Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-08-28
ECLI:NL:GHSHE:2025:2333
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
6,492 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2025:2333 text/xml public 2026-04-30T11:00:50 2025-08-28 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-08-28 200.351.251_01 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl EB 2026/43 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2333 text/html public 2026-02-25T10:01:46 2026-02-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:2333 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 28-08-2025 / 200.351.251_01 Partneralimentatie Bekrachtiging beslissing rechtbank: onderhoudsgerechtigde wordt geacht zelf in aanvullende behoefte te voorzien door te gaan werken; UWV acht haar belastbaar om voor 40 uur per week te werken. Onderhoudsgerechtigde onderneemt geen pogingen om baan te vinden. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht zaaknummer : 200.351.251/01 zaaknummer rechtbank : C/01/397872 / FA RK 23-4298 beschikking van de meervoudige kamer van 28 augustus 2025 inzake [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. M. Yigitdol te Eindhoven, tegen [de man] , wonende te [woonplaats] , verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. U. Ögüt te Eindhoven. In het kort De vrouw is het er niet mee eens dat de rechtbank haar verzoek om partneralimentatie heeft afgewezen. 1 Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 15 januari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2 Het geding in hoger beroep 2.1. De vrouw is op 14 februari 2025 in hoger beroep gekomen van de hiervoor genoemde beschikking van de rechtbank. 2.2. De man heeft op 11 april 2025 een verweerschrift ingediend. 2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de V-formulieren met bijlagen van partijen, beide van 13 juni 2025. 2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 juni 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord; mr. Yigitdol (namens de vrouw); de man, bijgestaan door mr. Ögüt en een tolk genaamd de heer O. Agir (nr. 40425). 3 De feiten Partijen zijn op 12 september 2012 met elkaar getrouwd. Bij beschikking van 15 januari 2025 (tevens de bestreden beschikking) is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Omdat de vrouw hiertegen in deze procedure ‘vol appel’ heeft ingesteld, is de echtscheiding nog niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 4 De omvang van het geschil 4.1. Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een uitkering in de kosten van haar levensonderhoud ten laste van de man (hierna ook: partneralimentatie) afgewezen. 4.2. De vrouw heeft haar verzoek na indiening van het hoger beroepschrift twee keer gewijzigd: eerst op 13 juni 2025 en daarna op de mondelinge behandeling in hoger beroep. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen uitsluitend voor zover daarbij haar verzoek tot vaststelling van een partneralimentatie is afgewezen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat met ingang van de datum waarop de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, althans vanaf de datum van de te geven beschikking in hoger beroep, de man aan de vrouw telkens per vooruitbetaling dient te betalen een bedrag van € 485,- bruto per maand voor het levensonderhoud van de vrouw, althans dat het hof een bedrag en ingangsdatum bepaalt die het hof juist acht, althans dat het hof een beslissing neemt die het hof juist acht. 4.3. De man verzoekt het hof de vrouw in haar grieven niet ontvankelijk te verklaren althans het hoger beroep van de vrouw als ongegrond en onbewezen af te wijzen onder bekrachtiging van de bestreden beschikking voor wat betreft de afwijzing van het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie. Geheel voorwaardelijk verzoekt de man het hof, mocht het hof tot een inhoudelijke beoordeling komen van het verzoek tot de vaststelling van een partneralimentatie, om de duur van de partneralimentatie te limiteren tot een duur van één jaar vanaf datum van de beschikking van het hof. 5 De motivering van de beslissing Echtscheiding 5.1. Het hof stelt allereerst vast dat de vrouw ‘vol appel’ heeft ingesteld tegen de bestreden beschikking. Nu de vrouw echter geen grief heeft aangevoerd tegen de daarbij uitgesproken echtscheiding en ook op zitting niet is gebleken dat de vrouw zich wenst te verzetten tegen de door de rechtbank uitgesproken echtscheiding, zal het hof het verzoek van de vrouw in zoverre afwijzen. Partneralimentatie 5.2.1. Tussen partijen is niet in geschil dat: de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw in 2024 € 1.530,- netto per maand bedroeg; geïndexeerd naar 2025 € 1.629,- netto per maand. de vrouw een uitkering heeft van € 1.318,- netto per maand; het verschil tussen de huwelijksgerelateerde behoefte en haar eigen inkomen € 311,- netto per maand is, gebruteerd € 485,- per maand. Het voornaamste geschilpunt in hoger beroep is of de vrouw zelf in dit verschil kan voorzien, ofwel: heeft zij een aanvullende behoefte van € 485,- bruto per maand? 5.2.2. De standpunten van partijen hieromtrent luiden, samengevat, als volgt. - Standpunt van de vrouw De rechtbank heeft een onbegrijpelijke beschikking gegeven. Het is een vaste lijn binnen de rechtspraak dat de inspanningsverplichting van een onderhoudsgerechtigde pas ingaat na de echtscheiding. De vrouw heeft tijdens het huwelijk alleen maar in het jaar 2018 een korte periode voor een aantal dagen in de week gewerkt als plukker in de landbouw en verdiende daarmee een inkomen van maximaal € 500,- per maand. Nadat de vrouw in 2019 een tweede herseninfarct kreeg, heeft ze niet meer gewerkt. De vrouw heeft geen breed arbeidsverleden en geen uitgebreide werkervaring. Ze spreekt de Nederlandse taal zeer gebrekkig en is relatief gezien ouder (55 jaar). Haar kansen op de arbeidsmarkt zijn daardoor relatief laag te noemen, te meer gelet op haar arbeidsongeschiktheidsverklaring. De vrouw ontvangt een UWV-uitkering en een WGA-vervolguitkering op basis van de categorie 35 % - 45 % arbeidsongeschiktheid. Van enige (aanvullende) verdiencapaciteit is daarom geen sprake. De restverdiencapaciteit die het UWV noemt, is slechts een theoretische verdiencapaciteit, want de vrouw acht zichzelf niet in staat om de door het UWV maatgevende arbeid uit te voeren. Ze begint binnenkort met het traject ‘Werkfit maken’ dat door het UWV wordt ingezet. Dit ziet op ingekochte dienstverlening voor mensen die volgens het UWV beschikken over arbeidsmogelijkheden, maar nog worden geacht extra ondersteuning nodig te hebben om werk te kunnen vinden. De vrouw is er daarom nu nog niet aan toe om daadwerkelijk te gaan werken. Dit traject zal totaal 41 uur in beslag nemen, verdeeld over 9 maanden. Dit traject moet eerst worden doorlopen voordat de vrouw eventueel weer zou kunnen werken. - Standpunt van de man De vrouw moet als alimentatiegerechtigde aantonen en onderbouwen waarom zij een aanvullende behoefte heeft. Ze heeft ook in hoger beroep geen nieuwe of aanvullende stukken overlegd waaruit blijkt dat zij volledig en duurzaam niet in staat is om (deels) in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De vrouw krijgt een WGA-uitkering. Dat impliceert dat de vrouw gedeeltelijk arbeidsgeschikt is waardoor zij dus geacht wordt in staat te zijn (deels) arbeid te verrichten en inkomsten te verwerven. Uit de stukken van de vrouw blijkt dat ze 65% arbeidsgeschikt is. De jurisprudentie over de inspanningsverplichting waar de vrouw op doelt, ziet op de toenemende inspanningsverplichting. Het is echter altijd het uitgangspunt geweest dat een onderhoudsgerechtigde zich moet inspannen om in de eigen behoefte te voorzien. Dat kan de vrouw ook. Partijen zijn al feitelijk meer dan twee jaar uit elkaar en kennelijk kan de vrouw in haar eigen behoefte voorzien zonder een bijdrage van de man.
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2025:2333 text/xml public 2026-04-30T11:00:50 2025-08-28 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-08-28 200.351.251_01 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl EB 2026/43 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2333 text/html public 2026-02-25T10:01:46 2026-02-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:2333 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 28-08-2025 / 200.351.251_01 Partneralimentatie Bekrachtiging beslissing rechtbank: onderhoudsgerechtigde wordt geacht zelf in aanvullende behoefte te voorzien door te gaan werken; UWV acht haar belastbaar om voor 40 uur per week te werken. Onderhoudsgerechtigde onderneemt geen pogingen om baan te vinden. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht zaaknummer : 200.351.251/01 zaaknummer rechtbank : C/01/397872 / FA RK 23-4298 beschikking van de meervoudige kamer van 28 augustus 2025 inzake [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. M. Yigitdol te Eindhoven, tegen [de man] , wonende te [woonplaats] , verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. U. Ögüt te Eindhoven. In het kort De vrouw is het er niet mee eens dat de rechtbank haar verzoek om partneralimentatie heeft afgewezen. 1 Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 15 januari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2 Het geding in hoger beroep 2.1. De vrouw is op 14 februari 2025 in hoger beroep gekomen van de hiervoor genoemde beschikking van de rechtbank. 2.2. De man heeft op 11 april 2025 een verweerschrift ingediend. 2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de V-formulieren met bijlagen van partijen, beide van 13 juni 2025. 2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 juni 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord; mr. Yigitdol (namens de vrouw); de man, bijgestaan door mr. Ögüt en een tolk genaamd de heer O. Agir (nr. 40425). 3 De feiten Partijen zijn op 12 september 2012 met elkaar getrouwd. Bij beschikking van 15 januari 2025 (tevens de bestreden beschikking) is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Omdat de vrouw hiertegen in deze procedure ‘vol appel’ heeft ingesteld, is de echtscheiding nog niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 4 De omvang van het geschil 4.1. Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een uitkering in de kosten van haar levensonderhoud ten laste van de man (hierna ook: partneralimentatie) afgewezen. 4.2. De vrouw heeft haar verzoek na indiening van het hoger beroepschrift twee keer gewijzigd: eerst op 13 juni 2025 en daarna op de mondelinge behandeling in hoger beroep. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen uitsluitend voor zover daarbij haar verzoek tot vaststelling van een partneralimentatie is afgewezen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat met ingang van de datum waarop de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, althans vanaf de datum van de te geven beschikking in hoger beroep, de man aan de vrouw telkens per vooruitbetaling dient te betalen een bedrag van € 485,- bruto per maand voor het levensonderhoud van de vrouw, althans dat het hof een bedrag en ingangsdatum bepaalt die het hof juist acht, althans dat het hof een beslissing neemt die het hof juist acht. 4.3. De man verzoekt het hof de vrouw in haar grieven niet ontvankelijk te verklaren althans het hoger beroep van de vrouw als ongegrond en onbewezen af te wijzen onder bekrachtiging van de bestreden beschikking voor wat betreft de afwijzing van het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie. Geheel voorwaardelijk verzoekt de man het hof, mocht het hof tot een inhoudelijke beoordeling komen van het verzoek tot de vaststelling van een partneralimentatie, om de duur van de partneralimentatie te limiteren tot een duur van één jaar vanaf datum van de beschikking van het hof. 5 De motivering van de beslissing Echtscheiding 5.1. Het hof stelt allereerst vast dat de vrouw ‘vol appel’ heeft ingesteld tegen de bestreden beschikking. Nu de vrouw echter geen grief heeft aangevoerd tegen de daarbij uitgesproken echtscheiding en ook op zitting niet is gebleken dat de vrouw zich wenst te verzetten tegen de door de rechtbank uitgesproken echtscheiding, zal het hof het verzoek van de vrouw in zoverre afwijzen. Partneralimentatie 5.2.1. Tussen partijen is niet in geschil dat: de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw in 2024 € 1.530,- netto per maand bedroeg; geïndexeerd naar 2025 € 1.629,- netto per maand. de vrouw een uitkering heeft van € 1.318,- netto per maand; het verschil tussen de huwelijksgerelateerde behoefte en haar eigen inkomen € 311,- netto per maand is, gebruteerd € 485,- per maand. Het voornaamste geschilpunt in hoger beroep is of de vrouw zelf in dit verschil kan voorzien, ofwel: heeft zij een aanvullende behoefte van € 485,- bruto per maand? 5.2.2. De standpunten van partijen hieromtrent luiden, samengevat, als volgt. - Standpunt van de vrouw De rechtbank heeft een onbegrijpelijke beschikking gegeven. Het is een vaste lijn binnen de rechtspraak dat de inspanningsverplichting van een onderhoudsgerechtigde pas ingaat na de echtscheiding. De vrouw heeft tijdens het huwelijk alleen maar in het jaar 2018 een korte periode voor een aantal dagen in de week gewerkt als plukker in de landbouw en verdiende daarmee een inkomen van maximaal € 500,- per maand. Nadat de vrouw in 2019 een tweede herseninfarct kreeg, heeft ze niet meer gewerkt. De vrouw heeft geen breed arbeidsverleden en geen uitgebreide werkervaring. Ze spreekt de Nederlandse taal zeer gebrekkig en is relatief gezien ouder (55 jaar). Haar kansen op de arbeidsmarkt zijn daardoor relatief laag te noemen, te meer gelet op haar arbeidsongeschiktheidsverklaring. De vrouw ontvangt een UWV-uitkering en een WGA-vervolguitkering op basis van de categorie 35 % - 45 % arbeidsongeschiktheid. Van enige (aanvullende) verdiencapaciteit is daarom geen sprake. De restverdiencapaciteit die het UWV noemt, is slechts een theoretische verdiencapaciteit, want de vrouw acht zichzelf niet in staat om de door het UWV maatgevende arbeid uit te voeren. Ze begint binnenkort met het traject ‘Werkfit maken’ dat door het UWV wordt ingezet. Dit ziet op ingekochte dienstverlening voor mensen die volgens het UWV beschikken over arbeidsmogelijkheden, maar nog worden geacht extra ondersteuning nodig te hebben om werk te kunnen vinden. De vrouw is er daarom nu nog niet aan toe om daadwerkelijk te gaan werken. Dit traject zal totaal 41 uur in beslag nemen, verdeeld over 9 maanden. Dit traject moet eerst worden doorlopen voordat de vrouw eventueel weer zou kunnen werken. - Standpunt van de man De vrouw moet als alimentatiegerechtigde aantonen en onderbouwen waarom zij een aanvullende behoefte heeft. Ze heeft ook in hoger beroep geen nieuwe of aanvullende stukken overlegd waaruit blijkt dat zij volledig en duurzaam niet in staat is om (deels) in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De vrouw krijgt een WGA-uitkering. Dat impliceert dat de vrouw gedeeltelijk arbeidsgeschikt is waardoor zij dus geacht wordt in staat te zijn (deels) arbeid te verrichten en inkomsten te verwerven. Uit de stukken van de vrouw blijkt dat ze 65% arbeidsgeschikt is. De jurisprudentie over de inspanningsverplichting waar de vrouw op doelt, ziet op de toenemende inspanningsverplichting. Het is echter altijd het uitgangspunt geweest dat een onderhoudsgerechtigde zich moet inspannen om in de eigen behoefte te voorzien. Dat kan de vrouw ook. Partijen zijn al feitelijk meer dan twee jaar uit elkaar en kennelijk kan de vrouw in haar eigen behoefte voorzien zonder een bijdrage van de man.
Volledig
De vrouw heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij zich heeft ingespannen om aanvullende inkomsten te verwerven, hetzij via (aangepast) werk, hetzij via scholing/re-integratie, dan wel bewijs dat zij wegens psychische of lichamelijke klachten volledig arbeidsongeschikt is. Het UWV heeft op basis van het CBBS-systeem (Claim Beoordelings- en Borgingssysteem) een uitdraai gemaakt van minimaal drietal functies die de vrouw kan uitvoeren met haar aanwezige beperkingen. De vrouw heeft kansen op de arbeidsmarkt en zij voldoet nog steeds niet aan haar inspanningsverplichting om haar resterende verdiencapaciteit aan te wenden. Uit de stukken van het UWV blijkt bovendien dat er al in 2021 van de vrouw werd verwacht dat er in haar medische situatie binnen drie maanden een verbetering zou optreden. De vrouw kan twee uur per dag als interieurverzorgster aan de slag gaan, bijvoorbeeld bij [bedrijf] en daarmee zou ze € 900,- per maand verdienen. Hiermee kan ze in haar eigen behoefte voorzien. Er is voldoende werkgelegenheid in [woonplaats] en er zijn zoveel mensen die de Nederlandse taal niet spreken, maar wel werken. Het hof overweegt als volgt. 5.3.1. De vrouw verzoekt partneralimentatie van de man. Het ligt daarom op de weg van de vrouw om aan te tonen dat zij zelf niet in staat is om € 311,- netto per maand te verdienen waarmee zij zelf in haar aanvullende behoefte kan voorzien. Het hof is van oordeel dat de vrouw daar niet in is geslaagd, gelet op het volgende. 5.3.2. Uit het arbeidsdeskundig rapport van het UWV van 28 januari 2021 blijkt dat de vrouw voor 44,63 % arbeidsongeschikt is verklaard, dat de vrouw het eens was met de uitkomst van deze beoordeling en dat zij belastbaar werd geacht om gemiddeld 40 uur per week te werken (bijvoorbeeld als textielproductenmaker, huishoudelijk medewerker gebouwen of medewerker tuinbouw). Uit de brief van het UWV van 14 februari 2022 blijkt dat de arbeidsdeskundige de vrouw in staat acht om € 974,62 bruto per maand te verdienen en hieruit blijkt dat het arbeidsongeschiktheidspercentage van de vrouw wordt vastgesteld op 35 % tot 45%. Tot slot blijkt uit de recente brief van het UWV van 15 april 2025 dat het UWV de vrouw – nog steeds – belastbaar acht voor 40 uur per week en dat er van de vrouw wordt verwacht dat zij op zoek gaat naar passend werk. 5.3.3. Anders dan de vrouw meent, is het hof van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat zij vanwege lichamelijke en/of psychische klachten niet in staat zou zijn om op de arbeidsmarkt in ieder geval € 311,- netto per maand te verdienen. Het overleggen van een afsprakenkaart van het [ziekenhuis] ziekenhuis (afdeling cardiologie) en een foto van een hartkastje, is daartoe ontoereikend. Dat de vrouw hartklachten heeft, wordt door de man niet weersproken en staat vast. Wat echter niet vaststaat en ook niet vast is komen te staan, is waarom de vrouw niet in staat zou zijn om haar resterende verdiencapaciteit te gelde te maken voor in ieder geval een bedrag van € 311,- netto per maand, waartoe het UWV haar sinds 2021 in staat acht. In de leeftijd van de vrouw (55 jaar), haar taalbarrière en haar gebrek aan werkervaring, ziet het hof onvoldoende belemmeringen. Ook indien de vrouw ongeschoold werk zou verrichten, geldt voor haar het wettelijke minimum uurloon (€ 14,40 per 1 juli 2025) en zou zij met circa 4 uur per dag werken volledig in haar eigen huwelijksgerelateerde behoefte kunnen voorzien. Daartoe heeft ze echter tot op heden geen pogingen ondernomen. Dat had wel van de vrouw verwacht mogen worden. Dat de vrouw nu een traject ‘Werkfit maken’ gaat volgen, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde brief van het UWV van 15 april 2025, maakt dit niet anders. Zoals op de mondelinge behandeling verduidelijkt, beslaat dit traject totaal 41 uur, verdeeld over 9 maanden. Het hof ziet niet in waarom de vrouw dit niet zou kunnen combineren met het verrichten van betaalde arbeid. Ondanks dat er sprake is van een arbeidsongeschiktheidspercentage, ziet het UWV al sinds 2021 mogelijkheden bij de vrouw om te werken. Het hof ziet deze mogelijkheden ook. Dat de vrouw ervoor kiest om dit niet te doen, ligt in haar haar risicosfeer. 5.3.4. Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de vrouw in ieder geval in staat moet worden geacht om werkzaamheden te verrichten waarmee zij volledig in haar eigen huwelijksgerelateerde behoefte kan voorzien. Het hof wijst daarom het hoger beroep van de vrouw af. Aan een beoordeling van de draagkracht van de man en het voorwaardelijke verzoek van de man tot limitering van de partneralimentatie, komt het hof niet toe. 6 De beslissing Het hof: wijst het hoger beroep van de vrouw tegen de echtscheiding af; bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover het betreft het afgewezen verzoek van de vrouw tot vaststelling van een partneralimentatie; wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, E.P. de Beij, M.J.C. van Leeuwen en is in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Volledig
De vrouw heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij zich heeft ingespannen om aanvullende inkomsten te verwerven, hetzij via (aangepast) werk, hetzij via scholing/re-integratie, dan wel bewijs dat zij wegens psychische of lichamelijke klachten volledig arbeidsongeschikt is. Het UWV heeft op basis van het CBBS-systeem (Claim Beoordelings- en Borgingssysteem) een uitdraai gemaakt van minimaal drietal functies die de vrouw kan uitvoeren met haar aanwezige beperkingen. De vrouw heeft kansen op de arbeidsmarkt en zij voldoet nog steeds niet aan haar inspanningsverplichting om haar resterende verdiencapaciteit aan te wenden. Uit de stukken van het UWV blijkt bovendien dat er al in 2021 van de vrouw werd verwacht dat er in haar medische situatie binnen drie maanden een verbetering zou optreden. De vrouw kan twee uur per dag als interieurverzorgster aan de slag gaan, bijvoorbeeld bij [bedrijf] en daarmee zou ze € 900,- per maand verdienen. Hiermee kan ze in haar eigen behoefte voorzien. Er is voldoende werkgelegenheid in [woonplaats] en er zijn zoveel mensen die de Nederlandse taal niet spreken, maar wel werken. Het hof overweegt als volgt. 5.3.1. De vrouw verzoekt partneralimentatie van de man. Het ligt daarom op de weg van de vrouw om aan te tonen dat zij zelf niet in staat is om € 311,- netto per maand te verdienen waarmee zij zelf in haar aanvullende behoefte kan voorzien. Het hof is van oordeel dat de vrouw daar niet in is geslaagd, gelet op het volgende. 5.3.2. Uit het arbeidsdeskundig rapport van het UWV van 28 januari 2021 blijkt dat de vrouw voor 44,63 % arbeidsongeschikt is verklaard, dat de vrouw het eens was met de uitkomst van deze beoordeling en dat zij belastbaar werd geacht om gemiddeld 40 uur per week te werken (bijvoorbeeld als textielproductenmaker, huishoudelijk medewerker gebouwen of medewerker tuinbouw). Uit de brief van het UWV van 14 februari 2022 blijkt dat de arbeidsdeskundige de vrouw in staat acht om € 974,62 bruto per maand te verdienen en hieruit blijkt dat het arbeidsongeschiktheidspercentage van de vrouw wordt vastgesteld op 35 % tot 45%. Tot slot blijkt uit de recente brief van het UWV van 15 april 2025 dat het UWV de vrouw – nog steeds – belastbaar acht voor 40 uur per week en dat er van de vrouw wordt verwacht dat zij op zoek gaat naar passend werk. 5.3.3. Anders dan de vrouw meent, is het hof van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat zij vanwege lichamelijke en/of psychische klachten niet in staat zou zijn om op de arbeidsmarkt in ieder geval € 311,- netto per maand te verdienen. Het overleggen van een afsprakenkaart van het [ziekenhuis] ziekenhuis (afdeling cardiologie) en een foto van een hartkastje, is daartoe ontoereikend. Dat de vrouw hartklachten heeft, wordt door de man niet weersproken en staat vast. Wat echter niet vaststaat en ook niet vast is komen te staan, is waarom de vrouw niet in staat zou zijn om haar resterende verdiencapaciteit te gelde te maken voor in ieder geval een bedrag van € 311,- netto per maand, waartoe het UWV haar sinds 2021 in staat acht. In de leeftijd van de vrouw (55 jaar), haar taalbarrière en haar gebrek aan werkervaring, ziet het hof onvoldoende belemmeringen. Ook indien de vrouw ongeschoold werk zou verrichten, geldt voor haar het wettelijke minimum uurloon (€ 14,40 per 1 juli 2025) en zou zij met circa 4 uur per dag werken volledig in haar eigen huwelijksgerelateerde behoefte kunnen voorzien. Daartoe heeft ze echter tot op heden geen pogingen ondernomen. Dat had wel van de vrouw verwacht mogen worden. Dat de vrouw nu een traject ‘Werkfit maken’ gaat volgen, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde brief van het UWV van 15 april 2025, maakt dit niet anders. Zoals op de mondelinge behandeling verduidelijkt, beslaat dit traject totaal 41 uur, verdeeld over 9 maanden. Het hof ziet niet in waarom de vrouw dit niet zou kunnen combineren met het verrichten van betaalde arbeid. Ondanks dat er sprake is van een arbeidsongeschiktheidspercentage, ziet het UWV al sinds 2021 mogelijkheden bij de vrouw om te werken. Het hof ziet deze mogelijkheden ook. Dat de vrouw ervoor kiest om dit niet te doen, ligt in haar haar risicosfeer. 5.3.4. Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de vrouw in ieder geval in staat moet worden geacht om werkzaamheden te verrichten waarmee zij volledig in haar eigen huwelijksgerelateerde behoefte kan voorzien. Het hof wijst daarom het hoger beroep van de vrouw af. Aan een beoordeling van de draagkracht van de man en het voorwaardelijke verzoek van de man tot limitering van de partneralimentatie, komt het hof niet toe. 6 De beslissing Het hof: wijst het hoger beroep van de vrouw tegen de echtscheiding af; bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover het betreft het afgewezen verzoek van de vrouw tot vaststelling van een partneralimentatie; wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, E.P. de Beij, M.J.C. van Leeuwen en is in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.