Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-21
ECLI:NL:GHSHE:2025:2345
Strafrecht
Hoger beroep
47,952 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-000301-24
Uitspraak : 21 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 2 februari 2024 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 02-158150-23 en 02-158151-23, tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte ter zake van:
(parketnummer 02-158150-23)
primair: diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
(parketnummer 02-158151-23)
feit 1 primair: het in de woning, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen;
feit 2: verduistering,
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van het voorarrest.
Tevens heeft de rechtbank beslissingen genomen op de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde in beide in eerste aanleg gevoegde zaken bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen met aftrek van het voorarrest waarvan 54 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren alsmede tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.
Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] zal toewijzen tot een bedrag van € 750,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, met niet-ontvankelijkverklaring van de vordering voor het overige en de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering.
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer
02-158151-23 onder feit 2 tenlastegelegde. Ten aanzien van het in die zaak onder feit 1 tenlastegelegde heeft de raadsman partiële vrijspraak bepleit van de tenlastegelegde periode. Voorts heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft de raadsman in het verlengde van de door hem bepleite vrijspraak betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] is door de raadsman primair bepleit dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering tot schadevergoeding slechts toe te wijzen tot het bedrag van € 400,00 dat medeverdachte [medeverdachte] ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangeboden te betalen en voor het overige de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:
Zaak met parketnummer 02-158150-23:primairzij in of omstreeks de periode van 9 november 2022 tot en met 16 november 2022 te [plaats] , gemeente Schouwen-Duiveland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, twee Gazelle fietsen en/of een boormachine en/of een televisie en/of een horloge en/of huissleutels en/of een Ralph Lauren jack en/of een WiFi camera, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;
subsidiairzij in of omstreeks de periode van 9 november 2022 tot en met 16 november 2022 te [plaats] , gemeente Schouwen-Duiveland, althans in Nederland. tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal twee Gazelle fietsen, althans een of meer goed(eren) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl zij en haar mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed/deze goederen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof(fen);
Zaak met parketnummer 02-158151-23: 1. primairzij in of omstreeks de periode van 5 februari 2023 tot en met 9 februari 2023 te [plaats] , gemeente Schouwen-Duivenland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, in een woning of gebouw, aan [adres 2] , van/in gebruik bij mevrouw [benadeelde 2] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte en/of haar mededader in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen;
1. subsidiairzij in of omstreeks de periode van 5 februari 2023 tot en met 9 februari 2023 te [plaats] , gemeente Schouwen-Duivenland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, in een woning en/of gebouw, [adres 2] , waarvan het gebruik door de rechthebbende was beëindigd wederrechtelijk is binnengedrongen en/of wederrechtelijk aldaar heeft vertoefd;
2.zij op of omstreeks 6 februari 2023 te [plaats] , gemeente Schouwen-Duiveland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een of meerdere handdoek(en) en/of een menukaart en/of een badmat en/of een of meerdere gla(s)(zen) en/of een of meerdere kom(men) en/of een lederen informatieboekje, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Hotel [plaats] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), en welk(e) goed(eren) verdachte en/of haar mededader(s) anders dan door misdrijf onder zich had(den), te weten als hotelgast(en), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd.
Dictum
Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman van de verdachte vrijspraak bepleit van het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 primair tenlastegelegde. Daartoe is – in de kern – aangevoerd dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als medepleger van de tenlastegelegde inbraak en diefstal uit de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] aangezien zij nimmer in die woning is geweest.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat in de periode tussen 9 november 2022 en 11 november 2022 is ingebroken in de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] te [plaats] . Daarbij zijn verschillende goederen uit de woning weggenomen. In de woning zijn een door de dader gebruikte koffiemok en een sigarettenpeuk aangetroffen, waarop DNA-sporen zijn gevonden die volgens het NFI afkomstig kunnen zijn van medeverdachte [medeverdachte] met een matchkans van kleiner dan één op één miljard.
Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat twee fietsen die in de periode tussen 9 november 2022 en 11 november 2022 uit de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] zijn weggenomen, door de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] kort daarna op 15 en 16 november 2022 te koop zijn aangeboden bij [bedrijf] .
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat ene [betrokkene] aan haar en medeverdachte [medeverdachte] fietsen zou hebben gegeven met het verzoek om deze fietsen te verkopen. [betrokkene] zou daartoe, bij gebreke van een ID-bewijs, zelf niet in staat zijn geweest. [medeverdachte] en de verdachte hebben de fietsen vervolgens aan [bedrijf] verkocht.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
De verklaring van de verdachte over hoe de uit de vakantiewoning weggenomen fietsen bij haar zouden zijn terechtgekomen, is bij gebreke van een nadere onderbouwing niet aannemelijk geworden. De verdachte was samen met haar partner [medeverdachte] in het bezit van de gestolen fietsen, terwijl het DNA van haar partner zich op meer plaatsen in de woning bevond waaruit de fietsen zijn gestolen. Gelet op het voorgaande acht het hof bewezen dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] in de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] in [plaats] zijn geweest. In deze vakantiewoning zijn, naast de gebruikte koffiemok en sigarettenpeuk, onder andere een gebruikte tissue, lege verpakkingen van oploskoffie, een leeg flesje bier en een opengemaakte zak chips aangetroffen. Daarnaast was de badkamervloer nat, wat er naar het oordeel van het hof op wijst dat er gebruik is gemaakt van de badkamer. De hiervoor genoemde omstandigheden wijzen op een verblijf in de vakantiewoning door de inbreker(s) gedurende enige tijd. Verder blijkt uit de verklaringen van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] dat zij continu samen waren sinds zij vanaf 16 oktober 2022 geen vaste woon- of verblijfplaats meer hadden. Dat gold dus ook voor de periode waarin de inbraak in de vakantiewoning van [benadeelde 1] heeft plaatsgevonden. Verder betrekt het hof bij zijn oordeel dat de verdachte en [medeverdachte] in februari 2023 ook samen in de vakantiewoning van
[benadeelde 2] in [plaats] zijn binnengedrongen en daar enige tijd hebben verbleven. Illegaal verblijf in een leegstaande vakantiewoning was, ook volgens de verklaring van de verdachte, een manier voor hen om (tijdelijk) onderdak te hebben. Gelet hierop acht het hof bewezen dat de verdachte en [medeverdachte] samen in de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] in [plaats] hebben verbleven.
Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat er tussen de verdachte en [medeverdachte] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij de inbraak in de vakantiewoning van [benadeelde 1] en het wegnemen van goederen uit die woning, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen van de inbraak en diefstal uit de vakantiewoning van [benadeelde 1] wettig en overtuigend bewezen.
Voor wat betreft de gestolen goederen gaat het hof uit van de verklaring van aangever [benadeelde 1] , nu deze verklaring op belangrijke onderdelen wordt ondersteund door verschillende andere bewijsmiddelen, te weten de verklaring van aangever [aangever 2] over de bij hem aangeboden fietsen en het proces-verbaal van forensisch onderzoek waaruit blijkt dat een losse tv-kabel (zonder tv) in de vakantiewoning van [benadeelde 1] is aangetroffen.Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.
Resumerend acht het hof bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 primair tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals hiervoor in de bewezenverklaring is vermeld.
Ten aanzien van parketnummer 02-158151-23
Feit 1 primair
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte bekend dat zij samen met medeverdachte [medeverdachte] wederrechtelijk is binnengedrongen in de vakantiewoning van [benadeelde 2] en dat zij daar onrechtmatig hebben verbleven. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bepleit dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde periode.
Anders dan de rechtbank, acht het hof bewezen dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] het tenlastegelegde feit hebben begaan in de periode van 7 februari 2023 tot en met
9 februari 2023. Volgens de aangifte van [aangever 1] namens hotel [plaats] zijn de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] daar op 7 februari 2023 uitgecheckt. Uit het dossier komt naar voren dat zij vanuit hotel [plaats] naar de vakantiewoning van [benadeelde 2] zijn gegaan. Feit 2
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering van goederen van hotel [plaats] , waar zij en medeverdachte [medeverdachte] van 6 februari 2023 tot en met
7 februari 2023 hebben verbleven.
Door [aangever 1] is namens hotel [plaats] aangifte gedaan van deze verduistering. Het proces-verbaal van aangifte bevat een opgave van de goederen die zijn verduisterd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat deze opgave niet juist is en dat zij alleen een fietsroutemapje en twee handdoeken uit het hotel heeft meegenomen. Het hof ziet hierin onvoldoende aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van aangeefster, die door de verbalisant in een ambtsedig proces-verbaal is vastgelegd. Het hof gaat er dan ook vanuit dat de verdachte de door aangeefster in de aangifte genoemde goederen heeft verduisterd.Anders dan de rechtbank, acht het hof bewezen dat de verduistering omstreeks 6 februari 2023 heeft plaatsgevonden, in plaats van op 6 februari 2023. Volgens de aangifte zijn de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op 6 februari 2023 ingecheckt bij het hotel en op 7 februari 2023 uitgecheckt. Pas toen was er sprake van verduistering. De datum van
7 februari is aan te merken als omstreeks 6 februari.
Het hof acht niet bewezen dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bij het verduisteren van de goederen, zodat de verdachte zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 primair en in de zaak met parketnummer 02-158151-23 onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 primair en in de zaak met parketnummer 02-158151-23 onder feit 1 primair en feit 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 (zestig) dagen;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 54 (vierenvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 1.600,00 (duizend zeshonderd euro) aan immateriële schade af;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Aldus gewezen door:
mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,
mr. S.C. van Duijn en mr. A.M.G. Smit, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 21 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. S.C. van Duijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-000301-24
Uitspraak : 21 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 2 februari 2024 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 02-158150-23 en 02-158151-23, tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte ter zake van:
(parketnummer 02-158150-23)
primair: diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
(parketnummer 02-158151-23)
feit 1 primair: het in de woning, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen;
feit 2: verduistering,
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van het voorarrest.
Tevens heeft de rechtbank beslissingen genomen op de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde in beide in eerste aanleg gevoegde zaken bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen met aftrek van het voorarrest waarvan 54 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren alsmede tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.
Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] zal toewijzen tot een bedrag van € 750,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, met niet-ontvankelijkverklaring van de vordering voor het overige en de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering.
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer
02-158151-23 onder feit 2 tenlastegelegde. Ten aanzien van het in die zaak onder feit 1 tenlastegelegde heeft de raadsman partiële vrijspraak bepleit van de tenlastegelegde periode. Voorts heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft de raadsman in het verlengde van de door hem bepleite vrijspraak betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] is door de raadsman primair bepleit dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering tot schadevergoeding slechts toe te wijzen tot het bedrag van € 400,00 dat medeverdachte [medeverdachte] ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangeboden te betalen en voor het overige de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:
Zaak met parketnummer 02-158150-23:primairzij in of omstreeks de periode van 9 november 2022 tot en met 16 november 2022 te [plaats] , gemeente Schouwen-Duiveland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, twee Gazelle fietsen en/of een boormachine en/of een televisie en/of een horloge en/of huissleutels en/of een Ralph Lauren jack en/of een WiFi camera, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;
subsidiairzij in of omstreeks de periode van 9 november 2022 tot en met 16 november 2022 te [plaats] , gemeente Schouwen-Duiveland, althans in Nederland. tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal twee Gazelle fietsen, althans een of meer goed(eren) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl zij en haar mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed/deze goederen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof(fen);
Zaak met parketnummer 02-158151-23: 1. primairzij in of omstreeks de periode van 5 februari 2023 tot en met 9 februari 2023 te [plaats] , gemeente Schouwen-Duivenland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, in een woning of gebouw, aan [adres 2] , van/in gebruik bij mevrouw [benadeelde 2] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte en/of haar mededader in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen;
1. subsidiairzij in of omstreeks de periode van 5 februari 2023 tot en met 9 februari 2023 te [plaats] , gemeente Schouwen-Duivenland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, in een woning en/of gebouw, [adres 2] , waarvan het gebruik door de rechthebbende was beëindigd wederrechtelijk is binnengedrongen en/of wederrechtelijk aldaar heeft vertoefd;
2.zij op of omstreeks 6 februari 2023 te [plaats] , gemeente Schouwen-Duiveland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een of meerdere handdoek(en) en/of een menukaart en/of een badmat en/of een of meerdere gla(s)(zen) en/of een of meerdere kom(men) en/of een lederen informatieboekje, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Hotel [plaats] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), en welk(e) goed(eren) verdachte en/of haar mededader(s) anders dan door misdrijf onder zich had(den), te weten als hotelgast(en), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd.
Dictum
Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman van de verdachte vrijspraak bepleit van het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 primair tenlastegelegde. Daartoe is – in de kern – aangevoerd dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als medepleger van de tenlastegelegde inbraak en diefstal uit de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] aangezien zij nimmer in die woning is geweest.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat in de periode tussen 9 november 2022 en 11 november 2022 is ingebroken in de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] te [plaats] . Daarbij zijn verschillende goederen uit de woning weggenomen. In de woning zijn een door de dader gebruikte koffiemok en een sigarettenpeuk aangetroffen, waarop DNA-sporen zijn gevonden die volgens het NFI afkomstig kunnen zijn van medeverdachte [medeverdachte] met een matchkans van kleiner dan één op één miljard.
Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat twee fietsen die in de periode tussen 9 november 2022 en 11 november 2022 uit de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] zijn weggenomen, door de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] kort daarna op 15 en 16 november 2022 te koop zijn aangeboden bij [bedrijf] .
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat ene [betrokkene] aan haar en medeverdachte [medeverdachte] fietsen zou hebben gegeven met het verzoek om deze fietsen te verkopen. [betrokkene] zou daartoe, bij gebreke van een ID-bewijs, zelf niet in staat zijn geweest. [medeverdachte] en de verdachte hebben de fietsen vervolgens aan [bedrijf] verkocht.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
De verklaring van de verdachte over hoe de uit de vakantiewoning weggenomen fietsen bij haar zouden zijn terechtgekomen, is bij gebreke van een nadere onderbouwing niet aannemelijk geworden. De verdachte was samen met haar partner [medeverdachte] in het bezit van de gestolen fietsen, terwijl het DNA van haar partner zich op meer plaatsen in de woning bevond waaruit de fietsen zijn gestolen. Gelet op het voorgaande acht het hof bewezen dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] in de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] in [plaats] zijn geweest. In deze vakantiewoning zijn, naast de gebruikte koffiemok en sigarettenpeuk, onder andere een gebruikte tissue, lege verpakkingen van oploskoffie, een leeg flesje bier en een opengemaakte zak chips aangetroffen. Daarnaast was de badkamervloer nat, wat er naar het oordeel van het hof op wijst dat er gebruik is gemaakt van de badkamer. De hiervoor genoemde omstandigheden wijzen op een verblijf in de vakantiewoning door de inbreker(s) gedurende enige tijd. Verder blijkt uit de verklaringen van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] dat zij continu samen waren sinds zij vanaf 16 oktober 2022 geen vaste woon- of verblijfplaats meer hadden. Dat gold dus ook voor de periode waarin de inbraak in de vakantiewoning van [benadeelde 1] heeft plaatsgevonden. Verder betrekt het hof bij zijn oordeel dat de verdachte en [medeverdachte] in februari 2023 ook samen in de vakantiewoning van
[benadeelde 2] in [plaats] zijn binnengedrongen en daar enige tijd hebben verbleven. Illegaal verblijf in een leegstaande vakantiewoning was, ook volgens de verklaring van de verdachte, een manier voor hen om (tijdelijk) onderdak te hebben. Gelet hierop acht het hof bewezen dat de verdachte en [medeverdachte] samen in de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] in [plaats] hebben verbleven.
Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat er tussen de verdachte en [medeverdachte] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij de inbraak in de vakantiewoning van [benadeelde 1] en het wegnemen van goederen uit die woning, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen van de inbraak en diefstal uit de vakantiewoning van [benadeelde 1] wettig en overtuigend bewezen.
Voor wat betreft de gestolen goederen gaat het hof uit van de verklaring van aangever [benadeelde 1] , nu deze verklaring op belangrijke onderdelen wordt ondersteund door verschillende andere bewijsmiddelen, te weten de verklaring van aangever [aangever 2] over de bij hem aangeboden fietsen en het proces-verbaal van forensisch onderzoek waaruit blijkt dat een losse tv-kabel (zonder tv) in de vakantiewoning van [benadeelde 1] is aangetroffen.Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.
Resumerend acht het hof bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 primair tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals hiervoor in de bewezenverklaring is vermeld.
Ten aanzien van parketnummer 02-158151-23
Feit 1 primair
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte bekend dat zij samen met medeverdachte [medeverdachte] wederrechtelijk is binnengedrongen in de vakantiewoning van [benadeelde 2] en dat zij daar onrechtmatig hebben verbleven. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bepleit dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde periode.
Anders dan de rechtbank, acht het hof bewezen dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] het tenlastegelegde feit hebben begaan in de periode van 7 februari 2023 tot en met
9 februari 2023. Volgens de aangifte van [aangever 1] namens hotel [plaats] zijn de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] daar op 7 februari 2023 uitgecheckt. Uit het dossier komt naar voren dat zij vanuit hotel [plaats] naar de vakantiewoning van [benadeelde 2] zijn gegaan. Feit 2
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering van goederen van hotel [plaats] , waar zij en medeverdachte [medeverdachte] van 6 februari 2023 tot en met
7 februari 2023 hebben verbleven.
Door [aangever 1] is namens hotel [plaats] aangifte gedaan van deze verduistering. Het proces-verbaal van aangifte bevat een opgave van de goederen die zijn verduisterd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat deze opgave niet juist is en dat zij alleen een fietsroutemapje en twee handdoeken uit het hotel heeft meegenomen. Het hof ziet hierin onvoldoende aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van aangeefster, die door de verbalisant in een ambtsedig proces-verbaal is vastgelegd. Het hof gaat er dan ook vanuit dat de verdachte de door aangeefster in de aangifte genoemde goederen heeft verduisterd.Anders dan de rechtbank, acht het hof bewezen dat de verduistering omstreeks 6 februari 2023 heeft plaatsgevonden, in plaats van op 6 februari 2023. Volgens de aangifte zijn de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op 6 februari 2023 ingecheckt bij het hotel en op 7 februari 2023 uitgecheckt. Pas toen was er sprake van verduistering. De datum van
7 februari is aan te merken als omstreeks 6 februari.
Het hof acht niet bewezen dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bij het verduisteren van de goederen, zodat de verdachte zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 primair en in de zaak met parketnummer 02-158151-23 onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 primair en in de zaak met parketnummer 02-158151-23 onder feit 1 primair en feit 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 (zestig) dagen;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 54 (vierenvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 1.600,00 (duizend zeshonderd euro) aan immateriële schade af;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Aldus gewezen door:
mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,
mr. S.C. van Duijn en mr. A.M.G. Smit, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 21 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. S.C. van Duijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-000301-24
Uitspraak : 21 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 2 februari 2024 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 02-158150-23 en 02-158151-23, tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte ter zake van:
(parketnummer 02-158150-23)
primair: diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
(parketnummer 02-158151-23)
feit 1 primair: het in de woning, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen;
feit 2: verduistering,
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van het voorarrest.
Tevens heeft de rechtbank beslissingen genomen op de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde in beide in eerste aanleg gevoegde zaken bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen met aftrek van het voorarrest waarvan 54 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren alsmede tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.
Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] zal toewijzen tot een bedrag van € 750,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, met niet-ontvankelijkverklaring van de vordering voor het overige en de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering.
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer
02-158151-23 onder feit 2 tenlastegelegde. Ten aanzien van het in die zaak onder feit 1 tenlastegelegde heeft de raadsman partiële vrijspraak bepleit van de tenlastegelegde periode. Voorts heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft de raadsman in het verlengde van de door hem bepleite vrijspraak betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] is door de raadsman primair bepleit dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering tot schadevergoeding slechts toe te wijzen tot het bedrag van € 400,00 dat medeverdachte [medeverdachte] ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangeboden te betalen en voor het overige de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:
Zaak met parketnummer 02-158150-23:primairzij in of omstreeks de periode van 9 november 2022 tot en met 16 november 2022 te [plaats] , gemeente Schouwen-Duiveland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, twee Gazelle fietsen en/of een boormachine en/of een televisie en/of een horloge en/of huissleutels en/of een Ralph Lauren jack en/of een WiFi camera, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;
subsidiairzij in of omstreeks de periode van 9 november 2022 tot en met 16 november 2022 te [plaats] , gemeente Schouwen-Duiveland, althans in Nederland. tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal twee Gazelle fietsen, althans een of meer goed(eren) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl zij en haar mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed/deze goederen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof(fen);
Zaak met parketnummer 02-158151-23: 1. primairzij in of omstreeks de periode van 5 februari 2023 tot en met 9 februari 2023 te [plaats] , gemeente Schouwen-Duivenland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, in een woning of gebouw, aan [adres 2] , van/in gebruik bij mevrouw [benadeelde 2] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte en/of haar mededader in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen;
1. subsidiairzij in of omstreeks de periode van 5 februari 2023 tot en met 9 februari 2023 te [plaats] , gemeente Schouwen-Duivenland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, in een woning en/of gebouw, [adres 2] , waarvan het gebruik door de rechthebbende was beëindigd wederrechtelijk is binnengedrongen en/of wederrechtelijk aldaar heeft vertoefd;
2.zij op of omstreeks 6 februari 2023 te [plaats] , gemeente Schouwen-Duiveland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een of meerdere handdoek(en) en/of een menukaart en/of een badmat en/of een of meerdere gla(s)(zen) en/of een of meerdere kom(men) en/of een lederen informatieboekje, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Hotel [plaats] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), en welk(e) goed(eren) verdachte en/of haar mededader(s) anders dan door misdrijf onder zich had(den), te weten als hotelgast(en), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd.
Dictum
Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman van de verdachte vrijspraak bepleit van het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 primair tenlastegelegde. Daartoe is – in de kern – aangevoerd dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als medepleger van de tenlastegelegde inbraak en diefstal uit de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] aangezien zij nimmer in die woning is geweest.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat in de periode tussen 9 november 2022 en 11 november 2022 is ingebroken in de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] te [plaats] . Daarbij zijn verschillende goederen uit de woning weggenomen. In de woning zijn een door de dader gebruikte koffiemok en een sigarettenpeuk aangetroffen, waarop DNA-sporen zijn gevonden die volgens het NFI afkomstig kunnen zijn van medeverdachte [medeverdachte] met een matchkans van kleiner dan één op één miljard.
Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat twee fietsen die in de periode tussen 9 november 2022 en 11 november 2022 uit de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] zijn weggenomen, door de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] kort daarna op 15 en 16 november 2022 te koop zijn aangeboden bij [bedrijf] .
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat ene [betrokkene] aan haar en medeverdachte [medeverdachte] fietsen zou hebben gegeven met het verzoek om deze fietsen te verkopen. [betrokkene] zou daartoe, bij gebreke van een ID-bewijs, zelf niet in staat zijn geweest. [medeverdachte] en de verdachte hebben de fietsen vervolgens aan [bedrijf] verkocht.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
De verklaring van de verdachte over hoe de uit de vakantiewoning weggenomen fietsen bij haar zouden zijn terechtgekomen, is bij gebreke van een nadere onderbouwing niet aannemelijk geworden. De verdachte was samen met haar partner [medeverdachte] in het bezit van de gestolen fietsen, terwijl het DNA van haar partner zich op meer plaatsen in de woning bevond waaruit de fietsen zijn gestolen. Gelet op het voorgaande acht het hof bewezen dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] in de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] in [plaats] zijn geweest. In deze vakantiewoning zijn, naast de gebruikte koffiemok en sigarettenpeuk, onder andere een gebruikte tissue, lege verpakkingen van oploskoffie, een leeg flesje bier en een opengemaakte zak chips aangetroffen. Daarnaast was de badkamervloer nat, wat er naar het oordeel van het hof op wijst dat er gebruik is gemaakt van de badkamer. De hiervoor genoemde omstandigheden wijzen op een verblijf in de vakantiewoning door de inbreker(s) gedurende enige tijd. Verder blijkt uit de verklaringen van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] dat zij continu samen waren sinds zij vanaf 16 oktober 2022 geen vaste woon- of verblijfplaats meer hadden. Dat gold dus ook voor de periode waarin de inbraak in de vakantiewoning van [benadeelde 1] heeft plaatsgevonden. Verder betrekt het hof bij zijn oordeel dat de verdachte en [medeverdachte] in februari 2023 ook samen in de vakantiewoning van
[benadeelde 2] in [plaats] zijn binnengedrongen en daar enige tijd hebben verbleven. Illegaal verblijf in een leegstaande vakantiewoning was, ook volgens de verklaring van de verdachte, een manier voor hen om (tijdelijk) onderdak te hebben. Gelet hierop acht het hof bewezen dat de verdachte en [medeverdachte] samen in de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] in [plaats] hebben verbleven.
Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat er tussen de verdachte en [medeverdachte] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij de inbraak in de vakantiewoning van [benadeelde 1] en het wegnemen van goederen uit die woning, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen van de inbraak en diefstal uit de vakantiewoning van [benadeelde 1] wettig en overtuigend bewezen.
Voor wat betreft de gestolen goederen gaat het hof uit van de verklaring van aangever [benadeelde 1] , nu deze verklaring op belangrijke onderdelen wordt ondersteund door verschillende andere bewijsmiddelen, te weten de verklaring van aangever [aangever 2] over de bij hem aangeboden fietsen en het proces-verbaal van forensisch onderzoek waaruit blijkt dat een losse tv-kabel (zonder tv) in de vakantiewoning van [benadeelde 1] is aangetroffen.Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.
Resumerend acht het hof bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 primair tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals hiervoor in de bewezenverklaring is vermeld.
Ten aanzien van parketnummer 02-158151-23
Feit 1 primair
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte bekend dat zij samen met medeverdachte [medeverdachte] wederrechtelijk is binnengedrongen in de vakantiewoning van [benadeelde 2] en dat zij daar onrechtmatig hebben verbleven. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bepleit dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde periode.
Anders dan de rechtbank, acht het hof bewezen dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] het tenlastegelegde feit hebben begaan in de periode van 7 februari 2023 tot en met
9 februari 2023. Volgens de aangifte van [aangever 1] namens hotel [plaats] zijn de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] daar op 7 februari 2023 uitgecheckt. Uit het dossier komt naar voren dat zij vanuit hotel [plaats] naar de vakantiewoning van [benadeelde 2] zijn gegaan. Feit 2
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering van goederen van hotel [plaats] , waar zij en medeverdachte [medeverdachte] van 6 februari 2023 tot en met
7 februari 2023 hebben verbleven.
Door [aangever 1] is namens hotel [plaats] aangifte gedaan van deze verduistering. Het proces-verbaal van aangifte bevat een opgave van de goederen die zijn verduisterd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat deze opgave niet juist is en dat zij alleen een fietsroutemapje en twee handdoeken uit het hotel heeft meegenomen. Het hof ziet hierin onvoldoende aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van aangeefster, die door de verbalisant in een ambtsedig proces-verbaal is vastgelegd. Het hof gaat er dan ook vanuit dat de verdachte de door aangeefster in de aangifte genoemde goederen heeft verduisterd.Anders dan de rechtbank, acht het hof bewezen dat de verduistering omstreeks 6 februari 2023 heeft plaatsgevonden, in plaats van op 6 februari 2023. Volgens de aangifte zijn de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op 6 februari 2023 ingecheckt bij het hotel en op 7 februari 2023 uitgecheckt. Pas toen was er sprake van verduistering. De datum van
7 februari is aan te merken als omstreeks 6 februari.
Het hof acht niet bewezen dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bij het verduisteren van de goederen, zodat de verdachte zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 primair en in de zaak met parketnummer 02-158151-23 onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 primair en in de zaak met parketnummer 02-158151-23 onder feit 1 primair en feit 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 (zestig) dagen;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 54 (vierenvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 1.600,00 (duizend zeshonderd euro) aan immateriële schade af;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Aldus gewezen door:
mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,
mr. S.C. van Duijn en mr. A.M.G. Smit, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 21 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. S.C. van Duijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-000301-24
Uitspraak : 21 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 2 februari 2024 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 02-158150-23 en 02-158151-23, tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte ter zake van:
(parketnummer 02-158150-23)
primair: diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
(parketnummer 02-158151-23)
feit 1 primair: het in de woning, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen;
feit 2: verduistering,
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van het voorarrest.
Tevens heeft de rechtbank beslissingen genomen op de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde in beide in eerste aanleg gevoegde zaken bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen met aftrek van het voorarrest waarvan 54 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren alsmede tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.
Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] zal toewijzen tot een bedrag van € 750,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, met niet-ontvankelijkverklaring van de vordering voor het overige en de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering.
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer
02-158151-23 onder feit 2 tenlastegelegde. Ten aanzien van het in die zaak onder feit 1 tenlastegelegde heeft de raadsman partiële vrijspraak bepleit van de tenlastegelegde periode. Voorts heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft de raadsman in het verlengde van de door hem bepleite vrijspraak betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] is door de raadsman primair bepleit dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering tot schadevergoeding slechts toe te wijzen tot het bedrag van € 400,00 dat medeverdachte [medeverdachte] ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangeboden te betalen en voor het overige de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:
Zaak met parketnummer 02-158150-23:primairzij in of omstreeks de periode van 9 november 2022 tot en met 16 november 2022 te [plaats] , gemeente Schouwen-Duiveland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, twee Gazelle fietsen en/of een boormachine en/of een televisie en/of een horloge en/of huissleutels en/of een Ralph Lauren jack en/of een WiFi camera, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;
subsidiairzij in of omstreeks de periode van 9 november 2022 tot en met 16 november 2022 te [plaats] , gemeente Schouwen-Duiveland, althans in Nederland. tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal twee Gazelle fietsen, althans een of meer goed(eren) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl zij en haar mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed/deze goederen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof(fen);
Zaak met parketnummer 02-158151-23: 1. primairzij in of omstreeks de periode van 5 februari 2023 tot en met 9 februari 2023 te [plaats] , gemeente Schouwen-Duivenland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, in een woning of gebouw, aan [adres 2] , van/in gebruik bij mevrouw [benadeelde 2] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte en/of haar mededader in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen;
1. subsidiairzij in of omstreeks de periode van 5 februari 2023 tot en met 9 februari 2023 te [plaats] , gemeente Schouwen-Duivenland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, in een woning en/of gebouw, [adres 2] , waarvan het gebruik door de rechthebbende was beëindigd wederrechtelijk is binnengedrongen en/of wederrechtelijk aldaar heeft vertoefd;
2.zij op of omstreeks 6 februari 2023 te [plaats] , gemeente Schouwen-Duiveland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een of meerdere handdoek(en) en/of een menukaart en/of een badmat en/of een of meerdere gla(s)(zen) en/of een of meerdere kom(men) en/of een lederen informatieboekje, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Hotel [plaats] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), en welk(e) goed(eren) verdachte en/of haar mededader(s) anders dan door misdrijf onder zich had(den), te weten als hotelgast(en), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd.
Dictum
Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman van de verdachte vrijspraak bepleit van het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 primair tenlastegelegde. Daartoe is – in de kern – aangevoerd dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als medepleger van de tenlastegelegde inbraak en diefstal uit de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] aangezien zij nimmer in die woning is geweest.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat in de periode tussen 9 november 2022 en 11 november 2022 is ingebroken in de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] te [plaats] . Daarbij zijn verschillende goederen uit de woning weggenomen. In de woning zijn een door de dader gebruikte koffiemok en een sigarettenpeuk aangetroffen, waarop DNA-sporen zijn gevonden die volgens het NFI afkomstig kunnen zijn van medeverdachte [medeverdachte] met een matchkans van kleiner dan één op één miljard.
Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat twee fietsen die in de periode tussen 9 november 2022 en 11 november 2022 uit de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] zijn weggenomen, door de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] kort daarna op 15 en 16 november 2022 te koop zijn aangeboden bij [bedrijf] .
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat ene [betrokkene] aan haar en medeverdachte [medeverdachte] fietsen zou hebben gegeven met het verzoek om deze fietsen te verkopen. [betrokkene] zou daartoe, bij gebreke van een ID-bewijs, zelf niet in staat zijn geweest. [medeverdachte] en de verdachte hebben de fietsen vervolgens aan [bedrijf] verkocht.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
De verklaring van de verdachte over hoe de uit de vakantiewoning weggenomen fietsen bij haar zouden zijn terechtgekomen, is bij gebreke van een nadere onderbouwing niet aannemelijk geworden. De verdachte was samen met haar partner [medeverdachte] in het bezit van de gestolen fietsen, terwijl het DNA van haar partner zich op meer plaatsen in de woning bevond waaruit de fietsen zijn gestolen. Gelet op het voorgaande acht het hof bewezen dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] in de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] in [plaats] zijn geweest. In deze vakantiewoning zijn, naast de gebruikte koffiemok en sigarettenpeuk, onder andere een gebruikte tissue, lege verpakkingen van oploskoffie, een leeg flesje bier en een opengemaakte zak chips aangetroffen. Daarnaast was de badkamervloer nat, wat er naar het oordeel van het hof op wijst dat er gebruik is gemaakt van de badkamer. De hiervoor genoemde omstandigheden wijzen op een verblijf in de vakantiewoning door de inbreker(s) gedurende enige tijd. Verder blijkt uit de verklaringen van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] dat zij continu samen waren sinds zij vanaf 16 oktober 2022 geen vaste woon- of verblijfplaats meer hadden. Dat gold dus ook voor de periode waarin de inbraak in de vakantiewoning van [benadeelde 1] heeft plaatsgevonden. Verder betrekt het hof bij zijn oordeel dat de verdachte en [medeverdachte] in februari 2023 ook samen in de vakantiewoning van
[benadeelde 2] in [plaats] zijn binnengedrongen en daar enige tijd hebben verbleven. Illegaal verblijf in een leegstaande vakantiewoning was, ook volgens de verklaring van de verdachte, een manier voor hen om (tijdelijk) onderdak te hebben. Gelet hierop acht het hof bewezen dat de verdachte en [medeverdachte] samen in de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] in [plaats] hebben verbleven.
Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat er tussen de verdachte en [medeverdachte] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij de inbraak in de vakantiewoning van [benadeelde 1] en het wegnemen van goederen uit die woning, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen van de inbraak en diefstal uit de vakantiewoning van [benadeelde 1] wettig en overtuigend bewezen.
Voor wat betreft de gestolen goederen gaat het hof uit van de verklaring van aangever [benadeelde 1] , nu deze verklaring op belangrijke onderdelen wordt ondersteund door verschillende andere bewijsmiddelen, te weten de verklaring van aangever [aangever 2] over de bij hem aangeboden fietsen en het proces-verbaal van forensisch onderzoek waaruit blijkt dat een losse tv-kabel (zonder tv) in de vakantiewoning van [benadeelde 1] is aangetroffen.Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.
Resumerend acht het hof bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 primair tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals hiervoor in de bewezenverklaring is vermeld.
Ten aanzien van parketnummer 02-158151-23
Feit 1 primair
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte bekend dat zij samen met medeverdachte [medeverdachte] wederrechtelijk is binnengedrongen in de vakantiewoning van [benadeelde 2] en dat zij daar onrechtmatig hebben verbleven. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bepleit dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde periode.
Anders dan de rechtbank, acht het hof bewezen dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] het tenlastegelegde feit hebben begaan in de periode van 7 februari 2023 tot en met
9 februari 2023. Volgens de aangifte van [aangever 1] namens hotel [plaats] zijn de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] daar op 7 februari 2023 uitgecheckt. Uit het dossier komt naar voren dat zij vanuit hotel [plaats] naar de vakantiewoning van [benadeelde 2] zijn gegaan. Feit 2
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering van goederen van hotel [plaats] , waar zij en medeverdachte [medeverdachte] van 6 februari 2023 tot en met
7 februari 2023 hebben verbleven.
Door [aangever 1] is namens hotel [plaats] aangifte gedaan van deze verduistering. Het proces-verbaal van aangifte bevat een opgave van de goederen die zijn verduisterd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat deze opgave niet juist is en dat zij alleen een fietsroutemapje en twee handdoeken uit het hotel heeft meegenomen. Het hof ziet hierin onvoldoende aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van aangeefster, die door de verbalisant in een ambtsedig proces-verbaal is vastgelegd. Het hof gaat er dan ook vanuit dat de verdachte de door aangeefster in de aangifte genoemde goederen heeft verduisterd.Anders dan de rechtbank, acht het hof bewezen dat de verduistering omstreeks 6 februari 2023 heeft plaatsgevonden, in plaats van op 6 februari 2023. Volgens de aangifte zijn de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op 6 februari 2023 ingecheckt bij het hotel en op 7 februari 2023 uitgecheckt. Pas toen was er sprake van verduistering. De datum van
7 februari is aan te merken als omstreeks 6 februari.
Het hof acht niet bewezen dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bij het verduisteren van de goederen, zodat de verdachte zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 primair en in de zaak met parketnummer 02-158151-23 onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 primair en in de zaak met parketnummer 02-158151-23 onder feit 1 primair en feit 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 (zestig) dagen;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 54 (vierenvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 1.600,00 (duizend zeshonderd euro) aan immateriële schade af;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Aldus gewezen door:
mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,
mr. S.C. van Duijn en mr. A.M.G. Smit, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 21 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. S.C. van Duijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-000301-24
Uitspraak : 21 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 2 februari 2024 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 02-158150-23 en 02-158151-23, tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte ter zake van:
(parketnummer 02-158150-23)
primair: diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
(parketnummer 02-158151-23)
feit 1 primair: het in de woning, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen;
feit 2: verduistering,
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van het voorarrest.
Tevens heeft de rechtbank beslissingen genomen op de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde in beide in eerste aanleg gevoegde zaken bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen met aftrek van het voorarrest waarvan 54 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren alsmede tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.
Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] zal toewijzen tot een bedrag van € 750,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, met niet-ontvankelijkverklaring van de vordering voor het overige en de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering.
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer
02-158151-23 onder feit 2 tenlastegelegde. Ten aanzien van het in die zaak onder feit 1 tenlastegelegde heeft de raadsman partiële vrijspraak bepleit van de tenlastegelegde periode. Voorts heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft de raadsman in het verlengde van de door hem bepleite vrijspraak betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] is door de raadsman primair bepleit dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering tot schadevergoeding slechts toe te wijzen tot het bedrag van € 400,00 dat medeverdachte [medeverdachte] ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangeboden te betalen en voor het overige de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:
Zaak met parketnummer 02-158150-23:primairzij in of omstreeks de periode van 9 november 2022 tot en met 16 november 2022 te [plaats] , gemeente Schouwen-Duiveland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, twee Gazelle fietsen en/of een boormachine en/of een televisie en/of een horloge en/of huissleutels en/of een Ralph Lauren jack en/of een WiFi camera, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;
subsidiairzij in of omstreeks de periode van 9 november 2022 tot en met 16 november 2022 te [plaats] , gemeente Schouwen-Duiveland, althans in Nederland. tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal twee Gazelle fietsen, althans een of meer goed(eren) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl zij en haar mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed/deze goederen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof(fen);
Zaak met parketnummer 02-158151-23: 1. primairzij in of omstreeks de periode van 5 februari 2023 tot en met 9 februari 2023 te [plaats] , gemeente Schouwen-Duivenland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, in een woning of gebouw, aan [adres 2] , van/in gebruik bij mevrouw [benadeelde 2] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte en/of haar mededader in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen;
1. subsidiairzij in of omstreeks de periode van 5 februari 2023 tot en met 9 februari 2023 te [plaats] , gemeente Schouwen-Duivenland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, in een woning en/of gebouw, [adres 2] , waarvan het gebruik door de rechthebbende was beëindigd wederrechtelijk is binnengedrongen en/of wederrechtelijk aldaar heeft vertoefd;
2.zij op of omstreeks 6 februari 2023 te [plaats] , gemeente Schouwen-Duiveland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een of meerdere handdoek(en) en/of een menukaart en/of een badmat en/of een of meerdere gla(s)(zen) en/of een of meerdere kom(men) en/of een lederen informatieboekje, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Hotel [plaats] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), en welk(e) goed(eren) verdachte en/of haar mededader(s) anders dan door misdrijf onder zich had(den), te weten als hotelgast(en), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd.
Dictum
Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman van de verdachte vrijspraak bepleit van het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 primair tenlastegelegde. Daartoe is – in de kern – aangevoerd dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als medepleger van de tenlastegelegde inbraak en diefstal uit de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] aangezien zij nimmer in die woning is geweest.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat in de periode tussen 9 november 2022 en 11 november 2022 is ingebroken in de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] te [plaats] . Daarbij zijn verschillende goederen uit de woning weggenomen. In de woning zijn een door de dader gebruikte koffiemok en een sigarettenpeuk aangetroffen, waarop DNA-sporen zijn gevonden die volgens het NFI afkomstig kunnen zijn van medeverdachte [medeverdachte] met een matchkans van kleiner dan één op één miljard.
Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat twee fietsen die in de periode tussen 9 november 2022 en 11 november 2022 uit de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] zijn weggenomen, door de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] kort daarna op 15 en 16 november 2022 te koop zijn aangeboden bij [bedrijf] .
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat ene [betrokkene] aan haar en medeverdachte [medeverdachte] fietsen zou hebben gegeven met het verzoek om deze fietsen te verkopen. [betrokkene] zou daartoe, bij gebreke van een ID-bewijs, zelf niet in staat zijn geweest. [medeverdachte] en de verdachte hebben de fietsen vervolgens aan [bedrijf] verkocht.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
De verklaring van de verdachte over hoe de uit de vakantiewoning weggenomen fietsen bij haar zouden zijn terechtgekomen, is bij gebreke van een nadere onderbouwing niet aannemelijk geworden. De verdachte was samen met haar partner [medeverdachte] in het bezit van de gestolen fietsen, terwijl het DNA van haar partner zich op meer plaatsen in de woning bevond waaruit de fietsen zijn gestolen. Gelet op het voorgaande acht het hof bewezen dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] in de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] in [plaats] zijn geweest. In deze vakantiewoning zijn, naast de gebruikte koffiemok en sigarettenpeuk, onder andere een gebruikte tissue, lege verpakkingen van oploskoffie, een leeg flesje bier en een opengemaakte zak chips aangetroffen. Daarnaast was de badkamervloer nat, wat er naar het oordeel van het hof op wijst dat er gebruik is gemaakt van de badkamer. De hiervoor genoemde omstandigheden wijzen op een verblijf in de vakantiewoning door de inbreker(s) gedurende enige tijd. Verder blijkt uit de verklaringen van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] dat zij continu samen waren sinds zij vanaf 16 oktober 2022 geen vaste woon- of verblijfplaats meer hadden. Dat gold dus ook voor de periode waarin de inbraak in de vakantiewoning van [benadeelde 1] heeft plaatsgevonden. Verder betrekt het hof bij zijn oordeel dat de verdachte en [medeverdachte] in februari 2023 ook samen in de vakantiewoning van
[benadeelde 2] in [plaats] zijn binnengedrongen en daar enige tijd hebben verbleven. Illegaal verblijf in een leegstaande vakantiewoning was, ook volgens de verklaring van de verdachte, een manier voor hen om (tijdelijk) onderdak te hebben. Gelet hierop acht het hof bewezen dat de verdachte en [medeverdachte] samen in de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] in [plaats] hebben verbleven.
Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat er tussen de verdachte en [medeverdachte] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij de inbraak in de vakantiewoning van [benadeelde 1] en het wegnemen van goederen uit die woning, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen van de inbraak en diefstal uit de vakantiewoning van [benadeelde 1] wettig en overtuigend bewezen.
Voor wat betreft de gestolen goederen gaat het hof uit van de verklaring van aangever [benadeelde 1] , nu deze verklaring op belangrijke onderdelen wordt ondersteund door verschillende andere bewijsmiddelen, te weten de verklaring van aangever [aangever 2] over de bij hem aangeboden fietsen en het proces-verbaal van forensisch onderzoek waaruit blijkt dat een losse tv-kabel (zonder tv) in de vakantiewoning van [benadeelde 1] is aangetroffen.Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.
Resumerend acht het hof bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 primair tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals hiervoor in de bewezenverklaring is vermeld.
Ten aanzien van parketnummer 02-158151-23
Feit 1 primair
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte bekend dat zij samen met medeverdachte [medeverdachte] wederrechtelijk is binnengedrongen in de vakantiewoning van [benadeelde 2] en dat zij daar onrechtmatig hebben verbleven. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bepleit dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde periode.
Anders dan de rechtbank, acht het hof bewezen dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] het tenlastegelegde feit hebben begaan in de periode van 7 februari 2023 tot en met
9 februari 2023. Volgens de aangifte van [aangever 1] namens hotel [plaats] zijn de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] daar op 7 februari 2023 uitgecheckt. Uit het dossier komt naar voren dat zij vanuit hotel [plaats] naar de vakantiewoning van [benadeelde 2] zijn gegaan. Feit 2
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering van goederen van hotel [plaats] , waar zij en medeverdachte [medeverdachte] van 6 februari 2023 tot en met
7 februari 2023 hebben verbleven.
Door [aangever 1] is namens hotel [plaats] aangifte gedaan van deze verduistering. Het proces-verbaal van aangifte bevat een opgave van de goederen die zijn verduisterd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat deze opgave niet juist is en dat zij alleen een fietsroutemapje en twee handdoeken uit het hotel heeft meegenomen. Het hof ziet hierin onvoldoende aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van aangeefster, die door de verbalisant in een ambtsedig proces-verbaal is vastgelegd. Het hof gaat er dan ook vanuit dat de verdachte de door aangeefster in de aangifte genoemde goederen heeft verduisterd.Anders dan de rechtbank, acht het hof bewezen dat de verduistering omstreeks 6 februari 2023 heeft plaatsgevonden, in plaats van op 6 februari 2023. Volgens de aangifte zijn de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op 6 februari 2023 ingecheckt bij het hotel en op 7 februari 2023 uitgecheckt. Pas toen was er sprake van verduistering. De datum van
7 februari is aan te merken als omstreeks 6 februari.
Het hof acht niet bewezen dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bij het verduisteren van de goederen, zodat de verdachte zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 primair en in de zaak met parketnummer 02-158151-23 onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 primair en in de zaak met parketnummer 02-158151-23 onder feit 1 primair en feit 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 (zestig) dagen;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 54 (vierenvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 1.600,00 (duizend zeshonderd euro) aan immateriële schade af;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Aldus gewezen door:
mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,
mr. S.C. van Duijn en mr. A.M.G. Smit, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 21 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. S.C. van Duijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-000301-24
Uitspraak : 21 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 2 februari 2024 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 02-158150-23 en 02-158151-23, tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte ter zake van:
(parketnummer 02-158150-23)
primair: diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
(parketnummer 02-158151-23)
feit 1 primair: het in de woning, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen;
feit 2: verduistering,
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van het voorarrest.
Tevens heeft de rechtbank beslissingen genomen op de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde in beide in eerste aanleg gevoegde zaken bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen met aftrek van het voorarrest waarvan 54 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren alsmede tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.
Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] zal toewijzen tot een bedrag van € 750,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, met niet-ontvankelijkverklaring van de vordering voor het overige en de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering.
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer
02-158151-23 onder feit 2 tenlastegelegde. Ten aanzien van het in die zaak onder feit 1 tenlastegelegde heeft de raadsman partiële vrijspraak bepleit van de tenlastegelegde periode. Voorts heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft de raadsman in het verlengde van de door hem bepleite vrijspraak betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] is door de raadsman primair bepleit dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering tot schadevergoeding slechts toe te wijzen tot het bedrag van € 400,00 dat medeverdachte [medeverdachte] ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangeboden te betalen en voor het overige de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:
Zaak met parketnummer 02-158150-23:primairzij in of omstreeks de periode van 9 november 2022 tot en met 16 november 2022 te [plaats] , gemeente Schouwen-Duiveland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, twee Gazelle fietsen en/of een boormachine en/of een televisie en/of een horloge en/of huissleutels en/of een Ralph Lauren jack en/of een WiFi camera, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;
subsidiairzij in of omstreeks de periode van 9 november 2022 tot en met 16 november 2022 te [plaats] , gemeente Schouwen-Duiveland, althans in Nederland. tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal twee Gazelle fietsen, althans een of meer goed(eren) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl zij en haar mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed/deze goederen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof(fen);
Zaak met parketnummer 02-158151-23: 1. primairzij in of omstreeks de periode van 5 februari 2023 tot en met 9 februari 2023 te [plaats] , gemeente Schouwen-Duivenland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, in een woning of gebouw, aan [adres 2] , van/in gebruik bij mevrouw [benadeelde 2] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte en/of haar mededader in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen;
1. subsidiairzij in of omstreeks de periode van 5 februari 2023 tot en met 9 februari 2023 te [plaats] , gemeente Schouwen-Duivenland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, in een woning en/of gebouw, [adres 2] , waarvan het gebruik door de rechthebbende was beëindigd wederrechtelijk is binnengedrongen en/of wederrechtelijk aldaar heeft vertoefd;
2.zij op of omstreeks 6 februari 2023 te [plaats] , gemeente Schouwen-Duiveland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een of meerdere handdoek(en) en/of een menukaart en/of een badmat en/of een of meerdere gla(s)(zen) en/of een of meerdere kom(men) en/of een lederen informatieboekje, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Hotel [plaats] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), en welk(e) goed(eren) verdachte en/of haar mededader(s) anders dan door misdrijf onder zich had(den), te weten als hotelgast(en), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd.
Dictum
Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman van de verdachte vrijspraak bepleit van het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 primair tenlastegelegde. Daartoe is – in de kern – aangevoerd dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als medepleger van de tenlastegelegde inbraak en diefstal uit de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] aangezien zij nimmer in die woning is geweest.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat in de periode tussen 9 november 2022 en 11 november 2022 is ingebroken in de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] te [plaats] . Daarbij zijn verschillende goederen uit de woning weggenomen. In de woning zijn een door de dader gebruikte koffiemok en een sigarettenpeuk aangetroffen, waarop DNA-sporen zijn gevonden die volgens het NFI afkomstig kunnen zijn van medeverdachte [medeverdachte] met een matchkans van kleiner dan één op één miljard.
Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat twee fietsen die in de periode tussen 9 november 2022 en 11 november 2022 uit de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] zijn weggenomen, door de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] kort daarna op 15 en 16 november 2022 te koop zijn aangeboden bij [bedrijf] .
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat ene [betrokkene] aan haar en medeverdachte [medeverdachte] fietsen zou hebben gegeven met het verzoek om deze fietsen te verkopen. [betrokkene] zou daartoe, bij gebreke van een ID-bewijs, zelf niet in staat zijn geweest. [medeverdachte] en de verdachte hebben de fietsen vervolgens aan [bedrijf] verkocht.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
De verklaring van de verdachte over hoe de uit de vakantiewoning weggenomen fietsen bij haar zouden zijn terechtgekomen, is bij gebreke van een nadere onderbouwing niet aannemelijk geworden. De verdachte was samen met haar partner [medeverdachte] in het bezit van de gestolen fietsen, terwijl het DNA van haar partner zich op meer plaatsen in de woning bevond waaruit de fietsen zijn gestolen. Gelet op het voorgaande acht het hof bewezen dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] in de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] in [plaats] zijn geweest. In deze vakantiewoning zijn, naast de gebruikte koffiemok en sigarettenpeuk, onder andere een gebruikte tissue, lege verpakkingen van oploskoffie, een leeg flesje bier en een opengemaakte zak chips aangetroffen. Daarnaast was de badkamervloer nat, wat er naar het oordeel van het hof op wijst dat er gebruik is gemaakt van de badkamer. De hiervoor genoemde omstandigheden wijzen op een verblijf in de vakantiewoning door de inbreker(s) gedurende enige tijd. Verder blijkt uit de verklaringen van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] dat zij continu samen waren sinds zij vanaf 16 oktober 2022 geen vaste woon- of verblijfplaats meer hadden. Dat gold dus ook voor de periode waarin de inbraak in de vakantiewoning van [benadeelde 1] heeft plaatsgevonden. Verder betrekt het hof bij zijn oordeel dat de verdachte en [medeverdachte] in februari 2023 ook samen in de vakantiewoning van
[benadeelde 2] in [plaats] zijn binnengedrongen en daar enige tijd hebben verbleven. Illegaal verblijf in een leegstaande vakantiewoning was, ook volgens de verklaring van de verdachte, een manier voor hen om (tijdelijk) onderdak te hebben. Gelet hierop acht het hof bewezen dat de verdachte en [medeverdachte] samen in de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] in [plaats] hebben verbleven.
Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat er tussen de verdachte en [medeverdachte] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij de inbraak in de vakantiewoning van [benadeelde 1] en het wegnemen van goederen uit die woning, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen van de inbraak en diefstal uit de vakantiewoning van [benadeelde 1] wettig en overtuigend bewezen.
Voor wat betreft de gestolen goederen gaat het hof uit van de verklaring van aangever [benadeelde 1] , nu deze verklaring op belangrijke onderdelen wordt ondersteund door verschillende andere bewijsmiddelen, te weten de verklaring van aangever [aangever 2] over de bij hem aangeboden fietsen en het proces-verbaal van forensisch onderzoek waaruit blijkt dat een losse tv-kabel (zonder tv) in de vakantiewoning van [benadeelde 1] is aangetroffen.Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.
Resumerend acht het hof bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 primair tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals hiervoor in de bewezenverklaring is vermeld.
Ten aanzien van parketnummer 02-158151-23
Feit 1 primair
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte bekend dat zij samen met medeverdachte [medeverdachte] wederrechtelijk is binnengedrongen in de vakantiewoning van [benadeelde 2] en dat zij daar onrechtmatig hebben verbleven. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bepleit dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde periode.
Anders dan de rechtbank, acht het hof bewezen dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] het tenlastegelegde feit hebben begaan in de periode van 7 februari 2023 tot en met
9 februari 2023. Volgens de aangifte van [aangever 1] namens hotel [plaats] zijn de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] daar op 7 februari 2023 uitgecheckt. Uit het dossier komt naar voren dat zij vanuit hotel [plaats] naar de vakantiewoning van [benadeelde 2] zijn gegaan. Feit 2
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering van goederen van hotel [plaats] , waar zij en medeverdachte [medeverdachte] van 6 februari 2023 tot en met
7 februari 2023 hebben verbleven.
Door [aangever 1] is namens hotel [plaats] aangifte gedaan van deze verduistering. Het proces-verbaal van aangifte bevat een opgave van de goederen die zijn verduisterd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat deze opgave niet juist is en dat zij alleen een fietsroutemapje en twee handdoeken uit het hotel heeft meegenomen. Het hof ziet hierin onvoldoende aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van aangeefster, die door de verbalisant in een ambtsedig proces-verbaal is vastgelegd. Het hof gaat er dan ook vanuit dat de verdachte de door aangeefster in de aangifte genoemde goederen heeft verduisterd.Anders dan de rechtbank, acht het hof bewezen dat de verduistering omstreeks 6 februari 2023 heeft plaatsgevonden, in plaats van op 6 februari 2023. Volgens de aangifte zijn de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op 6 februari 2023 ingecheckt bij het hotel en op 7 februari 2023 uitgecheckt. Pas toen was er sprake van verduistering. De datum van
7 februari is aan te merken als omstreeks 6 februari.
Het hof acht niet bewezen dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bij het verduisteren van de goederen, zodat de verdachte zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 primair en in de zaak met parketnummer 02-158151-23 onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 primair en in de zaak met parketnummer 02-158151-23 onder feit 1 primair en feit 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 (zestig) dagen;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 54 (vierenvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 1.600,00 (duizend zeshonderd euro) aan immateriële schade af;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Aldus gewezen door:
mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,
mr. S.C. van Duijn en mr. A.M.G. Smit, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 21 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. S.C. van Duijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Dictum
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Het in de zaak met parketnummer 02-158151-23 onder 1 primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen.
Het in de zaak met parketnummer 02-158151-23 onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
verduistering.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De verdediging heeft het hof verzocht om te volstaan met oplegging van een gevangenisstraf gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij samen met een ander goederen uit de vakantiewoning van [benadeelde 1] heeft gestolen en zij zich samen met die ander de toegang tot die woning heeft verschaft door middel van braak. Het is een feit van algemene bekendheid dat woninginbraken over het algemeen niet alleen aanzienlijke financiële en/of materiële schade, maar ook overlast en ongemak voor de benadeelden met zich meebrengen. Bovendien hebben slachtoffers van een woninginbraak vaak nog lange tijd nadien last van gevoelens van angst en onveiligheid. Daarvan is ook in de onderhavige zaak gebleken. Het hof rekent dit de verdachte aan. Daarnaast heeft de verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het wederrechtelijk binnendringen van de vakantiewoning van [benadeelde 2] . Huisvredebreuk is een hinderlijk en overlastgevend feit waarbij er inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht en de privacy van een ander. Ten slotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan verduistering van goederen uit een hotelkamer. Een dergelijk feit brengt over het algemeen schade teweeg aan de eigenaar van het verduisterde goed en veroorzaakt overlast en ergernis bij de gedupeerde. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat zij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 19 december 2024, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde eenmaal eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat zij een parttime baan heeft en een vaste woonplek waar zij ook ingeschreven staat. De verdachte en medeverdachte [medeverdachte] huren een kamer bij stichting [stichting] in Oud-Beijerland en staan ingeschreven voor een eigen woning. Voorts heeft de verdachte naar voren gebracht dat zij een afbetalingsregeling heeft getroffen voor haar schulden, die zij nakomt, dat het goed gaat in de relatie met haar partner en medeverdachte [medeverdachte] en dat zij is gestopt met blowen.
Hoewel het bewezenverklaarde in de onderhavige zaak een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur zoals opgelegd door de rechtbank zonder meer zou rechtvaardigen, acht het hof het in dit specifieke geval onwenselijk om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur op te leggen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verdachte gemotiveerd lijkt een andere wending aan haar leven te geven en dat zij stappen aan het zetten is in de goede richting. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur zou deze voorzichtig positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte doorkruisen. Het hof acht dat onwenselijk.
Het hof zal om die reden een gevangenisstraf opleggen waarvan de duur van het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Het hof acht het wel raadzaam om naast de onvoorwaardelijke gevangenisstraf een forse voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met een proeftijd van twee jaren, in combinatie met een taakstraf.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Alles afwegende acht het hof – met de advocaat-generaal – een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 54 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, passend en geboden.
Volgens de berekening van het hof heeft de verdachte in totaal zes dagen in voorarrest doorgebracht. Het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf is van dezelfde duur. Dat betekent dat de verdachte na het onherroepelijk worden van dit arrest niet terug in detentie hoeft, tenzij zij zich gedurende de proeftijd opnieuw schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 02-158151-23 onder feit 1 tenlastegelegde een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.250,00, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het volledige bedrag van de vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering.
De raadsman van de verdachte heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering.
Naar het oordeel van het hof staat vast dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158151-23 onder feit 1 primair bewezenverklaarde heeft begaan en aldus onrechtmatig jegens de benadeelde partij heeft gehandeld. Zij is uit dien hoofde dan ook aansprakelijk voor schade die daardoor teweeg is gebracht.
Het hof acht de gevorderde materiële schade onvoldoende onderbouwd. Het zou in deze fase van het strafproces een onevenredige belasting van het strafgeding vormen indien de benadeelde partij in de gelegenheid zou worden gesteld nader bewijs bij te brengen.
Dictum
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Het in de zaak met parketnummer 02-158151-23 onder 1 primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen.
Het in de zaak met parketnummer 02-158151-23 onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
verduistering.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De verdediging heeft het hof verzocht om te volstaan met oplegging van een gevangenisstraf gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij samen met een ander goederen uit de vakantiewoning van [benadeelde 1] heeft gestolen en zij zich samen met die ander de toegang tot die woning heeft verschaft door middel van braak. Het is een feit van algemene bekendheid dat woninginbraken over het algemeen niet alleen aanzienlijke financiële en/of materiële schade, maar ook overlast en ongemak voor de benadeelden met zich meebrengen. Bovendien hebben slachtoffers van een woninginbraak vaak nog lange tijd nadien last van gevoelens van angst en onveiligheid. Daarvan is ook in de onderhavige zaak gebleken. Het hof rekent dit de verdachte aan. Daarnaast heeft de verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het wederrechtelijk binnendringen van de vakantiewoning van [benadeelde 2] . Huisvredebreuk is een hinderlijk en overlastgevend feit waarbij er inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht en de privacy van een ander. Ten slotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan verduistering van goederen uit een hotelkamer. Een dergelijk feit brengt over het algemeen schade teweeg aan de eigenaar van het verduisterde goed en veroorzaakt overlast en ergernis bij de gedupeerde. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat zij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 19 december 2024, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde eenmaal eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat zij een parttime baan heeft en een vaste woonplek waar zij ook ingeschreven staat. De verdachte en medeverdachte [medeverdachte] huren een kamer bij stichting [stichting] in Oud-Beijerland en staan ingeschreven voor een eigen woning. Voorts heeft de verdachte naar voren gebracht dat zij een afbetalingsregeling heeft getroffen voor haar schulden, die zij nakomt, dat het goed gaat in de relatie met haar partner en medeverdachte [medeverdachte] en dat zij is gestopt met blowen.
Hoewel het bewezenverklaarde in de onderhavige zaak een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur zoals opgelegd door de rechtbank zonder meer zou rechtvaardigen, acht het hof het in dit specifieke geval onwenselijk om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur op te leggen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verdachte gemotiveerd lijkt een andere wending aan haar leven te geven en dat zij stappen aan het zetten is in de goede richting. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur zou deze voorzichtig positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte doorkruisen. Het hof acht dat onwenselijk.
Het hof zal om die reden een gevangenisstraf opleggen waarvan de duur van het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Het hof acht het wel raadzaam om naast de onvoorwaardelijke gevangenisstraf een forse voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met een proeftijd van twee jaren, in combinatie met een taakstraf.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Alles afwegende acht het hof – met de advocaat-generaal – een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 54 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, passend en geboden.
Volgens de berekening van het hof heeft de verdachte in totaal zes dagen in voorarrest doorgebracht. Het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf is van dezelfde duur. Dat betekent dat de verdachte na het onherroepelijk worden van dit arrest niet terug in detentie hoeft, tenzij zij zich gedurende de proeftijd opnieuw schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 02-158151-23 onder feit 1 tenlastegelegde een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.250,00, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het volledige bedrag van de vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering.
De raadsman van de verdachte heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering.
Naar het oordeel van het hof staat vast dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158151-23 onder feit 1 primair bewezenverklaarde heeft begaan en aldus onrechtmatig jegens de benadeelde partij heeft gehandeld. Zij is uit dien hoofde dan ook aansprakelijk voor schade die daardoor teweeg is gebracht.
Het hof acht de gevorderde materiële schade onvoldoende onderbouwd. Het zou in deze fase van het strafproces een onevenredige belasting van het strafgeding vormen indien de benadeelde partij in de gelegenheid zou worden gesteld nader bewijs bij te brengen.
Dictum
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Het in de zaak met parketnummer 02-158151-23 onder 1 primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen.
Het in de zaak met parketnummer 02-158151-23 onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
verduistering.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De verdediging heeft het hof verzocht om te volstaan met oplegging van een gevangenisstraf gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij samen met een ander goederen uit de vakantiewoning van [benadeelde 1] heeft gestolen en zij zich samen met die ander de toegang tot die woning heeft verschaft door middel van braak. Het is een feit van algemene bekendheid dat woninginbraken over het algemeen niet alleen aanzienlijke financiële en/of materiële schade, maar ook overlast en ongemak voor de benadeelden met zich meebrengen. Bovendien hebben slachtoffers van een woninginbraak vaak nog lange tijd nadien last van gevoelens van angst en onveiligheid. Daarvan is ook in de onderhavige zaak gebleken. Het hof rekent dit de verdachte aan. Daarnaast heeft de verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het wederrechtelijk binnendringen van de vakantiewoning van [benadeelde 2] . Huisvredebreuk is een hinderlijk en overlastgevend feit waarbij er inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht en de privacy van een ander. Ten slotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan verduistering van goederen uit een hotelkamer. Een dergelijk feit brengt over het algemeen schade teweeg aan de eigenaar van het verduisterde goed en veroorzaakt overlast en ergernis bij de gedupeerde. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat zij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 19 december 2024, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde eenmaal eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat zij een parttime baan heeft en een vaste woonplek waar zij ook ingeschreven staat. De verdachte en medeverdachte [medeverdachte] huren een kamer bij stichting [stichting] in Oud-Beijerland en staan ingeschreven voor een eigen woning. Voorts heeft de verdachte naar voren gebracht dat zij een afbetalingsregeling heeft getroffen voor haar schulden, die zij nakomt, dat het goed gaat in de relatie met haar partner en medeverdachte [medeverdachte] en dat zij is gestopt met blowen.
Hoewel het bewezenverklaarde in de onderhavige zaak een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur zoals opgelegd door de rechtbank zonder meer zou rechtvaardigen, acht het hof het in dit specifieke geval onwenselijk om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur op te leggen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verdachte gemotiveerd lijkt een andere wending aan haar leven te geven en dat zij stappen aan het zetten is in de goede richting. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur zou deze voorzichtig positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte doorkruisen. Het hof acht dat onwenselijk.
Het hof zal om die reden een gevangenisstraf opleggen waarvan de duur van het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Het hof acht het wel raadzaam om naast de onvoorwaardelijke gevangenisstraf een forse voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met een proeftijd van twee jaren, in combinatie met een taakstraf.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Alles afwegende acht het hof – met de advocaat-generaal – een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 54 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, passend en geboden.
Volgens de berekening van het hof heeft de verdachte in totaal zes dagen in voorarrest doorgebracht. Het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf is van dezelfde duur. Dat betekent dat de verdachte na het onherroepelijk worden van dit arrest niet terug in detentie hoeft, tenzij zij zich gedurende de proeftijd opnieuw schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 02-158151-23 onder feit 1 tenlastegelegde een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.250,00, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het volledige bedrag van de vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering.
De raadsman van de verdachte heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering.
Naar het oordeel van het hof staat vast dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158151-23 onder feit 1 primair bewezenverklaarde heeft begaan en aldus onrechtmatig jegens de benadeelde partij heeft gehandeld. Zij is uit dien hoofde dan ook aansprakelijk voor schade die daardoor teweeg is gebracht.
Het hof acht de gevorderde materiële schade onvoldoende onderbouwd. Het zou in deze fase van het strafproces een onevenredige belasting van het strafgeding vormen indien de benadeelde partij in de gelegenheid zou worden gesteld nader bewijs bij te brengen.
Dictum
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Het in de zaak met parketnummer 02-158151-23 onder 1 primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen.
Het in de zaak met parketnummer 02-158151-23 onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
verduistering.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De verdediging heeft het hof verzocht om te volstaan met oplegging van een gevangenisstraf gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij samen met een ander goederen uit de vakantiewoning van [benadeelde 1] heeft gestolen en zij zich samen met die ander de toegang tot die woning heeft verschaft door middel van braak. Het is een feit van algemene bekendheid dat woninginbraken over het algemeen niet alleen aanzienlijke financiële en/of materiële schade, maar ook overlast en ongemak voor de benadeelden met zich meebrengen. Bovendien hebben slachtoffers van een woninginbraak vaak nog lange tijd nadien last van gevoelens van angst en onveiligheid. Daarvan is ook in de onderhavige zaak gebleken. Het hof rekent dit de verdachte aan. Daarnaast heeft de verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het wederrechtelijk binnendringen van de vakantiewoning van [benadeelde 2] . Huisvredebreuk is een hinderlijk en overlastgevend feit waarbij er inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht en de privacy van een ander. Ten slotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan verduistering van goederen uit een hotelkamer. Een dergelijk feit brengt over het algemeen schade teweeg aan de eigenaar van het verduisterde goed en veroorzaakt overlast en ergernis bij de gedupeerde. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat zij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 19 december 2024, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde eenmaal eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat zij een parttime baan heeft en een vaste woonplek waar zij ook ingeschreven staat. De verdachte en medeverdachte [medeverdachte] huren een kamer bij stichting [stichting] in Oud-Beijerland en staan ingeschreven voor een eigen woning. Voorts heeft de verdachte naar voren gebracht dat zij een afbetalingsregeling heeft getroffen voor haar schulden, die zij nakomt, dat het goed gaat in de relatie met haar partner en medeverdachte [medeverdachte] en dat zij is gestopt met blowen.
Hoewel het bewezenverklaarde in de onderhavige zaak een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur zoals opgelegd door de rechtbank zonder meer zou rechtvaardigen, acht het hof het in dit specifieke geval onwenselijk om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur op te leggen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verdachte gemotiveerd lijkt een andere wending aan haar leven te geven en dat zij stappen aan het zetten is in de goede richting. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur zou deze voorzichtig positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte doorkruisen. Het hof acht dat onwenselijk.
Het hof zal om die reden een gevangenisstraf opleggen waarvan de duur van het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Het hof acht het wel raadzaam om naast de onvoorwaardelijke gevangenisstraf een forse voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met een proeftijd van twee jaren, in combinatie met een taakstraf.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Alles afwegende acht het hof – met de advocaat-generaal – een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 54 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, passend en geboden.
Volgens de berekening van het hof heeft de verdachte in totaal zes dagen in voorarrest doorgebracht. Het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf is van dezelfde duur. Dat betekent dat de verdachte na het onherroepelijk worden van dit arrest niet terug in detentie hoeft, tenzij zij zich gedurende de proeftijd opnieuw schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 02-158151-23 onder feit 1 tenlastegelegde een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.250,00, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het volledige bedrag van de vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering.
De raadsman van de verdachte heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering.
Naar het oordeel van het hof staat vast dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158151-23 onder feit 1 primair bewezenverklaarde heeft begaan en aldus onrechtmatig jegens de benadeelde partij heeft gehandeld. Zij is uit dien hoofde dan ook aansprakelijk voor schade die daardoor teweeg is gebracht.
Het hof acht de gevorderde materiële schade onvoldoende onderbouwd. Het zou in deze fase van het strafproces een onevenredige belasting van het strafgeding vormen indien de benadeelde partij in de gelegenheid zou worden gesteld nader bewijs bij te brengen.
Dictum
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Het in de zaak met parketnummer 02-158151-23 onder 1 primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen.
Het in de zaak met parketnummer 02-158151-23 onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
verduistering.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De verdediging heeft het hof verzocht om te volstaan met oplegging van een gevangenisstraf gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij samen met een ander goederen uit de vakantiewoning van [benadeelde 1] heeft gestolen en zij zich samen met die ander de toegang tot die woning heeft verschaft door middel van braak. Het is een feit van algemene bekendheid dat woninginbraken over het algemeen niet alleen aanzienlijke financiële en/of materiële schade, maar ook overlast en ongemak voor de benadeelden met zich meebrengen. Bovendien hebben slachtoffers van een woninginbraak vaak nog lange tijd nadien last van gevoelens van angst en onveiligheid. Daarvan is ook in de onderhavige zaak gebleken. Het hof rekent dit de verdachte aan. Daarnaast heeft de verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het wederrechtelijk binnendringen van de vakantiewoning van [benadeelde 2] . Huisvredebreuk is een hinderlijk en overlastgevend feit waarbij er inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht en de privacy van een ander. Ten slotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan verduistering van goederen uit een hotelkamer. Een dergelijk feit brengt over het algemeen schade teweeg aan de eigenaar van het verduisterde goed en veroorzaakt overlast en ergernis bij de gedupeerde. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat zij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 19 december 2024, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde eenmaal eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat zij een parttime baan heeft en een vaste woonplek waar zij ook ingeschreven staat. De verdachte en medeverdachte [medeverdachte] huren een kamer bij stichting [stichting] in Oud-Beijerland en staan ingeschreven voor een eigen woning. Voorts heeft de verdachte naar voren gebracht dat zij een afbetalingsregeling heeft getroffen voor haar schulden, die zij nakomt, dat het goed gaat in de relatie met haar partner en medeverdachte [medeverdachte] en dat zij is gestopt met blowen.
Hoewel het bewezenverklaarde in de onderhavige zaak een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur zoals opgelegd door de rechtbank zonder meer zou rechtvaardigen, acht het hof het in dit specifieke geval onwenselijk om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur op te leggen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verdachte gemotiveerd lijkt een andere wending aan haar leven te geven en dat zij stappen aan het zetten is in de goede richting. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur zou deze voorzichtig positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte doorkruisen. Het hof acht dat onwenselijk.
Het hof zal om die reden een gevangenisstraf opleggen waarvan de duur van het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Het hof acht het wel raadzaam om naast de onvoorwaardelijke gevangenisstraf een forse voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met een proeftijd van twee jaren, in combinatie met een taakstraf.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Alles afwegende acht het hof – met de advocaat-generaal – een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 54 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, passend en geboden.
Volgens de berekening van het hof heeft de verdachte in totaal zes dagen in voorarrest doorgebracht. Het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf is van dezelfde duur. Dat betekent dat de verdachte na het onherroepelijk worden van dit arrest niet terug in detentie hoeft, tenzij zij zich gedurende de proeftijd opnieuw schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 02-158151-23 onder feit 1 tenlastegelegde een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.250,00, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het volledige bedrag van de vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering.
De raadsman van de verdachte heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering.
Naar het oordeel van het hof staat vast dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158151-23 onder feit 1 primair bewezenverklaarde heeft begaan en aldus onrechtmatig jegens de benadeelde partij heeft gehandeld. Zij is uit dien hoofde dan ook aansprakelijk voor schade die daardoor teweeg is gebracht.
Het hof acht de gevorderde materiële schade onvoldoende onderbouwd. Het zou in deze fase van het strafproces een onevenredige belasting van het strafgeding vormen indien de benadeelde partij in de gelegenheid zou worden gesteld nader bewijs bij te brengen.
Dictum
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Het in de zaak met parketnummer 02-158151-23 onder 1 primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen.
Het in de zaak met parketnummer 02-158151-23 onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
verduistering.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De verdediging heeft het hof verzocht om te volstaan met oplegging van een gevangenisstraf gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij samen met een ander goederen uit de vakantiewoning van [benadeelde 1] heeft gestolen en zij zich samen met die ander de toegang tot die woning heeft verschaft door middel van braak. Het is een feit van algemene bekendheid dat woninginbraken over het algemeen niet alleen aanzienlijke financiële en/of materiële schade, maar ook overlast en ongemak voor de benadeelden met zich meebrengen. Bovendien hebben slachtoffers van een woninginbraak vaak nog lange tijd nadien last van gevoelens van angst en onveiligheid. Daarvan is ook in de onderhavige zaak gebleken. Het hof rekent dit de verdachte aan. Daarnaast heeft de verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het wederrechtelijk binnendringen van de vakantiewoning van [benadeelde 2] . Huisvredebreuk is een hinderlijk en overlastgevend feit waarbij er inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht en de privacy van een ander. Ten slotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan verduistering van goederen uit een hotelkamer. Een dergelijk feit brengt over het algemeen schade teweeg aan de eigenaar van het verduisterde goed en veroorzaakt overlast en ergernis bij de gedupeerde. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat zij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 19 december 2024, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde eenmaal eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat zij een parttime baan heeft en een vaste woonplek waar zij ook ingeschreven staat. De verdachte en medeverdachte [medeverdachte] huren een kamer bij stichting [stichting] in Oud-Beijerland en staan ingeschreven voor een eigen woning. Voorts heeft de verdachte naar voren gebracht dat zij een afbetalingsregeling heeft getroffen voor haar schulden, die zij nakomt, dat het goed gaat in de relatie met haar partner en medeverdachte [medeverdachte] en dat zij is gestopt met blowen.
Hoewel het bewezenverklaarde in de onderhavige zaak een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur zoals opgelegd door de rechtbank zonder meer zou rechtvaardigen, acht het hof het in dit specifieke geval onwenselijk om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur op te leggen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verdachte gemotiveerd lijkt een andere wending aan haar leven te geven en dat zij stappen aan het zetten is in de goede richting. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur zou deze voorzichtig positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte doorkruisen. Het hof acht dat onwenselijk.
Het hof zal om die reden een gevangenisstraf opleggen waarvan de duur van het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Het hof acht het wel raadzaam om naast de onvoorwaardelijke gevangenisstraf een forse voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met een proeftijd van twee jaren, in combinatie met een taakstraf.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Alles afwegende acht het hof – met de advocaat-generaal – een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 54 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, passend en geboden.
Volgens de berekening van het hof heeft de verdachte in totaal zes dagen in voorarrest doorgebracht. Het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf is van dezelfde duur. Dat betekent dat de verdachte na het onherroepelijk worden van dit arrest niet terug in detentie hoeft, tenzij zij zich gedurende de proeftijd opnieuw schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 02-158151-23 onder feit 1 tenlastegelegde een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.250,00, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het volledige bedrag van de vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering.
De raadsman van de verdachte heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering.
Naar het oordeel van het hof staat vast dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158151-23 onder feit 1 primair bewezenverklaarde heeft begaan en aldus onrechtmatig jegens de benadeelde partij heeft gehandeld. Zij is uit dien hoofde dan ook aansprakelijk voor schade die daardoor teweeg is gebracht.
Het hof acht de gevorderde materiële schade onvoldoende onderbouwd. Het zou in deze fase van het strafproces een onevenredige belasting van het strafgeding vormen indien de benadeelde partij in de gelegenheid zou worden gesteld nader bewijs bij te brengen.
Dictum
De benadeelde partij kan daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De benadeelde partij zal voorts worden veroordeeld in de kosten die de verdachte heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 tenlastegelegde een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 3.661,00, bestaande uit materiële schade van € 2.061,00 en immateriële schade van € 1.600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De rechtbank heeft deze vordering bij vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 500,00, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 november 2022 en met hoofdelijke oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige is de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de benadeelde partij te kennen gegeven dat hij zijn vordering tot schadevergoeding in hoger beroep handhaaft tot een bedrag van € 2.250,00, naar het hof begrijpt bestaande uit € 650,00 materiële schade en € 1.600,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vordering zal toewijzen tot een bedrag van € 750,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren.
De raadsman heeft in het verlengde van de door hem bepleite vrijspraak betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering.
Naar het oordeel van het hof staat vast dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 primair bewezenverklaarde heeft begaan en aldus onrechtmatig jegens de benadeelde partij heeft gehandeld. Zij is uit dien hoofde dan ook aansprakelijk voor schade die daardoor teweeg is gebracht.
Het hof acht de vordering ten aanzien van de gevorderde materiële schade onvoldoende onderbouwd. Het zou in deze fase van het strafproces een onevenredige belasting van het strafgeding vormen indien de benadeelde partij in de gelegenheid zou worden gesteld nader bewijs bij te brengen. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft gesteld daarnaast immateriële schade in de vorm van psychisch leed te hebben opgelopen als gevolg van de bewezenverklaarde diefstal door middel van braak uit zijn vakantiewoning.
Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie onder meer het arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793), is van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon op andere wijze in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
Gezien deze jurisprudentie van de Hoge Raad komt het hof tot het oordeel dat het gestelde geestelijk letsel bij de benadeelde partij als gevolg van de diefstal door middel van braak uit zijn vakantiewoning onvoldoende aannemelijk is geworden. De vordering is onvoldoende onderbouwd nu er geen stukken van een deskundige zijn bijgevoegd waaruit dit zou kunnen blijken of dit anderszins (met stukken) aannemelijk is gemaakt. Dit deel van de vordering zal daarom worden afgewezen.
De benadeelde partij zal voorts worden veroordeeld in de kosten die de verdachte heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Dictum
De benadeelde partij kan daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De benadeelde partij zal voorts worden veroordeeld in de kosten die de verdachte heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 tenlastegelegde een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 3.661,00, bestaande uit materiële schade van € 2.061,00 en immateriële schade van € 1.600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De rechtbank heeft deze vordering bij vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 500,00, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 november 2022 en met hoofdelijke oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige is de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de benadeelde partij te kennen gegeven dat hij zijn vordering tot schadevergoeding in hoger beroep handhaaft tot een bedrag van € 2.250,00, naar het hof begrijpt bestaande uit € 650,00 materiële schade en € 1.600,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vordering zal toewijzen tot een bedrag van € 750,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren.
De raadsman heeft in het verlengde van de door hem bepleite vrijspraak betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering.
Naar het oordeel van het hof staat vast dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 primair bewezenverklaarde heeft begaan en aldus onrechtmatig jegens de benadeelde partij heeft gehandeld. Zij is uit dien hoofde dan ook aansprakelijk voor schade die daardoor teweeg is gebracht.
Het hof acht de vordering ten aanzien van de gevorderde materiële schade onvoldoende onderbouwd. Het zou in deze fase van het strafproces een onevenredige belasting van het strafgeding vormen indien de benadeelde partij in de gelegenheid zou worden gesteld nader bewijs bij te brengen. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft gesteld daarnaast immateriële schade in de vorm van psychisch leed te hebben opgelopen als gevolg van de bewezenverklaarde diefstal door middel van braak uit zijn vakantiewoning.
Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie onder meer het arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793), is van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon op andere wijze in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
Gezien deze jurisprudentie van de Hoge Raad komt het hof tot het oordeel dat het gestelde geestelijk letsel bij de benadeelde partij als gevolg van de diefstal door middel van braak uit zijn vakantiewoning onvoldoende aannemelijk is geworden. De vordering is onvoldoende onderbouwd nu er geen stukken van een deskundige zijn bijgevoegd waaruit dit zou kunnen blijken of dit anderszins (met stukken) aannemelijk is gemaakt. Dit deel van de vordering zal daarom worden afgewezen.
De benadeelde partij zal voorts worden veroordeeld in de kosten die de verdachte heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Dictum
De benadeelde partij kan daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De benadeelde partij zal voorts worden veroordeeld in de kosten die de verdachte heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 tenlastegelegde een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 3.661,00, bestaande uit materiële schade van € 2.061,00 en immateriële schade van € 1.600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De rechtbank heeft deze vordering bij vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 500,00, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 november 2022 en met hoofdelijke oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige is de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de benadeelde partij te kennen gegeven dat hij zijn vordering tot schadevergoeding in hoger beroep handhaaft tot een bedrag van € 2.250,00, naar het hof begrijpt bestaande uit € 650,00 materiële schade en € 1.600,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vordering zal toewijzen tot een bedrag van € 750,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren.
De raadsman heeft in het verlengde van de door hem bepleite vrijspraak betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering.
Naar het oordeel van het hof staat vast dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 primair bewezenverklaarde heeft begaan en aldus onrechtmatig jegens de benadeelde partij heeft gehandeld. Zij is uit dien hoofde dan ook aansprakelijk voor schade die daardoor teweeg is gebracht.
Het hof acht de vordering ten aanzien van de gevorderde materiële schade onvoldoende onderbouwd. Het zou in deze fase van het strafproces een onevenredige belasting van het strafgeding vormen indien de benadeelde partij in de gelegenheid zou worden gesteld nader bewijs bij te brengen. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft gesteld daarnaast immateriële schade in de vorm van psychisch leed te hebben opgelopen als gevolg van de bewezenverklaarde diefstal door middel van braak uit zijn vakantiewoning.
Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie onder meer het arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793), is van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon op andere wijze in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
Gezien deze jurisprudentie van de Hoge Raad komt het hof tot het oordeel dat het gestelde geestelijk letsel bij de benadeelde partij als gevolg van de diefstal door middel van braak uit zijn vakantiewoning onvoldoende aannemelijk is geworden. De vordering is onvoldoende onderbouwd nu er geen stukken van een deskundige zijn bijgevoegd waaruit dit zou kunnen blijken of dit anderszins (met stukken) aannemelijk is gemaakt. Dit deel van de vordering zal daarom worden afgewezen.
De benadeelde partij zal voorts worden veroordeeld in de kosten die de verdachte heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Dictum
De benadeelde partij kan daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De benadeelde partij zal voorts worden veroordeeld in de kosten die de verdachte heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 tenlastegelegde een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 3.661,00, bestaande uit materiële schade van € 2.061,00 en immateriële schade van € 1.600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De rechtbank heeft deze vordering bij vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 500,00, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 november 2022 en met hoofdelijke oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige is de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de benadeelde partij te kennen gegeven dat hij zijn vordering tot schadevergoeding in hoger beroep handhaaft tot een bedrag van € 2.250,00, naar het hof begrijpt bestaande uit € 650,00 materiële schade en € 1.600,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vordering zal toewijzen tot een bedrag van € 750,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren.
De raadsman heeft in het verlengde van de door hem bepleite vrijspraak betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering.
Naar het oordeel van het hof staat vast dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 primair bewezenverklaarde heeft begaan en aldus onrechtmatig jegens de benadeelde partij heeft gehandeld. Zij is uit dien hoofde dan ook aansprakelijk voor schade die daardoor teweeg is gebracht.
Het hof acht de vordering ten aanzien van de gevorderde materiële schade onvoldoende onderbouwd. Het zou in deze fase van het strafproces een onevenredige belasting van het strafgeding vormen indien de benadeelde partij in de gelegenheid zou worden gesteld nader bewijs bij te brengen. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft gesteld daarnaast immateriële schade in de vorm van psychisch leed te hebben opgelopen als gevolg van de bewezenverklaarde diefstal door middel van braak uit zijn vakantiewoning.
Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie onder meer het arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793), is van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon op andere wijze in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
Gezien deze jurisprudentie van de Hoge Raad komt het hof tot het oordeel dat het gestelde geestelijk letsel bij de benadeelde partij als gevolg van de diefstal door middel van braak uit zijn vakantiewoning onvoldoende aannemelijk is geworden. De vordering is onvoldoende onderbouwd nu er geen stukken van een deskundige zijn bijgevoegd waaruit dit zou kunnen blijken of dit anderszins (met stukken) aannemelijk is gemaakt. Dit deel van de vordering zal daarom worden afgewezen.
De benadeelde partij zal voorts worden veroordeeld in de kosten die de verdachte heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Dictum
De benadeelde partij kan daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De benadeelde partij zal voorts worden veroordeeld in de kosten die de verdachte heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 tenlastegelegde een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 3.661,00, bestaande uit materiële schade van € 2.061,00 en immateriële schade van € 1.600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De rechtbank heeft deze vordering bij vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 500,00, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 november 2022 en met hoofdelijke oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige is de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de benadeelde partij te kennen gegeven dat hij zijn vordering tot schadevergoeding in hoger beroep handhaaft tot een bedrag van € 2.250,00, naar het hof begrijpt bestaande uit € 650,00 materiële schade en € 1.600,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vordering zal toewijzen tot een bedrag van € 750,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren.
De raadsman heeft in het verlengde van de door hem bepleite vrijspraak betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering.
Naar het oordeel van het hof staat vast dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 primair bewezenverklaarde heeft begaan en aldus onrechtmatig jegens de benadeelde partij heeft gehandeld. Zij is uit dien hoofde dan ook aansprakelijk voor schade die daardoor teweeg is gebracht.
Het hof acht de vordering ten aanzien van de gevorderde materiële schade onvoldoende onderbouwd. Het zou in deze fase van het strafproces een onevenredige belasting van het strafgeding vormen indien de benadeelde partij in de gelegenheid zou worden gesteld nader bewijs bij te brengen. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft gesteld daarnaast immateriële schade in de vorm van psychisch leed te hebben opgelopen als gevolg van de bewezenverklaarde diefstal door middel van braak uit zijn vakantiewoning.
Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie onder meer het arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793), is van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon op andere wijze in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
Gezien deze jurisprudentie van de Hoge Raad komt het hof tot het oordeel dat het gestelde geestelijk letsel bij de benadeelde partij als gevolg van de diefstal door middel van braak uit zijn vakantiewoning onvoldoende aannemelijk is geworden. De vordering is onvoldoende onderbouwd nu er geen stukken van een deskundige zijn bijgevoegd waaruit dit zou kunnen blijken of dit anderszins (met stukken) aannemelijk is gemaakt. Dit deel van de vordering zal daarom worden afgewezen.
De benadeelde partij zal voorts worden veroordeeld in de kosten die de verdachte heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Dictum
De benadeelde partij kan daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De benadeelde partij zal voorts worden veroordeeld in de kosten die de verdachte heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 tenlastegelegde een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 3.661,00, bestaande uit materiële schade van € 2.061,00 en immateriële schade van € 1.600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De rechtbank heeft deze vordering bij vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 500,00, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 november 2022 en met hoofdelijke oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige is de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de benadeelde partij te kennen gegeven dat hij zijn vordering tot schadevergoeding in hoger beroep handhaaft tot een bedrag van € 2.250,00, naar het hof begrijpt bestaande uit € 650,00 materiële schade en € 1.600,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vordering zal toewijzen tot een bedrag van € 750,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren.
De raadsman heeft in het verlengde van de door hem bepleite vrijspraak betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering.
Naar het oordeel van het hof staat vast dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158150-23 primair bewezenverklaarde heeft begaan en aldus onrechtmatig jegens de benadeelde partij heeft gehandeld. Zij is uit dien hoofde dan ook aansprakelijk voor schade die daardoor teweeg is gebracht.
Het hof acht de vordering ten aanzien van de gevorderde materiële schade onvoldoende onderbouwd. Het zou in deze fase van het strafproces een onevenredige belasting van het strafgeding vormen indien de benadeelde partij in de gelegenheid zou worden gesteld nader bewijs bij te brengen. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft gesteld daarnaast immateriële schade in de vorm van psychisch leed te hebben opgelopen als gevolg van de bewezenverklaarde diefstal door middel van braak uit zijn vakantiewoning.
Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie onder meer het arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793), is van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon op andere wijze in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
Gezien deze jurisprudentie van de Hoge Raad komt het hof tot het oordeel dat het gestelde geestelijk letsel bij de benadeelde partij als gevolg van de diefstal door middel van braak uit zijn vakantiewoning onvoldoende aannemelijk is geworden. De vordering is onvoldoende onderbouwd nu er geen stukken van een deskundige zijn bijgevoegd waaruit dit zou kunnen blijken of dit anderszins (met stukken) aannemelijk is gemaakt. Dit deel van de vordering zal daarom worden afgewezen.
De benadeelde partij zal voorts worden veroordeeld in de kosten die de verdachte heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Toepasselijke wettelijke voorschriften