Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-25
ECLI:NL:GHSHE:2025:2339
Strafrecht
Hoger beroep
28,206 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-001356-24
Uitspraak : 25 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 8 mei 2024, in de strafzaak met parketnummer 16-077774-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1957,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte veroordeeld ter zake van ‘met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueelbinnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd’ (feit 1 primair) en ‘door giften of beloften van geld een persoon waarvan hij weet dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen van hem te dulden, meermalen gepleegd’ (feit 2) tot een gevangenisstraf van 18 maanden. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij van € 5.500,00 ter zake van immateriële schade geheel toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 juli 2018 en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte is veroordeeld in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot aan de datum van het vonnis begroot op nihil.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte en namens de benadeelde partij naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis integraal wordt bevestigd.
De raadsman heeft primair partiële vrijspraak van feit 1 primair (ten aanzien van gedachtestreepje 3: het brengen/duwen van de penis in de vagina) en integrale vrijspraak van feit 2 verzocht. Indien het hof toch tot een bewezenverklaring van feit 2 komt heeft de raadsman verzocht de verdachte ook hiervan partieel (ten aanzien van gedachtestreepje 3: het brengen/duwen van de penis in de vagina) vrij te spreken. Daarnaast heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de raadsman bepleit dat, nu het causale verband tussen de aan de verdachte verweten gedragingen en de gestelde schade niet goed is vast te stellen, het hof gebruik maakt van zijn schattingsbevoegdheid en de gevorderde immateriële schade matigt.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:
1.primairhij in op of omstreeks de periode van 13 juni 2018 tot en met 1 september 2018 te Geldrop en/of te Eindhoven, althans in Nederland, en/of in Bree, althans in België, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten (telkens)
het likken van de vagina/schaamlippen van die [slachtoffer] en/of
het brengen/duwen van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of
het brengen/duwen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] ;
1. subsidiairhij in op of omstreeks de periode van 13 juni 2018 tot en met 1 september 2018 te Geldrop en/of Eindhoven, althans in Nederland, en/of in Bree, althans in België, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten (telkens)
het likken van de vagina/schaamlippen van die [slachtoffer] en/of
het betasten van de vagina/schaamlippen van die [slachtoffer] ;
2.hij in op of omstreeks de periode van 13 juni 2018 tot en met 1 september 2018 te Geldrop en/of te Eindhoven, althans in Nederland, en/of in Bree, althans in België, door giften en/of beloften van geld en/of goed en/of misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misleiding, te weten door het (telkens) geven van (contant) geld, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , van wie hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, opzettelijk heeft bewogen een of meer ontuchtige handelingen te plegen en/of van verdachte te dulden, te weten (telkens)
het likken van de vagina/schaamlippen van die [slachtoffer] en/of
het brengen/duwen van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of - het brengen/duwen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] .
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Partiële vrijspraak
De raadsman heeft zich in hoger beroep overeenkomstig zijn ter terechtzitting overgelegde pleitnota op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de handeling zoals beschreven onder het derde gedachtestreepje van de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten (telkens: het brengen/duwen van de penis in de vagina).
Het hof overweegt als volgt.
Uit de inhoud van de bewijsmiddelen heeft het hof niet de overtuiging bekomen dat de verdachte bij aangeefster met zijn penis is binnengedrongen. Het hof spreekt de verdachte daarom van deze gedraging, zoals tenlastegelegd onder de feiten 1 en 2, vrij. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte vanaf zijn eerste politieverhoor heeft bekend dat hij aangeefster heeft gevingerd en gebeft, maar steevast heeft ontkend dat hij met zijn penis haar vagina is binnengedrongen. De aangeefster heeft over deze laatste gedraging wel verklaard. Over de wijze waarop dit binnendringen zou zijn gegaan en over de momenten waarop dit tijdens ontmoetingen met de verdachte zou zijn gebeurd, verklaart zij echter wisselend. Het hof twijfelt daardoor aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster op dit punt. In de app-gesprekken tussen de verdachte en aangeefster die zich in het dossier bevinden en waarin onder meer door aangeefster over “hyperventilatie tijdens het vrijen” wordt gesproken en door verdachte wordt gezegd “volgende keer (…) neuk ik je diep en lang” ziet het hof onvoldoende steun om tot een bewezenverklaring van het seksueel binnendringen met de penis te komen. De bewoordingen sluiten naar het oordeel van het hof namelijk niet uit dat ten tijde van die berichtgeving de seksuele handelingen die wel plaats hebben gevonden, beperkt zijn gebleven tot het eerder genoemde, en door de verdachte erkende vingeren en beffen van aangeefster.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.
Feiten
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van:
door giften of beloften van geld of goed een persoon waarvan hij weet dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen van hem te dulden, meermalen gepleegd (feit 2),
en
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd (feit 1 primair)’.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige tegen betaling. De destijds 61-jarige verdachte heeft bewust seksafspraken gemaakt met een meisje dat slechts 14 jaren oud was. Zij bood die seks aan tegen betaling via een datingapp, maar gelet op haar jeugdige leeftijd had de verdachte daar gewoonweg niet op mogen ingaan. De wetsbepalingen die de verdachte heeft overtreden, strekken ertoe jeugdigen juist te beschermen tegen seksuele toenadering door volwassenen, en dienen overigens ook ter bescherming tegen zichzelf. Geestelijk en lichamelijk zijn jeugdigen immers doorgaans nog niet rijp voor die seks, en er mag van worden uitgegaan dat zij nog niet kunnen overzien welke negatieve gevolgen dergelijk, in ieder geval ongelijkwaardig, seksueel contact -zoals in deze zaak- voor hun (seksuele) ontwikkeling kan hebben. Zodra volwassenen aan dit aspect voorbijgaan en toch seksuele handelingen plegen met een jeugdige, schenden zij de lichamelijke en geestelijke integriteit van die jeugdige, hetgeen de verdachte ook heeft gedaan. In plaats van het slachtoffer te weerhouden van haar voornemen seks met vreemden te hebben in ruil voor geld, heeft de verdachte enkel oog gehad voor zijn eigen lustgevoelens en bood hij haar aanzienlijke bedragen voor het maken van seksafspraken. Vervolgens is het ook daadwerkelijk twee keer tot seksafspraken gekomen, waarbij de verdachte het slachtoffer heeft gevingerd en gebeft.
Het slachtoffer, dat al kwetsbaar was, ondervindt nog steeds de ernstige gevolgen van de strafbare gedragingen van de verdachte. Zij heeft aan haar ontmoetingen met de verdachte een trauma overgehouden. Ze schrijft daarover ook in haar slachtofferverklaring: “Ik had totaal geen benul van het feit dat deze gebeurtenis mij psychisch zo zou gaan beschadigen”. Daarmee wordt eens te meer duidelijk waarom het handelen van de verdachte strafbaar is en dat de verdachte een fors verwijt treft.
Blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie (strafblad) betreffende de verdachte van 19 december 2024 is hij niet eerder onherroepelijk veroordeeld ten aanzien van (soortgelijke) feiten. Dit weegt naar het oordeel van het hof bij de straftoemeting niet in het nadeel maar ook niet in het voordeel van de verdachte.
De raadsman heeft in verband met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte verzocht te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één dag in combinatie met een taakstraf van 240 uren, eventueel gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Ter onderbouwing heeft de raadsman - samengevat - het volgende naar voren gebracht. De verdachte heeft vanaf het begin openheid van zaken gegeven, hij weet dat hij fout is geweest en is zich bewust van de ernstige gevolgen van zijn handelen. Deze ernstige gevolgen heeft de verdachte ook zelf ondervonden. Hij is in de media genoemd in verband met onderhavige strafzaak en is het contact met zijn kinderen en zijn kleinkinderen verloren. Een gevangenisstraf zal in het bijzonder nadelige gevolgen hebben voor de partner van verdachte. Zij is voor mantelzorg van hem afhankelijk en financieel hebben zij het al zwaar. Het recidiverisico – zoals beschreven in het reclasseringsadvies van 11 oktober 2023 – is laag en uit het strafblad blijkt niet dat de verdachte recent is veroordeeld of dat hij ten aanzien van soortgelijke strafbare feiten eerder is veroordeeld.
Gelet op de aard en ernst van de feiten volstaat naar het oordeel van het hof geen andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van relatief lange duur. Daarbij heeft het hof mede gelet op het belang van een juiste normhandhaving en het signaal dat moet uitgaan naar andere volwassenen die in de verleiding komen zich aan jeugdigen te vergrijpen.
Het hof acht alles overziende – daarbij ook rekening houdend met hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht – een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 14 maanden passend en geboden.
Vastgesteld moet echter worden dat in eerste aanleg sprake is geweest van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. De Hoge Raad neemt in zijn uitleg van de redelijke termijn als uitgangspunt dat een
einduitspraak in eerste aanleg dient te volgen binnen twee jaren vanaf het moment waarop de verdachte redelijkerwijs kenbaar was dat tegen hem een vervolging werd ingesteld. In deze zaak kan dit moment bepaald worden op de dag waarop de verdachte als zodanig door de politie is verhoord en een deels bekennende verklaring heeft afgelegd, te weten 17 september 2021.
De rechtbank heeft hierna op 8 mei 2024 vonnis gewezen. Dat maakt dat de redelijke termijn in eerste aanleg naar het oordeel van het hof met bijna 8 maanden is overschreden.
Het hof ziet hierin aanleiding om aan de verdachte compensatie te bieden door middel van een korting op de op te leggen straf. Aan de verdachte zal een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden worden opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 5.500,00 strekkende tot immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Dictum
Het hof merkt hierbij op dat de op 1 juli 2024 in werking getreden Wet seksuele misdrijven geen gewijzigd inzicht van de wetgever in de strafwaardigheid ten gunste van de verdachte ten aanzien van het seksueel binnendringen met zich brengt (vergelijk artikel 246 Sr (oud) en het huidige artikel 248 Sr) en dat het toepasselijke strafmaximum, ook gelet op de eendaadse samenloop, evenmin ten gunste van de verdachte is gewijzigd (vergelijk de artikelen 246 en 248a Sr (oud) met het huidige artikel 248 Sr).
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.000,00 (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,00 (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 40 (veertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 22 juli 2018.
Aldus gewezen door:
mr. R.G.A. Beaujean, voorzitter,
mr. S.V. Pelsser en mr. M.C.C. van de Schepop, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.H.M. van Gennip, griffier,
en op 25 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mrs. Van de Schepop en Van Gennip zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-001356-24
Uitspraak : 25 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 8 mei 2024, in de strafzaak met parketnummer 16-077774-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1957,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte veroordeeld ter zake van ‘met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueelbinnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd’ (feit 1 primair) en ‘door giften of beloften van geld een persoon waarvan hij weet dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen van hem te dulden, meermalen gepleegd’ (feit 2) tot een gevangenisstraf van 18 maanden. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij van € 5.500,00 ter zake van immateriële schade geheel toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 juli 2018 en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte is veroordeeld in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot aan de datum van het vonnis begroot op nihil.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte en namens de benadeelde partij naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis integraal wordt bevestigd.
De raadsman heeft primair partiële vrijspraak van feit 1 primair (ten aanzien van gedachtestreepje 3: het brengen/duwen van de penis in de vagina) en integrale vrijspraak van feit 2 verzocht. Indien het hof toch tot een bewezenverklaring van feit 2 komt heeft de raadsman verzocht de verdachte ook hiervan partieel (ten aanzien van gedachtestreepje 3: het brengen/duwen van de penis in de vagina) vrij te spreken. Daarnaast heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de raadsman bepleit dat, nu het causale verband tussen de aan de verdachte verweten gedragingen en de gestelde schade niet goed is vast te stellen, het hof gebruik maakt van zijn schattingsbevoegdheid en de gevorderde immateriële schade matigt.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:
1.primairhij in op of omstreeks de periode van 13 juni 2018 tot en met 1 september 2018 te Geldrop en/of te Eindhoven, althans in Nederland, en/of in Bree, althans in België, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten (telkens)
het likken van de vagina/schaamlippen van die [slachtoffer] en/of
het brengen/duwen van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of
het brengen/duwen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] ;
1. subsidiairhij in op of omstreeks de periode van 13 juni 2018 tot en met 1 september 2018 te Geldrop en/of Eindhoven, althans in Nederland, en/of in Bree, althans in België, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten (telkens)
het likken van de vagina/schaamlippen van die [slachtoffer] en/of
het betasten van de vagina/schaamlippen van die [slachtoffer] ;
2.hij in op of omstreeks de periode van 13 juni 2018 tot en met 1 september 2018 te Geldrop en/of te Eindhoven, althans in Nederland, en/of in Bree, althans in België, door giften en/of beloften van geld en/of goed en/of misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misleiding, te weten door het (telkens) geven van (contant) geld, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , van wie hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, opzettelijk heeft bewogen een of meer ontuchtige handelingen te plegen en/of van verdachte te dulden, te weten (telkens)
het likken van de vagina/schaamlippen van die [slachtoffer] en/of
het brengen/duwen van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of - het brengen/duwen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] .
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Partiële vrijspraak
De raadsman heeft zich in hoger beroep overeenkomstig zijn ter terechtzitting overgelegde pleitnota op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de handeling zoals beschreven onder het derde gedachtestreepje van de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten (telkens: het brengen/duwen van de penis in de vagina).
Het hof overweegt als volgt.
Uit de inhoud van de bewijsmiddelen heeft het hof niet de overtuiging bekomen dat de verdachte bij aangeefster met zijn penis is binnengedrongen. Het hof spreekt de verdachte daarom van deze gedraging, zoals tenlastegelegd onder de feiten 1 en 2, vrij. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte vanaf zijn eerste politieverhoor heeft bekend dat hij aangeefster heeft gevingerd en gebeft, maar steevast heeft ontkend dat hij met zijn penis haar vagina is binnengedrongen. De aangeefster heeft over deze laatste gedraging wel verklaard. Over de wijze waarop dit binnendringen zou zijn gegaan en over de momenten waarop dit tijdens ontmoetingen met de verdachte zou zijn gebeurd, verklaart zij echter wisselend. Het hof twijfelt daardoor aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster op dit punt. In de app-gesprekken tussen de verdachte en aangeefster die zich in het dossier bevinden en waarin onder meer door aangeefster over “hyperventilatie tijdens het vrijen” wordt gesproken en door verdachte wordt gezegd “volgende keer (…) neuk ik je diep en lang” ziet het hof onvoldoende steun om tot een bewezenverklaring van het seksueel binnendringen met de penis te komen. De bewoordingen sluiten naar het oordeel van het hof namelijk niet uit dat ten tijde van die berichtgeving de seksuele handelingen die wel plaats hebben gevonden, beperkt zijn gebleven tot het eerder genoemde, en door de verdachte erkende vingeren en beffen van aangeefster.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.
Feiten
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van:
door giften of beloften van geld of goed een persoon waarvan hij weet dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen van hem te dulden, meermalen gepleegd (feit 2),
en
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd (feit 1 primair)’.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige tegen betaling. De destijds 61-jarige verdachte heeft bewust seksafspraken gemaakt met een meisje dat slechts 14 jaren oud was. Zij bood die seks aan tegen betaling via een datingapp, maar gelet op haar jeugdige leeftijd had de verdachte daar gewoonweg niet op mogen ingaan. De wetsbepalingen die de verdachte heeft overtreden, strekken ertoe jeugdigen juist te beschermen tegen seksuele toenadering door volwassenen, en dienen overigens ook ter bescherming tegen zichzelf. Geestelijk en lichamelijk zijn jeugdigen immers doorgaans nog niet rijp voor die seks, en er mag van worden uitgegaan dat zij nog niet kunnen overzien welke negatieve gevolgen dergelijk, in ieder geval ongelijkwaardig, seksueel contact -zoals in deze zaak- voor hun (seksuele) ontwikkeling kan hebben. Zodra volwassenen aan dit aspect voorbijgaan en toch seksuele handelingen plegen met een jeugdige, schenden zij de lichamelijke en geestelijke integriteit van die jeugdige, hetgeen de verdachte ook heeft gedaan. In plaats van het slachtoffer te weerhouden van haar voornemen seks met vreemden te hebben in ruil voor geld, heeft de verdachte enkel oog gehad voor zijn eigen lustgevoelens en bood hij haar aanzienlijke bedragen voor het maken van seksafspraken. Vervolgens is het ook daadwerkelijk twee keer tot seksafspraken gekomen, waarbij de verdachte het slachtoffer heeft gevingerd en gebeft.
Het slachtoffer, dat al kwetsbaar was, ondervindt nog steeds de ernstige gevolgen van de strafbare gedragingen van de verdachte. Zij heeft aan haar ontmoetingen met de verdachte een trauma overgehouden. Ze schrijft daarover ook in haar slachtofferverklaring: “Ik had totaal geen benul van het feit dat deze gebeurtenis mij psychisch zo zou gaan beschadigen”. Daarmee wordt eens te meer duidelijk waarom het handelen van de verdachte strafbaar is en dat de verdachte een fors verwijt treft.
Blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie (strafblad) betreffende de verdachte van 19 december 2024 is hij niet eerder onherroepelijk veroordeeld ten aanzien van (soortgelijke) feiten. Dit weegt naar het oordeel van het hof bij de straftoemeting niet in het nadeel maar ook niet in het voordeel van de verdachte.
De raadsman heeft in verband met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte verzocht te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één dag in combinatie met een taakstraf van 240 uren, eventueel gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Ter onderbouwing heeft de raadsman - samengevat - het volgende naar voren gebracht. De verdachte heeft vanaf het begin openheid van zaken gegeven, hij weet dat hij fout is geweest en is zich bewust van de ernstige gevolgen van zijn handelen. Deze ernstige gevolgen heeft de verdachte ook zelf ondervonden. Hij is in de media genoemd in verband met onderhavige strafzaak en is het contact met zijn kinderen en zijn kleinkinderen verloren. Een gevangenisstraf zal in het bijzonder nadelige gevolgen hebben voor de partner van verdachte. Zij is voor mantelzorg van hem afhankelijk en financieel hebben zij het al zwaar. Het recidiverisico – zoals beschreven in het reclasseringsadvies van 11 oktober 2023 – is laag en uit het strafblad blijkt niet dat de verdachte recent is veroordeeld of dat hij ten aanzien van soortgelijke strafbare feiten eerder is veroordeeld.
Gelet op de aard en ernst van de feiten volstaat naar het oordeel van het hof geen andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van relatief lange duur. Daarbij heeft het hof mede gelet op het belang van een juiste normhandhaving en het signaal dat moet uitgaan naar andere volwassenen die in de verleiding komen zich aan jeugdigen te vergrijpen.
Het hof acht alles overziende – daarbij ook rekening houdend met hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht – een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 14 maanden passend en geboden.
Vastgesteld moet echter worden dat in eerste aanleg sprake is geweest van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. De Hoge Raad neemt in zijn uitleg van de redelijke termijn als uitgangspunt dat een
einduitspraak in eerste aanleg dient te volgen binnen twee jaren vanaf het moment waarop de verdachte redelijkerwijs kenbaar was dat tegen hem een vervolging werd ingesteld. In deze zaak kan dit moment bepaald worden op de dag waarop de verdachte als zodanig door de politie is verhoord en een deels bekennende verklaring heeft afgelegd, te weten 17 september 2021.
De rechtbank heeft hierna op 8 mei 2024 vonnis gewezen. Dat maakt dat de redelijke termijn in eerste aanleg naar het oordeel van het hof met bijna 8 maanden is overschreden.
Het hof ziet hierin aanleiding om aan de verdachte compensatie te bieden door middel van een korting op de op te leggen straf. Aan de verdachte zal een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden worden opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 5.500,00 strekkende tot immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Dictum
Het hof merkt hierbij op dat de op 1 juli 2024 in werking getreden Wet seksuele misdrijven geen gewijzigd inzicht van de wetgever in de strafwaardigheid ten gunste van de verdachte ten aanzien van het seksueel binnendringen met zich brengt (vergelijk artikel 246 Sr (oud) en het huidige artikel 248 Sr) en dat het toepasselijke strafmaximum, ook gelet op de eendaadse samenloop, evenmin ten gunste van de verdachte is gewijzigd (vergelijk de artikelen 246 en 248a Sr (oud) met het huidige artikel 248 Sr).
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.000,00 (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,00 (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 40 (veertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 22 juli 2018.
Aldus gewezen door:
mr. R.G.A. Beaujean, voorzitter,
mr. S.V. Pelsser en mr. M.C.C. van de Schepop, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.H.M. van Gennip, griffier,
en op 25 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mrs. Van de Schepop en Van Gennip zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-001356-24
Uitspraak : 25 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 8 mei 2024, in de strafzaak met parketnummer 16-077774-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1957,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte veroordeeld ter zake van ‘met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueelbinnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd’ (feit 1 primair) en ‘door giften of beloften van geld een persoon waarvan hij weet dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen van hem te dulden, meermalen gepleegd’ (feit 2) tot een gevangenisstraf van 18 maanden. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij van € 5.500,00 ter zake van immateriële schade geheel toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 juli 2018 en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte is veroordeeld in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot aan de datum van het vonnis begroot op nihil.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte en namens de benadeelde partij naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis integraal wordt bevestigd.
De raadsman heeft primair partiële vrijspraak van feit 1 primair (ten aanzien van gedachtestreepje 3: het brengen/duwen van de penis in de vagina) en integrale vrijspraak van feit 2 verzocht. Indien het hof toch tot een bewezenverklaring van feit 2 komt heeft de raadsman verzocht de verdachte ook hiervan partieel (ten aanzien van gedachtestreepje 3: het brengen/duwen van de penis in de vagina) vrij te spreken. Daarnaast heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de raadsman bepleit dat, nu het causale verband tussen de aan de verdachte verweten gedragingen en de gestelde schade niet goed is vast te stellen, het hof gebruik maakt van zijn schattingsbevoegdheid en de gevorderde immateriële schade matigt.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:
1.primairhij in op of omstreeks de periode van 13 juni 2018 tot en met 1 september 2018 te Geldrop en/of te Eindhoven, althans in Nederland, en/of in Bree, althans in België, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten (telkens)
het likken van de vagina/schaamlippen van die [slachtoffer] en/of
het brengen/duwen van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of
het brengen/duwen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] ;
1. subsidiairhij in op of omstreeks de periode van 13 juni 2018 tot en met 1 september 2018 te Geldrop en/of Eindhoven, althans in Nederland, en/of in Bree, althans in België, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten (telkens)
het likken van de vagina/schaamlippen van die [slachtoffer] en/of
het betasten van de vagina/schaamlippen van die [slachtoffer] ;
2.hij in op of omstreeks de periode van 13 juni 2018 tot en met 1 september 2018 te Geldrop en/of te Eindhoven, althans in Nederland, en/of in Bree, althans in België, door giften en/of beloften van geld en/of goed en/of misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misleiding, te weten door het (telkens) geven van (contant) geld, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , van wie hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, opzettelijk heeft bewogen een of meer ontuchtige handelingen te plegen en/of van verdachte te dulden, te weten (telkens)
het likken van de vagina/schaamlippen van die [slachtoffer] en/of
het brengen/duwen van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of - het brengen/duwen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] .
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Partiële vrijspraak
De raadsman heeft zich in hoger beroep overeenkomstig zijn ter terechtzitting overgelegde pleitnota op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de handeling zoals beschreven onder het derde gedachtestreepje van de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten (telkens: het brengen/duwen van de penis in de vagina).
Het hof overweegt als volgt.
Uit de inhoud van de bewijsmiddelen heeft het hof niet de overtuiging bekomen dat de verdachte bij aangeefster met zijn penis is binnengedrongen. Het hof spreekt de verdachte daarom van deze gedraging, zoals tenlastegelegd onder de feiten 1 en 2, vrij. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte vanaf zijn eerste politieverhoor heeft bekend dat hij aangeefster heeft gevingerd en gebeft, maar steevast heeft ontkend dat hij met zijn penis haar vagina is binnengedrongen. De aangeefster heeft over deze laatste gedraging wel verklaard. Over de wijze waarop dit binnendringen zou zijn gegaan en over de momenten waarop dit tijdens ontmoetingen met de verdachte zou zijn gebeurd, verklaart zij echter wisselend. Het hof twijfelt daardoor aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster op dit punt. In de app-gesprekken tussen de verdachte en aangeefster die zich in het dossier bevinden en waarin onder meer door aangeefster over “hyperventilatie tijdens het vrijen” wordt gesproken en door verdachte wordt gezegd “volgende keer (…) neuk ik je diep en lang” ziet het hof onvoldoende steun om tot een bewezenverklaring van het seksueel binnendringen met de penis te komen. De bewoordingen sluiten naar het oordeel van het hof namelijk niet uit dat ten tijde van die berichtgeving de seksuele handelingen die wel plaats hebben gevonden, beperkt zijn gebleven tot het eerder genoemde, en door de verdachte erkende vingeren en beffen van aangeefster.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.
Feiten
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van:
door giften of beloften van geld of goed een persoon waarvan hij weet dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen van hem te dulden, meermalen gepleegd (feit 2),
en
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd (feit 1 primair)’.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige tegen betaling. De destijds 61-jarige verdachte heeft bewust seksafspraken gemaakt met een meisje dat slechts 14 jaren oud was. Zij bood die seks aan tegen betaling via een datingapp, maar gelet op haar jeugdige leeftijd had de verdachte daar gewoonweg niet op mogen ingaan. De wetsbepalingen die de verdachte heeft overtreden, strekken ertoe jeugdigen juist te beschermen tegen seksuele toenadering door volwassenen, en dienen overigens ook ter bescherming tegen zichzelf. Geestelijk en lichamelijk zijn jeugdigen immers doorgaans nog niet rijp voor die seks, en er mag van worden uitgegaan dat zij nog niet kunnen overzien welke negatieve gevolgen dergelijk, in ieder geval ongelijkwaardig, seksueel contact -zoals in deze zaak- voor hun (seksuele) ontwikkeling kan hebben. Zodra volwassenen aan dit aspect voorbijgaan en toch seksuele handelingen plegen met een jeugdige, schenden zij de lichamelijke en geestelijke integriteit van die jeugdige, hetgeen de verdachte ook heeft gedaan. In plaats van het slachtoffer te weerhouden van haar voornemen seks met vreemden te hebben in ruil voor geld, heeft de verdachte enkel oog gehad voor zijn eigen lustgevoelens en bood hij haar aanzienlijke bedragen voor het maken van seksafspraken. Vervolgens is het ook daadwerkelijk twee keer tot seksafspraken gekomen, waarbij de verdachte het slachtoffer heeft gevingerd en gebeft.
Het slachtoffer, dat al kwetsbaar was, ondervindt nog steeds de ernstige gevolgen van de strafbare gedragingen van de verdachte. Zij heeft aan haar ontmoetingen met de verdachte een trauma overgehouden. Ze schrijft daarover ook in haar slachtofferverklaring: “Ik had totaal geen benul van het feit dat deze gebeurtenis mij psychisch zo zou gaan beschadigen”. Daarmee wordt eens te meer duidelijk waarom het handelen van de verdachte strafbaar is en dat de verdachte een fors verwijt treft.
Blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie (strafblad) betreffende de verdachte van 19 december 2024 is hij niet eerder onherroepelijk veroordeeld ten aanzien van (soortgelijke) feiten. Dit weegt naar het oordeel van het hof bij de straftoemeting niet in het nadeel maar ook niet in het voordeel van de verdachte.
De raadsman heeft in verband met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte verzocht te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één dag in combinatie met een taakstraf van 240 uren, eventueel gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Ter onderbouwing heeft de raadsman - samengevat - het volgende naar voren gebracht. De verdachte heeft vanaf het begin openheid van zaken gegeven, hij weet dat hij fout is geweest en is zich bewust van de ernstige gevolgen van zijn handelen. Deze ernstige gevolgen heeft de verdachte ook zelf ondervonden. Hij is in de media genoemd in verband met onderhavige strafzaak en is het contact met zijn kinderen en zijn kleinkinderen verloren. Een gevangenisstraf zal in het bijzonder nadelige gevolgen hebben voor de partner van verdachte. Zij is voor mantelzorg van hem afhankelijk en financieel hebben zij het al zwaar. Het recidiverisico – zoals beschreven in het reclasseringsadvies van 11 oktober 2023 – is laag en uit het strafblad blijkt niet dat de verdachte recent is veroordeeld of dat hij ten aanzien van soortgelijke strafbare feiten eerder is veroordeeld.
Gelet op de aard en ernst van de feiten volstaat naar het oordeel van het hof geen andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van relatief lange duur. Daarbij heeft het hof mede gelet op het belang van een juiste normhandhaving en het signaal dat moet uitgaan naar andere volwassenen die in de verleiding komen zich aan jeugdigen te vergrijpen.
Het hof acht alles overziende – daarbij ook rekening houdend met hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht – een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 14 maanden passend en geboden.
Vastgesteld moet echter worden dat in eerste aanleg sprake is geweest van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. De Hoge Raad neemt in zijn uitleg van de redelijke termijn als uitgangspunt dat een
einduitspraak in eerste aanleg dient te volgen binnen twee jaren vanaf het moment waarop de verdachte redelijkerwijs kenbaar was dat tegen hem een vervolging werd ingesteld. In deze zaak kan dit moment bepaald worden op de dag waarop de verdachte als zodanig door de politie is verhoord en een deels bekennende verklaring heeft afgelegd, te weten 17 september 2021.
De rechtbank heeft hierna op 8 mei 2024 vonnis gewezen. Dat maakt dat de redelijke termijn in eerste aanleg naar het oordeel van het hof met bijna 8 maanden is overschreden.
Het hof ziet hierin aanleiding om aan de verdachte compensatie te bieden door middel van een korting op de op te leggen straf. Aan de verdachte zal een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden worden opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 5.500,00 strekkende tot immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Dictum
Het hof merkt hierbij op dat de op 1 juli 2024 in werking getreden Wet seksuele misdrijven geen gewijzigd inzicht van de wetgever in de strafwaardigheid ten gunste van de verdachte ten aanzien van het seksueel binnendringen met zich brengt (vergelijk artikel 246 Sr (oud) en het huidige artikel 248 Sr) en dat het toepasselijke strafmaximum, ook gelet op de eendaadse samenloop, evenmin ten gunste van de verdachte is gewijzigd (vergelijk de artikelen 246 en 248a Sr (oud) met het huidige artikel 248 Sr).
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.000,00 (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,00 (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 40 (veertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 22 juli 2018.
Aldus gewezen door:
mr. R.G.A. Beaujean, voorzitter,
mr. S.V. Pelsser en mr. M.C.C. van de Schepop, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.H.M. van Gennip, griffier,
en op 25 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mrs. Van de Schepop en Van Gennip zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-001356-24
Uitspraak : 25 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 8 mei 2024, in de strafzaak met parketnummer 16-077774-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1957,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte veroordeeld ter zake van ‘met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueelbinnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd’ (feit 1 primair) en ‘door giften of beloften van geld een persoon waarvan hij weet dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen van hem te dulden, meermalen gepleegd’ (feit 2) tot een gevangenisstraf van 18 maanden. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij van € 5.500,00 ter zake van immateriële schade geheel toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 juli 2018 en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte is veroordeeld in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot aan de datum van het vonnis begroot op nihil.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte en namens de benadeelde partij naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis integraal wordt bevestigd.
De raadsman heeft primair partiële vrijspraak van feit 1 primair (ten aanzien van gedachtestreepje 3: het brengen/duwen van de penis in de vagina) en integrale vrijspraak van feit 2 verzocht. Indien het hof toch tot een bewezenverklaring van feit 2 komt heeft de raadsman verzocht de verdachte ook hiervan partieel (ten aanzien van gedachtestreepje 3: het brengen/duwen van de penis in de vagina) vrij te spreken. Daarnaast heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de raadsman bepleit dat, nu het causale verband tussen de aan de verdachte verweten gedragingen en de gestelde schade niet goed is vast te stellen, het hof gebruik maakt van zijn schattingsbevoegdheid en de gevorderde immateriële schade matigt.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:
1.primairhij in op of omstreeks de periode van 13 juni 2018 tot en met 1 september 2018 te Geldrop en/of te Eindhoven, althans in Nederland, en/of in Bree, althans in België, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten (telkens)
het likken van de vagina/schaamlippen van die [slachtoffer] en/of
het brengen/duwen van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of
het brengen/duwen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] ;
1. subsidiairhij in op of omstreeks de periode van 13 juni 2018 tot en met 1 september 2018 te Geldrop en/of Eindhoven, althans in Nederland, en/of in Bree, althans in België, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten (telkens)
het likken van de vagina/schaamlippen van die [slachtoffer] en/of
het betasten van de vagina/schaamlippen van die [slachtoffer] ;
2.hij in op of omstreeks de periode van 13 juni 2018 tot en met 1 september 2018 te Geldrop en/of te Eindhoven, althans in Nederland, en/of in Bree, althans in België, door giften en/of beloften van geld en/of goed en/of misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misleiding, te weten door het (telkens) geven van (contant) geld, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , van wie hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, opzettelijk heeft bewogen een of meer ontuchtige handelingen te plegen en/of van verdachte te dulden, te weten (telkens)
het likken van de vagina/schaamlippen van die [slachtoffer] en/of
het brengen/duwen van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of - het brengen/duwen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] .
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Partiële vrijspraak
De raadsman heeft zich in hoger beroep overeenkomstig zijn ter terechtzitting overgelegde pleitnota op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de handeling zoals beschreven onder het derde gedachtestreepje van de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten (telkens: het brengen/duwen van de penis in de vagina).
Het hof overweegt als volgt.
Uit de inhoud van de bewijsmiddelen heeft het hof niet de overtuiging bekomen dat de verdachte bij aangeefster met zijn penis is binnengedrongen. Het hof spreekt de verdachte daarom van deze gedraging, zoals tenlastegelegd onder de feiten 1 en 2, vrij. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte vanaf zijn eerste politieverhoor heeft bekend dat hij aangeefster heeft gevingerd en gebeft, maar steevast heeft ontkend dat hij met zijn penis haar vagina is binnengedrongen. De aangeefster heeft over deze laatste gedraging wel verklaard. Over de wijze waarop dit binnendringen zou zijn gegaan en over de momenten waarop dit tijdens ontmoetingen met de verdachte zou zijn gebeurd, verklaart zij echter wisselend. Het hof twijfelt daardoor aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster op dit punt. In de app-gesprekken tussen de verdachte en aangeefster die zich in het dossier bevinden en waarin onder meer door aangeefster over “hyperventilatie tijdens het vrijen” wordt gesproken en door verdachte wordt gezegd “volgende keer (…) neuk ik je diep en lang” ziet het hof onvoldoende steun om tot een bewezenverklaring van het seksueel binnendringen met de penis te komen. De bewoordingen sluiten naar het oordeel van het hof namelijk niet uit dat ten tijde van die berichtgeving de seksuele handelingen die wel plaats hebben gevonden, beperkt zijn gebleven tot het eerder genoemde, en door de verdachte erkende vingeren en beffen van aangeefster.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.
Feiten
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van:
door giften of beloften van geld of goed een persoon waarvan hij weet dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen van hem te dulden, meermalen gepleegd (feit 2),
en
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd (feit 1 primair)’.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige tegen betaling. De destijds 61-jarige verdachte heeft bewust seksafspraken gemaakt met een meisje dat slechts 14 jaren oud was. Zij bood die seks aan tegen betaling via een datingapp, maar gelet op haar jeugdige leeftijd had de verdachte daar gewoonweg niet op mogen ingaan. De wetsbepalingen die de verdachte heeft overtreden, strekken ertoe jeugdigen juist te beschermen tegen seksuele toenadering door volwassenen, en dienen overigens ook ter bescherming tegen zichzelf. Geestelijk en lichamelijk zijn jeugdigen immers doorgaans nog niet rijp voor die seks, en er mag van worden uitgegaan dat zij nog niet kunnen overzien welke negatieve gevolgen dergelijk, in ieder geval ongelijkwaardig, seksueel contact -zoals in deze zaak- voor hun (seksuele) ontwikkeling kan hebben. Zodra volwassenen aan dit aspect voorbijgaan en toch seksuele handelingen plegen met een jeugdige, schenden zij de lichamelijke en geestelijke integriteit van die jeugdige, hetgeen de verdachte ook heeft gedaan. In plaats van het slachtoffer te weerhouden van haar voornemen seks met vreemden te hebben in ruil voor geld, heeft de verdachte enkel oog gehad voor zijn eigen lustgevoelens en bood hij haar aanzienlijke bedragen voor het maken van seksafspraken. Vervolgens is het ook daadwerkelijk twee keer tot seksafspraken gekomen, waarbij de verdachte het slachtoffer heeft gevingerd en gebeft.
Het slachtoffer, dat al kwetsbaar was, ondervindt nog steeds de ernstige gevolgen van de strafbare gedragingen van de verdachte. Zij heeft aan haar ontmoetingen met de verdachte een trauma overgehouden. Ze schrijft daarover ook in haar slachtofferverklaring: “Ik had totaal geen benul van het feit dat deze gebeurtenis mij psychisch zo zou gaan beschadigen”. Daarmee wordt eens te meer duidelijk waarom het handelen van de verdachte strafbaar is en dat de verdachte een fors verwijt treft.
Blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie (strafblad) betreffende de verdachte van 19 december 2024 is hij niet eerder onherroepelijk veroordeeld ten aanzien van (soortgelijke) feiten. Dit weegt naar het oordeel van het hof bij de straftoemeting niet in het nadeel maar ook niet in het voordeel van de verdachte.
De raadsman heeft in verband met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte verzocht te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één dag in combinatie met een taakstraf van 240 uren, eventueel gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Ter onderbouwing heeft de raadsman - samengevat - het volgende naar voren gebracht. De verdachte heeft vanaf het begin openheid van zaken gegeven, hij weet dat hij fout is geweest en is zich bewust van de ernstige gevolgen van zijn handelen. Deze ernstige gevolgen heeft de verdachte ook zelf ondervonden. Hij is in de media genoemd in verband met onderhavige strafzaak en is het contact met zijn kinderen en zijn kleinkinderen verloren. Een gevangenisstraf zal in het bijzonder nadelige gevolgen hebben voor de partner van verdachte. Zij is voor mantelzorg van hem afhankelijk en financieel hebben zij het al zwaar. Het recidiverisico – zoals beschreven in het reclasseringsadvies van 11 oktober 2023 – is laag en uit het strafblad blijkt niet dat de verdachte recent is veroordeeld of dat hij ten aanzien van soortgelijke strafbare feiten eerder is veroordeeld.
Gelet op de aard en ernst van de feiten volstaat naar het oordeel van het hof geen andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van relatief lange duur. Daarbij heeft het hof mede gelet op het belang van een juiste normhandhaving en het signaal dat moet uitgaan naar andere volwassenen die in de verleiding komen zich aan jeugdigen te vergrijpen.
Het hof acht alles overziende – daarbij ook rekening houdend met hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht – een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 14 maanden passend en geboden.
Vastgesteld moet echter worden dat in eerste aanleg sprake is geweest van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. De Hoge Raad neemt in zijn uitleg van de redelijke termijn als uitgangspunt dat een
einduitspraak in eerste aanleg dient te volgen binnen twee jaren vanaf het moment waarop de verdachte redelijkerwijs kenbaar was dat tegen hem een vervolging werd ingesteld. In deze zaak kan dit moment bepaald worden op de dag waarop de verdachte als zodanig door de politie is verhoord en een deels bekennende verklaring heeft afgelegd, te weten 17 september 2021.
De rechtbank heeft hierna op 8 mei 2024 vonnis gewezen. Dat maakt dat de redelijke termijn in eerste aanleg naar het oordeel van het hof met bijna 8 maanden is overschreden.
Het hof ziet hierin aanleiding om aan de verdachte compensatie te bieden door middel van een korting op de op te leggen straf. Aan de verdachte zal een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden worden opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 5.500,00 strekkende tot immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Dictum
Het hof merkt hierbij op dat de op 1 juli 2024 in werking getreden Wet seksuele misdrijven geen gewijzigd inzicht van de wetgever in de strafwaardigheid ten gunste van de verdachte ten aanzien van het seksueel binnendringen met zich brengt (vergelijk artikel 246 Sr (oud) en het huidige artikel 248 Sr) en dat het toepasselijke strafmaximum, ook gelet op de eendaadse samenloop, evenmin ten gunste van de verdachte is gewijzigd (vergelijk de artikelen 246 en 248a Sr (oud) met het huidige artikel 248 Sr).
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.000,00 (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,00 (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 40 (veertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 22 juli 2018.
Aldus gewezen door:
mr. R.G.A. Beaujean, voorzitter,
mr. S.V. Pelsser en mr. M.C.C. van de Schepop, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.H.M. van Gennip, griffier,
en op 25 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mrs. Van de Schepop en Van Gennip zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-001356-24
Uitspraak : 25 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 8 mei 2024, in de strafzaak met parketnummer 16-077774-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1957,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte veroordeeld ter zake van ‘met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueelbinnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd’ (feit 1 primair) en ‘door giften of beloften van geld een persoon waarvan hij weet dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen van hem te dulden, meermalen gepleegd’ (feit 2) tot een gevangenisstraf van 18 maanden. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij van € 5.500,00 ter zake van immateriële schade geheel toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 juli 2018 en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte is veroordeeld in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot aan de datum van het vonnis begroot op nihil.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte en namens de benadeelde partij naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis integraal wordt bevestigd.
De raadsman heeft primair partiële vrijspraak van feit 1 primair (ten aanzien van gedachtestreepje 3: het brengen/duwen van de penis in de vagina) en integrale vrijspraak van feit 2 verzocht. Indien het hof toch tot een bewezenverklaring van feit 2 komt heeft de raadsman verzocht de verdachte ook hiervan partieel (ten aanzien van gedachtestreepje 3: het brengen/duwen van de penis in de vagina) vrij te spreken. Daarnaast heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de raadsman bepleit dat, nu het causale verband tussen de aan de verdachte verweten gedragingen en de gestelde schade niet goed is vast te stellen, het hof gebruik maakt van zijn schattingsbevoegdheid en de gevorderde immateriële schade matigt.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:
1.primairhij in op of omstreeks de periode van 13 juni 2018 tot en met 1 september 2018 te Geldrop en/of te Eindhoven, althans in Nederland, en/of in Bree, althans in België, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten (telkens)
het likken van de vagina/schaamlippen van die [slachtoffer] en/of
het brengen/duwen van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of
het brengen/duwen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] ;
1. subsidiairhij in op of omstreeks de periode van 13 juni 2018 tot en met 1 september 2018 te Geldrop en/of Eindhoven, althans in Nederland, en/of in Bree, althans in België, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten (telkens)
het likken van de vagina/schaamlippen van die [slachtoffer] en/of
het betasten van de vagina/schaamlippen van die [slachtoffer] ;
2.hij in op of omstreeks de periode van 13 juni 2018 tot en met 1 september 2018 te Geldrop en/of te Eindhoven, althans in Nederland, en/of in Bree, althans in België, door giften en/of beloften van geld en/of goed en/of misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misleiding, te weten door het (telkens) geven van (contant) geld, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , van wie hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, opzettelijk heeft bewogen een of meer ontuchtige handelingen te plegen en/of van verdachte te dulden, te weten (telkens)
het likken van de vagina/schaamlippen van die [slachtoffer] en/of
het brengen/duwen van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of - het brengen/duwen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] .
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Partiële vrijspraak
De raadsman heeft zich in hoger beroep overeenkomstig zijn ter terechtzitting overgelegde pleitnota op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de handeling zoals beschreven onder het derde gedachtestreepje van de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten (telkens: het brengen/duwen van de penis in de vagina).
Het hof overweegt als volgt.
Uit de inhoud van de bewijsmiddelen heeft het hof niet de overtuiging bekomen dat de verdachte bij aangeefster met zijn penis is binnengedrongen. Het hof spreekt de verdachte daarom van deze gedraging, zoals tenlastegelegd onder de feiten 1 en 2, vrij. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte vanaf zijn eerste politieverhoor heeft bekend dat hij aangeefster heeft gevingerd en gebeft, maar steevast heeft ontkend dat hij met zijn penis haar vagina is binnengedrongen. De aangeefster heeft over deze laatste gedraging wel verklaard. Over de wijze waarop dit binnendringen zou zijn gegaan en over de momenten waarop dit tijdens ontmoetingen met de verdachte zou zijn gebeurd, verklaart zij echter wisselend. Het hof twijfelt daardoor aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster op dit punt. In de app-gesprekken tussen de verdachte en aangeefster die zich in het dossier bevinden en waarin onder meer door aangeefster over “hyperventilatie tijdens het vrijen” wordt gesproken en door verdachte wordt gezegd “volgende keer (…) neuk ik je diep en lang” ziet het hof onvoldoende steun om tot een bewezenverklaring van het seksueel binnendringen met de penis te komen. De bewoordingen sluiten naar het oordeel van het hof namelijk niet uit dat ten tijde van die berichtgeving de seksuele handelingen die wel plaats hebben gevonden, beperkt zijn gebleven tot het eerder genoemde, en door de verdachte erkende vingeren en beffen van aangeefster.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.
Feiten
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van:
door giften of beloften van geld of goed een persoon waarvan hij weet dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen van hem te dulden, meermalen gepleegd (feit 2),
en
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd (feit 1 primair)’.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige tegen betaling. De destijds 61-jarige verdachte heeft bewust seksafspraken gemaakt met een meisje dat slechts 14 jaren oud was. Zij bood die seks aan tegen betaling via een datingapp, maar gelet op haar jeugdige leeftijd had de verdachte daar gewoonweg niet op mogen ingaan. De wetsbepalingen die de verdachte heeft overtreden, strekken ertoe jeugdigen juist te beschermen tegen seksuele toenadering door volwassenen, en dienen overigens ook ter bescherming tegen zichzelf. Geestelijk en lichamelijk zijn jeugdigen immers doorgaans nog niet rijp voor die seks, en er mag van worden uitgegaan dat zij nog niet kunnen overzien welke negatieve gevolgen dergelijk, in ieder geval ongelijkwaardig, seksueel contact -zoals in deze zaak- voor hun (seksuele) ontwikkeling kan hebben. Zodra volwassenen aan dit aspect voorbijgaan en toch seksuele handelingen plegen met een jeugdige, schenden zij de lichamelijke en geestelijke integriteit van die jeugdige, hetgeen de verdachte ook heeft gedaan. In plaats van het slachtoffer te weerhouden van haar voornemen seks met vreemden te hebben in ruil voor geld, heeft de verdachte enkel oog gehad voor zijn eigen lustgevoelens en bood hij haar aanzienlijke bedragen voor het maken van seksafspraken. Vervolgens is het ook daadwerkelijk twee keer tot seksafspraken gekomen, waarbij de verdachte het slachtoffer heeft gevingerd en gebeft.
Het slachtoffer, dat al kwetsbaar was, ondervindt nog steeds de ernstige gevolgen van de strafbare gedragingen van de verdachte. Zij heeft aan haar ontmoetingen met de verdachte een trauma overgehouden. Ze schrijft daarover ook in haar slachtofferverklaring: “Ik had totaal geen benul van het feit dat deze gebeurtenis mij psychisch zo zou gaan beschadigen”. Daarmee wordt eens te meer duidelijk waarom het handelen van de verdachte strafbaar is en dat de verdachte een fors verwijt treft.
Blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie (strafblad) betreffende de verdachte van 19 december 2024 is hij niet eerder onherroepelijk veroordeeld ten aanzien van (soortgelijke) feiten. Dit weegt naar het oordeel van het hof bij de straftoemeting niet in het nadeel maar ook niet in het voordeel van de verdachte.
De raadsman heeft in verband met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte verzocht te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één dag in combinatie met een taakstraf van 240 uren, eventueel gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Ter onderbouwing heeft de raadsman - samengevat - het volgende naar voren gebracht. De verdachte heeft vanaf het begin openheid van zaken gegeven, hij weet dat hij fout is geweest en is zich bewust van de ernstige gevolgen van zijn handelen. Deze ernstige gevolgen heeft de verdachte ook zelf ondervonden. Hij is in de media genoemd in verband met onderhavige strafzaak en is het contact met zijn kinderen en zijn kleinkinderen verloren. Een gevangenisstraf zal in het bijzonder nadelige gevolgen hebben voor de partner van verdachte. Zij is voor mantelzorg van hem afhankelijk en financieel hebben zij het al zwaar. Het recidiverisico – zoals beschreven in het reclasseringsadvies van 11 oktober 2023 – is laag en uit het strafblad blijkt niet dat de verdachte recent is veroordeeld of dat hij ten aanzien van soortgelijke strafbare feiten eerder is veroordeeld.
Gelet op de aard en ernst van de feiten volstaat naar het oordeel van het hof geen andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van relatief lange duur. Daarbij heeft het hof mede gelet op het belang van een juiste normhandhaving en het signaal dat moet uitgaan naar andere volwassenen die in de verleiding komen zich aan jeugdigen te vergrijpen.
Het hof acht alles overziende – daarbij ook rekening houdend met hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht – een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 14 maanden passend en geboden.
Vastgesteld moet echter worden dat in eerste aanleg sprake is geweest van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. De Hoge Raad neemt in zijn uitleg van de redelijke termijn als uitgangspunt dat een
einduitspraak in eerste aanleg dient te volgen binnen twee jaren vanaf het moment waarop de verdachte redelijkerwijs kenbaar was dat tegen hem een vervolging werd ingesteld. In deze zaak kan dit moment bepaald worden op de dag waarop de verdachte als zodanig door de politie is verhoord en een deels bekennende verklaring heeft afgelegd, te weten 17 september 2021.
De rechtbank heeft hierna op 8 mei 2024 vonnis gewezen. Dat maakt dat de redelijke termijn in eerste aanleg naar het oordeel van het hof met bijna 8 maanden is overschreden.
Het hof ziet hierin aanleiding om aan de verdachte compensatie te bieden door middel van een korting op de op te leggen straf. Aan de verdachte zal een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden worden opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 5.500,00 strekkende tot immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Dictum
Het hof merkt hierbij op dat de op 1 juli 2024 in werking getreden Wet seksuele misdrijven geen gewijzigd inzicht van de wetgever in de strafwaardigheid ten gunste van de verdachte ten aanzien van het seksueel binnendringen met zich brengt (vergelijk artikel 246 Sr (oud) en het huidige artikel 248 Sr) en dat het toepasselijke strafmaximum, ook gelet op de eendaadse samenloop, evenmin ten gunste van de verdachte is gewijzigd (vergelijk de artikelen 246 en 248a Sr (oud) met het huidige artikel 248 Sr).
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.000,00 (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,00 (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 40 (veertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 22 juli 2018.
Aldus gewezen door:
mr. R.G.A. Beaujean, voorzitter,
mr. S.V. Pelsser en mr. M.C.C. van de Schepop, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.H.M. van Gennip, griffier,
en op 25 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mrs. Van de Schepop en Van Gennip zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-001356-24
Uitspraak : 25 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 8 mei 2024, in de strafzaak met parketnummer 16-077774-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1957,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte veroordeeld ter zake van ‘met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueelbinnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd’ (feit 1 primair) en ‘door giften of beloften van geld een persoon waarvan hij weet dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen van hem te dulden, meermalen gepleegd’ (feit 2) tot een gevangenisstraf van 18 maanden. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij van € 5.500,00 ter zake van immateriële schade geheel toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 juli 2018 en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte is veroordeeld in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot aan de datum van het vonnis begroot op nihil.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte en namens de benadeelde partij naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis integraal wordt bevestigd.
De raadsman heeft primair partiële vrijspraak van feit 1 primair (ten aanzien van gedachtestreepje 3: het brengen/duwen van de penis in de vagina) en integrale vrijspraak van feit 2 verzocht. Indien het hof toch tot een bewezenverklaring van feit 2 komt heeft de raadsman verzocht de verdachte ook hiervan partieel (ten aanzien van gedachtestreepje 3: het brengen/duwen van de penis in de vagina) vrij te spreken. Daarnaast heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de raadsman bepleit dat, nu het causale verband tussen de aan de verdachte verweten gedragingen en de gestelde schade niet goed is vast te stellen, het hof gebruik maakt van zijn schattingsbevoegdheid en de gevorderde immateriële schade matigt.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:
1.primairhij in op of omstreeks de periode van 13 juni 2018 tot en met 1 september 2018 te Geldrop en/of te Eindhoven, althans in Nederland, en/of in Bree, althans in België, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten (telkens)
het likken van de vagina/schaamlippen van die [slachtoffer] en/of
het brengen/duwen van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of
het brengen/duwen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] ;
1. subsidiairhij in op of omstreeks de periode van 13 juni 2018 tot en met 1 september 2018 te Geldrop en/of Eindhoven, althans in Nederland, en/of in Bree, althans in België, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten (telkens)
het likken van de vagina/schaamlippen van die [slachtoffer] en/of
het betasten van de vagina/schaamlippen van die [slachtoffer] ;
2.hij in op of omstreeks de periode van 13 juni 2018 tot en met 1 september 2018 te Geldrop en/of te Eindhoven, althans in Nederland, en/of in Bree, althans in België, door giften en/of beloften van geld en/of goed en/of misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misleiding, te weten door het (telkens) geven van (contant) geld, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , van wie hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, opzettelijk heeft bewogen een of meer ontuchtige handelingen te plegen en/of van verdachte te dulden, te weten (telkens)
het likken van de vagina/schaamlippen van die [slachtoffer] en/of
het brengen/duwen van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of - het brengen/duwen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] .
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Partiële vrijspraak
De raadsman heeft zich in hoger beroep overeenkomstig zijn ter terechtzitting overgelegde pleitnota op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de handeling zoals beschreven onder het derde gedachtestreepje van de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten (telkens: het brengen/duwen van de penis in de vagina).
Het hof overweegt als volgt.
Uit de inhoud van de bewijsmiddelen heeft het hof niet de overtuiging bekomen dat de verdachte bij aangeefster met zijn penis is binnengedrongen. Het hof spreekt de verdachte daarom van deze gedraging, zoals tenlastegelegd onder de feiten 1 en 2, vrij. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte vanaf zijn eerste politieverhoor heeft bekend dat hij aangeefster heeft gevingerd en gebeft, maar steevast heeft ontkend dat hij met zijn penis haar vagina is binnengedrongen. De aangeefster heeft over deze laatste gedraging wel verklaard. Over de wijze waarop dit binnendringen zou zijn gegaan en over de momenten waarop dit tijdens ontmoetingen met de verdachte zou zijn gebeurd, verklaart zij echter wisselend. Het hof twijfelt daardoor aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster op dit punt. In de app-gesprekken tussen de verdachte en aangeefster die zich in het dossier bevinden en waarin onder meer door aangeefster over “hyperventilatie tijdens het vrijen” wordt gesproken en door verdachte wordt gezegd “volgende keer (…) neuk ik je diep en lang” ziet het hof onvoldoende steun om tot een bewezenverklaring van het seksueel binnendringen met de penis te komen. De bewoordingen sluiten naar het oordeel van het hof namelijk niet uit dat ten tijde van die berichtgeving de seksuele handelingen die wel plaats hebben gevonden, beperkt zijn gebleven tot het eerder genoemde, en door de verdachte erkende vingeren en beffen van aangeefster.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.
Feiten
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van:
door giften of beloften van geld of goed een persoon waarvan hij weet dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen van hem te dulden, meermalen gepleegd (feit 2),
en
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd (feit 1 primair)’.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige tegen betaling. De destijds 61-jarige verdachte heeft bewust seksafspraken gemaakt met een meisje dat slechts 14 jaren oud was. Zij bood die seks aan tegen betaling via een datingapp, maar gelet op haar jeugdige leeftijd had de verdachte daar gewoonweg niet op mogen ingaan. De wetsbepalingen die de verdachte heeft overtreden, strekken ertoe jeugdigen juist te beschermen tegen seksuele toenadering door volwassenen, en dienen overigens ook ter bescherming tegen zichzelf. Geestelijk en lichamelijk zijn jeugdigen immers doorgaans nog niet rijp voor die seks, en er mag van worden uitgegaan dat zij nog niet kunnen overzien welke negatieve gevolgen dergelijk, in ieder geval ongelijkwaardig, seksueel contact -zoals in deze zaak- voor hun (seksuele) ontwikkeling kan hebben. Zodra volwassenen aan dit aspect voorbijgaan en toch seksuele handelingen plegen met een jeugdige, schenden zij de lichamelijke en geestelijke integriteit van die jeugdige, hetgeen de verdachte ook heeft gedaan. In plaats van het slachtoffer te weerhouden van haar voornemen seks met vreemden te hebben in ruil voor geld, heeft de verdachte enkel oog gehad voor zijn eigen lustgevoelens en bood hij haar aanzienlijke bedragen voor het maken van seksafspraken. Vervolgens is het ook daadwerkelijk twee keer tot seksafspraken gekomen, waarbij de verdachte het slachtoffer heeft gevingerd en gebeft.
Het slachtoffer, dat al kwetsbaar was, ondervindt nog steeds de ernstige gevolgen van de strafbare gedragingen van de verdachte. Zij heeft aan haar ontmoetingen met de verdachte een trauma overgehouden. Ze schrijft daarover ook in haar slachtofferverklaring: “Ik had totaal geen benul van het feit dat deze gebeurtenis mij psychisch zo zou gaan beschadigen”. Daarmee wordt eens te meer duidelijk waarom het handelen van de verdachte strafbaar is en dat de verdachte een fors verwijt treft.
Blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie (strafblad) betreffende de verdachte van 19 december 2024 is hij niet eerder onherroepelijk veroordeeld ten aanzien van (soortgelijke) feiten. Dit weegt naar het oordeel van het hof bij de straftoemeting niet in het nadeel maar ook niet in het voordeel van de verdachte.
De raadsman heeft in verband met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte verzocht te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één dag in combinatie met een taakstraf van 240 uren, eventueel gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Ter onderbouwing heeft de raadsman - samengevat - het volgende naar voren gebracht. De verdachte heeft vanaf het begin openheid van zaken gegeven, hij weet dat hij fout is geweest en is zich bewust van de ernstige gevolgen van zijn handelen. Deze ernstige gevolgen heeft de verdachte ook zelf ondervonden. Hij is in de media genoemd in verband met onderhavige strafzaak en is het contact met zijn kinderen en zijn kleinkinderen verloren. Een gevangenisstraf zal in het bijzonder nadelige gevolgen hebben voor de partner van verdachte. Zij is voor mantelzorg van hem afhankelijk en financieel hebben zij het al zwaar. Het recidiverisico – zoals beschreven in het reclasseringsadvies van 11 oktober 2023 – is laag en uit het strafblad blijkt niet dat de verdachte recent is veroordeeld of dat hij ten aanzien van soortgelijke strafbare feiten eerder is veroordeeld.
Gelet op de aard en ernst van de feiten volstaat naar het oordeel van het hof geen andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van relatief lange duur. Daarbij heeft het hof mede gelet op het belang van een juiste normhandhaving en het signaal dat moet uitgaan naar andere volwassenen die in de verleiding komen zich aan jeugdigen te vergrijpen.
Het hof acht alles overziende – daarbij ook rekening houdend met hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht – een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 14 maanden passend en geboden.
Vastgesteld moet echter worden dat in eerste aanleg sprake is geweest van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. De Hoge Raad neemt in zijn uitleg van de redelijke termijn als uitgangspunt dat een
einduitspraak in eerste aanleg dient te volgen binnen twee jaren vanaf het moment waarop de verdachte redelijkerwijs kenbaar was dat tegen hem een vervolging werd ingesteld. In deze zaak kan dit moment bepaald worden op de dag waarop de verdachte als zodanig door de politie is verhoord en een deels bekennende verklaring heeft afgelegd, te weten 17 september 2021.
De rechtbank heeft hierna op 8 mei 2024 vonnis gewezen. Dat maakt dat de redelijke termijn in eerste aanleg naar het oordeel van het hof met bijna 8 maanden is overschreden.
Het hof ziet hierin aanleiding om aan de verdachte compensatie te bieden door middel van een korting op de op te leggen straf. Aan de verdachte zal een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden worden opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 5.500,00 strekkende tot immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Dictum
Het hof merkt hierbij op dat de op 1 juli 2024 in werking getreden Wet seksuele misdrijven geen gewijzigd inzicht van de wetgever in de strafwaardigheid ten gunste van de verdachte ten aanzien van het seksueel binnendringen met zich brengt (vergelijk artikel 246 Sr (oud) en het huidige artikel 248 Sr) en dat het toepasselijke strafmaximum, ook gelet op de eendaadse samenloop, evenmin ten gunste van de verdachte is gewijzigd (vergelijk de artikelen 246 en 248a Sr (oud) met het huidige artikel 248 Sr).
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.000,00 (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,00 (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 40 (veertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 22 juli 2018.
Aldus gewezen door:
mr. R.G.A. Beaujean, voorzitter,
mr. S.V. Pelsser en mr. M.C.C. van de Schepop, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.H.M. van Gennip, griffier,
en op 25 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mrs. Van de Schepop en Van Gennip zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.