaan voor de wettelijke schuldsaneringsregeling of tijdens het minnelijke schuldsanering-traject. In het toelatingsverzoek wordt door de gemeente opgemerkt, dat [appellanten] gemotiveerd zijn om hun schulden af te lossen, en dat is gebleken dat (citaat): "..de heer [appellant 1] altijd goed heeft meegewerkt om het minnelijke schuldsanering- en wettelijke schuldsaneringsregeling-dossier te voorzien van de relevante documenten.” Gezien het voorgaande kan niet worden gesteld dat [appellanten] niet te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het ontstaan van de schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend.
3.5.
Hieraan is door en namens [appellanten] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellanten] hebben een tijd geleefd van minder dan het vrij te laten bedrag als door de gemeente becijferd. Hierdoor meenden zij de gepinde € 4.500,- te mogen besteden aan alledaagse noodzakelijkheden. Het geld is allereerst voor een deel uitgegeven aan de woning van [appellanten] Zij moesten vanwege te hoge huurkosten verhuizen en kwamen terecht in een andere huurwoning waar door de vorige bewoner(s) aanpassingen aan het sanitair zijn gedaan via de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: WMO). Dit zorgde voor ongemak bij het gebruik maken van het toilet, de douche en de wastafel. Zo stak de klapstoel in de douche ingeklapt ongeveer 10 cm uit, waardoor er minder bewegingsruimte was. Ook lekte het toilet. De verhuurder had aangegeven dat [appellanten] de aanpassingen mochten vervangen, maar wel op eigen kosten. Dit hebben zij dan ook gedaan. In november 2024 hebben zij voor deze werkzaamheden nog een rekening van ongeveer € 1.000,- betaald van het eerder opgenomen contante geld. Een ander deel van het bedrag, ongeveer € 1.500,-, is besteed aan kleding. Zo heeft [appellant 2] onder meer een jurk van [merk] ter waarde van ongeveer € 600,- gekocht. Het opgenomen geld is inmiddels in zijn geheel besteed. Een schriftelijke onderbouwing met betrekking tot de gestelde contante betalingen hebben [appellanten] niet voorhanden.
3.6.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.6.1.
Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden.
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 30 januari 2025
Zaaknummer : 200.348.512/01
Zaaknummers eerste aanleg : C/03/333625 en C/03/333626
in de zaak in hoger beroep van:
1 [appellant 1] ,
2. [appellant 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna afzonderlijk te noemen: [appellant 1] respectievelijk [appellant 2] , gezamenlijk: [appellanten] ,
advocaat: mr. J.G. van Ek te Heerlen.
Procesverloop
Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 19 november 2024.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties 1 en 2, ingekomen ter griffie op 25 november 2024, hebben [appellant 1] en [appellant 2] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en te bepalen dat zij alsnog worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 januari 2025. Bij die gelegenheid is gehoord:
- [appellant 1] , bijgestaan door mr. Van Ek.
[appellant 2] is, vanwege een vooraf aangekondigd medisch onderzoek op 15 januari 2025, niet ter zitting verschenen.
2.3.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 6 november 2024, ingekomen ter griffie op 4 december 2024;
- het V6-formulier, ingekomen ter griffie op 12 december 2024, met als bijlagen een verklaring van [appellant 1] en een overzicht van de kosten van de huishouding sinds het beslag;
- het V6-formulier, ingekomen ter griffie op 20 december 2024, met als bijlagen een brief van ziekenhuis [ziekenhuis] van 12 december 2024 (bijlage 1), het verzoekschrift in eerste aanleg met bijlagen (bijlage 2) en aanvullende stukken eerste aanleg (bijlage 3).
Beoordeling
3.1.
[appellanten] hebben de rechtbank op 7 augustus 2024 verzocht om ten aanzien van hen de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellanten] blijkt een totale schuldenlast van € 67.447,36. Daaronder bevindt zich een preferente schuld aan de Belastingdienst ter hoogte van € 10.051,50. Uit voornoemde verklaring blijkt ook dat het minnelijke traject is mislukt omdat drie van de zeven schuldeisers, die gezamenlijk 45,26% van de gehele schuld vertegenwoordigen, niet met het in het kader daarvan aangeboden percentage hebben ingestemd.
3.2.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verzoeken van [appellanten] afgewezen. De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellanten] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw zijn geweest.
3.3.
De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd. Bij de eerste controle van het verzoekschrift is gebleken dat niet van alle bankrekeningen de bankafschriften waren overgelegd. Na opvraag en ontvangst van de ontbrekende gegevens bleek dat ten laste van één van deze rekeningen, de privérekening van [appellant 2] , op 30 en 31 juli 2024 in totaal € 4.500,- was gepind, dit – aldus [appellanten] – om een tekort aan inkomen in de voorgaande periode aan te vullen. De gemeente heeft verklaard niet op de hoogte te zijn van de betreffende bankrekening. Het is verwijtbaar dat [appellanten] . de bewuste bankafschriften voor de gemeente en de rechtbank hebben achtergehouden én dat zij het bedrag één week voor de indiening van het verzoekschrift hebben gepind, terwijl zij dit geld hadden kunnen gebruiken om schuldeisers af te betalen. Dit staat nog los van het feit dat ze ter zitting twee verschillende verklaringen hebben gegeven over de herkomst van het geld en het waarom van die contante opnames. Met betrekking tot de eerste verklaring, de compensatie van het te weinige inkomen, is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat [appellanten] niet konden rondkomen met de € 1.500,- waarvan zij een bepaalde periode hebben geleefd. Er waren immers geen schulden in de vaste lasten ontstaan. Daarnaast zou in een wettelijke schuldsaneringsregeling de belastingteruggave ook niet (geheel) aan [appellanten] zijn toegekomen en kon dus niet zonder meer worden gezegd dat [appellanten] recht hadden op deze teruggave. De andere verklaring, over de schenking en de aanname van [appellanten] dat het bedrag vanwege de huwelijkse voorwaarden buiten de wettelijke schuldsaneringsregeling zou vallen, is volgens de rechtbank evenmin voldoende rechtvaardiging. Hoewel een deel van de schulden veroorzaakt is door het faillissement van [appellant 1] , zijn de schulden grotendeels ontstaan in de periode dat er nog sprake was van een gemeenschap van goederen. Hierdoor zijn beide verzoekers hoofdelijk aansprakelijk voor deze schulden. Er is ook nog een vordering van [bedrijf] van € 1.16,42 (het hof begrijpt: € 1.016,42) die alleen betrekking heeft op [appellant 2] . Hierdoor kan niet worden gezegd dat de schenking alleen aan verzoekster toekwam. Dit bedrag had aangewend moeten worden om de gezamenlijke schulden mee af te betalen. Nu dit bedrag niet meer aanwezig is, hebben [appellanten] hun schuldeisers benadeeld en is er in de in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend niet te goeder trouw gehandeld, aldus de rechtbank.
3.4.
[appellanten] . kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen. [appellanten] hebben in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. De rechtbank is ten onrechte op grond van de verkregen inlichtingen tot het oordeel gekomen dat [appellanten] ten aanzien van het ontstaan van de schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, niet te goeder trouw zijn geweest als bedoeld in artikel 288 lid 1 Fw. Er is geen sprake van verwijtbaar achterhouden van bankafschriften, omdat [appellanten] de ontbrekende bankafschriften op verzoek van de griffie van de rechtbank per omgaande hebben aangeleverd. [appellanten] hebben niet willens en wetens geld willen onttrekken aan het zicht van de schuldeisers. Dat er geen schulden ter zake de vaste lasten zijn ontstaan, komt omdat [appellanten] prioriteit hebben gegeven aan het betalen van de vaste lasten. Hierdoor konden zij andere uitgaven niet doen en hebben zij gemeend dat ze een “inhaalslag” moesten maken door geld te pinnen voor boodschappen, kleding en dergelijke. Het geld is niet opgegaan aan luxe zaken, maar aan alledaagse benodigdheden. [appellanten] hebben geen nieuwe schulden laten ontstaan voor de wettelijke schuldsaneringsregeling of tijdens het minnelijke schuldsanering-traject. In het toelatingsverzoek wordt door de gemeente opgemerkt, dat [appellanten] gemotiveerd zijn om hun schulden af te lossen, en dat is gebleken dat (citaat): "..de heer [appellant 1] altijd goed heeft meegewerkt om het minnelijke schuldsanering- en wettelijke schuldsaneringsregeling-dossier te voorzien van de relevante documenten.” Gezien het voorgaande kan niet worden gesteld dat [appellanten] niet te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het ontstaan van de schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend.
3.5.
Hieraan is door en namens [appellanten] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellanten] hebben een tijd geleefd van minder dan het vrij te laten bedrag als door de gemeente becijferd. Hierdoor meenden zij de gepinde € 4.500,- te mogen besteden aan alledaagse noodzakelijkheden. Het geld is allereerst voor een deel uitgegeven aan de woning van [appellanten] Zij moesten vanwege te hoge huurkosten verhuizen en kwamen terecht in een andere huurwoning waar door de vorige bewoner(s) aanpassingen aan het sanitair zijn gedaan via de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: WMO). Dit zorgde voor ongemak bij het gebruik maken van het toilet, de douche en de wastafel. Zo stak de klapstoel in de douche ingeklapt ongeveer 10 cm uit, waardoor er minder bewegingsruimte was. Ook lekte het toilet. De verhuurder had aangegeven dat [appellanten] de aanpassingen mochten vervangen, maar wel op eigen kosten. Dit hebben zij dan ook gedaan. In november 2024 hebben zij voor deze werkzaamheden nog een rekening van ongeveer € 1.000,- betaald van het eerder opgenomen contante geld. Een ander deel van het bedrag, ongeveer € 1.500,-, is besteed aan kleding. Zo heeft [appellant 2] onder meer een jurk van [merk] ter waarde van ongeveer € 600,- gekocht. Het opgenomen geld is inmiddels in zijn geheel besteed. Een schriftelijke onderbouwing met betrekking tot de gestelde contante betalingen hebben [appellanten] niet voorhanden.
3.6.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.6.1.
Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden.
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 30 januari 2025
Zaaknummer : 200.348.512/01
Zaaknummers eerste aanleg : C/03/333625 en C/03/333626
in de zaak in hoger beroep van:
1 [appellant 1] ,
2. [appellant 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna afzonderlijk te noemen: [appellant 1] respectievelijk [appellant 2] , gezamenlijk: [appellanten] ,
advocaat: mr. J.G. van Ek te Heerlen.
Procesverloop
Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 19 november 2024.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties 1 en 2, ingekomen ter griffie op 25 november 2024, hebben [appellant 1] en [appellant 2] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en te bepalen dat zij alsnog worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 januari 2025. Bij die gelegenheid is gehoord:
- [appellant 1] , bijgestaan door mr. Van Ek.
[appellant 2] is, vanwege een vooraf aangekondigd medisch onderzoek op 15 januari 2025, niet ter zitting verschenen.
2.3.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 6 november 2024, ingekomen ter griffie op 4 december 2024;
- het V6-formulier, ingekomen ter griffie op 12 december 2024, met als bijlagen een verklaring van [appellant 1] en een overzicht van de kosten van de huishouding sinds het beslag;
- het V6-formulier, ingekomen ter griffie op 20 december 2024, met als bijlagen een brief van ziekenhuis [ziekenhuis] van 12 december 2024 (bijlage 1), het verzoekschrift in eerste aanleg met bijlagen (bijlage 2) en aanvullende stukken eerste aanleg (bijlage 3).
Beoordeling
3.1.
[appellanten] hebben de rechtbank op 7 augustus 2024 verzocht om ten aanzien van hen de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellanten] blijkt een totale schuldenlast van € 67.447,36. Daaronder bevindt zich een preferente schuld aan de Belastingdienst ter hoogte van € 10.051,50. Uit voornoemde verklaring blijkt ook dat het minnelijke traject is mislukt omdat drie van de zeven schuldeisers, die gezamenlijk 45,26% van de gehele schuld vertegenwoordigen, niet met het in het kader daarvan aangeboden percentage hebben ingestemd.
3.2.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verzoeken van [appellanten] afgewezen. De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellanten] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw zijn geweest.
3.3.
De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd. Bij de eerste controle van het verzoekschrift is gebleken dat niet van alle bankrekeningen de bankafschriften waren overgelegd. Na opvraag en ontvangst van de ontbrekende gegevens bleek dat ten laste van één van deze rekeningen, de privérekening van [appellant 2] , op 30 en 31 juli 2024 in totaal € 4.500,- was gepind, dit – aldus [appellanten] – om een tekort aan inkomen in de voorgaande periode aan te vullen. De gemeente heeft verklaard niet op de hoogte te zijn van de betreffende bankrekening. Het is verwijtbaar dat [appellanten] . de bewuste bankafschriften voor de gemeente en de rechtbank hebben achtergehouden én dat zij het bedrag één week voor de indiening van het verzoekschrift hebben gepind, terwijl zij dit geld hadden kunnen gebruiken om schuldeisers af te betalen. Dit staat nog los van het feit dat ze ter zitting twee verschillende verklaringen hebben gegeven over de herkomst van het geld en het waarom van die contante opnames. Met betrekking tot de eerste verklaring, de compensatie van het te weinige inkomen, is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat [appellanten] niet konden rondkomen met de € 1.500,- waarvan zij een bepaalde periode hebben geleefd. Er waren immers geen schulden in de vaste lasten ontstaan. Daarnaast zou in een wettelijke schuldsaneringsregeling de belastingteruggave ook niet (geheel) aan [appellanten] zijn toegekomen en kon dus niet zonder meer worden gezegd dat [appellanten] recht hadden op deze teruggave. De andere verklaring, over de schenking en de aanname van [appellanten] dat het bedrag vanwege de huwelijkse voorwaarden buiten de wettelijke schuldsaneringsregeling zou vallen, is volgens de rechtbank evenmin voldoende rechtvaardiging. Hoewel een deel van de schulden veroorzaakt is door het faillissement van [appellant 1] , zijn de schulden grotendeels ontstaan in de periode dat er nog sprake was van een gemeenschap van goederen. Hierdoor zijn beide verzoekers hoofdelijk aansprakelijk voor deze schulden. Er is ook nog een vordering van [bedrijf] van € 1.16,42 (het hof begrijpt: € 1.016,42) die alleen betrekking heeft op [appellant 2] . Hierdoor kan niet worden gezegd dat de schenking alleen aan verzoekster toekwam. Dit bedrag had aangewend moeten worden om de gezamenlijke schulden mee af te betalen. Nu dit bedrag niet meer aanwezig is, hebben [appellanten] hun schuldeisers benadeeld en is er in de in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend niet te goeder trouw gehandeld, aldus de rechtbank.
3.4.
[appellanten] . kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen. [appellanten] hebben in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. De rechtbank is ten onrechte op grond van de verkregen inlichtingen tot het oordeel gekomen dat [appellanten] ten aanzien van het ontstaan van de schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, niet te goeder trouw zijn geweest als bedoeld in artikel 288 lid 1 Fw. Er is geen sprake van verwijtbaar achterhouden van bankafschriften, omdat [appellanten] de ontbrekende bankafschriften op verzoek van de griffie van de rechtbank per omgaande hebben aangeleverd. [appellanten] hebben niet willens en wetens geld willen onttrekken aan het zicht van de schuldeisers. Dat er geen schulden ter zake de vaste lasten zijn ontstaan, komt omdat [appellanten] prioriteit hebben gegeven aan het betalen van de vaste lasten. Hierdoor konden zij andere uitgaven niet doen en hebben zij gemeend dat ze een “inhaalslag” moesten maken door geld te pinnen voor boodschappen, kleding en dergelijke. Het geld is niet opgegaan aan luxe zaken, maar aan alledaagse benodigdheden. [appellanten] hebben geen nieuwe schulden laten ontstaan voor de wettelijke schuldsaneringsregeling of tijdens het minnelijke schuldsanering-traject. In het toelatingsverzoek wordt door de gemeente opgemerkt, dat [appellanten] gemotiveerd zijn om hun schulden af te lossen, en dat is gebleken dat (citaat): "..de heer [appellant 1] altijd goed heeft meegewerkt om het minnelijke schuldsanering- en wettelijke schuldsaneringsregeling-dossier te voorzien van de relevante documenten.” Gezien het voorgaande kan niet worden gesteld dat [appellanten] niet te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het ontstaan van de schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend.
3.5.
Hieraan is door en namens [appellanten] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellanten] hebben een tijd geleefd van minder dan het vrij te laten bedrag als door de gemeente becijferd. Hierdoor meenden zij de gepinde € 4.500,- te mogen besteden aan alledaagse noodzakelijkheden. Het geld is allereerst voor een deel uitgegeven aan de woning van [appellanten] Zij moesten vanwege te hoge huurkosten verhuizen en kwamen terecht in een andere huurwoning waar door de vorige bewoner(s) aanpassingen aan het sanitair zijn gedaan via de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: WMO). Dit zorgde voor ongemak bij het gebruik maken van het toilet, de douche en de wastafel. Zo stak de klapstoel in de douche ingeklapt ongeveer 10 cm uit, waardoor er minder bewegingsruimte was. Ook lekte het toilet. De verhuurder had aangegeven dat [appellanten] de aanpassingen mochten vervangen, maar wel op eigen kosten. Dit hebben zij dan ook gedaan. In november 2024 hebben zij voor deze werkzaamheden nog een rekening van ongeveer € 1.000,- betaald van het eerder opgenomen contante geld. Een ander deel van het bedrag, ongeveer € 1.500,-, is besteed aan kleding. Zo heeft [appellant 2] onder meer een jurk van [merk] ter waarde van ongeveer € 600,- gekocht. Het opgenomen geld is inmiddels in zijn geheel besteed. Een schriftelijke onderbouwing met betrekking tot de gestelde contante betalingen hebben [appellanten] niet voorhanden.
3.6.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.6.1.
Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden.
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 30 januari 2025
Zaaknummer : 200.348.512/01
Zaaknummers eerste aanleg : C/03/333625 en C/03/333626
in de zaak in hoger beroep van:
1 [appellant 1] ,
2. [appellant 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna afzonderlijk te noemen: [appellant 1] respectievelijk [appellant 2] , gezamenlijk: [appellanten] ,
advocaat: mr. J.G. van Ek te Heerlen.
Procesverloop
Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 19 november 2024.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties 1 en 2, ingekomen ter griffie op 25 november 2024, hebben [appellant 1] en [appellant 2] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en te bepalen dat zij alsnog worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 januari 2025. Bij die gelegenheid is gehoord:
- [appellant 1] , bijgestaan door mr. Van Ek.
[appellant 2] is, vanwege een vooraf aangekondigd medisch onderzoek op 15 januari 2025, niet ter zitting verschenen.
2.3.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 6 november 2024, ingekomen ter griffie op 4 december 2024;
- het V6-formulier, ingekomen ter griffie op 12 december 2024, met als bijlagen een verklaring van [appellant 1] en een overzicht van de kosten van de huishouding sinds het beslag;
- het V6-formulier, ingekomen ter griffie op 20 december 2024, met als bijlagen een brief van ziekenhuis [ziekenhuis] van 12 december 2024 (bijlage 1), het verzoekschrift in eerste aanleg met bijlagen (bijlage 2) en aanvullende stukken eerste aanleg (bijlage 3).
Beoordeling
3.1.
[appellanten] hebben de rechtbank op 7 augustus 2024 verzocht om ten aanzien van hen de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellanten] blijkt een totale schuldenlast van € 67.447,36. Daaronder bevindt zich een preferente schuld aan de Belastingdienst ter hoogte van € 10.051,50. Uit voornoemde verklaring blijkt ook dat het minnelijke traject is mislukt omdat drie van de zeven schuldeisers, die gezamenlijk 45,26% van de gehele schuld vertegenwoordigen, niet met het in het kader daarvan aangeboden percentage hebben ingestemd.
3.2.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verzoeken van [appellanten] afgewezen. De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellanten] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw zijn geweest.
3.3.
De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd. Bij de eerste controle van het verzoekschrift is gebleken dat niet van alle bankrekeningen de bankafschriften waren overgelegd. Na opvraag en ontvangst van de ontbrekende gegevens bleek dat ten laste van één van deze rekeningen, de privérekening van [appellant 2] , op 30 en 31 juli 2024 in totaal € 4.500,- was gepind, dit – aldus [appellanten] – om een tekort aan inkomen in de voorgaande periode aan te vullen. De gemeente heeft verklaard niet op de hoogte te zijn van de betreffende bankrekening. Het is verwijtbaar dat [appellanten] . de bewuste bankafschriften voor de gemeente en de rechtbank hebben achtergehouden én dat zij het bedrag één week voor de indiening van het verzoekschrift hebben gepind, terwijl zij dit geld hadden kunnen gebruiken om schuldeisers af te betalen. Dit staat nog los van het feit dat ze ter zitting twee verschillende verklaringen hebben gegeven over de herkomst van het geld en het waarom van die contante opnames. Met betrekking tot de eerste verklaring, de compensatie van het te weinige inkomen, is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat [appellanten] niet konden rondkomen met de € 1.500,- waarvan zij een bepaalde periode hebben geleefd. Er waren immers geen schulden in de vaste lasten ontstaan. Daarnaast zou in een wettelijke schuldsaneringsregeling de belastingteruggave ook niet (geheel) aan [appellanten] zijn toegekomen en kon dus niet zonder meer worden gezegd dat [appellanten] recht hadden op deze teruggave. De andere verklaring, over de schenking en de aanname van [appellanten] dat het bedrag vanwege de huwelijkse voorwaarden buiten de wettelijke schuldsaneringsregeling zou vallen, is volgens de rechtbank evenmin voldoende rechtvaardiging. Hoewel een deel van de schulden veroorzaakt is door het faillissement van [appellant 1] , zijn de schulden grotendeels ontstaan in de periode dat er nog sprake was van een gemeenschap van goederen. Hierdoor zijn beide verzoekers hoofdelijk aansprakelijk voor deze schulden. Er is ook nog een vordering van [bedrijf] van € 1.16,42 (het hof begrijpt: € 1.016,42) die alleen betrekking heeft op [appellant 2] . Hierdoor kan niet worden gezegd dat de schenking alleen aan verzoekster toekwam. Dit bedrag had aangewend moeten worden om de gezamenlijke schulden mee af te betalen. Nu dit bedrag niet meer aanwezig is, hebben [appellanten] hun schuldeisers benadeeld en is er in de in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend niet te goeder trouw gehandeld, aldus de rechtbank.
3.4.
[appellanten] . kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen. [appellanten] hebben in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. De rechtbank is ten onrechte op grond van de verkregen inlichtingen tot het oordeel gekomen dat [appellanten] ten aanzien van het ontstaan van de schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, niet te goeder trouw zijn geweest als bedoeld in artikel 288 lid 1 Fw. Er is geen sprake van verwijtbaar achterhouden van bankafschriften, omdat [appellanten] de ontbrekende bankafschriften op verzoek van de griffie van de rechtbank per omgaande hebben aangeleverd. [appellanten] hebben niet willens en wetens geld willen onttrekken aan het zicht van de schuldeisers. Dat er geen schulden ter zake de vaste lasten zijn ontstaan, komt omdat [appellanten] prioriteit hebben gegeven aan het betalen van de vaste lasten. Hierdoor konden zij andere uitgaven niet doen en hebben zij gemeend dat ze een “inhaalslag” moesten maken door geld te pinnen voor boodschappen, kleding en dergelijke. Het geld is niet opgegaan aan luxe zaken, maar aan alledaagse benodigdheden. [appellanten] hebben geen nieuwe schulden laten ontstaan voor de wettelijke schuldsaneringsregeling of tijdens het minnelijke schuldsanering-traject. In het toelatingsverzoek wordt door de gemeente opgemerkt, dat [appellanten] gemotiveerd zijn om hun schulden af te lossen, en dat is gebleken dat (citaat): "..de heer [appellant 1] altijd goed heeft meegewerkt om het minnelijke schuldsanering- en wettelijke schuldsaneringsregeling-dossier te voorzien van de relevante documenten.” Gezien het voorgaande kan niet worden gesteld dat [appellanten] niet te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het ontstaan van de schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend.
3.5.
Hieraan is door en namens [appellanten] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellanten] hebben een tijd geleefd van minder dan het vrij te laten bedrag als door de gemeente becijferd. Hierdoor meenden zij de gepinde € 4.500,- te mogen besteden aan alledaagse noodzakelijkheden. Het geld is allereerst voor een deel uitgegeven aan de woning van [appellanten] Zij moesten vanwege te hoge huurkosten verhuizen en kwamen terecht in een andere huurwoning waar door de vorige bewoner(s) aanpassingen aan het sanitair zijn gedaan via de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: WMO). Dit zorgde voor ongemak bij het gebruik maken van het toilet, de douche en de wastafel. Zo stak de klapstoel in de douche ingeklapt ongeveer 10 cm uit, waardoor er minder bewegingsruimte was. Ook lekte het toilet. De verhuurder had aangegeven dat [appellanten] de aanpassingen mochten vervangen, maar wel op eigen kosten. Dit hebben zij dan ook gedaan. In november 2024 hebben zij voor deze werkzaamheden nog een rekening van ongeveer € 1.000,- betaald van het eerder opgenomen contante geld. Een ander deel van het bedrag, ongeveer € 1.500,-, is besteed aan kleding. Zo heeft [appellant 2] onder meer een jurk van [merk] ter waarde van ongeveer € 600,- gekocht. Het opgenomen geld is inmiddels in zijn geheel besteed. Een schriftelijke onderbouwing met betrekking tot de gestelde contante betalingen hebben [appellanten] niet voorhanden.
3.6.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.6.1.
Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden.
Beoordeling
Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.
Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen, indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
3.6.2.
Het verzoekschrift ex artikel 285 Fw van [appellanten] vermeldt als printdatum 29 juli 2024. Uit de bankafschriften blijkt dat [appellanten] op 30 juli en op 31 juli 2024 in totaal een bedrag van € 4.500,- contant hebben opgenomen van de bankrekening van [appellant 2] . Op dat moment waren [appellanten] dus al van plan om toepassing van de schuldsaneringsregeling te vragen. Het verzoek van [appellanten] om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling is op 1 augustus 2024 ondertekend en op 7 augustus 2024 daadwerkelijk ingediend. [appellanten] hebben de bankafschriften met betrekking tot dit opgenomen geldbedrag vervolgens niet gedeeld met de gemeente en in eerste instantie niet overgelegd aan de rechtbank, terwijl zij de opname van dit geldbedrag uit zichzelf tijdig hadden behoren te melden bij voornoemde instanties.
3.6.3.
[appellanten] hebben de gestelde ervaren hinder van de aanpassingen in het kader van de WMO niet nader onderbouwd. Ook hebben [appellanten] geen schriftelijke onderbouwing overgelegd van de werkzaamheden die zij stellen naar aanleiding hiervan te hebben laten verrichten en van de daarbij behorende kosten. Dit had naar het oordeel van het hof wel van [appellanten] mogen worden verwacht, te meer omdat [appellant 1] tot voor kort een administratiekantoor had en hij het belang van het bijhouden van een administratie dus kende/behoorde te kennen. Daar komt bij dat het feit dat de aanpassingen die via de WMO zijn gedaan – hoewel het hof aanneemt dat zij het gebruik van het toilet, de douche en de wastafel enigszins minder aangenaam maakten – het gebruik van het sanitair niet onmogelijk maakten. Het huis was ook met de aanpassingen goed bewoonbaar voor [appellanten] Nu het sanitair nog in goede gebruiksstaat was, had van [appellanten] mogen worden verwacht dat zij gedurende de schuldsanering gebruik bleven maken van het aangepaste sanitair, zodat zij eventueel na een goede afloop van het schuldsaneringstraject de voor hen wenselijke aanpassingen hadden kunnen laten verrichten. Het hof is daarom van oordeel dat deze uitgave – waarvan geen stukken zijn overgelegd en waarvan de onderliggende werkzaamheden blijkbaar ten tijde van de indiening van het verzoek nog niet waren uitgevoerd – niet noodzakelijk was en daarmee niet te goeder trouw is verricht.
3.6.4.
Een ander gedeelte van het contante geld is volgens [appellanten] besteed aan kleding. [appellanten] hebben geen aankoopbewijzen van deze kledingstukken overgelegd. [appellant 1] heeft ter zitting in eerste instantie verklaard dat hij niet meer precies wist welke kledingstukken zijn gekocht. Later heeft hij verklaard dat [appellant 2] de onder 3.5 genoemde jurk, naar het hof begrijpt een zogenaamde “designer” jurk, heeft gekocht. Een designer jurk kan naar het oordeel van het hof geenszins als een noodzakelijke uitgave worden aangemerkt. Ook deze uitgave is daarom naar het oordeel van het hof niet te goeder trouw verricht.
3.6.5.
Door een aanzienlijk bedrag van € 4.500,- vlak voor het indienen van het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te besteden aan, onder meer, niet noodzakelijke woningaanpassingen en kleding, hebben [appellanten] naar het oordeel van het hof de schuldeisers benadeeld. Dit geldt temeer, nu het gaat om een aanzienlijk bedrag in het licht van de totale schuldenlast. Het opgenomen geld had immers gebruikt kunnen worden om reeds bestaande schulden af te lossen. Dat [appellanten] , zoals zij stellen, enige tijd hebben geleefd van minder dan het vrij te laten bedrag maakt dat niet anders. Hierin kan geen rechtvaardiging worden gevonden voor de hiervoor genoemde benadeling van de schuldeisers. Overigens blijkt uit de overgelegde bankafschriften dat er veel bedragen tussen de diverse bankrekeningen werden overgemaakt waaronder ontvangen toeslagen en dat ook periodieke kosten voor een kampeerplek (inclusief maandelijkse lasten voor elektra) gewoon werden doorbetaald.Het hof is op grond van het voorgaande dan ook van oordeel dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat [appellanten] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het betreffende verzoekschrift is ingediend te goeder trouw zijn geweest. Om die reden moet het verzoek van [appellanten] om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling worden afgewezen.
3.6.6.
Het hof leidt voorts uit de hierboven gedragingen kort voor indiening van het verzoekschrift, het aanvankelijk niet verstrekken van alle noodzakelijke informatie en het voortzetten van naar het oordeel van het hof niet noodzakelijke periodieke uitgaven betreffende de kampeerplek kort voor het verzoek als blijkend uit het dossier, dat het [appellanten] ontbreekt aan de vereiste saneringsgezinde houding gericht op de belangen van hun schuldeisers, zodat onvoldoende aannemelijk is dat zij de uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zullen nakomen.Dit vormt een zelfstandige grond om het verzoek af te wijzen.
3.6.
Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.
4De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.R.M. de Moor, J.I.M.W. Bartelds en J. van Kesteren en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2025.
Beoordeling
Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.
Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen, indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
3.6.2.
Het verzoekschrift ex artikel 285 Fw van [appellanten] vermeldt als printdatum 29 juli 2024. Uit de bankafschriften blijkt dat [appellanten] op 30 juli en op 31 juli 2024 in totaal een bedrag van € 4.500,- contant hebben opgenomen van de bankrekening van [appellant 2] . Op dat moment waren [appellanten] dus al van plan om toepassing van de schuldsaneringsregeling te vragen. Het verzoek van [appellanten] om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling is op 1 augustus 2024 ondertekend en op 7 augustus 2024 daadwerkelijk ingediend. [appellanten] hebben de bankafschriften met betrekking tot dit opgenomen geldbedrag vervolgens niet gedeeld met de gemeente en in eerste instantie niet overgelegd aan de rechtbank, terwijl zij de opname van dit geldbedrag uit zichzelf tijdig hadden behoren te melden bij voornoemde instanties.
3.6.3.
[appellanten] hebben de gestelde ervaren hinder van de aanpassingen in het kader van de WMO niet nader onderbouwd. Ook hebben [appellanten] geen schriftelijke onderbouwing overgelegd van de werkzaamheden die zij stellen naar aanleiding hiervan te hebben laten verrichten en van de daarbij behorende kosten. Dit had naar het oordeel van het hof wel van [appellanten] mogen worden verwacht, te meer omdat [appellant 1] tot voor kort een administratiekantoor had en hij het belang van het bijhouden van een administratie dus kende/behoorde te kennen. Daar komt bij dat het feit dat de aanpassingen die via de WMO zijn gedaan – hoewel het hof aanneemt dat zij het gebruik van het toilet, de douche en de wastafel enigszins minder aangenaam maakten – het gebruik van het sanitair niet onmogelijk maakten. Het huis was ook met de aanpassingen goed bewoonbaar voor [appellanten] Nu het sanitair nog in goede gebruiksstaat was, had van [appellanten] mogen worden verwacht dat zij gedurende de schuldsanering gebruik bleven maken van het aangepaste sanitair, zodat zij eventueel na een goede afloop van het schuldsaneringstraject de voor hen wenselijke aanpassingen hadden kunnen laten verrichten. Het hof is daarom van oordeel dat deze uitgave – waarvan geen stukken zijn overgelegd en waarvan de onderliggende werkzaamheden blijkbaar ten tijde van de indiening van het verzoek nog niet waren uitgevoerd – niet noodzakelijk was en daarmee niet te goeder trouw is verricht.
3.6.4.
Een ander gedeelte van het contante geld is volgens [appellanten] besteed aan kleding. [appellanten] hebben geen aankoopbewijzen van deze kledingstukken overgelegd. [appellant 1] heeft ter zitting in eerste instantie verklaard dat hij niet meer precies wist welke kledingstukken zijn gekocht. Later heeft hij verklaard dat [appellant 2] de onder 3.5 genoemde jurk, naar het hof begrijpt een zogenaamde “designer” jurk, heeft gekocht. Een designer jurk kan naar het oordeel van het hof geenszins als een noodzakelijke uitgave worden aangemerkt. Ook deze uitgave is daarom naar het oordeel van het hof niet te goeder trouw verricht.
3.6.5.
Door een aanzienlijk bedrag van € 4.500,- vlak voor het indienen van het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te besteden aan, onder meer, niet noodzakelijke woningaanpassingen en kleding, hebben [appellanten] naar het oordeel van het hof de schuldeisers benadeeld. Dit geldt temeer, nu het gaat om een aanzienlijk bedrag in het licht van de totale schuldenlast. Het opgenomen geld had immers gebruikt kunnen worden om reeds bestaande schulden af te lossen. Dat [appellanten] , zoals zij stellen, enige tijd hebben geleefd van minder dan het vrij te laten bedrag maakt dat niet anders. Hierin kan geen rechtvaardiging worden gevonden voor de hiervoor genoemde benadeling van de schuldeisers. Overigens blijkt uit de overgelegde bankafschriften dat er veel bedragen tussen de diverse bankrekeningen werden overgemaakt waaronder ontvangen toeslagen en dat ook periodieke kosten voor een kampeerplek (inclusief maandelijkse lasten voor elektra) gewoon werden doorbetaald.Het hof is op grond van het voorgaande dan ook van oordeel dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat [appellanten] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het betreffende verzoekschrift is ingediend te goeder trouw zijn geweest. Om die reden moet het verzoek van [appellanten] om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling worden afgewezen.
3.6.6.
Het hof leidt voorts uit de hierboven gedragingen kort voor indiening van het verzoekschrift, het aanvankelijk niet verstrekken van alle noodzakelijke informatie en het voortzetten van naar het oordeel van het hof niet noodzakelijke periodieke uitgaven betreffende de kampeerplek kort voor het verzoek als blijkend uit het dossier, dat het [appellanten] ontbreekt aan de vereiste saneringsgezinde houding gericht op de belangen van hun schuldeisers, zodat onvoldoende aannemelijk is dat zij de uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zullen nakomen.Dit vormt een zelfstandige grond om het verzoek af te wijzen.
3.6.
Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.
4De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.R.M. de Moor, J.I.M.W. Bartelds en J. van Kesteren en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2025.
Beoordeling
Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.
Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen, indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
3.6.2.
Het verzoekschrift ex artikel 285 Fw van [appellanten] vermeldt als printdatum 29 juli 2024. Uit de bankafschriften blijkt dat [appellanten] op 30 juli en op 31 juli 2024 in totaal een bedrag van € 4.500,- contant hebben opgenomen van de bankrekening van [appellant 2] . Op dat moment waren [appellanten] dus al van plan om toepassing van de schuldsaneringsregeling te vragen. Het verzoek van [appellanten] om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling is op 1 augustus 2024 ondertekend en op 7 augustus 2024 daadwerkelijk ingediend. [appellanten] hebben de bankafschriften met betrekking tot dit opgenomen geldbedrag vervolgens niet gedeeld met de gemeente en in eerste instantie niet overgelegd aan de rechtbank, terwijl zij de opname van dit geldbedrag uit zichzelf tijdig hadden behoren te melden bij voornoemde instanties.
3.6.3.
[appellanten] hebben de gestelde ervaren hinder van de aanpassingen in het kader van de WMO niet nader onderbouwd. Ook hebben [appellanten] geen schriftelijke onderbouwing overgelegd van de werkzaamheden die zij stellen naar aanleiding hiervan te hebben laten verrichten en van de daarbij behorende kosten. Dit had naar het oordeel van het hof wel van [appellanten] mogen worden verwacht, te meer omdat [appellant 1] tot voor kort een administratiekantoor had en hij het belang van het bijhouden van een administratie dus kende/behoorde te kennen. Daar komt bij dat het feit dat de aanpassingen die via de WMO zijn gedaan – hoewel het hof aanneemt dat zij het gebruik van het toilet, de douche en de wastafel enigszins minder aangenaam maakten – het gebruik van het sanitair niet onmogelijk maakten. Het huis was ook met de aanpassingen goed bewoonbaar voor [appellanten] Nu het sanitair nog in goede gebruiksstaat was, had van [appellanten] mogen worden verwacht dat zij gedurende de schuldsanering gebruik bleven maken van het aangepaste sanitair, zodat zij eventueel na een goede afloop van het schuldsaneringstraject de voor hen wenselijke aanpassingen hadden kunnen laten verrichten. Het hof is daarom van oordeel dat deze uitgave – waarvan geen stukken zijn overgelegd en waarvan de onderliggende werkzaamheden blijkbaar ten tijde van de indiening van het verzoek nog niet waren uitgevoerd – niet noodzakelijk was en daarmee niet te goeder trouw is verricht.
3.6.4.
Een ander gedeelte van het contante geld is volgens [appellanten] besteed aan kleding. [appellanten] hebben geen aankoopbewijzen van deze kledingstukken overgelegd. [appellant 1] heeft ter zitting in eerste instantie verklaard dat hij niet meer precies wist welke kledingstukken zijn gekocht. Later heeft hij verklaard dat [appellant 2] de onder 3.5 genoemde jurk, naar het hof begrijpt een zogenaamde “designer” jurk, heeft gekocht. Een designer jurk kan naar het oordeel van het hof geenszins als een noodzakelijke uitgave worden aangemerkt. Ook deze uitgave is daarom naar het oordeel van het hof niet te goeder trouw verricht.
3.6.5.
Door een aanzienlijk bedrag van € 4.500,- vlak voor het indienen van het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te besteden aan, onder meer, niet noodzakelijke woningaanpassingen en kleding, hebben [appellanten] naar het oordeel van het hof de schuldeisers benadeeld. Dit geldt temeer, nu het gaat om een aanzienlijk bedrag in het licht van de totale schuldenlast. Het opgenomen geld had immers gebruikt kunnen worden om reeds bestaande schulden af te lossen. Dat [appellanten] , zoals zij stellen, enige tijd hebben geleefd van minder dan het vrij te laten bedrag maakt dat niet anders. Hierin kan geen rechtvaardiging worden gevonden voor de hiervoor genoemde benadeling van de schuldeisers. Overigens blijkt uit de overgelegde bankafschriften dat er veel bedragen tussen de diverse bankrekeningen werden overgemaakt waaronder ontvangen toeslagen en dat ook periodieke kosten voor een kampeerplek (inclusief maandelijkse lasten voor elektra) gewoon werden doorbetaald.Het hof is op grond van het voorgaande dan ook van oordeel dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat [appellanten] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het betreffende verzoekschrift is ingediend te goeder trouw zijn geweest. Om die reden moet het verzoek van [appellanten] om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling worden afgewezen.
3.6.6.
Het hof leidt voorts uit de hierboven gedragingen kort voor indiening van het verzoekschrift, het aanvankelijk niet verstrekken van alle noodzakelijke informatie en het voortzetten van naar het oordeel van het hof niet noodzakelijke periodieke uitgaven betreffende de kampeerplek kort voor het verzoek als blijkend uit het dossier, dat het [appellanten] ontbreekt aan de vereiste saneringsgezinde houding gericht op de belangen van hun schuldeisers, zodat onvoldoende aannemelijk is dat zij de uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zullen nakomen.Dit vormt een zelfstandige grond om het verzoek af te wijzen.
3.6.
Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.
4De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.R.M. de Moor, J.I.M.W. Bartelds en J. van Kesteren en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2025.
Beoordeling
Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.
Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen, indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
3.6.2.
Het verzoekschrift ex artikel 285 Fw van [appellanten] vermeldt als printdatum 29 juli 2024. Uit de bankafschriften blijkt dat [appellanten] op 30 juli en op 31 juli 2024 in totaal een bedrag van € 4.500,- contant hebben opgenomen van de bankrekening van [appellant 2] . Op dat moment waren [appellanten] dus al van plan om toepassing van de schuldsaneringsregeling te vragen. Het verzoek van [appellanten] om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling is op 1 augustus 2024 ondertekend en op 7 augustus 2024 daadwerkelijk ingediend. [appellanten] hebben de bankafschriften met betrekking tot dit opgenomen geldbedrag vervolgens niet gedeeld met de gemeente en in eerste instantie niet overgelegd aan de rechtbank, terwijl zij de opname van dit geldbedrag uit zichzelf tijdig hadden behoren te melden bij voornoemde instanties.
3.6.3.
[appellanten] hebben de gestelde ervaren hinder van de aanpassingen in het kader van de WMO niet nader onderbouwd. Ook hebben [appellanten] geen schriftelijke onderbouwing overgelegd van de werkzaamheden die zij stellen naar aanleiding hiervan te hebben laten verrichten en van de daarbij behorende kosten. Dit had naar het oordeel van het hof wel van [appellanten] mogen worden verwacht, te meer omdat [appellant 1] tot voor kort een administratiekantoor had en hij het belang van het bijhouden van een administratie dus kende/behoorde te kennen. Daar komt bij dat het feit dat de aanpassingen die via de WMO zijn gedaan – hoewel het hof aanneemt dat zij het gebruik van het toilet, de douche en de wastafel enigszins minder aangenaam maakten – het gebruik van het sanitair niet onmogelijk maakten. Het huis was ook met de aanpassingen goed bewoonbaar voor [appellanten] Nu het sanitair nog in goede gebruiksstaat was, had van [appellanten] mogen worden verwacht dat zij gedurende de schuldsanering gebruik bleven maken van het aangepaste sanitair, zodat zij eventueel na een goede afloop van het schuldsaneringstraject de voor hen wenselijke aanpassingen hadden kunnen laten verrichten. Het hof is daarom van oordeel dat deze uitgave – waarvan geen stukken zijn overgelegd en waarvan de onderliggende werkzaamheden blijkbaar ten tijde van de indiening van het verzoek nog niet waren uitgevoerd – niet noodzakelijk was en daarmee niet te goeder trouw is verricht.
3.6.4.
Een ander gedeelte van het contante geld is volgens [appellanten] besteed aan kleding. [appellanten] hebben geen aankoopbewijzen van deze kledingstukken overgelegd. [appellant 1] heeft ter zitting in eerste instantie verklaard dat hij niet meer precies wist welke kledingstukken zijn gekocht. Later heeft hij verklaard dat [appellant 2] de onder 3.5 genoemde jurk, naar het hof begrijpt een zogenaamde “designer” jurk, heeft gekocht. Een designer jurk kan naar het oordeel van het hof geenszins als een noodzakelijke uitgave worden aangemerkt. Ook deze uitgave is daarom naar het oordeel van het hof niet te goeder trouw verricht.
3.6.5.
Door een aanzienlijk bedrag van € 4.500,- vlak voor het indienen van het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te besteden aan, onder meer, niet noodzakelijke woningaanpassingen en kleding, hebben [appellanten] naar het oordeel van het hof de schuldeisers benadeeld. Dit geldt temeer, nu het gaat om een aanzienlijk bedrag in het licht van de totale schuldenlast. Het opgenomen geld had immers gebruikt kunnen worden om reeds bestaande schulden af te lossen. Dat [appellanten] , zoals zij stellen, enige tijd hebben geleefd van minder dan het vrij te laten bedrag maakt dat niet anders. Hierin kan geen rechtvaardiging worden gevonden voor de hiervoor genoemde benadeling van de schuldeisers. Overigens blijkt uit de overgelegde bankafschriften dat er veel bedragen tussen de diverse bankrekeningen werden overgemaakt waaronder ontvangen toeslagen en dat ook periodieke kosten voor een kampeerplek (inclusief maandelijkse lasten voor elektra) gewoon werden doorbetaald.Het hof is op grond van het voorgaande dan ook van oordeel dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat [appellanten] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het betreffende verzoekschrift is ingediend te goeder trouw zijn geweest. Om die reden moet het verzoek van [appellanten] om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling worden afgewezen.
3.6.6.
Het hof leidt voorts uit de hierboven gedragingen kort voor indiening van het verzoekschrift, het aanvankelijk niet verstrekken van alle noodzakelijke informatie en het voortzetten van naar het oordeel van het hof niet noodzakelijke periodieke uitgaven betreffende de kampeerplek kort voor het verzoek als blijkend uit het dossier, dat het [appellanten] ontbreekt aan de vereiste saneringsgezinde houding gericht op de belangen van hun schuldeisers, zodat onvoldoende aannemelijk is dat zij de uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zullen nakomen.Dit vormt een zelfstandige grond om het verzoek af te wijzen.
3.6.
Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.
4De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.R.M. de Moor, J.I.M.W. Bartelds en J. van Kesteren en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2025.
Beoordeling
Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.
Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen, indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
3.6.2.
Het verzoekschrift ex artikel 285 Fw van [appellanten] vermeldt als printdatum 29 juli 2024. Uit de bankafschriften blijkt dat [appellanten] op 30 juli en op 31 juli 2024 in totaal een bedrag van € 4.500,- contant hebben opgenomen van de bankrekening van [appellant 2] . Op dat moment waren [appellanten] dus al van plan om toepassing van de schuldsaneringsregeling te vragen. Het verzoek van [appellanten] om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling is op 1 augustus 2024 ondertekend en op 7 augustus 2024 daadwerkelijk ingediend. [appellanten] hebben de bankafschriften met betrekking tot dit opgenomen geldbedrag vervolgens niet gedeeld met de gemeente en in eerste instantie niet overgelegd aan de rechtbank, terwijl zij de opname van dit geldbedrag uit zichzelf tijdig hadden behoren te melden bij voornoemde instanties.
3.6.3.
[appellanten] hebben de gestelde ervaren hinder van de aanpassingen in het kader van de WMO niet nader onderbouwd. Ook hebben [appellanten] geen schriftelijke onderbouwing overgelegd van de werkzaamheden die zij stellen naar aanleiding hiervan te hebben laten verrichten en van de daarbij behorende kosten. Dit had naar het oordeel van het hof wel van [appellanten] mogen worden verwacht, te meer omdat [appellant 1] tot voor kort een administratiekantoor had en hij het belang van het bijhouden van een administratie dus kende/behoorde te kennen. Daar komt bij dat het feit dat de aanpassingen die via de WMO zijn gedaan – hoewel het hof aanneemt dat zij het gebruik van het toilet, de douche en de wastafel enigszins minder aangenaam maakten – het gebruik van het sanitair niet onmogelijk maakten. Het huis was ook met de aanpassingen goed bewoonbaar voor [appellanten] Nu het sanitair nog in goede gebruiksstaat was, had van [appellanten] mogen worden verwacht dat zij gedurende de schuldsanering gebruik bleven maken van het aangepaste sanitair, zodat zij eventueel na een goede afloop van het schuldsaneringstraject de voor hen wenselijke aanpassingen hadden kunnen laten verrichten. Het hof is daarom van oordeel dat deze uitgave – waarvan geen stukken zijn overgelegd en waarvan de onderliggende werkzaamheden blijkbaar ten tijde van de indiening van het verzoek nog niet waren uitgevoerd – niet noodzakelijk was en daarmee niet te goeder trouw is verricht.
3.6.4.
Een ander gedeelte van het contante geld is volgens [appellanten] besteed aan kleding. [appellanten] hebben geen aankoopbewijzen van deze kledingstukken overgelegd. [appellant 1] heeft ter zitting in eerste instantie verklaard dat hij niet meer precies wist welke kledingstukken zijn gekocht. Later heeft hij verklaard dat [appellant 2] de onder 3.5 genoemde jurk, naar het hof begrijpt een zogenaamde “designer” jurk, heeft gekocht. Een designer jurk kan naar het oordeel van het hof geenszins als een noodzakelijke uitgave worden aangemerkt. Ook deze uitgave is daarom naar het oordeel van het hof niet te goeder trouw verricht.
3.6.5.
Door een aanzienlijk bedrag van € 4.500,- vlak voor het indienen van het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te besteden aan, onder meer, niet noodzakelijke woningaanpassingen en kleding, hebben [appellanten] naar het oordeel van het hof de schuldeisers benadeeld. Dit geldt temeer, nu het gaat om een aanzienlijk bedrag in het licht van de totale schuldenlast. Het opgenomen geld had immers gebruikt kunnen worden om reeds bestaande schulden af te lossen. Dat [appellanten] , zoals zij stellen, enige tijd hebben geleefd van minder dan het vrij te laten bedrag maakt dat niet anders. Hierin kan geen rechtvaardiging worden gevonden voor de hiervoor genoemde benadeling van de schuldeisers. Overigens blijkt uit de overgelegde bankafschriften dat er veel bedragen tussen de diverse bankrekeningen werden overgemaakt waaronder ontvangen toeslagen en dat ook periodieke kosten voor een kampeerplek (inclusief maandelijkse lasten voor elektra) gewoon werden doorbetaald.Het hof is op grond van het voorgaande dan ook van oordeel dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat [appellanten] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het betreffende verzoekschrift is ingediend te goeder trouw zijn geweest. Om die reden moet het verzoek van [appellanten] om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling worden afgewezen.
3.6.6.
Het hof leidt voorts uit de hierboven gedragingen kort voor indiening van het verzoekschrift, het aanvankelijk niet verstrekken van alle noodzakelijke informatie en het voortzetten van naar het oordeel van het hof niet noodzakelijke periodieke uitgaven betreffende de kampeerplek kort voor het verzoek als blijkend uit het dossier, dat het [appellanten] ontbreekt aan de vereiste saneringsgezinde houding gericht op de belangen van hun schuldeisers, zodat onvoldoende aannemelijk is dat zij de uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zullen nakomen.Dit vormt een zelfstandige grond om het verzoek af te wijzen.
3.6.
Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.
4De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.R.M. de Moor, J.I.M.W. Bartelds en J. van Kesteren en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2025.
Beoordeling
Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.
Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen, indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
3.6.2.
Het verzoekschrift ex artikel 285 Fw van [appellanten] vermeldt als printdatum 29 juli 2024. Uit de bankafschriften blijkt dat [appellanten] op 30 juli en op 31 juli 2024 in totaal een bedrag van € 4.500,- contant hebben opgenomen van de bankrekening van [appellant 2] . Op dat moment waren [appellanten] dus al van plan om toepassing van de schuldsaneringsregeling te vragen. Het verzoek van [appellanten] om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling is op 1 augustus 2024 ondertekend en op 7 augustus 2024 daadwerkelijk ingediend. [appellanten] hebben de bankafschriften met betrekking tot dit opgenomen geldbedrag vervolgens niet gedeeld met de gemeente en in eerste instantie niet overgelegd aan de rechtbank, terwijl zij de opname van dit geldbedrag uit zichzelf tijdig hadden behoren te melden bij voornoemde instanties.
3.6.3.
[appellanten] hebben de gestelde ervaren hinder van de aanpassingen in het kader van de WMO niet nader onderbouwd. Ook hebben [appellanten] geen schriftelijke onderbouwing overgelegd van de werkzaamheden die zij stellen naar aanleiding hiervan te hebben laten verrichten en van de daarbij behorende kosten. Dit had naar het oordeel van het hof wel van [appellanten] mogen worden verwacht, te meer omdat [appellant 1] tot voor kort een administratiekantoor had en hij het belang van het bijhouden van een administratie dus kende/behoorde te kennen. Daar komt bij dat het feit dat de aanpassingen die via de WMO zijn gedaan – hoewel het hof aanneemt dat zij het gebruik van het toilet, de douche en de wastafel enigszins minder aangenaam maakten – het gebruik van het sanitair niet onmogelijk maakten. Het huis was ook met de aanpassingen goed bewoonbaar voor [appellanten] Nu het sanitair nog in goede gebruiksstaat was, had van [appellanten] mogen worden verwacht dat zij gedurende de schuldsanering gebruik bleven maken van het aangepaste sanitair, zodat zij eventueel na een goede afloop van het schuldsaneringstraject de voor hen wenselijke aanpassingen hadden kunnen laten verrichten. Het hof is daarom van oordeel dat deze uitgave – waarvan geen stukken zijn overgelegd en waarvan de onderliggende werkzaamheden blijkbaar ten tijde van de indiening van het verzoek nog niet waren uitgevoerd – niet noodzakelijk was en daarmee niet te goeder trouw is verricht.
3.6.4.
Een ander gedeelte van het contante geld is volgens [appellanten] besteed aan kleding. [appellanten] hebben geen aankoopbewijzen van deze kledingstukken overgelegd. [appellant 1] heeft ter zitting in eerste instantie verklaard dat hij niet meer precies wist welke kledingstukken zijn gekocht. Later heeft hij verklaard dat [appellant 2] de onder 3.5 genoemde jurk, naar het hof begrijpt een zogenaamde “designer” jurk, heeft gekocht. Een designer jurk kan naar het oordeel van het hof geenszins als een noodzakelijke uitgave worden aangemerkt. Ook deze uitgave is daarom naar het oordeel van het hof niet te goeder trouw verricht.
3.6.5.
Door een aanzienlijk bedrag van € 4.500,- vlak voor het indienen van het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te besteden aan, onder meer, niet noodzakelijke woningaanpassingen en kleding, hebben [appellanten] naar het oordeel van het hof de schuldeisers benadeeld. Dit geldt temeer, nu het gaat om een aanzienlijk bedrag in het licht van de totale schuldenlast. Het opgenomen geld had immers gebruikt kunnen worden om reeds bestaande schulden af te lossen. Dat [appellanten] , zoals zij stellen, enige tijd hebben geleefd van minder dan het vrij te laten bedrag maakt dat niet anders. Hierin kan geen rechtvaardiging worden gevonden voor de hiervoor genoemde benadeling van de schuldeisers. Overigens blijkt uit de overgelegde bankafschriften dat er veel bedragen tussen de diverse bankrekeningen werden overgemaakt waaronder ontvangen toeslagen en dat ook periodieke kosten voor een kampeerplek (inclusief maandelijkse lasten voor elektra) gewoon werden doorbetaald.Het hof is op grond van het voorgaande dan ook van oordeel dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat [appellanten] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het betreffende verzoekschrift is ingediend te goeder trouw zijn geweest. Om die reden moet het verzoek van [appellanten] om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling worden afgewezen.
3.6.6.
Het hof leidt voorts uit de hierboven gedragingen kort voor indiening van het verzoekschrift, het aanvankelijk niet verstrekken van alle noodzakelijke informatie en het voortzetten van naar het oordeel van het hof niet noodzakelijke periodieke uitgaven betreffende de kampeerplek kort voor het verzoek als blijkend uit het dossier, dat het [appellanten] ontbreekt aan de vereiste saneringsgezinde houding gericht op de belangen van hun schuldeisers, zodat onvoldoende aannemelijk is dat zij de uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zullen nakomen.Dit vormt een zelfstandige grond om het verzoek af te wijzen.
3.6.
Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.
4De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.R.M. de Moor, J.I.M.W. Bartelds en J. van Kesteren en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2025.