Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-08-29
ECLI:NL:GHSHE:2025:2354
Strafrecht
Hoger beroep
6,107 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2025:2354 text/xml public 2026-03-05T17:52:51 2025-09-02 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-08-29 20-002692-24 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2354 text/html public 2026-03-05T17:52:17 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:2354 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 29-08-2025 / 20-002692-24 Mishandeling, meermalen gepleegd. Parketnummer : 20-002692-24 Uitspraak : 29 augustus 2025 TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv) Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 11 oktober 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-343311-21 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989, thans uit anderen hoofde verblijvende in [GGZ] te [plaats] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘mishandeling, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van twee jaren. Voorts is de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] bij vonnis waarvan beroep deels toegewezen tot een bedrag van € 1.502,30, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van drie dagen met aftrek van het voorarrest Namens de verdachte is een strafmaatverweer gevoerd. Voorts is ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij bepleit dat deze gematigd dient te worden. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] . In zoverre zal het hof het beroepen vonnis vernietigen en opnieuw rechtdoen. Bijgevolg komen de daarmee samenhangende strafmaatoverwegingen te vervallen en zullen deze in het geheel worden vervangen, op de wijze zoals hierna is vermeld. Tot slot zal het hof de toepasselijke wettelijke voorschriften opnieuw opnemen in dit arrest. Bewijsmiddelen In het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen – indien voor zover nodig te zijner tijd aangepast en verbeterd – die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. Op te leggen sanctie Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Op d.d. 16 januari 2024 is de verdachte door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden en is een tbs-maatregel met dwangverpleging opgelegd. De behandeling van de verdachte in de tbs-kliniek [GGZ] te [plaats] heeft ten tijde van de behandeling van onderhavige strafzaak in hoger beroep al een aanvang genomen. Het hof overweegt allereerst dat gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten in beginsel niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof is ook van oordeel dat, met de advocaat-generaal en de raadsman, in dit geval oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van drie dagen met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is zodat de verdachte, zodra hij zijn behandeling in de tbs-kliniek volledig heeft afgerond, met een schone lei van start kan gaan in de maatschappij. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.804,30. De vordering valt uiteen in een bedrag van € 2,30 voor reiskosten naar de huisarts en advocaat (post I) en een bedrag van € 2.802,00 aan smartengeld (post II). Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.502,30 (post I geheel en post II gedeeltelijk tot een bedrag van € 1.500,00). De vordering is voor het overige deel afgewezen. De benadeelde partij [slachtoffer] heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij geheel toegewezen dient te worden tot een bedrag van € 2.804,30, te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel. De raadsman heeft de omvang van de vordering van de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep betwist en verzocht om, indien de vordering deels wordt toegewezen, het toe te wijzen bedrag aan immateriële schade (post II) te matigen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag van € 1.500,00 aan immateriële schade. Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat door de bewezenverklaarde mishandeling de benadeelde partij pijn en leed heeft ondervonden. Het hof is van oordeel dat het gestelde (geestelijk) letsel dat door het bewezenverklaarde handelen is opgetreden (post II) valt onder het bereik van artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het hof begroot deze immateriële schade, evenals de politierechter, naar billijkheid op een bedrag van € 1.500,00, met vermeerdering van de wettelijke rente met ingang van de dag van het ontstaan van de schade. Het hof zal daarbij uitgaan van de pleegdatum, te weten 17 december 2021. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof zal de vordering tot vergoeding van de immateriële schade voor het overige afwijzen. Voorts is het hof van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 0,68 voor reiskosten naar de huisarts (post I). De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof zal de vordering tot vergoeding van de materiële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren nu de reiskosten naar de advocaat niet zijn aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit zoals bedoeld in artikel 51f lid 1 Sv. Het vorenoverwogene leidt ertoe dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] zal worden toegewezen tot een totaalbedrag van €1.500,68. Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij, ten tijde van het wijzen van dit arrest begroot op nihil. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2025:2354 text/xml public 2026-03-05T17:52:51 2025-09-02 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-08-29 20-002692-24 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2354 text/html public 2026-03-05T17:52:17 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:2354 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 29-08-2025 / 20-002692-24 Mishandeling, meermalen gepleegd. Parketnummer : 20-002692-24 Uitspraak : 29 augustus 2025 TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv) Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 11 oktober 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-343311-21 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989, thans uit anderen hoofde verblijvende in [GGZ] te [plaats] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘mishandeling, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van twee jaren. Voorts is de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] bij vonnis waarvan beroep deels toegewezen tot een bedrag van € 1.502,30, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van drie dagen met aftrek van het voorarrest Namens de verdachte is een strafmaatverweer gevoerd. Voorts is ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij bepleit dat deze gematigd dient te worden. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] . In zoverre zal het hof het beroepen vonnis vernietigen en opnieuw rechtdoen. Bijgevolg komen de daarmee samenhangende strafmaatoverwegingen te vervallen en zullen deze in het geheel worden vervangen, op de wijze zoals hierna is vermeld. Tot slot zal het hof de toepasselijke wettelijke voorschriften opnieuw opnemen in dit arrest. Bewijsmiddelen In het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen – indien voor zover nodig te zijner tijd aangepast en verbeterd – die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. Op te leggen sanctie Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Op d.d. 16 januari 2024 is de verdachte door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden en is een tbs-maatregel met dwangverpleging opgelegd. De behandeling van de verdachte in de tbs-kliniek [GGZ] te [plaats] heeft ten tijde van de behandeling van onderhavige strafzaak in hoger beroep al een aanvang genomen. Het hof overweegt allereerst dat gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten in beginsel niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof is ook van oordeel dat, met de advocaat-generaal en de raadsman, in dit geval oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van drie dagen met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is zodat de verdachte, zodra hij zijn behandeling in de tbs-kliniek volledig heeft afgerond, met een schone lei van start kan gaan in de maatschappij. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.804,30. De vordering valt uiteen in een bedrag van € 2,30 voor reiskosten naar de huisarts en advocaat (post I) en een bedrag van € 2.802,00 aan smartengeld (post II). Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.502,30 (post I geheel en post II gedeeltelijk tot een bedrag van € 1.500,00). De vordering is voor het overige deel afgewezen. De benadeelde partij [slachtoffer] heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij geheel toegewezen dient te worden tot een bedrag van € 2.804,30, te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel. De raadsman heeft de omvang van de vordering van de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep betwist en verzocht om, indien de vordering deels wordt toegewezen, het toe te wijzen bedrag aan immateriële schade (post II) te matigen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag van € 1.500,00 aan immateriële schade. Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat door de bewezenverklaarde mishandeling de benadeelde partij pijn en leed heeft ondervonden. Het hof is van oordeel dat het gestelde (geestelijk) letsel dat door het bewezenverklaarde handelen is opgetreden (post II) valt onder het bereik van artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het hof begroot deze immateriële schade, evenals de politierechter, naar billijkheid op een bedrag van € 1.500,00, met vermeerdering van de wettelijke rente met ingang van de dag van het ontstaan van de schade. Het hof zal daarbij uitgaan van de pleegdatum, te weten 17 december 2021. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof zal de vordering tot vergoeding van de immateriële schade voor het overige afwijzen. Voorts is het hof van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 0,68 voor reiskosten naar de huisarts (post I). De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof zal de vordering tot vergoeding van de materiële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren nu de reiskosten naar de advocaat niet zijn aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit zoals bedoeld in artikel 51f lid 1 Sv. Het vorenoverwogene leidt ertoe dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] zal worden toegewezen tot een totaalbedrag van €1.500,68. Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij, ten tijde van het wijzen van dit arrest begroot op nihil. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.
Volledig
Schadevergoedingsmaatregel Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 1.500,68. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 57, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] , en doet in zoverre opnieuw recht; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) dagen ; beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.500,68 (duizend vijfhonderd euro en achtenzestig cent) bestaande uit €0,68 (nul euro en achtenzestig cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening ; wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 1.302,00 (duizend driehonderdtwee euro) aan immateriële schade af. verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil; legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.500,68 (duizend vijfhonderd euro en achtenzestig cent) bestaande uit €0,68 (nul euro en achtenzestig cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 25 (vijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op; bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt; bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 10 oktober 2024 en van de immateriële schade op 17 december 2021. bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van hetgeen hiervoor overwogen. Aldus gewezen door: mr. W.F. Koolen, voorzitter, mr. S.V. Pelsser en mr. M.M. Koevoets, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. A.M.D.J. Aerts, griffier, en op 29 augustus 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken. mr. W.F. Koolen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Volledig
Schadevergoedingsmaatregel Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 1.500,68. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 57, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] , en doet in zoverre opnieuw recht; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) dagen ; beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.500,68 (duizend vijfhonderd euro en achtenzestig cent) bestaande uit €0,68 (nul euro en achtenzestig cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening ; wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 1.302,00 (duizend driehonderdtwee euro) aan immateriële schade af. verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil; legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.500,68 (duizend vijfhonderd euro en achtenzestig cent) bestaande uit €0,68 (nul euro en achtenzestig cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 25 (vijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op; bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt; bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 10 oktober 2024 en van de immateriële schade op 17 december 2021. bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van hetgeen hiervoor overwogen. Aldus gewezen door: mr. W.F. Koolen, voorzitter, mr. S.V. Pelsser en mr. M.M. Koevoets, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. A.M.D.J. Aerts, griffier, en op 29 augustus 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken. mr. W.F. Koolen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.