Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-21
ECLI:NL:GHSHE:2025:2342
Strafrecht
Hoger beroep
62,646 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-000324-24
Uitspraak : 21 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 2 februari 2024 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 02-158147-23 en 02-158148-23, tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 1 en in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 3 tenlastegelegde.
De rechtbank heeft bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
(parketnummer 02-158147-23)
2. primair: het in de woning, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen;
3. verduistering;
(parketnummer 02-158148-23)
1. diefstal, meermalen gepleegd;
2. primair: diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak,
en heeft de verdachte ter zake van deze feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van het voorarrest.
Tevens heeft de rechtbank beslissingen genomen op de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de vrijspraken van de rechtbank van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 1 tenlastegelegde en in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 3 tenlastegelegde. Gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak.
Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit tegen genoemde vrijspraken is gericht.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde in beide in eerste aanleg gevoegde zaken bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen met aftrek van het voorarrest waarvan
114 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren alsmede tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.
Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] zal toewijzen tot een bedrag van € 750,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, met niet-ontvankelijkverklaring van de vordering voor het overige, de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] integraal zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman van de verdachte heeft zich ter zake van het in de zaak met parketnummer
02-158147-23 onder feit 2 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 1 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof en heeft ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 3 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 2 tenlastegelegde vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft de raadsman in het verlengde van de door hem bepleite vrijspraak betoogd dat deze vordering dient te worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] heeft de raadsman verzocht deze vordering slechts toe te wijzen tot het bedrag van € 400,00 dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangeboden te betalen, met niet-ontvankelijkverklaring van de vordering voor het overige.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover in hoger beroep nog aan de orde - tenlastegelegd dat:
Zaak met parketnummer 02-158147-23: 2. primairhij in of omstreeks de periode van 5 februari 2023 tot en met 9 februari 2023 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, in een woning of gebouw, aan [adres 2] , van/in gebruik bij mevrouw [benadeelde 2] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte en/of zijn mededader in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen;
2. subsidiairhij in of omstreeks de periode van 5 februari 2023 tot en met 9 februari 2023 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, in een woning en/of gebouw, [adres 2] , waarvan het gebruik door de rechthebbende was beëindigd wederrechtelijk is binnengedrongen en/of wederrechtelijk aldaar heeft vertoefd;
3.hij in of omstreeks de periode van 3 februari 2023 tot en met 6 februari 2023 te [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk een (elektrische) fiets (framenummer [framenummer] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als huurder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Zaak met parketnummer 02-158148-23:1.hij in of omstreeks 12 oktober 2022 tot en met 22 november 2022 te Numansdorp, gemeente Hoeksche Waard en/of Klundert en/of Oosterland en/of Hellevoetsluis en/of Hoogvliet en/of Oud-Beijerland, althans in Nederland, een groot aantal liters benzine (37,05 liter en/of 36,74 liter en/of 37,71 liter en/of 37,05 liter en/of 36,13 liter en/of 38,66 liter), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] en/of [benadeelde 7] en/of [benadeelde 8] en/of [benadeelde 9] en/of [benadeelde 10] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
Dictum
Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Ten aanzien van parketnummer 02-158147-23
Feit 2 primair
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte bekend dat hij samen met medeverdachte [medeverdachte] wederrechtelijk is binnengedrongen in de vakantiewoning van [benadeelde 2] en dat zij daar onrechtmatig hebben verbleven.
Anders dan de rechtbank, acht het hof bewezen dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] het tenlastegelegde feit hebben begaan in de periode van 7 februari 2023 tot en met 9 februari 2023. Volgens de aangifte van [aangever 1] namens hotel [plaats] zijn de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] daar op 7 februari 2023 uitgecheckt. Uit het dossier komt naar voren dat zij vanuit hotel [plaats] naar de vakantiewoning van [benadeelde 2] zijn gegaan.
Feit 3
Gelet op de bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de elektrische fiets die hij van [benadeelde 4] heeft gehuurd na de overeengekomen huurperiode, die liep tot en met 6 februari 2023, heeft verduisterd, nu de verdachte op
9 februari 2023 rijdend op de desbetreffende fiets is aangetroffen. De verdachte heeft zich na afloop van de huurperiode als heer en meester gedragen met betrekking tot deze fiets.
Ten aanzien van parketnummer 02-158148-23
Feit 2 primair
Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman van de verdachte vrijspraak bepleit van het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 2 primair tenlastegelegde. Daartoe is – in de kern – aangevoerd dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als medepleger van de tenlastegelegde inbraak en diefstal uit de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] aangezien hij nimmer in die woning is geweest.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat in de periode tussen 9 november 2022 en 11 november 2022 is ingebroken in de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] te [plaats] . Daarbij zijn verschillende goederen uit de woning weggenomen. In de woning zijn een door de dader gebruikte koffiemok en een sigarettenpeuk aangetroffen, waarop DNA-sporen zijn gevonden die volgens het NFI afkomstig kunnen zijn van de verdachte met een matchkans van kleiner dan één op één miljard. Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat twee fietsen die in de periode tussen 9 november 2022 en 11 november 2022 uit de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] zijn weggenomen, door de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op 15 en 16 november 2022 te koop zijn aangeboden bij Used Products.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte voor het eerst een verklaring gegeven voor de aanwezigheid van zijn DNA in de vakantiewoning van [benadeelde 1] . Bij die gelegenheid heeft de verdachte als alternatief scenario naar voren gebracht dat de koffiemok en de sigarettenpeuk met daarop zijn DNA mogelijk door iemand anders, die in de vakantiewoning van [benadeelde 1] heeft ingebroken en de gestolen goederen daaruit heeft weggenomen, daar zijn achtergelaten om de verdachte te framen als de dader van de inbraak en diefstal uit de vakantiewoning van [benadeelde 1] . De persoon die de verdachte hiervan verdenkt zou een kennis van hem, ene [betrokkene] , zijn. Deze persoon zou de fietsen die uit de vakantiewoning van [benadeelde 1] zijn weggenomen, aan de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben gegeven met het verzoek om deze fietsen te verkopen. [betrokkene] zou daartoe, bij gebreke van een ID-bewijs, zelf niet in staat zijn geweest. Daarbij zou de afspraak zijn gemaakt dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] de helft van de verkoopopbrengst van de fietsen zouden ontvangen. De verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben de fietsen vervolgens aan Used Products verkocht. [betrokkene] zou inmiddels overleden zijn zodat hij dienaangaande niet meer gehoord kan worden.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
De alternatieve verklaring van de verdachte voor het aantreffen van zijn DNA op een koffiemok en een sigarettenpeuk in de vakantiewoning van [benadeelde 1] wordt weerlegd door de bewijsmiddelen en is ook overigens niet aannemelijk geworden. Dit aangetroffen daderspoor van de verdachte vraagt om meer uitleg dan een enkele suggestie over hoe zijn DNA mogelijk in de woning terecht zou kunnen zijn gekomen en dat is uitgebleven. Het hof schuift het alternatieve scenario van de verdachte dan ook terzijde.
De verklaringen van de verdachte over hoe de uit de vakantiewoning weggenomen fietsen bij hem en medeverdachte [medeverdachte] zouden zijn terechtgekomen, zijn bij gebreke van een nadere onderbouwing evenmin aannemelijk geworden. De stelling van de verdachte dat hij [betrokkene] als getuige had willen oproepen maar dat deze persoon niet meer in leven is, disculpeert hem niet. Het had alsdan op de weg van de verdachte gelegen hetgeen hij ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht, zo al niet tijdens de politie- verhoren, dan toch kort daarna tegenover de politie naar voren te brengen, toen [betrokkene] (kennelijk) nog leefde. Verdachte was samen met zijn partner [medeverdachte] , in het bezit van de gestolen fietsen, terwijl zijn DNA zich op meer plaatsen in de woning bevond waaruit de fietsen zijn gestolen.
Gelet op het voorgaande acht het hof bewezen dat de verdachte in de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] in [plaats] is geweest. In deze vakantiewoning zijn, naast de gebruikte koffiemok en sigarettenpeuk, onder andere een gebruikte tissue, lege verpakkingen van oploskoffie, een leeg flesje bier en een opengemaakte zak chips aangetroffen. Daarnaast was de badkamervloer nat, wat er naar het oordeel van het hof op wijst dat er gebruik is gemaakt van de badkamer. De hiervoor genoemde omstandigheden wijzen op een verblijf gedurende enige tijd in de vakantiewoning door de inbreker(s). Verder blijkt uit de verklaringen van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] dat zij continu samen waren sinds zij vanaf 16 oktober 2022 geen vaste woon- of verblijfplaats meer hadden. Dat gold dus ook voor de periode waarin de inbraak in de vakantiewoning van [benadeelde 1] heeft plaatsgevonden. Verder betrekt het hof bij zijn oordeel dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] in februari 2023 ook samen in de vakantiewoning van [benadeelde 2] in [plaats] zijn binnengedrongen en daar enige tijd hebben verbleven. Illegaal verblijf in een leegstaande vakantiewoning was, ook volgens de verklaring van de verdachte, een manier voor hen om (tijdelijk) onderdak te hebben. Gelet hierop acht het hof bewezen dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] samen in de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] in [plaats] hebben verbleven.
Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat er tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij de inbraak in de vakantiewoning van [benadeelde 1] en het wegnemen van goederen uit die woning, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering.
Dictum
Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 1 en in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 3 tenlastegelegde;
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 primair en feit 3 en in de zaak met parketnummer
02-158148-23 onder feit 1 en feit 2 primair tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 primair en feit 3 en in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 1 en feit 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 114 (honderdveertien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 8 (acht) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 9 februari 2023;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 1.600,00 (duizend zeshonderd euro) aan immateriële schade af;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 125,08 (honderdvijfentwintig euro en acht cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 125,08 (honderdvijfentwintig euro en acht cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 14 november 2022.
Aldus gewezen door:
mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,
mr. S.C. van Duijn en mr. A.M.G. Smit, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 21 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. S.C. van Duijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-000324-24
Uitspraak : 21 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 2 februari 2024 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 02-158147-23 en 02-158148-23, tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 1 en in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 3 tenlastegelegde.
De rechtbank heeft bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
(parketnummer 02-158147-23)
2. primair: het in de woning, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen;
3. verduistering;
(parketnummer 02-158148-23)
1. diefstal, meermalen gepleegd;
2. primair: diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak,
en heeft de verdachte ter zake van deze feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van het voorarrest.
Tevens heeft de rechtbank beslissingen genomen op de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de vrijspraken van de rechtbank van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 1 tenlastegelegde en in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 3 tenlastegelegde. Gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak.
Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit tegen genoemde vrijspraken is gericht.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde in beide in eerste aanleg gevoegde zaken bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen met aftrek van het voorarrest waarvan
114 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren alsmede tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.
Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] zal toewijzen tot een bedrag van € 750,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, met niet-ontvankelijkverklaring van de vordering voor het overige, de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] integraal zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman van de verdachte heeft zich ter zake van het in de zaak met parketnummer
02-158147-23 onder feit 2 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 1 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof en heeft ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 3 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 2 tenlastegelegde vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft de raadsman in het verlengde van de door hem bepleite vrijspraak betoogd dat deze vordering dient te worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] heeft de raadsman verzocht deze vordering slechts toe te wijzen tot het bedrag van € 400,00 dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangeboden te betalen, met niet-ontvankelijkverklaring van de vordering voor het overige.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover in hoger beroep nog aan de orde - tenlastegelegd dat:
Zaak met parketnummer 02-158147-23: 2. primairhij in of omstreeks de periode van 5 februari 2023 tot en met 9 februari 2023 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, in een woning of gebouw, aan [adres 2] , van/in gebruik bij mevrouw [benadeelde 2] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte en/of zijn mededader in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen;
2. subsidiairhij in of omstreeks de periode van 5 februari 2023 tot en met 9 februari 2023 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, in een woning en/of gebouw, [adres 2] , waarvan het gebruik door de rechthebbende was beëindigd wederrechtelijk is binnengedrongen en/of wederrechtelijk aldaar heeft vertoefd;
3.hij in of omstreeks de periode van 3 februari 2023 tot en met 6 februari 2023 te [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk een (elektrische) fiets (framenummer [framenummer] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als huurder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Zaak met parketnummer 02-158148-23:1.hij in of omstreeks 12 oktober 2022 tot en met 22 november 2022 te Numansdorp, gemeente Hoeksche Waard en/of Klundert en/of Oosterland en/of Hellevoetsluis en/of Hoogvliet en/of Oud-Beijerland, althans in Nederland, een groot aantal liters benzine (37,05 liter en/of 36,74 liter en/of 37,71 liter en/of 37,05 liter en/of 36,13 liter en/of 38,66 liter), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] en/of [benadeelde 7] en/of [benadeelde 8] en/of [benadeelde 9] en/of [benadeelde 10] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
Dictum
Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Ten aanzien van parketnummer 02-158147-23
Feit 2 primair
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte bekend dat hij samen met medeverdachte [medeverdachte] wederrechtelijk is binnengedrongen in de vakantiewoning van [benadeelde 2] en dat zij daar onrechtmatig hebben verbleven.
Anders dan de rechtbank, acht het hof bewezen dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] het tenlastegelegde feit hebben begaan in de periode van 7 februari 2023 tot en met 9 februari 2023. Volgens de aangifte van [aangever 1] namens hotel [plaats] zijn de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] daar op 7 februari 2023 uitgecheckt. Uit het dossier komt naar voren dat zij vanuit hotel [plaats] naar de vakantiewoning van [benadeelde 2] zijn gegaan.
Feit 3
Gelet op de bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de elektrische fiets die hij van [benadeelde 4] heeft gehuurd na de overeengekomen huurperiode, die liep tot en met 6 februari 2023, heeft verduisterd, nu de verdachte op
9 februari 2023 rijdend op de desbetreffende fiets is aangetroffen. De verdachte heeft zich na afloop van de huurperiode als heer en meester gedragen met betrekking tot deze fiets.
Ten aanzien van parketnummer 02-158148-23
Feit 2 primair
Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman van de verdachte vrijspraak bepleit van het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 2 primair tenlastegelegde. Daartoe is – in de kern – aangevoerd dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als medepleger van de tenlastegelegde inbraak en diefstal uit de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] aangezien hij nimmer in die woning is geweest.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat in de periode tussen 9 november 2022 en 11 november 2022 is ingebroken in de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] te [plaats] . Daarbij zijn verschillende goederen uit de woning weggenomen. In de woning zijn een door de dader gebruikte koffiemok en een sigarettenpeuk aangetroffen, waarop DNA-sporen zijn gevonden die volgens het NFI afkomstig kunnen zijn van de verdachte met een matchkans van kleiner dan één op één miljard. Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat twee fietsen die in de periode tussen 9 november 2022 en 11 november 2022 uit de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] zijn weggenomen, door de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op 15 en 16 november 2022 te koop zijn aangeboden bij Used Products.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte voor het eerst een verklaring gegeven voor de aanwezigheid van zijn DNA in de vakantiewoning van [benadeelde 1] . Bij die gelegenheid heeft de verdachte als alternatief scenario naar voren gebracht dat de koffiemok en de sigarettenpeuk met daarop zijn DNA mogelijk door iemand anders, die in de vakantiewoning van [benadeelde 1] heeft ingebroken en de gestolen goederen daaruit heeft weggenomen, daar zijn achtergelaten om de verdachte te framen als de dader van de inbraak en diefstal uit de vakantiewoning van [benadeelde 1] . De persoon die de verdachte hiervan verdenkt zou een kennis van hem, ene [betrokkene] , zijn. Deze persoon zou de fietsen die uit de vakantiewoning van [benadeelde 1] zijn weggenomen, aan de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben gegeven met het verzoek om deze fietsen te verkopen. [betrokkene] zou daartoe, bij gebreke van een ID-bewijs, zelf niet in staat zijn geweest. Daarbij zou de afspraak zijn gemaakt dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] de helft van de verkoopopbrengst van de fietsen zouden ontvangen. De verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben de fietsen vervolgens aan Used Products verkocht. [betrokkene] zou inmiddels overleden zijn zodat hij dienaangaande niet meer gehoord kan worden.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
De alternatieve verklaring van de verdachte voor het aantreffen van zijn DNA op een koffiemok en een sigarettenpeuk in de vakantiewoning van [benadeelde 1] wordt weerlegd door de bewijsmiddelen en is ook overigens niet aannemelijk geworden. Dit aangetroffen daderspoor van de verdachte vraagt om meer uitleg dan een enkele suggestie over hoe zijn DNA mogelijk in de woning terecht zou kunnen zijn gekomen en dat is uitgebleven. Het hof schuift het alternatieve scenario van de verdachte dan ook terzijde.
De verklaringen van de verdachte over hoe de uit de vakantiewoning weggenomen fietsen bij hem en medeverdachte [medeverdachte] zouden zijn terechtgekomen, zijn bij gebreke van een nadere onderbouwing evenmin aannemelijk geworden. De stelling van de verdachte dat hij [betrokkene] als getuige had willen oproepen maar dat deze persoon niet meer in leven is, disculpeert hem niet. Het had alsdan op de weg van de verdachte gelegen hetgeen hij ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht, zo al niet tijdens de politie- verhoren, dan toch kort daarna tegenover de politie naar voren te brengen, toen [betrokkene] (kennelijk) nog leefde. Verdachte was samen met zijn partner [medeverdachte] , in het bezit van de gestolen fietsen, terwijl zijn DNA zich op meer plaatsen in de woning bevond waaruit de fietsen zijn gestolen.
Gelet op het voorgaande acht het hof bewezen dat de verdachte in de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] in [plaats] is geweest. In deze vakantiewoning zijn, naast de gebruikte koffiemok en sigarettenpeuk, onder andere een gebruikte tissue, lege verpakkingen van oploskoffie, een leeg flesje bier en een opengemaakte zak chips aangetroffen. Daarnaast was de badkamervloer nat, wat er naar het oordeel van het hof op wijst dat er gebruik is gemaakt van de badkamer. De hiervoor genoemde omstandigheden wijzen op een verblijf gedurende enige tijd in de vakantiewoning door de inbreker(s). Verder blijkt uit de verklaringen van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] dat zij continu samen waren sinds zij vanaf 16 oktober 2022 geen vaste woon- of verblijfplaats meer hadden. Dat gold dus ook voor de periode waarin de inbraak in de vakantiewoning van [benadeelde 1] heeft plaatsgevonden. Verder betrekt het hof bij zijn oordeel dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] in februari 2023 ook samen in de vakantiewoning van [benadeelde 2] in [plaats] zijn binnengedrongen en daar enige tijd hebben verbleven. Illegaal verblijf in een leegstaande vakantiewoning was, ook volgens de verklaring van de verdachte, een manier voor hen om (tijdelijk) onderdak te hebben. Gelet hierop acht het hof bewezen dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] samen in de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] in [plaats] hebben verbleven.
Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat er tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij de inbraak in de vakantiewoning van [benadeelde 1] en het wegnemen van goederen uit die woning, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering.
Dictum
Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 1 en in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 3 tenlastegelegde;
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 primair en feit 3 en in de zaak met parketnummer
02-158148-23 onder feit 1 en feit 2 primair tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 primair en feit 3 en in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 1 en feit 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 114 (honderdveertien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 8 (acht) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 9 februari 2023;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 1.600,00 (duizend zeshonderd euro) aan immateriële schade af;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 125,08 (honderdvijfentwintig euro en acht cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 125,08 (honderdvijfentwintig euro en acht cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 14 november 2022.
Aldus gewezen door:
mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,
mr. S.C. van Duijn en mr. A.M.G. Smit, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 21 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. S.C. van Duijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-000324-24
Uitspraak : 21 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 2 februari 2024 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 02-158147-23 en 02-158148-23, tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 1 en in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 3 tenlastegelegde.
De rechtbank heeft bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
(parketnummer 02-158147-23)
2. primair: het in de woning, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen;
3. verduistering;
(parketnummer 02-158148-23)
1. diefstal, meermalen gepleegd;
2. primair: diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak,
en heeft de verdachte ter zake van deze feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van het voorarrest.
Tevens heeft de rechtbank beslissingen genomen op de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de vrijspraken van de rechtbank van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 1 tenlastegelegde en in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 3 tenlastegelegde. Gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak.
Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit tegen genoemde vrijspraken is gericht.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde in beide in eerste aanleg gevoegde zaken bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen met aftrek van het voorarrest waarvan
114 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren alsmede tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.
Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] zal toewijzen tot een bedrag van € 750,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, met niet-ontvankelijkverklaring van de vordering voor het overige, de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] integraal zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman van de verdachte heeft zich ter zake van het in de zaak met parketnummer
02-158147-23 onder feit 2 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 1 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof en heeft ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 3 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 2 tenlastegelegde vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft de raadsman in het verlengde van de door hem bepleite vrijspraak betoogd dat deze vordering dient te worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] heeft de raadsman verzocht deze vordering slechts toe te wijzen tot het bedrag van € 400,00 dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangeboden te betalen, met niet-ontvankelijkverklaring van de vordering voor het overige.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover in hoger beroep nog aan de orde - tenlastegelegd dat:
Zaak met parketnummer 02-158147-23: 2. primairhij in of omstreeks de periode van 5 februari 2023 tot en met 9 februari 2023 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, in een woning of gebouw, aan [adres 2] , van/in gebruik bij mevrouw [benadeelde 2] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte en/of zijn mededader in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen;
2. subsidiairhij in of omstreeks de periode van 5 februari 2023 tot en met 9 februari 2023 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, in een woning en/of gebouw, [adres 2] , waarvan het gebruik door de rechthebbende was beëindigd wederrechtelijk is binnengedrongen en/of wederrechtelijk aldaar heeft vertoefd;
3.hij in of omstreeks de periode van 3 februari 2023 tot en met 6 februari 2023 te [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk een (elektrische) fiets (framenummer [framenummer] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als huurder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Zaak met parketnummer 02-158148-23:1.hij in of omstreeks 12 oktober 2022 tot en met 22 november 2022 te Numansdorp, gemeente Hoeksche Waard en/of Klundert en/of Oosterland en/of Hellevoetsluis en/of Hoogvliet en/of Oud-Beijerland, althans in Nederland, een groot aantal liters benzine (37,05 liter en/of 36,74 liter en/of 37,71 liter en/of 37,05 liter en/of 36,13 liter en/of 38,66 liter), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] en/of [benadeelde 7] en/of [benadeelde 8] en/of [benadeelde 9] en/of [benadeelde 10] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
Dictum
Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Ten aanzien van parketnummer 02-158147-23
Feit 2 primair
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte bekend dat hij samen met medeverdachte [medeverdachte] wederrechtelijk is binnengedrongen in de vakantiewoning van [benadeelde 2] en dat zij daar onrechtmatig hebben verbleven.
Anders dan de rechtbank, acht het hof bewezen dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] het tenlastegelegde feit hebben begaan in de periode van 7 februari 2023 tot en met 9 februari 2023. Volgens de aangifte van [aangever 1] namens hotel [plaats] zijn de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] daar op 7 februari 2023 uitgecheckt. Uit het dossier komt naar voren dat zij vanuit hotel [plaats] naar de vakantiewoning van [benadeelde 2] zijn gegaan.
Feit 3
Gelet op de bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de elektrische fiets die hij van [benadeelde 4] heeft gehuurd na de overeengekomen huurperiode, die liep tot en met 6 februari 2023, heeft verduisterd, nu de verdachte op
9 februari 2023 rijdend op de desbetreffende fiets is aangetroffen. De verdachte heeft zich na afloop van de huurperiode als heer en meester gedragen met betrekking tot deze fiets.
Ten aanzien van parketnummer 02-158148-23
Feit 2 primair
Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman van de verdachte vrijspraak bepleit van het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 2 primair tenlastegelegde. Daartoe is – in de kern – aangevoerd dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als medepleger van de tenlastegelegde inbraak en diefstal uit de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] aangezien hij nimmer in die woning is geweest.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat in de periode tussen 9 november 2022 en 11 november 2022 is ingebroken in de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] te [plaats] . Daarbij zijn verschillende goederen uit de woning weggenomen. In de woning zijn een door de dader gebruikte koffiemok en een sigarettenpeuk aangetroffen, waarop DNA-sporen zijn gevonden die volgens het NFI afkomstig kunnen zijn van de verdachte met een matchkans van kleiner dan één op één miljard. Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat twee fietsen die in de periode tussen 9 november 2022 en 11 november 2022 uit de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] zijn weggenomen, door de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op 15 en 16 november 2022 te koop zijn aangeboden bij Used Products.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte voor het eerst een verklaring gegeven voor de aanwezigheid van zijn DNA in de vakantiewoning van [benadeelde 1] . Bij die gelegenheid heeft de verdachte als alternatief scenario naar voren gebracht dat de koffiemok en de sigarettenpeuk met daarop zijn DNA mogelijk door iemand anders, die in de vakantiewoning van [benadeelde 1] heeft ingebroken en de gestolen goederen daaruit heeft weggenomen, daar zijn achtergelaten om de verdachte te framen als de dader van de inbraak en diefstal uit de vakantiewoning van [benadeelde 1] . De persoon die de verdachte hiervan verdenkt zou een kennis van hem, ene [betrokkene] , zijn. Deze persoon zou de fietsen die uit de vakantiewoning van [benadeelde 1] zijn weggenomen, aan de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben gegeven met het verzoek om deze fietsen te verkopen. [betrokkene] zou daartoe, bij gebreke van een ID-bewijs, zelf niet in staat zijn geweest. Daarbij zou de afspraak zijn gemaakt dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] de helft van de verkoopopbrengst van de fietsen zouden ontvangen. De verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben de fietsen vervolgens aan Used Products verkocht. [betrokkene] zou inmiddels overleden zijn zodat hij dienaangaande niet meer gehoord kan worden.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
De alternatieve verklaring van de verdachte voor het aantreffen van zijn DNA op een koffiemok en een sigarettenpeuk in de vakantiewoning van [benadeelde 1] wordt weerlegd door de bewijsmiddelen en is ook overigens niet aannemelijk geworden. Dit aangetroffen daderspoor van de verdachte vraagt om meer uitleg dan een enkele suggestie over hoe zijn DNA mogelijk in de woning terecht zou kunnen zijn gekomen en dat is uitgebleven. Het hof schuift het alternatieve scenario van de verdachte dan ook terzijde.
De verklaringen van de verdachte over hoe de uit de vakantiewoning weggenomen fietsen bij hem en medeverdachte [medeverdachte] zouden zijn terechtgekomen, zijn bij gebreke van een nadere onderbouwing evenmin aannemelijk geworden. De stelling van de verdachte dat hij [betrokkene] als getuige had willen oproepen maar dat deze persoon niet meer in leven is, disculpeert hem niet. Het had alsdan op de weg van de verdachte gelegen hetgeen hij ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht, zo al niet tijdens de politie- verhoren, dan toch kort daarna tegenover de politie naar voren te brengen, toen [betrokkene] (kennelijk) nog leefde. Verdachte was samen met zijn partner [medeverdachte] , in het bezit van de gestolen fietsen, terwijl zijn DNA zich op meer plaatsen in de woning bevond waaruit de fietsen zijn gestolen.
Gelet op het voorgaande acht het hof bewezen dat de verdachte in de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] in [plaats] is geweest. In deze vakantiewoning zijn, naast de gebruikte koffiemok en sigarettenpeuk, onder andere een gebruikte tissue, lege verpakkingen van oploskoffie, een leeg flesje bier en een opengemaakte zak chips aangetroffen. Daarnaast was de badkamervloer nat, wat er naar het oordeel van het hof op wijst dat er gebruik is gemaakt van de badkamer. De hiervoor genoemde omstandigheden wijzen op een verblijf gedurende enige tijd in de vakantiewoning door de inbreker(s). Verder blijkt uit de verklaringen van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] dat zij continu samen waren sinds zij vanaf 16 oktober 2022 geen vaste woon- of verblijfplaats meer hadden. Dat gold dus ook voor de periode waarin de inbraak in de vakantiewoning van [benadeelde 1] heeft plaatsgevonden. Verder betrekt het hof bij zijn oordeel dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] in februari 2023 ook samen in de vakantiewoning van [benadeelde 2] in [plaats] zijn binnengedrongen en daar enige tijd hebben verbleven. Illegaal verblijf in een leegstaande vakantiewoning was, ook volgens de verklaring van de verdachte, een manier voor hen om (tijdelijk) onderdak te hebben. Gelet hierop acht het hof bewezen dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] samen in de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] in [plaats] hebben verbleven.
Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat er tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij de inbraak in de vakantiewoning van [benadeelde 1] en het wegnemen van goederen uit die woning, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering.
Dictum
Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 1 en in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 3 tenlastegelegde;
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 primair en feit 3 en in de zaak met parketnummer
02-158148-23 onder feit 1 en feit 2 primair tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 primair en feit 3 en in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 1 en feit 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 114 (honderdveertien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 8 (acht) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 9 februari 2023;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 1.600,00 (duizend zeshonderd euro) aan immateriële schade af;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 125,08 (honderdvijfentwintig euro en acht cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 125,08 (honderdvijfentwintig euro en acht cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 14 november 2022.
Aldus gewezen door:
mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,
mr. S.C. van Duijn en mr. A.M.G. Smit, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 21 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. S.C. van Duijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-000324-24
Uitspraak : 21 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 2 februari 2024 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 02-158147-23 en 02-158148-23, tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 1 en in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 3 tenlastegelegde.
De rechtbank heeft bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
(parketnummer 02-158147-23)
2. primair: het in de woning, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen;
3. verduistering;
(parketnummer 02-158148-23)
1. diefstal, meermalen gepleegd;
2. primair: diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak,
en heeft de verdachte ter zake van deze feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van het voorarrest.
Tevens heeft de rechtbank beslissingen genomen op de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de vrijspraken van de rechtbank van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 1 tenlastegelegde en in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 3 tenlastegelegde. Gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak.
Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit tegen genoemde vrijspraken is gericht.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde in beide in eerste aanleg gevoegde zaken bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen met aftrek van het voorarrest waarvan
114 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren alsmede tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.
Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] zal toewijzen tot een bedrag van € 750,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, met niet-ontvankelijkverklaring van de vordering voor het overige, de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] integraal zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman van de verdachte heeft zich ter zake van het in de zaak met parketnummer
02-158147-23 onder feit 2 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 1 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof en heeft ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 3 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 2 tenlastegelegde vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft de raadsman in het verlengde van de door hem bepleite vrijspraak betoogd dat deze vordering dient te worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] heeft de raadsman verzocht deze vordering slechts toe te wijzen tot het bedrag van € 400,00 dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangeboden te betalen, met niet-ontvankelijkverklaring van de vordering voor het overige.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover in hoger beroep nog aan de orde - tenlastegelegd dat:
Zaak met parketnummer 02-158147-23: 2. primairhij in of omstreeks de periode van 5 februari 2023 tot en met 9 februari 2023 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, in een woning of gebouw, aan [adres 2] , van/in gebruik bij mevrouw [benadeelde 2] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte en/of zijn mededader in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen;
2. subsidiairhij in of omstreeks de periode van 5 februari 2023 tot en met 9 februari 2023 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, in een woning en/of gebouw, [adres 2] , waarvan het gebruik door de rechthebbende was beëindigd wederrechtelijk is binnengedrongen en/of wederrechtelijk aldaar heeft vertoefd;
3.hij in of omstreeks de periode van 3 februari 2023 tot en met 6 februari 2023 te [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk een (elektrische) fiets (framenummer [framenummer] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als huurder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Zaak met parketnummer 02-158148-23:1.hij in of omstreeks 12 oktober 2022 tot en met 22 november 2022 te Numansdorp, gemeente Hoeksche Waard en/of Klundert en/of Oosterland en/of Hellevoetsluis en/of Hoogvliet en/of Oud-Beijerland, althans in Nederland, een groot aantal liters benzine (37,05 liter en/of 36,74 liter en/of 37,71 liter en/of 37,05 liter en/of 36,13 liter en/of 38,66 liter), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] en/of [benadeelde 7] en/of [benadeelde 8] en/of [benadeelde 9] en/of [benadeelde 10] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
Dictum
Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Ten aanzien van parketnummer 02-158147-23
Feit 2 primair
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte bekend dat hij samen met medeverdachte [medeverdachte] wederrechtelijk is binnengedrongen in de vakantiewoning van [benadeelde 2] en dat zij daar onrechtmatig hebben verbleven.
Anders dan de rechtbank, acht het hof bewezen dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] het tenlastegelegde feit hebben begaan in de periode van 7 februari 2023 tot en met 9 februari 2023. Volgens de aangifte van [aangever 1] namens hotel [plaats] zijn de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] daar op 7 februari 2023 uitgecheckt. Uit het dossier komt naar voren dat zij vanuit hotel [plaats] naar de vakantiewoning van [benadeelde 2] zijn gegaan.
Feit 3
Gelet op de bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de elektrische fiets die hij van [benadeelde 4] heeft gehuurd na de overeengekomen huurperiode, die liep tot en met 6 februari 2023, heeft verduisterd, nu de verdachte op
9 februari 2023 rijdend op de desbetreffende fiets is aangetroffen. De verdachte heeft zich na afloop van de huurperiode als heer en meester gedragen met betrekking tot deze fiets.
Ten aanzien van parketnummer 02-158148-23
Feit 2 primair
Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman van de verdachte vrijspraak bepleit van het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 2 primair tenlastegelegde. Daartoe is – in de kern – aangevoerd dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als medepleger van de tenlastegelegde inbraak en diefstal uit de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] aangezien hij nimmer in die woning is geweest.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat in de periode tussen 9 november 2022 en 11 november 2022 is ingebroken in de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] te [plaats] . Daarbij zijn verschillende goederen uit de woning weggenomen. In de woning zijn een door de dader gebruikte koffiemok en een sigarettenpeuk aangetroffen, waarop DNA-sporen zijn gevonden die volgens het NFI afkomstig kunnen zijn van de verdachte met een matchkans van kleiner dan één op één miljard. Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat twee fietsen die in de periode tussen 9 november 2022 en 11 november 2022 uit de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] zijn weggenomen, door de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op 15 en 16 november 2022 te koop zijn aangeboden bij Used Products.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte voor het eerst een verklaring gegeven voor de aanwezigheid van zijn DNA in de vakantiewoning van [benadeelde 1] . Bij die gelegenheid heeft de verdachte als alternatief scenario naar voren gebracht dat de koffiemok en de sigarettenpeuk met daarop zijn DNA mogelijk door iemand anders, die in de vakantiewoning van [benadeelde 1] heeft ingebroken en de gestolen goederen daaruit heeft weggenomen, daar zijn achtergelaten om de verdachte te framen als de dader van de inbraak en diefstal uit de vakantiewoning van [benadeelde 1] . De persoon die de verdachte hiervan verdenkt zou een kennis van hem, ene [betrokkene] , zijn. Deze persoon zou de fietsen die uit de vakantiewoning van [benadeelde 1] zijn weggenomen, aan de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben gegeven met het verzoek om deze fietsen te verkopen. [betrokkene] zou daartoe, bij gebreke van een ID-bewijs, zelf niet in staat zijn geweest. Daarbij zou de afspraak zijn gemaakt dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] de helft van de verkoopopbrengst van de fietsen zouden ontvangen. De verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben de fietsen vervolgens aan Used Products verkocht. [betrokkene] zou inmiddels overleden zijn zodat hij dienaangaande niet meer gehoord kan worden.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
De alternatieve verklaring van de verdachte voor het aantreffen van zijn DNA op een koffiemok en een sigarettenpeuk in de vakantiewoning van [benadeelde 1] wordt weerlegd door de bewijsmiddelen en is ook overigens niet aannemelijk geworden. Dit aangetroffen daderspoor van de verdachte vraagt om meer uitleg dan een enkele suggestie over hoe zijn DNA mogelijk in de woning terecht zou kunnen zijn gekomen en dat is uitgebleven. Het hof schuift het alternatieve scenario van de verdachte dan ook terzijde.
De verklaringen van de verdachte over hoe de uit de vakantiewoning weggenomen fietsen bij hem en medeverdachte [medeverdachte] zouden zijn terechtgekomen, zijn bij gebreke van een nadere onderbouwing evenmin aannemelijk geworden. De stelling van de verdachte dat hij [betrokkene] als getuige had willen oproepen maar dat deze persoon niet meer in leven is, disculpeert hem niet. Het had alsdan op de weg van de verdachte gelegen hetgeen hij ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht, zo al niet tijdens de politie- verhoren, dan toch kort daarna tegenover de politie naar voren te brengen, toen [betrokkene] (kennelijk) nog leefde. Verdachte was samen met zijn partner [medeverdachte] , in het bezit van de gestolen fietsen, terwijl zijn DNA zich op meer plaatsen in de woning bevond waaruit de fietsen zijn gestolen.
Gelet op het voorgaande acht het hof bewezen dat de verdachte in de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] in [plaats] is geweest. In deze vakantiewoning zijn, naast de gebruikte koffiemok en sigarettenpeuk, onder andere een gebruikte tissue, lege verpakkingen van oploskoffie, een leeg flesje bier en een opengemaakte zak chips aangetroffen. Daarnaast was de badkamervloer nat, wat er naar het oordeel van het hof op wijst dat er gebruik is gemaakt van de badkamer. De hiervoor genoemde omstandigheden wijzen op een verblijf gedurende enige tijd in de vakantiewoning door de inbreker(s). Verder blijkt uit de verklaringen van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] dat zij continu samen waren sinds zij vanaf 16 oktober 2022 geen vaste woon- of verblijfplaats meer hadden. Dat gold dus ook voor de periode waarin de inbraak in de vakantiewoning van [benadeelde 1] heeft plaatsgevonden. Verder betrekt het hof bij zijn oordeel dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] in februari 2023 ook samen in de vakantiewoning van [benadeelde 2] in [plaats] zijn binnengedrongen en daar enige tijd hebben verbleven. Illegaal verblijf in een leegstaande vakantiewoning was, ook volgens de verklaring van de verdachte, een manier voor hen om (tijdelijk) onderdak te hebben. Gelet hierop acht het hof bewezen dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] samen in de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] in [plaats] hebben verbleven.
Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat er tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij de inbraak in de vakantiewoning van [benadeelde 1] en het wegnemen van goederen uit die woning, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering.
Dictum
Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 1 en in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 3 tenlastegelegde;
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 primair en feit 3 en in de zaak met parketnummer
02-158148-23 onder feit 1 en feit 2 primair tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 primair en feit 3 en in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 1 en feit 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 114 (honderdveertien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 8 (acht) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 9 februari 2023;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 1.600,00 (duizend zeshonderd euro) aan immateriële schade af;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 125,08 (honderdvijfentwintig euro en acht cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 125,08 (honderdvijfentwintig euro en acht cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 14 november 2022.
Aldus gewezen door:
mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,
mr. S.C. van Duijn en mr. A.M.G. Smit, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 21 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. S.C. van Duijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-000324-24
Uitspraak : 21 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 2 februari 2024 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 02-158147-23 en 02-158148-23, tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 1 en in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 3 tenlastegelegde.
De rechtbank heeft bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
(parketnummer 02-158147-23)
2. primair: het in de woning, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen;
3. verduistering;
(parketnummer 02-158148-23)
1. diefstal, meermalen gepleegd;
2. primair: diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak,
en heeft de verdachte ter zake van deze feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van het voorarrest.
Tevens heeft de rechtbank beslissingen genomen op de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de vrijspraken van de rechtbank van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 1 tenlastegelegde en in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 3 tenlastegelegde. Gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak.
Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit tegen genoemde vrijspraken is gericht.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde in beide in eerste aanleg gevoegde zaken bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen met aftrek van het voorarrest waarvan
114 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren alsmede tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.
Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] zal toewijzen tot een bedrag van € 750,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, met niet-ontvankelijkverklaring van de vordering voor het overige, de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] integraal zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman van de verdachte heeft zich ter zake van het in de zaak met parketnummer
02-158147-23 onder feit 2 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 1 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof en heeft ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 3 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 2 tenlastegelegde vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft de raadsman in het verlengde van de door hem bepleite vrijspraak betoogd dat deze vordering dient te worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] heeft de raadsman verzocht deze vordering slechts toe te wijzen tot het bedrag van € 400,00 dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangeboden te betalen, met niet-ontvankelijkverklaring van de vordering voor het overige.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover in hoger beroep nog aan de orde - tenlastegelegd dat:
Zaak met parketnummer 02-158147-23: 2. primairhij in of omstreeks de periode van 5 februari 2023 tot en met 9 februari 2023 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, in een woning of gebouw, aan [adres 2] , van/in gebruik bij mevrouw [benadeelde 2] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte en/of zijn mededader in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen;
2. subsidiairhij in of omstreeks de periode van 5 februari 2023 tot en met 9 februari 2023 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, in een woning en/of gebouw, [adres 2] , waarvan het gebruik door de rechthebbende was beëindigd wederrechtelijk is binnengedrongen en/of wederrechtelijk aldaar heeft vertoefd;
3.hij in of omstreeks de periode van 3 februari 2023 tot en met 6 februari 2023 te [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk een (elektrische) fiets (framenummer [framenummer] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als huurder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Zaak met parketnummer 02-158148-23:1.hij in of omstreeks 12 oktober 2022 tot en met 22 november 2022 te Numansdorp, gemeente Hoeksche Waard en/of Klundert en/of Oosterland en/of Hellevoetsluis en/of Hoogvliet en/of Oud-Beijerland, althans in Nederland, een groot aantal liters benzine (37,05 liter en/of 36,74 liter en/of 37,71 liter en/of 37,05 liter en/of 36,13 liter en/of 38,66 liter), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] en/of [benadeelde 7] en/of [benadeelde 8] en/of [benadeelde 9] en/of [benadeelde 10] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
Dictum
Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Ten aanzien van parketnummer 02-158147-23
Feit 2 primair
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte bekend dat hij samen met medeverdachte [medeverdachte] wederrechtelijk is binnengedrongen in de vakantiewoning van [benadeelde 2] en dat zij daar onrechtmatig hebben verbleven.
Anders dan de rechtbank, acht het hof bewezen dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] het tenlastegelegde feit hebben begaan in de periode van 7 februari 2023 tot en met 9 februari 2023. Volgens de aangifte van [aangever 1] namens hotel [plaats] zijn de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] daar op 7 februari 2023 uitgecheckt. Uit het dossier komt naar voren dat zij vanuit hotel [plaats] naar de vakantiewoning van [benadeelde 2] zijn gegaan.
Feit 3
Gelet op de bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de elektrische fiets die hij van [benadeelde 4] heeft gehuurd na de overeengekomen huurperiode, die liep tot en met 6 februari 2023, heeft verduisterd, nu de verdachte op
9 februari 2023 rijdend op de desbetreffende fiets is aangetroffen. De verdachte heeft zich na afloop van de huurperiode als heer en meester gedragen met betrekking tot deze fiets.
Ten aanzien van parketnummer 02-158148-23
Feit 2 primair
Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman van de verdachte vrijspraak bepleit van het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 2 primair tenlastegelegde. Daartoe is – in de kern – aangevoerd dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als medepleger van de tenlastegelegde inbraak en diefstal uit de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] aangezien hij nimmer in die woning is geweest.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat in de periode tussen 9 november 2022 en 11 november 2022 is ingebroken in de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] te [plaats] . Daarbij zijn verschillende goederen uit de woning weggenomen. In de woning zijn een door de dader gebruikte koffiemok en een sigarettenpeuk aangetroffen, waarop DNA-sporen zijn gevonden die volgens het NFI afkomstig kunnen zijn van de verdachte met een matchkans van kleiner dan één op één miljard. Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat twee fietsen die in de periode tussen 9 november 2022 en 11 november 2022 uit de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] zijn weggenomen, door de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op 15 en 16 november 2022 te koop zijn aangeboden bij Used Products.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte voor het eerst een verklaring gegeven voor de aanwezigheid van zijn DNA in de vakantiewoning van [benadeelde 1] . Bij die gelegenheid heeft de verdachte als alternatief scenario naar voren gebracht dat de koffiemok en de sigarettenpeuk met daarop zijn DNA mogelijk door iemand anders, die in de vakantiewoning van [benadeelde 1] heeft ingebroken en de gestolen goederen daaruit heeft weggenomen, daar zijn achtergelaten om de verdachte te framen als de dader van de inbraak en diefstal uit de vakantiewoning van [benadeelde 1] . De persoon die de verdachte hiervan verdenkt zou een kennis van hem, ene [betrokkene] , zijn. Deze persoon zou de fietsen die uit de vakantiewoning van [benadeelde 1] zijn weggenomen, aan de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben gegeven met het verzoek om deze fietsen te verkopen. [betrokkene] zou daartoe, bij gebreke van een ID-bewijs, zelf niet in staat zijn geweest. Daarbij zou de afspraak zijn gemaakt dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] de helft van de verkoopopbrengst van de fietsen zouden ontvangen. De verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben de fietsen vervolgens aan Used Products verkocht. [betrokkene] zou inmiddels overleden zijn zodat hij dienaangaande niet meer gehoord kan worden.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
De alternatieve verklaring van de verdachte voor het aantreffen van zijn DNA op een koffiemok en een sigarettenpeuk in de vakantiewoning van [benadeelde 1] wordt weerlegd door de bewijsmiddelen en is ook overigens niet aannemelijk geworden. Dit aangetroffen daderspoor van de verdachte vraagt om meer uitleg dan een enkele suggestie over hoe zijn DNA mogelijk in de woning terecht zou kunnen zijn gekomen en dat is uitgebleven. Het hof schuift het alternatieve scenario van de verdachte dan ook terzijde.
De verklaringen van de verdachte over hoe de uit de vakantiewoning weggenomen fietsen bij hem en medeverdachte [medeverdachte] zouden zijn terechtgekomen, zijn bij gebreke van een nadere onderbouwing evenmin aannemelijk geworden. De stelling van de verdachte dat hij [betrokkene] als getuige had willen oproepen maar dat deze persoon niet meer in leven is, disculpeert hem niet. Het had alsdan op de weg van de verdachte gelegen hetgeen hij ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht, zo al niet tijdens de politie- verhoren, dan toch kort daarna tegenover de politie naar voren te brengen, toen [betrokkene] (kennelijk) nog leefde. Verdachte was samen met zijn partner [medeverdachte] , in het bezit van de gestolen fietsen, terwijl zijn DNA zich op meer plaatsen in de woning bevond waaruit de fietsen zijn gestolen.
Gelet op het voorgaande acht het hof bewezen dat de verdachte in de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] in [plaats] is geweest. In deze vakantiewoning zijn, naast de gebruikte koffiemok en sigarettenpeuk, onder andere een gebruikte tissue, lege verpakkingen van oploskoffie, een leeg flesje bier en een opengemaakte zak chips aangetroffen. Daarnaast was de badkamervloer nat, wat er naar het oordeel van het hof op wijst dat er gebruik is gemaakt van de badkamer. De hiervoor genoemde omstandigheden wijzen op een verblijf gedurende enige tijd in de vakantiewoning door de inbreker(s). Verder blijkt uit de verklaringen van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] dat zij continu samen waren sinds zij vanaf 16 oktober 2022 geen vaste woon- of verblijfplaats meer hadden. Dat gold dus ook voor de periode waarin de inbraak in de vakantiewoning van [benadeelde 1] heeft plaatsgevonden. Verder betrekt het hof bij zijn oordeel dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] in februari 2023 ook samen in de vakantiewoning van [benadeelde 2] in [plaats] zijn binnengedrongen en daar enige tijd hebben verbleven. Illegaal verblijf in een leegstaande vakantiewoning was, ook volgens de verklaring van de verdachte, een manier voor hen om (tijdelijk) onderdak te hebben. Gelet hierop acht het hof bewezen dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] samen in de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] in [plaats] hebben verbleven.
Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat er tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij de inbraak in de vakantiewoning van [benadeelde 1] en het wegnemen van goederen uit die woning, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering.
Dictum
Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 1 en in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 3 tenlastegelegde;
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 primair en feit 3 en in de zaak met parketnummer
02-158148-23 onder feit 1 en feit 2 primair tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 primair en feit 3 en in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 1 en feit 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 114 (honderdveertien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 8 (acht) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 9 februari 2023;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 1.600,00 (duizend zeshonderd euro) aan immateriële schade af;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 125,08 (honderdvijfentwintig euro en acht cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 125,08 (honderdvijfentwintig euro en acht cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 14 november 2022.
Aldus gewezen door:
mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,
mr. S.C. van Duijn en mr. A.M.G. Smit, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 21 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. S.C. van Duijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-000324-24
Uitspraak : 21 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 2 februari 2024 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 02-158147-23 en 02-158148-23, tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 1 en in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 3 tenlastegelegde.
De rechtbank heeft bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
(parketnummer 02-158147-23)
2. primair: het in de woning, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen;
3. verduistering;
(parketnummer 02-158148-23)
1. diefstal, meermalen gepleegd;
2. primair: diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak,
en heeft de verdachte ter zake van deze feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van het voorarrest.
Tevens heeft de rechtbank beslissingen genomen op de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de vrijspraken van de rechtbank van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 1 tenlastegelegde en in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 3 tenlastegelegde. Gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak.
Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit tegen genoemde vrijspraken is gericht.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde in beide in eerste aanleg gevoegde zaken bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen met aftrek van het voorarrest waarvan
114 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren alsmede tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.
Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] zal toewijzen tot een bedrag van € 750,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, met niet-ontvankelijkverklaring van de vordering voor het overige, de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] integraal zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman van de verdachte heeft zich ter zake van het in de zaak met parketnummer
02-158147-23 onder feit 2 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 1 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof en heeft ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 3 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 2 tenlastegelegde vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft de raadsman in het verlengde van de door hem bepleite vrijspraak betoogd dat deze vordering dient te worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] heeft de raadsman verzocht deze vordering slechts toe te wijzen tot het bedrag van € 400,00 dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangeboden te betalen, met niet-ontvankelijkverklaring van de vordering voor het overige.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover in hoger beroep nog aan de orde - tenlastegelegd dat:
Zaak met parketnummer 02-158147-23: 2. primairhij in of omstreeks de periode van 5 februari 2023 tot en met 9 februari 2023 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, in een woning of gebouw, aan [adres 2] , van/in gebruik bij mevrouw [benadeelde 2] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte en/of zijn mededader in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen;
2. subsidiairhij in of omstreeks de periode van 5 februari 2023 tot en met 9 februari 2023 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, in een woning en/of gebouw, [adres 2] , waarvan het gebruik door de rechthebbende was beëindigd wederrechtelijk is binnengedrongen en/of wederrechtelijk aldaar heeft vertoefd;
3.hij in of omstreeks de periode van 3 februari 2023 tot en met 6 februari 2023 te [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk een (elektrische) fiets (framenummer [framenummer] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als huurder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Zaak met parketnummer 02-158148-23:1.hij in of omstreeks 12 oktober 2022 tot en met 22 november 2022 te Numansdorp, gemeente Hoeksche Waard en/of Klundert en/of Oosterland en/of Hellevoetsluis en/of Hoogvliet en/of Oud-Beijerland, althans in Nederland, een groot aantal liters benzine (37,05 liter en/of 36,74 liter en/of 37,71 liter en/of 37,05 liter en/of 36,13 liter en/of 38,66 liter), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] en/of [benadeelde 7] en/of [benadeelde 8] en/of [benadeelde 9] en/of [benadeelde 10] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
Dictum
Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Ten aanzien van parketnummer 02-158147-23
Feit 2 primair
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte bekend dat hij samen met medeverdachte [medeverdachte] wederrechtelijk is binnengedrongen in de vakantiewoning van [benadeelde 2] en dat zij daar onrechtmatig hebben verbleven.
Anders dan de rechtbank, acht het hof bewezen dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] het tenlastegelegde feit hebben begaan in de periode van 7 februari 2023 tot en met 9 februari 2023. Volgens de aangifte van [aangever 1] namens hotel [plaats] zijn de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] daar op 7 februari 2023 uitgecheckt. Uit het dossier komt naar voren dat zij vanuit hotel [plaats] naar de vakantiewoning van [benadeelde 2] zijn gegaan.
Feit 3
Gelet op de bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de elektrische fiets die hij van [benadeelde 4] heeft gehuurd na de overeengekomen huurperiode, die liep tot en met 6 februari 2023, heeft verduisterd, nu de verdachte op
9 februari 2023 rijdend op de desbetreffende fiets is aangetroffen. De verdachte heeft zich na afloop van de huurperiode als heer en meester gedragen met betrekking tot deze fiets.
Ten aanzien van parketnummer 02-158148-23
Feit 2 primair
Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman van de verdachte vrijspraak bepleit van het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 2 primair tenlastegelegde. Daartoe is – in de kern – aangevoerd dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als medepleger van de tenlastegelegde inbraak en diefstal uit de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] aangezien hij nimmer in die woning is geweest.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat in de periode tussen 9 november 2022 en 11 november 2022 is ingebroken in de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] te [plaats] . Daarbij zijn verschillende goederen uit de woning weggenomen. In de woning zijn een door de dader gebruikte koffiemok en een sigarettenpeuk aangetroffen, waarop DNA-sporen zijn gevonden die volgens het NFI afkomstig kunnen zijn van de verdachte met een matchkans van kleiner dan één op één miljard. Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat twee fietsen die in de periode tussen 9 november 2022 en 11 november 2022 uit de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] zijn weggenomen, door de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op 15 en 16 november 2022 te koop zijn aangeboden bij Used Products.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte voor het eerst een verklaring gegeven voor de aanwezigheid van zijn DNA in de vakantiewoning van [benadeelde 1] . Bij die gelegenheid heeft de verdachte als alternatief scenario naar voren gebracht dat de koffiemok en de sigarettenpeuk met daarop zijn DNA mogelijk door iemand anders, die in de vakantiewoning van [benadeelde 1] heeft ingebroken en de gestolen goederen daaruit heeft weggenomen, daar zijn achtergelaten om de verdachte te framen als de dader van de inbraak en diefstal uit de vakantiewoning van [benadeelde 1] . De persoon die de verdachte hiervan verdenkt zou een kennis van hem, ene [betrokkene] , zijn. Deze persoon zou de fietsen die uit de vakantiewoning van [benadeelde 1] zijn weggenomen, aan de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben gegeven met het verzoek om deze fietsen te verkopen. [betrokkene] zou daartoe, bij gebreke van een ID-bewijs, zelf niet in staat zijn geweest. Daarbij zou de afspraak zijn gemaakt dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] de helft van de verkoopopbrengst van de fietsen zouden ontvangen. De verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben de fietsen vervolgens aan Used Products verkocht. [betrokkene] zou inmiddels overleden zijn zodat hij dienaangaande niet meer gehoord kan worden.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
De alternatieve verklaring van de verdachte voor het aantreffen van zijn DNA op een koffiemok en een sigarettenpeuk in de vakantiewoning van [benadeelde 1] wordt weerlegd door de bewijsmiddelen en is ook overigens niet aannemelijk geworden. Dit aangetroffen daderspoor van de verdachte vraagt om meer uitleg dan een enkele suggestie over hoe zijn DNA mogelijk in de woning terecht zou kunnen zijn gekomen en dat is uitgebleven. Het hof schuift het alternatieve scenario van de verdachte dan ook terzijde.
De verklaringen van de verdachte over hoe de uit de vakantiewoning weggenomen fietsen bij hem en medeverdachte [medeverdachte] zouden zijn terechtgekomen, zijn bij gebreke van een nadere onderbouwing evenmin aannemelijk geworden. De stelling van de verdachte dat hij [betrokkene] als getuige had willen oproepen maar dat deze persoon niet meer in leven is, disculpeert hem niet. Het had alsdan op de weg van de verdachte gelegen hetgeen hij ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht, zo al niet tijdens de politie- verhoren, dan toch kort daarna tegenover de politie naar voren te brengen, toen [betrokkene] (kennelijk) nog leefde. Verdachte was samen met zijn partner [medeverdachte] , in het bezit van de gestolen fietsen, terwijl zijn DNA zich op meer plaatsen in de woning bevond waaruit de fietsen zijn gestolen.
Gelet op het voorgaande acht het hof bewezen dat de verdachte in de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] in [plaats] is geweest. In deze vakantiewoning zijn, naast de gebruikte koffiemok en sigarettenpeuk, onder andere een gebruikte tissue, lege verpakkingen van oploskoffie, een leeg flesje bier en een opengemaakte zak chips aangetroffen. Daarnaast was de badkamervloer nat, wat er naar het oordeel van het hof op wijst dat er gebruik is gemaakt van de badkamer. De hiervoor genoemde omstandigheden wijzen op een verblijf gedurende enige tijd in de vakantiewoning door de inbreker(s). Verder blijkt uit de verklaringen van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] dat zij continu samen waren sinds zij vanaf 16 oktober 2022 geen vaste woon- of verblijfplaats meer hadden. Dat gold dus ook voor de periode waarin de inbraak in de vakantiewoning van [benadeelde 1] heeft plaatsgevonden. Verder betrekt het hof bij zijn oordeel dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] in februari 2023 ook samen in de vakantiewoning van [benadeelde 2] in [plaats] zijn binnengedrongen en daar enige tijd hebben verbleven. Illegaal verblijf in een leegstaande vakantiewoning was, ook volgens de verklaring van de verdachte, een manier voor hen om (tijdelijk) onderdak te hebben. Gelet hierop acht het hof bewezen dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] samen in de vakantiewoning van aangever [benadeelde 1] in [plaats] hebben verbleven.
Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat er tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij de inbraak in de vakantiewoning van [benadeelde 1] en het wegnemen van goederen uit die woning, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering.
Dictum
Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 1 en in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 3 tenlastegelegde;
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 primair en feit 3 en in de zaak met parketnummer
02-158148-23 onder feit 1 en feit 2 primair tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 primair en feit 3 en in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 1 en feit 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 114 (honderdveertien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 8 (acht) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 9 februari 2023;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 1.600,00 (duizend zeshonderd euro) aan immateriële schade af;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 125,08 (honderdvijfentwintig euro en acht cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 125,08 (honderdvijfentwintig euro en acht cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 14 november 2022.
Aldus gewezen door:
mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,
mr. S.C. van Duijn en mr. A.M.G. Smit, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 21 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. S.C. van Duijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
primairhij in of omstreeks de periode van 9 november 2022 tot en met 16 november 2022 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, twee Gazelle fietsen en/of een boormachine en/of een televisie en/of een horloge en/of huissleutels en/of een Ralph Lauren jack en/of een WiFi camera, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;
2. subsidiairhij in of omstreeks de periode van 9 november 2022 tot en met 16 november 2022 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal twee Gazelle fietsen, althans een of meer goed(eren) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed/deze goederen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof(fen).
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 primair en feit 3 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 1 en feit 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
Zaak met parketnummer 02-158147-23: 2. primairhij in de periode van 7 februari 2023 tot en met 9 februari 2023 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, in een woning aan [adres 2] , in gebruik bij mevrouw [benadeelde 2] , wederrechtelijk is binnengedrongen;
3.hij in de periode van 3 februari 2023 tot en met 6 februari 2023 te [plaats] , opzettelijk een (elektrische) fiets (framenummer [framenummer] ), toebehorende aan [benadeelde 4] , en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als huurder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Zaak met parketnummer 02-158148-23:1.hij in de periode van 12 oktober 2022 tot en met 22 november 2022 te Numansdorp, gemeente Hoeksche Waard en Klundert en Oosterland en Hellevoetsluis en Hoogvliet en Oud-Beijerland, een groot aantal liters benzine (34,49 liter en 36,74 liter en 37,71 liter en 37,05 liter en 36,13 liter en 38,66 liter), die aan [benadeelde 5] en [benadeelde 6] en [benadeelde 7] en [benadeelde 8] en [benadeelde 9] en [benadeelde 10] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2. primairhij in de periode van 9 november 2022 tot en met 16 november 2022 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, twee Gazelle fietsen en een boormachine en een televisie en een horloge en huissleutels en een Ralph Lauren jack en een WiFi camera, die aan [benadeelde 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Algemene bewijsoverweging
Dictum
Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen van de inbraak en diefstal uit de vakantiewoning van [benadeelde 1] wettig en overtuigend bewezen.
Voor wat betreft de goederen die zijn gestolen gaat het hof uit van de verklaring van aangever [benadeelde 1] , nu deze verklaring op belangrijke onderdelen wordt ondersteund door verschillende andere bewijsmiddelen, te weten de verklaring van aangever [aangever 2] over de bij hem aangeboden fietsen en het proces-verbaal van forensisch onderzoek waaruit blijkt dat een losse tv-kabel (zonder tv) in de vakantiewoning van [benadeelde 1] is aangetroffen.Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.
Resumerend acht het hof bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 2 primair tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals hiervoor in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder 2 primair bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als volgt:
in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen.
Het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder 3 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als volgt:
verduistering.
Het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder 1 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als volgt:
diefstal,
meermalen gepleegd.
Het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder 2 primair bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als volgt:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De raadsman heeft, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, verzocht om
een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen al dan niet in combinatie met een taakstraf.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij samen met een ander goederen uit de vakantiewoning van [benadeelde 1] heeft gestolen en hij zich samen met die ander de toegang tot die woning heeft verschaft door middel van braak. Het is een feit van algemene bekendheid dat woninginbraken doorgaans niet alleen aanzienlijke financiële en/of materiële schade, maar ook overlast en ongemak voor de benadeelden met zich meebrengen. Bovendien hebben slachtoffers van een woninginbraak vaak nog lange tijd nadien last van gevoelens van angst en onveiligheid. Daarvan is ook in de onderhavige zaak gebleken. Het hof rekent dit de verdachte aan. Voorts heeft de verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het wederrechtelijk binnendringen van de vakantiewoning van [benadeelde 2] . Huisvredebreuk is een hinderlijk en overlast gevend feit waarbij er inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht en de privacy van een ander.Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan verduistering van een elektrische fiets. Een dergelijk feit brengt over het algemeen schade teweeg aan de eigenaar van het verduisterde goed en veroorzaakt overlast en ergernis bij de gedupeerde.
Ten slotte heeft de verdachte zich meermalen schuldig gemaakt aan brandstofdiefstal. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de eigendomsrechten van anderen. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 19 december 2024, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte. Uit dit uittreksel van 15 pagina’s blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde herhaaldelijk eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit. Voorts blijkt daaruit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij een fulltime baan heeft en een vaste woonplek waar hij ook ingeschreven staat. Hij en medeverdachte [medeverdachte] huren een kamer bij stichting [stichting] in Oud-Beijerland en zij staan ingeschreven voor een eigen woning. Voorts heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij een afbetalingsregeling heeft getroffen voor zijn schulden, die hij nakomt.
Hoewel het bewezenverklaarde in de onderhavige zaak een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur zoals opgelegd door de rechtbank zonder meer zou rechtvaardigen, acht het hof het in dit specifieke geval onwenselijk om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur op te leggen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verdachte gemotiveerd lijkt een andere wending aan zijn leven te geven en dat hij stappen aan het zetten is in de goede richting. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur zou deze voorzichtig positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte doorkruisen. Het hof acht dat onwenselijk.
Het hof zal om die reden een gevangenisstraf opleggen waarvan de duur van het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Het hof acht het wel raadzaam om naast de onvoorwaardelijke gevangenisstraf een forse voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met een proeftijd van twee jaren, in combinatie met een taakstraf.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Alles afwegende acht het hof – met de advocaat-generaal - een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 114 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, passend en geboden.
Volgens de berekening van het hof heeft de verdachte in totaal zes dagen in voorarrest doorgebracht. Het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf is van dezelfde duur.
Inleiding
primairhij in of omstreeks de periode van 9 november 2022 tot en met 16 november 2022 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, twee Gazelle fietsen en/of een boormachine en/of een televisie en/of een horloge en/of huissleutels en/of een Ralph Lauren jack en/of een WiFi camera, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;
2. subsidiairhij in of omstreeks de periode van 9 november 2022 tot en met 16 november 2022 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal twee Gazelle fietsen, althans een of meer goed(eren) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed/deze goederen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof(fen).
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 primair en feit 3 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 1 en feit 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
Zaak met parketnummer 02-158147-23: 2. primairhij in de periode van 7 februari 2023 tot en met 9 februari 2023 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, in een woning aan [adres 2] , in gebruik bij mevrouw [benadeelde 2] , wederrechtelijk is binnengedrongen;
3.hij in de periode van 3 februari 2023 tot en met 6 februari 2023 te [plaats] , opzettelijk een (elektrische) fiets (framenummer [framenummer] ), toebehorende aan [benadeelde 4] , en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als huurder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Zaak met parketnummer 02-158148-23:1.hij in de periode van 12 oktober 2022 tot en met 22 november 2022 te Numansdorp, gemeente Hoeksche Waard en Klundert en Oosterland en Hellevoetsluis en Hoogvliet en Oud-Beijerland, een groot aantal liters benzine (34,49 liter en 36,74 liter en 37,71 liter en 37,05 liter en 36,13 liter en 38,66 liter), die aan [benadeelde 5] en [benadeelde 6] en [benadeelde 7] en [benadeelde 8] en [benadeelde 9] en [benadeelde 10] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2. primairhij in de periode van 9 november 2022 tot en met 16 november 2022 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, twee Gazelle fietsen en een boormachine en een televisie en een horloge en huissleutels en een Ralph Lauren jack en een WiFi camera, die aan [benadeelde 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Algemene bewijsoverweging
Dictum
Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen van de inbraak en diefstal uit de vakantiewoning van [benadeelde 1] wettig en overtuigend bewezen.
Voor wat betreft de goederen die zijn gestolen gaat het hof uit van de verklaring van aangever [benadeelde 1] , nu deze verklaring op belangrijke onderdelen wordt ondersteund door verschillende andere bewijsmiddelen, te weten de verklaring van aangever [aangever 2] over de bij hem aangeboden fietsen en het proces-verbaal van forensisch onderzoek waaruit blijkt dat een losse tv-kabel (zonder tv) in de vakantiewoning van [benadeelde 1] is aangetroffen.Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.
Resumerend acht het hof bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 2 primair tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals hiervoor in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder 2 primair bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als volgt:
in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen.
Het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder 3 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als volgt:
verduistering.
Het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder 1 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als volgt:
diefstal,
meermalen gepleegd.
Het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder 2 primair bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als volgt:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De raadsman heeft, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, verzocht om
een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen al dan niet in combinatie met een taakstraf.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij samen met een ander goederen uit de vakantiewoning van [benadeelde 1] heeft gestolen en hij zich samen met die ander de toegang tot die woning heeft verschaft door middel van braak. Het is een feit van algemene bekendheid dat woninginbraken doorgaans niet alleen aanzienlijke financiële en/of materiële schade, maar ook overlast en ongemak voor de benadeelden met zich meebrengen. Bovendien hebben slachtoffers van een woninginbraak vaak nog lange tijd nadien last van gevoelens van angst en onveiligheid. Daarvan is ook in de onderhavige zaak gebleken. Het hof rekent dit de verdachte aan. Voorts heeft de verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het wederrechtelijk binnendringen van de vakantiewoning van [benadeelde 2] . Huisvredebreuk is een hinderlijk en overlast gevend feit waarbij er inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht en de privacy van een ander.Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan verduistering van een elektrische fiets. Een dergelijk feit brengt over het algemeen schade teweeg aan de eigenaar van het verduisterde goed en veroorzaakt overlast en ergernis bij de gedupeerde.
Ten slotte heeft de verdachte zich meermalen schuldig gemaakt aan brandstofdiefstal. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de eigendomsrechten van anderen. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 19 december 2024, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte. Uit dit uittreksel van 15 pagina’s blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde herhaaldelijk eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit. Voorts blijkt daaruit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij een fulltime baan heeft en een vaste woonplek waar hij ook ingeschreven staat. Hij en medeverdachte [medeverdachte] huren een kamer bij stichting [stichting] in Oud-Beijerland en zij staan ingeschreven voor een eigen woning. Voorts heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij een afbetalingsregeling heeft getroffen voor zijn schulden, die hij nakomt.
Hoewel het bewezenverklaarde in de onderhavige zaak een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur zoals opgelegd door de rechtbank zonder meer zou rechtvaardigen, acht het hof het in dit specifieke geval onwenselijk om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur op te leggen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verdachte gemotiveerd lijkt een andere wending aan zijn leven te geven en dat hij stappen aan het zetten is in de goede richting. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur zou deze voorzichtig positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte doorkruisen. Het hof acht dat onwenselijk.
Het hof zal om die reden een gevangenisstraf opleggen waarvan de duur van het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Het hof acht het wel raadzaam om naast de onvoorwaardelijke gevangenisstraf een forse voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met een proeftijd van twee jaren, in combinatie met een taakstraf.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Alles afwegende acht het hof – met de advocaat-generaal - een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 114 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, passend en geboden.
Volgens de berekening van het hof heeft de verdachte in totaal zes dagen in voorarrest doorgebracht. Het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf is van dezelfde duur.
Inleiding
primairhij in of omstreeks de periode van 9 november 2022 tot en met 16 november 2022 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, twee Gazelle fietsen en/of een boormachine en/of een televisie en/of een horloge en/of huissleutels en/of een Ralph Lauren jack en/of een WiFi camera, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;
2. subsidiairhij in of omstreeks de periode van 9 november 2022 tot en met 16 november 2022 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal twee Gazelle fietsen, althans een of meer goed(eren) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed/deze goederen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof(fen).
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 primair en feit 3 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 1 en feit 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
Zaak met parketnummer 02-158147-23: 2. primairhij in de periode van 7 februari 2023 tot en met 9 februari 2023 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, in een woning aan [adres 2] , in gebruik bij mevrouw [benadeelde 2] , wederrechtelijk is binnengedrongen;
3.hij in de periode van 3 februari 2023 tot en met 6 februari 2023 te [plaats] , opzettelijk een (elektrische) fiets (framenummer [framenummer] ), toebehorende aan [benadeelde 4] , en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als huurder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Zaak met parketnummer 02-158148-23:1.hij in de periode van 12 oktober 2022 tot en met 22 november 2022 te Numansdorp, gemeente Hoeksche Waard en Klundert en Oosterland en Hellevoetsluis en Hoogvliet en Oud-Beijerland, een groot aantal liters benzine (34,49 liter en 36,74 liter en 37,71 liter en 37,05 liter en 36,13 liter en 38,66 liter), die aan [benadeelde 5] en [benadeelde 6] en [benadeelde 7] en [benadeelde 8] en [benadeelde 9] en [benadeelde 10] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2. primairhij in de periode van 9 november 2022 tot en met 16 november 2022 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, twee Gazelle fietsen en een boormachine en een televisie en een horloge en huissleutels en een Ralph Lauren jack en een WiFi camera, die aan [benadeelde 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Algemene bewijsoverweging
Dictum
Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen van de inbraak en diefstal uit de vakantiewoning van [benadeelde 1] wettig en overtuigend bewezen.
Voor wat betreft de goederen die zijn gestolen gaat het hof uit van de verklaring van aangever [benadeelde 1] , nu deze verklaring op belangrijke onderdelen wordt ondersteund door verschillende andere bewijsmiddelen, te weten de verklaring van aangever [aangever 2] over de bij hem aangeboden fietsen en het proces-verbaal van forensisch onderzoek waaruit blijkt dat een losse tv-kabel (zonder tv) in de vakantiewoning van [benadeelde 1] is aangetroffen.Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.
Resumerend acht het hof bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 2 primair tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals hiervoor in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder 2 primair bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als volgt:
in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen.
Het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder 3 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als volgt:
verduistering.
Het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder 1 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als volgt:
diefstal,
meermalen gepleegd.
Het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder 2 primair bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als volgt:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De raadsman heeft, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, verzocht om
een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen al dan niet in combinatie met een taakstraf.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij samen met een ander goederen uit de vakantiewoning van [benadeelde 1] heeft gestolen en hij zich samen met die ander de toegang tot die woning heeft verschaft door middel van braak. Het is een feit van algemene bekendheid dat woninginbraken doorgaans niet alleen aanzienlijke financiële en/of materiële schade, maar ook overlast en ongemak voor de benadeelden met zich meebrengen. Bovendien hebben slachtoffers van een woninginbraak vaak nog lange tijd nadien last van gevoelens van angst en onveiligheid. Daarvan is ook in de onderhavige zaak gebleken. Het hof rekent dit de verdachte aan. Voorts heeft de verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het wederrechtelijk binnendringen van de vakantiewoning van [benadeelde 2] . Huisvredebreuk is een hinderlijk en overlast gevend feit waarbij er inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht en de privacy van een ander.Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan verduistering van een elektrische fiets. Een dergelijk feit brengt over het algemeen schade teweeg aan de eigenaar van het verduisterde goed en veroorzaakt overlast en ergernis bij de gedupeerde.
Ten slotte heeft de verdachte zich meermalen schuldig gemaakt aan brandstofdiefstal. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de eigendomsrechten van anderen. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 19 december 2024, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte. Uit dit uittreksel van 15 pagina’s blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde herhaaldelijk eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit. Voorts blijkt daaruit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij een fulltime baan heeft en een vaste woonplek waar hij ook ingeschreven staat. Hij en medeverdachte [medeverdachte] huren een kamer bij stichting [stichting] in Oud-Beijerland en zij staan ingeschreven voor een eigen woning. Voorts heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij een afbetalingsregeling heeft getroffen voor zijn schulden, die hij nakomt.
Hoewel het bewezenverklaarde in de onderhavige zaak een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur zoals opgelegd door de rechtbank zonder meer zou rechtvaardigen, acht het hof het in dit specifieke geval onwenselijk om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur op te leggen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verdachte gemotiveerd lijkt een andere wending aan zijn leven te geven en dat hij stappen aan het zetten is in de goede richting. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur zou deze voorzichtig positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte doorkruisen. Het hof acht dat onwenselijk.
Het hof zal om die reden een gevangenisstraf opleggen waarvan de duur van het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Het hof acht het wel raadzaam om naast de onvoorwaardelijke gevangenisstraf een forse voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met een proeftijd van twee jaren, in combinatie met een taakstraf.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Alles afwegende acht het hof – met de advocaat-generaal - een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 114 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, passend en geboden.
Volgens de berekening van het hof heeft de verdachte in totaal zes dagen in voorarrest doorgebracht. Het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf is van dezelfde duur.
Inleiding
primairhij in of omstreeks de periode van 9 november 2022 tot en met 16 november 2022 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, twee Gazelle fietsen en/of een boormachine en/of een televisie en/of een horloge en/of huissleutels en/of een Ralph Lauren jack en/of een WiFi camera, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;
2. subsidiairhij in of omstreeks de periode van 9 november 2022 tot en met 16 november 2022 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal twee Gazelle fietsen, althans een of meer goed(eren) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed/deze goederen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof(fen).
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 primair en feit 3 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 1 en feit 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
Zaak met parketnummer 02-158147-23: 2. primairhij in de periode van 7 februari 2023 tot en met 9 februari 2023 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, in een woning aan [adres 2] , in gebruik bij mevrouw [benadeelde 2] , wederrechtelijk is binnengedrongen;
3.hij in de periode van 3 februari 2023 tot en met 6 februari 2023 te [plaats] , opzettelijk een (elektrische) fiets (framenummer [framenummer] ), toebehorende aan [benadeelde 4] , en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als huurder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Zaak met parketnummer 02-158148-23:1.hij in de periode van 12 oktober 2022 tot en met 22 november 2022 te Numansdorp, gemeente Hoeksche Waard en Klundert en Oosterland en Hellevoetsluis en Hoogvliet en Oud-Beijerland, een groot aantal liters benzine (34,49 liter en 36,74 liter en 37,71 liter en 37,05 liter en 36,13 liter en 38,66 liter), die aan [benadeelde 5] en [benadeelde 6] en [benadeelde 7] en [benadeelde 8] en [benadeelde 9] en [benadeelde 10] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2. primairhij in de periode van 9 november 2022 tot en met 16 november 2022 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, twee Gazelle fietsen en een boormachine en een televisie en een horloge en huissleutels en een Ralph Lauren jack en een WiFi camera, die aan [benadeelde 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Algemene bewijsoverweging
Dictum
Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen van de inbraak en diefstal uit de vakantiewoning van [benadeelde 1] wettig en overtuigend bewezen.
Voor wat betreft de goederen die zijn gestolen gaat het hof uit van de verklaring van aangever [benadeelde 1] , nu deze verklaring op belangrijke onderdelen wordt ondersteund door verschillende andere bewijsmiddelen, te weten de verklaring van aangever [aangever 2] over de bij hem aangeboden fietsen en het proces-verbaal van forensisch onderzoek waaruit blijkt dat een losse tv-kabel (zonder tv) in de vakantiewoning van [benadeelde 1] is aangetroffen.Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.
Resumerend acht het hof bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 2 primair tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals hiervoor in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder 2 primair bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als volgt:
in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen.
Het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder 3 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als volgt:
verduistering.
Het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder 1 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als volgt:
diefstal,
meermalen gepleegd.
Het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder 2 primair bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als volgt:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De raadsman heeft, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, verzocht om
een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen al dan niet in combinatie met een taakstraf.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij samen met een ander goederen uit de vakantiewoning van [benadeelde 1] heeft gestolen en hij zich samen met die ander de toegang tot die woning heeft verschaft door middel van braak. Het is een feit van algemene bekendheid dat woninginbraken doorgaans niet alleen aanzienlijke financiële en/of materiële schade, maar ook overlast en ongemak voor de benadeelden met zich meebrengen. Bovendien hebben slachtoffers van een woninginbraak vaak nog lange tijd nadien last van gevoelens van angst en onveiligheid. Daarvan is ook in de onderhavige zaak gebleken. Het hof rekent dit de verdachte aan. Voorts heeft de verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het wederrechtelijk binnendringen van de vakantiewoning van [benadeelde 2] . Huisvredebreuk is een hinderlijk en overlast gevend feit waarbij er inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht en de privacy van een ander.Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan verduistering van een elektrische fiets. Een dergelijk feit brengt over het algemeen schade teweeg aan de eigenaar van het verduisterde goed en veroorzaakt overlast en ergernis bij de gedupeerde.
Ten slotte heeft de verdachte zich meermalen schuldig gemaakt aan brandstofdiefstal. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de eigendomsrechten van anderen. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 19 december 2024, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte. Uit dit uittreksel van 15 pagina’s blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde herhaaldelijk eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit. Voorts blijkt daaruit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij een fulltime baan heeft en een vaste woonplek waar hij ook ingeschreven staat. Hij en medeverdachte [medeverdachte] huren een kamer bij stichting [stichting] in Oud-Beijerland en zij staan ingeschreven voor een eigen woning. Voorts heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij een afbetalingsregeling heeft getroffen voor zijn schulden, die hij nakomt.
Hoewel het bewezenverklaarde in de onderhavige zaak een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur zoals opgelegd door de rechtbank zonder meer zou rechtvaardigen, acht het hof het in dit specifieke geval onwenselijk om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur op te leggen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verdachte gemotiveerd lijkt een andere wending aan zijn leven te geven en dat hij stappen aan het zetten is in de goede richting. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur zou deze voorzichtig positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte doorkruisen. Het hof acht dat onwenselijk.
Het hof zal om die reden een gevangenisstraf opleggen waarvan de duur van het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Het hof acht het wel raadzaam om naast de onvoorwaardelijke gevangenisstraf een forse voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met een proeftijd van twee jaren, in combinatie met een taakstraf.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Alles afwegende acht het hof – met de advocaat-generaal - een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 114 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, passend en geboden.
Volgens de berekening van het hof heeft de verdachte in totaal zes dagen in voorarrest doorgebracht. Het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf is van dezelfde duur.
Inleiding
primairhij in of omstreeks de periode van 9 november 2022 tot en met 16 november 2022 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, twee Gazelle fietsen en/of een boormachine en/of een televisie en/of een horloge en/of huissleutels en/of een Ralph Lauren jack en/of een WiFi camera, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;
2. subsidiairhij in of omstreeks de periode van 9 november 2022 tot en met 16 november 2022 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal twee Gazelle fietsen, althans een of meer goed(eren) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed/deze goederen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof(fen).
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 primair en feit 3 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 1 en feit 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
Zaak met parketnummer 02-158147-23: 2. primairhij in de periode van 7 februari 2023 tot en met 9 februari 2023 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, in een woning aan [adres 2] , in gebruik bij mevrouw [benadeelde 2] , wederrechtelijk is binnengedrongen;
3.hij in de periode van 3 februari 2023 tot en met 6 februari 2023 te [plaats] , opzettelijk een (elektrische) fiets (framenummer [framenummer] ), toebehorende aan [benadeelde 4] , en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als huurder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Zaak met parketnummer 02-158148-23:1.hij in de periode van 12 oktober 2022 tot en met 22 november 2022 te Numansdorp, gemeente Hoeksche Waard en Klundert en Oosterland en Hellevoetsluis en Hoogvliet en Oud-Beijerland, een groot aantal liters benzine (34,49 liter en 36,74 liter en 37,71 liter en 37,05 liter en 36,13 liter en 38,66 liter), die aan [benadeelde 5] en [benadeelde 6] en [benadeelde 7] en [benadeelde 8] en [benadeelde 9] en [benadeelde 10] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2. primairhij in de periode van 9 november 2022 tot en met 16 november 2022 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, twee Gazelle fietsen en een boormachine en een televisie en een horloge en huissleutels en een Ralph Lauren jack en een WiFi camera, die aan [benadeelde 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Algemene bewijsoverweging
Dictum
Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen van de inbraak en diefstal uit de vakantiewoning van [benadeelde 1] wettig en overtuigend bewezen.
Voor wat betreft de goederen die zijn gestolen gaat het hof uit van de verklaring van aangever [benadeelde 1] , nu deze verklaring op belangrijke onderdelen wordt ondersteund door verschillende andere bewijsmiddelen, te weten de verklaring van aangever [aangever 2] over de bij hem aangeboden fietsen en het proces-verbaal van forensisch onderzoek waaruit blijkt dat een losse tv-kabel (zonder tv) in de vakantiewoning van [benadeelde 1] is aangetroffen.Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.
Resumerend acht het hof bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 2 primair tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals hiervoor in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder 2 primair bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als volgt:
in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen.
Het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder 3 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als volgt:
verduistering.
Het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder 1 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als volgt:
diefstal,
meermalen gepleegd.
Het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder 2 primair bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als volgt:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De raadsman heeft, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, verzocht om
een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen al dan niet in combinatie met een taakstraf.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij samen met een ander goederen uit de vakantiewoning van [benadeelde 1] heeft gestolen en hij zich samen met die ander de toegang tot die woning heeft verschaft door middel van braak. Het is een feit van algemene bekendheid dat woninginbraken doorgaans niet alleen aanzienlijke financiële en/of materiële schade, maar ook overlast en ongemak voor de benadeelden met zich meebrengen. Bovendien hebben slachtoffers van een woninginbraak vaak nog lange tijd nadien last van gevoelens van angst en onveiligheid. Daarvan is ook in de onderhavige zaak gebleken. Het hof rekent dit de verdachte aan. Voorts heeft de verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het wederrechtelijk binnendringen van de vakantiewoning van [benadeelde 2] . Huisvredebreuk is een hinderlijk en overlast gevend feit waarbij er inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht en de privacy van een ander.Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan verduistering van een elektrische fiets. Een dergelijk feit brengt over het algemeen schade teweeg aan de eigenaar van het verduisterde goed en veroorzaakt overlast en ergernis bij de gedupeerde.
Ten slotte heeft de verdachte zich meermalen schuldig gemaakt aan brandstofdiefstal. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de eigendomsrechten van anderen. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 19 december 2024, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte. Uit dit uittreksel van 15 pagina’s blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde herhaaldelijk eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit. Voorts blijkt daaruit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij een fulltime baan heeft en een vaste woonplek waar hij ook ingeschreven staat. Hij en medeverdachte [medeverdachte] huren een kamer bij stichting [stichting] in Oud-Beijerland en zij staan ingeschreven voor een eigen woning. Voorts heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij een afbetalingsregeling heeft getroffen voor zijn schulden, die hij nakomt.
Hoewel het bewezenverklaarde in de onderhavige zaak een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur zoals opgelegd door de rechtbank zonder meer zou rechtvaardigen, acht het hof het in dit specifieke geval onwenselijk om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur op te leggen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verdachte gemotiveerd lijkt een andere wending aan zijn leven te geven en dat hij stappen aan het zetten is in de goede richting. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur zou deze voorzichtig positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte doorkruisen. Het hof acht dat onwenselijk.
Het hof zal om die reden een gevangenisstraf opleggen waarvan de duur van het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Het hof acht het wel raadzaam om naast de onvoorwaardelijke gevangenisstraf een forse voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met een proeftijd van twee jaren, in combinatie met een taakstraf.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Alles afwegende acht het hof – met de advocaat-generaal - een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 114 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, passend en geboden.
Volgens de berekening van het hof heeft de verdachte in totaal zes dagen in voorarrest doorgebracht. Het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf is van dezelfde duur.
Inleiding
primairhij in of omstreeks de periode van 9 november 2022 tot en met 16 november 2022 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, twee Gazelle fietsen en/of een boormachine en/of een televisie en/of een horloge en/of huissleutels en/of een Ralph Lauren jack en/of een WiFi camera, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;
2. subsidiairhij in of omstreeks de periode van 9 november 2022 tot en met 16 november 2022 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal twee Gazelle fietsen, althans een of meer goed(eren) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed/deze goederen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof(fen).
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 primair en feit 3 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 1 en feit 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
Zaak met parketnummer 02-158147-23: 2. primairhij in de periode van 7 februari 2023 tot en met 9 februari 2023 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, in een woning aan [adres 2] , in gebruik bij mevrouw [benadeelde 2] , wederrechtelijk is binnengedrongen;
3.hij in de periode van 3 februari 2023 tot en met 6 februari 2023 te [plaats] , opzettelijk een (elektrische) fiets (framenummer [framenummer] ), toebehorende aan [benadeelde 4] , en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als huurder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Zaak met parketnummer 02-158148-23:1.hij in de periode van 12 oktober 2022 tot en met 22 november 2022 te Numansdorp, gemeente Hoeksche Waard en Klundert en Oosterland en Hellevoetsluis en Hoogvliet en Oud-Beijerland, een groot aantal liters benzine (34,49 liter en 36,74 liter en 37,71 liter en 37,05 liter en 36,13 liter en 38,66 liter), die aan [benadeelde 5] en [benadeelde 6] en [benadeelde 7] en [benadeelde 8] en [benadeelde 9] en [benadeelde 10] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2. primairhij in de periode van 9 november 2022 tot en met 16 november 2022 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, twee Gazelle fietsen en een boormachine en een televisie en een horloge en huissleutels en een Ralph Lauren jack en een WiFi camera, die aan [benadeelde 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Algemene bewijsoverweging
Dictum
Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen van de inbraak en diefstal uit de vakantiewoning van [benadeelde 1] wettig en overtuigend bewezen.
Voor wat betreft de goederen die zijn gestolen gaat het hof uit van de verklaring van aangever [benadeelde 1] , nu deze verklaring op belangrijke onderdelen wordt ondersteund door verschillende andere bewijsmiddelen, te weten de verklaring van aangever [aangever 2] over de bij hem aangeboden fietsen en het proces-verbaal van forensisch onderzoek waaruit blijkt dat een losse tv-kabel (zonder tv) in de vakantiewoning van [benadeelde 1] is aangetroffen.Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.
Resumerend acht het hof bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 2 primair tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals hiervoor in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder 2 primair bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als volgt:
in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen.
Het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder 3 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als volgt:
verduistering.
Het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder 1 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als volgt:
diefstal,
meermalen gepleegd.
Het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder 2 primair bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als volgt:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De raadsman heeft, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, verzocht om
een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen al dan niet in combinatie met een taakstraf.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij samen met een ander goederen uit de vakantiewoning van [benadeelde 1] heeft gestolen en hij zich samen met die ander de toegang tot die woning heeft verschaft door middel van braak. Het is een feit van algemene bekendheid dat woninginbraken doorgaans niet alleen aanzienlijke financiële en/of materiële schade, maar ook overlast en ongemak voor de benadeelden met zich meebrengen. Bovendien hebben slachtoffers van een woninginbraak vaak nog lange tijd nadien last van gevoelens van angst en onveiligheid. Daarvan is ook in de onderhavige zaak gebleken. Het hof rekent dit de verdachte aan. Voorts heeft de verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het wederrechtelijk binnendringen van de vakantiewoning van [benadeelde 2] . Huisvredebreuk is een hinderlijk en overlast gevend feit waarbij er inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht en de privacy van een ander.Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan verduistering van een elektrische fiets. Een dergelijk feit brengt over het algemeen schade teweeg aan de eigenaar van het verduisterde goed en veroorzaakt overlast en ergernis bij de gedupeerde.
Ten slotte heeft de verdachte zich meermalen schuldig gemaakt aan brandstofdiefstal. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de eigendomsrechten van anderen. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 19 december 2024, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte. Uit dit uittreksel van 15 pagina’s blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde herhaaldelijk eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit. Voorts blijkt daaruit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij een fulltime baan heeft en een vaste woonplek waar hij ook ingeschreven staat. Hij en medeverdachte [medeverdachte] huren een kamer bij stichting [stichting] in Oud-Beijerland en zij staan ingeschreven voor een eigen woning. Voorts heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij een afbetalingsregeling heeft getroffen voor zijn schulden, die hij nakomt.
Hoewel het bewezenverklaarde in de onderhavige zaak een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur zoals opgelegd door de rechtbank zonder meer zou rechtvaardigen, acht het hof het in dit specifieke geval onwenselijk om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur op te leggen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verdachte gemotiveerd lijkt een andere wending aan zijn leven te geven en dat hij stappen aan het zetten is in de goede richting. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur zou deze voorzichtig positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte doorkruisen. Het hof acht dat onwenselijk.
Het hof zal om die reden een gevangenisstraf opleggen waarvan de duur van het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Het hof acht het wel raadzaam om naast de onvoorwaardelijke gevangenisstraf een forse voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met een proeftijd van twee jaren, in combinatie met een taakstraf.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Alles afwegende acht het hof – met de advocaat-generaal - een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 114 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, passend en geboden.
Volgens de berekening van het hof heeft de verdachte in totaal zes dagen in voorarrest doorgebracht. Het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf is van dezelfde duur.
Dictum
Dat betekent dat de verdachte na het onherroepelijk worden van dit arrest niet terug in detentie hoeft, tenzij hij zich gedurende de proeftijd opnieuw schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 tenlastegelegde een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.250,00, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het volledige bedrag van de vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering.
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de vordering te beperken tot het bedrag van € 400,00 dat de verdachte bereid is te vergoeden en voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 400,00 zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Het hof acht de gevorderde materiële schade voor het overige onvoldoende onderbouwd. Het zou in deze fase van het strafproces een onevenredige belasting van het strafgeding vormen indien de benadeelde partij in de gelegenheid zou worden gesteld nader bewijs bij te brengen. De benadeelde partij kan daarom thans in dat deel van de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
De verdachte zal voorts worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel t.b.v. [benadeelde 2]
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte onder feit 2 primair in de zaak met parketnummer 02-158147-23 rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 2] is toegebracht tot een bedrag van € 400,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 2 tenlastegelegde een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 3.661,00, bestaande uit materiële schade van € 2.061,00 en immateriële schade van € 1.600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De rechtbank heeft deze vordering bij vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 500,00, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 november 2022 en met hoofdelijke oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige is de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij te kennen gegeven dat hij zijn vordering tot schadevergoeding in hoger beroep handhaaft tot een bedrag van € 2.250,00, naar het hof begrijpt bestaande uit
€ 650,00 materiële schade en € 1.600,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vordering zal toewijzen tot een bedrag van € 750,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren.
De raadsman heeft in het verlengde van de door hem bepleite vrijspraak betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering dan wel de vordering dient te worden afgewezen.
Naar het oordeel van het hof staat vast dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 2 primair bewezenverklaarde heeft begaan en aldus onrechtmatig jegens de benadeelde partij heeft gehandeld. Hij is uit dien hoofde dan ook aansprakelijk voor schade die daardoor teweeg is gebracht.
Het hof acht de vordering ten aanzien van de gevorderde materiële schade onvoldoende onderbouwd. Het zou in deze fase van het strafproces een onevenredige belasting van het strafgeding vormen indien de benadeelde partij in de gelegenheid zou worden gesteld nader bewijs bij te brengen. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft gesteld daarnaast immateriële schade in de vorm van psychisch leed te hebben opgelopen als gevolg van de bewezenverklaarde diefstal door middel van braak uit zijn vakantiewoning.
Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie onder meer het arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793), is van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon op andere wijze in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Dictum
Dat betekent dat de verdachte na het onherroepelijk worden van dit arrest niet terug in detentie hoeft, tenzij hij zich gedurende de proeftijd opnieuw schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 tenlastegelegde een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.250,00, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het volledige bedrag van de vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering.
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de vordering te beperken tot het bedrag van € 400,00 dat de verdachte bereid is te vergoeden en voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 400,00 zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Het hof acht de gevorderde materiële schade voor het overige onvoldoende onderbouwd. Het zou in deze fase van het strafproces een onevenredige belasting van het strafgeding vormen indien de benadeelde partij in de gelegenheid zou worden gesteld nader bewijs bij te brengen. De benadeelde partij kan daarom thans in dat deel van de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
De verdachte zal voorts worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel t.b.v. [benadeelde 2]
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte onder feit 2 primair in de zaak met parketnummer 02-158147-23 rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 2] is toegebracht tot een bedrag van € 400,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 2 tenlastegelegde een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 3.661,00, bestaande uit materiële schade van € 2.061,00 en immateriële schade van € 1.600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De rechtbank heeft deze vordering bij vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 500,00, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 november 2022 en met hoofdelijke oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige is de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij te kennen gegeven dat hij zijn vordering tot schadevergoeding in hoger beroep handhaaft tot een bedrag van € 2.250,00, naar het hof begrijpt bestaande uit
€ 650,00 materiële schade en € 1.600,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vordering zal toewijzen tot een bedrag van € 750,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren.
De raadsman heeft in het verlengde van de door hem bepleite vrijspraak betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering dan wel de vordering dient te worden afgewezen.
Naar het oordeel van het hof staat vast dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 2 primair bewezenverklaarde heeft begaan en aldus onrechtmatig jegens de benadeelde partij heeft gehandeld. Hij is uit dien hoofde dan ook aansprakelijk voor schade die daardoor teweeg is gebracht.
Het hof acht de vordering ten aanzien van de gevorderde materiële schade onvoldoende onderbouwd. Het zou in deze fase van het strafproces een onevenredige belasting van het strafgeding vormen indien de benadeelde partij in de gelegenheid zou worden gesteld nader bewijs bij te brengen. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft gesteld daarnaast immateriële schade in de vorm van psychisch leed te hebben opgelopen als gevolg van de bewezenverklaarde diefstal door middel van braak uit zijn vakantiewoning.
Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie onder meer het arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793), is van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon op andere wijze in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Dictum
Dat betekent dat de verdachte na het onherroepelijk worden van dit arrest niet terug in detentie hoeft, tenzij hij zich gedurende de proeftijd opnieuw schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 tenlastegelegde een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.250,00, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het volledige bedrag van de vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering.
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de vordering te beperken tot het bedrag van € 400,00 dat de verdachte bereid is te vergoeden en voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 400,00 zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Het hof acht de gevorderde materiële schade voor het overige onvoldoende onderbouwd. Het zou in deze fase van het strafproces een onevenredige belasting van het strafgeding vormen indien de benadeelde partij in de gelegenheid zou worden gesteld nader bewijs bij te brengen. De benadeelde partij kan daarom thans in dat deel van de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
De verdachte zal voorts worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel t.b.v. [benadeelde 2]
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte onder feit 2 primair in de zaak met parketnummer 02-158147-23 rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 2] is toegebracht tot een bedrag van € 400,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 2 tenlastegelegde een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 3.661,00, bestaande uit materiële schade van € 2.061,00 en immateriële schade van € 1.600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De rechtbank heeft deze vordering bij vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 500,00, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 november 2022 en met hoofdelijke oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige is de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij te kennen gegeven dat hij zijn vordering tot schadevergoeding in hoger beroep handhaaft tot een bedrag van € 2.250,00, naar het hof begrijpt bestaande uit
€ 650,00 materiële schade en € 1.600,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vordering zal toewijzen tot een bedrag van € 750,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren.
De raadsman heeft in het verlengde van de door hem bepleite vrijspraak betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering dan wel de vordering dient te worden afgewezen.
Naar het oordeel van het hof staat vast dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 2 primair bewezenverklaarde heeft begaan en aldus onrechtmatig jegens de benadeelde partij heeft gehandeld. Hij is uit dien hoofde dan ook aansprakelijk voor schade die daardoor teweeg is gebracht.
Het hof acht de vordering ten aanzien van de gevorderde materiële schade onvoldoende onderbouwd. Het zou in deze fase van het strafproces een onevenredige belasting van het strafgeding vormen indien de benadeelde partij in de gelegenheid zou worden gesteld nader bewijs bij te brengen. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft gesteld daarnaast immateriële schade in de vorm van psychisch leed te hebben opgelopen als gevolg van de bewezenverklaarde diefstal door middel van braak uit zijn vakantiewoning.
Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie onder meer het arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793), is van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon op andere wijze in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Dictum
Dat betekent dat de verdachte na het onherroepelijk worden van dit arrest niet terug in detentie hoeft, tenzij hij zich gedurende de proeftijd opnieuw schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 tenlastegelegde een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.250,00, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het volledige bedrag van de vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering.
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de vordering te beperken tot het bedrag van € 400,00 dat de verdachte bereid is te vergoeden en voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 400,00 zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Het hof acht de gevorderde materiële schade voor het overige onvoldoende onderbouwd. Het zou in deze fase van het strafproces een onevenredige belasting van het strafgeding vormen indien de benadeelde partij in de gelegenheid zou worden gesteld nader bewijs bij te brengen. De benadeelde partij kan daarom thans in dat deel van de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
De verdachte zal voorts worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel t.b.v. [benadeelde 2]
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte onder feit 2 primair in de zaak met parketnummer 02-158147-23 rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 2] is toegebracht tot een bedrag van € 400,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 2 tenlastegelegde een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 3.661,00, bestaande uit materiële schade van € 2.061,00 en immateriële schade van € 1.600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De rechtbank heeft deze vordering bij vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 500,00, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 november 2022 en met hoofdelijke oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige is de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij te kennen gegeven dat hij zijn vordering tot schadevergoeding in hoger beroep handhaaft tot een bedrag van € 2.250,00, naar het hof begrijpt bestaande uit
€ 650,00 materiële schade en € 1.600,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vordering zal toewijzen tot een bedrag van € 750,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren.
De raadsman heeft in het verlengde van de door hem bepleite vrijspraak betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering dan wel de vordering dient te worden afgewezen.
Naar het oordeel van het hof staat vast dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 2 primair bewezenverklaarde heeft begaan en aldus onrechtmatig jegens de benadeelde partij heeft gehandeld. Hij is uit dien hoofde dan ook aansprakelijk voor schade die daardoor teweeg is gebracht.
Het hof acht de vordering ten aanzien van de gevorderde materiële schade onvoldoende onderbouwd. Het zou in deze fase van het strafproces een onevenredige belasting van het strafgeding vormen indien de benadeelde partij in de gelegenheid zou worden gesteld nader bewijs bij te brengen. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft gesteld daarnaast immateriële schade in de vorm van psychisch leed te hebben opgelopen als gevolg van de bewezenverklaarde diefstal door middel van braak uit zijn vakantiewoning.
Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie onder meer het arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793), is van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon op andere wijze in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Dictum
Dat betekent dat de verdachte na het onherroepelijk worden van dit arrest niet terug in detentie hoeft, tenzij hij zich gedurende de proeftijd opnieuw schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 tenlastegelegde een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.250,00, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het volledige bedrag van de vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering.
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de vordering te beperken tot het bedrag van € 400,00 dat de verdachte bereid is te vergoeden en voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 400,00 zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Het hof acht de gevorderde materiële schade voor het overige onvoldoende onderbouwd. Het zou in deze fase van het strafproces een onevenredige belasting van het strafgeding vormen indien de benadeelde partij in de gelegenheid zou worden gesteld nader bewijs bij te brengen. De benadeelde partij kan daarom thans in dat deel van de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
De verdachte zal voorts worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel t.b.v. [benadeelde 2]
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte onder feit 2 primair in de zaak met parketnummer 02-158147-23 rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 2] is toegebracht tot een bedrag van € 400,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 2 tenlastegelegde een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 3.661,00, bestaande uit materiële schade van € 2.061,00 en immateriële schade van € 1.600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De rechtbank heeft deze vordering bij vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 500,00, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 november 2022 en met hoofdelijke oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige is de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij te kennen gegeven dat hij zijn vordering tot schadevergoeding in hoger beroep handhaaft tot een bedrag van € 2.250,00, naar het hof begrijpt bestaande uit
€ 650,00 materiële schade en € 1.600,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vordering zal toewijzen tot een bedrag van € 750,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren.
De raadsman heeft in het verlengde van de door hem bepleite vrijspraak betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering dan wel de vordering dient te worden afgewezen.
Naar het oordeel van het hof staat vast dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 2 primair bewezenverklaarde heeft begaan en aldus onrechtmatig jegens de benadeelde partij heeft gehandeld. Hij is uit dien hoofde dan ook aansprakelijk voor schade die daardoor teweeg is gebracht.
Het hof acht de vordering ten aanzien van de gevorderde materiële schade onvoldoende onderbouwd. Het zou in deze fase van het strafproces een onevenredige belasting van het strafgeding vormen indien de benadeelde partij in de gelegenheid zou worden gesteld nader bewijs bij te brengen. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft gesteld daarnaast immateriële schade in de vorm van psychisch leed te hebben opgelopen als gevolg van de bewezenverklaarde diefstal door middel van braak uit zijn vakantiewoning.
Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie onder meer het arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793), is van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon op andere wijze in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Dictum
Dat betekent dat de verdachte na het onherroepelijk worden van dit arrest niet terug in detentie hoeft, tenzij hij zich gedurende de proeftijd opnieuw schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 tenlastegelegde een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.250,00, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het volledige bedrag van de vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering.
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de vordering te beperken tot het bedrag van € 400,00 dat de verdachte bereid is te vergoeden en voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van het in de zaak met parketnummer 02-158147-23 onder feit 2 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 400,00 zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Het hof acht de gevorderde materiële schade voor het overige onvoldoende onderbouwd. Het zou in deze fase van het strafproces een onevenredige belasting van het strafgeding vormen indien de benadeelde partij in de gelegenheid zou worden gesteld nader bewijs bij te brengen. De benadeelde partij kan daarom thans in dat deel van de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
De verdachte zal voorts worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel t.b.v. [benadeelde 2]
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte onder feit 2 primair in de zaak met parketnummer 02-158147-23 rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 2] is toegebracht tot een bedrag van € 400,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 2 tenlastegelegde een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 3.661,00, bestaande uit materiële schade van € 2.061,00 en immateriële schade van € 1.600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De rechtbank heeft deze vordering bij vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 500,00, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 november 2022 en met hoofdelijke oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige is de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij te kennen gegeven dat hij zijn vordering tot schadevergoeding in hoger beroep handhaaft tot een bedrag van € 2.250,00, naar het hof begrijpt bestaande uit
€ 650,00 materiële schade en € 1.600,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vordering zal toewijzen tot een bedrag van € 750,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren.
De raadsman heeft in het verlengde van de door hem bepleite vrijspraak betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering dan wel de vordering dient te worden afgewezen.
Naar het oordeel van het hof staat vast dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-158148-23 onder feit 2 primair bewezenverklaarde heeft begaan en aldus onrechtmatig jegens de benadeelde partij heeft gehandeld. Hij is uit dien hoofde dan ook aansprakelijk voor schade die daardoor teweeg is gebracht.
Het hof acht de vordering ten aanzien van de gevorderde materiële schade onvoldoende onderbouwd. Het zou in deze fase van het strafproces een onevenredige belasting van het strafgeding vormen indien de benadeelde partij in de gelegenheid zou worden gesteld nader bewijs bij te brengen. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft gesteld daarnaast immateriële schade in de vorm van psychisch leed te hebben opgelopen als gevolg van de bewezenverklaarde diefstal door middel van braak uit zijn vakantiewoning.
Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie onder meer het arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793), is van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon op andere wijze in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.