Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-24
ECLI:NL:GHSHE:2025:2341
Strafrecht
Hoger beroep
7,122 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-000764-24
Uitspraak : 24 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 20 februari 2024, parketnummer
02-292150-23 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummers
02-105300-23 en 20-001666-22, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van medeplegen van overtreding van artikel 2.2, achtste lid van de Wet Dieren bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van een maand en een houdverbod voor dieren voor de duur van 5 jaren. De politierechter heeft dit houdverbod dadelijk uitvoerbaar verklaard.
Daarnaast heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van de onder parketnummer
02-105300-23 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken en de onder parketnummer 20-001666-22 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in haar hoger beroep.
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte ontvankelijk is in haar hoger beroep.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
In het dossier bevindt zich een akte waarin is vermeld dat de oproeping van de verdachte om te verschijnen ter terechtzitting in eerste aanleg van 20 februari 2024, op 23 november 2023 aan een ander dan de verdachte is uitgereikt. Op deze akte is echter bij voorletters en naam van de ontvanger van de oproeping met de hand geschreven: ‘ [verdachte] ’ en is een handtekening gezet voor ontvangst van de oproeping, waarin leesbaar de voorletter van de verdachte en de door haar gevoerde achternaam waarvan niet is betwist dat dit de handtekening van de verdachte betreft. De akte vermeldt als adres van de verdachte:
[adres] . In het dossier bevindt zich een op de verdachte betrekking hebbende Informatiestaat SKDB-persoon van 8 januari 2025 waarin dit adres als BRP-adres van de verdachte is vermeld, met als ingangsdatum 5 december 2013.
Gelet op het bovenstaande ziet het hof geen aanleiding om eraan te twijfelen dat de verdachte zelf haar naam en voorletters op de akte van uitreiking heeft geschreven en dat zij derhalve ook degene is geweest die voor ontvangst van de oproeping heeft getekend. Daaruit trekt het hof de conclusie dat de oproeping om te verschijnen op de zitting van
20 februari 2024 aan de verdachte in persoon is uitgereikt.
Bij vonnis van 20 februari 2024 heeft de politierechter de verdachte bij verstek veroordeeld. Op 13 maart 2024 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Ingevolge artikel 408, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering kon de verdachte, nu de oproeping om op de zitting in eerste aanleg te verschijnen in persoon aan haar was uitgereikt, gedurende veertien dagen na 20 februari 2024 tegen het vonnis hoger beroep instellen. Het hoger beroep is pas na het verstrijken van de termijn van veertien dagen, te weten op 13 maart 2024, ingesteld. Nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn, kan de verdachte niet in het hoger beroep worden ontvangen.
Dictum
Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Aldus gewezen door:
mr. dr. M.J.M.A. van der Put, voorzitter,
mr. R. Lonterman en mr. C.N.G.M. Starmans, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 24 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. C.N.G.M. Starmans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-000764-24
Uitspraak : 24 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 20 februari 2024, parketnummer
02-292150-23 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummers
02-105300-23 en 20-001666-22, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van medeplegen van overtreding van artikel 2.2, achtste lid van de Wet Dieren bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van een maand en een houdverbod voor dieren voor de duur van 5 jaren. De politierechter heeft dit houdverbod dadelijk uitvoerbaar verklaard.
Daarnaast heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van de onder parketnummer
02-105300-23 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken en de onder parketnummer 20-001666-22 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in haar hoger beroep.
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte ontvankelijk is in haar hoger beroep.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
In het dossier bevindt zich een akte waarin is vermeld dat de oproeping van de verdachte om te verschijnen ter terechtzitting in eerste aanleg van 20 februari 2024, op 23 november 2023 aan een ander dan de verdachte is uitgereikt. Op deze akte is echter bij voorletters en naam van de ontvanger van de oproeping met de hand geschreven: ‘ [verdachte] ’ en is een handtekening gezet voor ontvangst van de oproeping, waarin leesbaar de voorletter van de verdachte en de door haar gevoerde achternaam waarvan niet is betwist dat dit de handtekening van de verdachte betreft. De akte vermeldt als adres van de verdachte:
[adres] . In het dossier bevindt zich een op de verdachte betrekking hebbende Informatiestaat SKDB-persoon van 8 januari 2025 waarin dit adres als BRP-adres van de verdachte is vermeld, met als ingangsdatum 5 december 2013.
Gelet op het bovenstaande ziet het hof geen aanleiding om eraan te twijfelen dat de verdachte zelf haar naam en voorletters op de akte van uitreiking heeft geschreven en dat zij derhalve ook degene is geweest die voor ontvangst van de oproeping heeft getekend. Daaruit trekt het hof de conclusie dat de oproeping om te verschijnen op de zitting van
20 februari 2024 aan de verdachte in persoon is uitgereikt.
Bij vonnis van 20 februari 2024 heeft de politierechter de verdachte bij verstek veroordeeld. Op 13 maart 2024 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Ingevolge artikel 408, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering kon de verdachte, nu de oproeping om op de zitting in eerste aanleg te verschijnen in persoon aan haar was uitgereikt, gedurende veertien dagen na 20 februari 2024 tegen het vonnis hoger beroep instellen. Het hoger beroep is pas na het verstrijken van de termijn van veertien dagen, te weten op 13 maart 2024, ingesteld. Nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn, kan de verdachte niet in het hoger beroep worden ontvangen.
Dictum
Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Aldus gewezen door:
mr. dr. M.J.M.A. van der Put, voorzitter,
mr. R. Lonterman en mr. C.N.G.M. Starmans, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 24 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. C.N.G.M. Starmans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-000764-24
Uitspraak : 24 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 20 februari 2024, parketnummer
02-292150-23 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummers
02-105300-23 en 20-001666-22, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van medeplegen van overtreding van artikel 2.2, achtste lid van de Wet Dieren bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van een maand en een houdverbod voor dieren voor de duur van 5 jaren. De politierechter heeft dit houdverbod dadelijk uitvoerbaar verklaard.
Daarnaast heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van de onder parketnummer
02-105300-23 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken en de onder parketnummer 20-001666-22 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in haar hoger beroep.
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte ontvankelijk is in haar hoger beroep.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
In het dossier bevindt zich een akte waarin is vermeld dat de oproeping van de verdachte om te verschijnen ter terechtzitting in eerste aanleg van 20 februari 2024, op 23 november 2023 aan een ander dan de verdachte is uitgereikt. Op deze akte is echter bij voorletters en naam van de ontvanger van de oproeping met de hand geschreven: ‘ [verdachte] ’ en is een handtekening gezet voor ontvangst van de oproeping, waarin leesbaar de voorletter van de verdachte en de door haar gevoerde achternaam waarvan niet is betwist dat dit de handtekening van de verdachte betreft. De akte vermeldt als adres van de verdachte:
[adres] . In het dossier bevindt zich een op de verdachte betrekking hebbende Informatiestaat SKDB-persoon van 8 januari 2025 waarin dit adres als BRP-adres van de verdachte is vermeld, met als ingangsdatum 5 december 2013.
Gelet op het bovenstaande ziet het hof geen aanleiding om eraan te twijfelen dat de verdachte zelf haar naam en voorletters op de akte van uitreiking heeft geschreven en dat zij derhalve ook degene is geweest die voor ontvangst van de oproeping heeft getekend. Daaruit trekt het hof de conclusie dat de oproeping om te verschijnen op de zitting van
20 februari 2024 aan de verdachte in persoon is uitgereikt.
Bij vonnis van 20 februari 2024 heeft de politierechter de verdachte bij verstek veroordeeld. Op 13 maart 2024 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Ingevolge artikel 408, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering kon de verdachte, nu de oproeping om op de zitting in eerste aanleg te verschijnen in persoon aan haar was uitgereikt, gedurende veertien dagen na 20 februari 2024 tegen het vonnis hoger beroep instellen. Het hoger beroep is pas na het verstrijken van de termijn van veertien dagen, te weten op 13 maart 2024, ingesteld. Nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn, kan de verdachte niet in het hoger beroep worden ontvangen.
Dictum
Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Aldus gewezen door:
mr. dr. M.J.M.A. van der Put, voorzitter,
mr. R. Lonterman en mr. C.N.G.M. Starmans, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 24 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. C.N.G.M. Starmans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-000764-24
Uitspraak : 24 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 20 februari 2024, parketnummer
02-292150-23 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummers
02-105300-23 en 20-001666-22, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van medeplegen van overtreding van artikel 2.2, achtste lid van de Wet Dieren bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van een maand en een houdverbod voor dieren voor de duur van 5 jaren. De politierechter heeft dit houdverbod dadelijk uitvoerbaar verklaard.
Daarnaast heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van de onder parketnummer
02-105300-23 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken en de onder parketnummer 20-001666-22 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in haar hoger beroep.
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte ontvankelijk is in haar hoger beroep.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
In het dossier bevindt zich een akte waarin is vermeld dat de oproeping van de verdachte om te verschijnen ter terechtzitting in eerste aanleg van 20 februari 2024, op 23 november 2023 aan een ander dan de verdachte is uitgereikt. Op deze akte is echter bij voorletters en naam van de ontvanger van de oproeping met de hand geschreven: ‘ [verdachte] ’ en is een handtekening gezet voor ontvangst van de oproeping, waarin leesbaar de voorletter van de verdachte en de door haar gevoerde achternaam waarvan niet is betwist dat dit de handtekening van de verdachte betreft. De akte vermeldt als adres van de verdachte:
[adres] . In het dossier bevindt zich een op de verdachte betrekking hebbende Informatiestaat SKDB-persoon van 8 januari 2025 waarin dit adres als BRP-adres van de verdachte is vermeld, met als ingangsdatum 5 december 2013.
Gelet op het bovenstaande ziet het hof geen aanleiding om eraan te twijfelen dat de verdachte zelf haar naam en voorletters op de akte van uitreiking heeft geschreven en dat zij derhalve ook degene is geweest die voor ontvangst van de oproeping heeft getekend. Daaruit trekt het hof de conclusie dat de oproeping om te verschijnen op de zitting van
20 februari 2024 aan de verdachte in persoon is uitgereikt.
Bij vonnis van 20 februari 2024 heeft de politierechter de verdachte bij verstek veroordeeld. Op 13 maart 2024 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Ingevolge artikel 408, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering kon de verdachte, nu de oproeping om op de zitting in eerste aanleg te verschijnen in persoon aan haar was uitgereikt, gedurende veertien dagen na 20 februari 2024 tegen het vonnis hoger beroep instellen. Het hoger beroep is pas na het verstrijken van de termijn van veertien dagen, te weten op 13 maart 2024, ingesteld. Nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn, kan de verdachte niet in het hoger beroep worden ontvangen.
Dictum
Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Aldus gewezen door:
mr. dr. M.J.M.A. van der Put, voorzitter,
mr. R. Lonterman en mr. C.N.G.M. Starmans, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 24 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. C.N.G.M. Starmans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-000764-24
Uitspraak : 24 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 20 februari 2024, parketnummer
02-292150-23 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummers
02-105300-23 en 20-001666-22, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van medeplegen van overtreding van artikel 2.2, achtste lid van de Wet Dieren bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van een maand en een houdverbod voor dieren voor de duur van 5 jaren. De politierechter heeft dit houdverbod dadelijk uitvoerbaar verklaard.
Daarnaast heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van de onder parketnummer
02-105300-23 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken en de onder parketnummer 20-001666-22 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in haar hoger beroep.
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte ontvankelijk is in haar hoger beroep.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
In het dossier bevindt zich een akte waarin is vermeld dat de oproeping van de verdachte om te verschijnen ter terechtzitting in eerste aanleg van 20 februari 2024, op 23 november 2023 aan een ander dan de verdachte is uitgereikt. Op deze akte is echter bij voorletters en naam van de ontvanger van de oproeping met de hand geschreven: ‘ [verdachte] ’ en is een handtekening gezet voor ontvangst van de oproeping, waarin leesbaar de voorletter van de verdachte en de door haar gevoerde achternaam waarvan niet is betwist dat dit de handtekening van de verdachte betreft. De akte vermeldt als adres van de verdachte:
[adres] . In het dossier bevindt zich een op de verdachte betrekking hebbende Informatiestaat SKDB-persoon van 8 januari 2025 waarin dit adres als BRP-adres van de verdachte is vermeld, met als ingangsdatum 5 december 2013.
Gelet op het bovenstaande ziet het hof geen aanleiding om eraan te twijfelen dat de verdachte zelf haar naam en voorletters op de akte van uitreiking heeft geschreven en dat zij derhalve ook degene is geweest die voor ontvangst van de oproeping heeft getekend. Daaruit trekt het hof de conclusie dat de oproeping om te verschijnen op de zitting van
20 februari 2024 aan de verdachte in persoon is uitgereikt.
Bij vonnis van 20 februari 2024 heeft de politierechter de verdachte bij verstek veroordeeld. Op 13 maart 2024 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Ingevolge artikel 408, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering kon de verdachte, nu de oproeping om op de zitting in eerste aanleg te verschijnen in persoon aan haar was uitgereikt, gedurende veertien dagen na 20 februari 2024 tegen het vonnis hoger beroep instellen. Het hoger beroep is pas na het verstrijken van de termijn van veertien dagen, te weten op 13 maart 2024, ingesteld. Nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn, kan de verdachte niet in het hoger beroep worden ontvangen.
Dictum
Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Aldus gewezen door:
mr. dr. M.J.M.A. van der Put, voorzitter,
mr. R. Lonterman en mr. C.N.G.M. Starmans, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 24 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. C.N.G.M. Starmans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-000764-24
Uitspraak : 24 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 20 februari 2024, parketnummer
02-292150-23 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummers
02-105300-23 en 20-001666-22, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van medeplegen van overtreding van artikel 2.2, achtste lid van de Wet Dieren bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van een maand en een houdverbod voor dieren voor de duur van 5 jaren. De politierechter heeft dit houdverbod dadelijk uitvoerbaar verklaard.
Daarnaast heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van de onder parketnummer
02-105300-23 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken en de onder parketnummer 20-001666-22 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in haar hoger beroep.
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte ontvankelijk is in haar hoger beroep.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
In het dossier bevindt zich een akte waarin is vermeld dat de oproeping van de verdachte om te verschijnen ter terechtzitting in eerste aanleg van 20 februari 2024, op 23 november 2023 aan een ander dan de verdachte is uitgereikt. Op deze akte is echter bij voorletters en naam van de ontvanger van de oproeping met de hand geschreven: ‘ [verdachte] ’ en is een handtekening gezet voor ontvangst van de oproeping, waarin leesbaar de voorletter van de verdachte en de door haar gevoerde achternaam waarvan niet is betwist dat dit de handtekening van de verdachte betreft. De akte vermeldt als adres van de verdachte:
[adres] . In het dossier bevindt zich een op de verdachte betrekking hebbende Informatiestaat SKDB-persoon van 8 januari 2025 waarin dit adres als BRP-adres van de verdachte is vermeld, met als ingangsdatum 5 december 2013.
Gelet op het bovenstaande ziet het hof geen aanleiding om eraan te twijfelen dat de verdachte zelf haar naam en voorletters op de akte van uitreiking heeft geschreven en dat zij derhalve ook degene is geweest die voor ontvangst van de oproeping heeft getekend. Daaruit trekt het hof de conclusie dat de oproeping om te verschijnen op de zitting van
20 februari 2024 aan de verdachte in persoon is uitgereikt.
Bij vonnis van 20 februari 2024 heeft de politierechter de verdachte bij verstek veroordeeld. Op 13 maart 2024 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Ingevolge artikel 408, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering kon de verdachte, nu de oproeping om op de zitting in eerste aanleg te verschijnen in persoon aan haar was uitgereikt, gedurende veertien dagen na 20 februari 2024 tegen het vonnis hoger beroep instellen. Het hoger beroep is pas na het verstrijken van de termijn van veertien dagen, te weten op 13 maart 2024, ingesteld. Nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn, kan de verdachte niet in het hoger beroep worden ontvangen.
Dictum
Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Aldus gewezen door:
mr. dr. M.J.M.A. van der Put, voorzitter,
mr. R. Lonterman en mr. C.N.G.M. Starmans, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 24 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. C.N.G.M. Starmans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.