Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-08-26
ECLI:NL:GHSHE:2025:2304
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.325.882/01 arrest van 26 augustus 2025 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant in principaal hoger beroep, geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als [appellant] , advocaat: mr. J.J. Bronsveld te Bergen op Zoom, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellant in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , advocaat: mr. B.S. van der Klauw te Rotterdam. als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 6 juni 2023 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, onder zaaknummer C/02/362568 / HA ZA 19-541 gewezen vonnis van 11 januari 2023. (Het vonnis van 11 januari 2023 betrof ook een andere procedure met een ander nummer, zie hierover verder onder 6.4. en 6.5.) 5 Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 6 juni 2023 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast; het proces-verbaal van mondelinge behandeling na aanbrengen van 7 september 2023; het proces-verbaal van de voortgezette mondelinge behandeling na aanbrengen van 22 november 2023; de memorie van grieven; de memorie van antwoord en memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel, met eisvermeerdering en producties; de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep; de mondeling behandeling van 16 december 2024, waarbij beide partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd; de bij brief van 5 december 2024 door mr. Bronsveld toegezonden producties, die [appellant] bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding heeft gebracht. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovengenoemde stukken en de stukken van de eerste aanleg 6 De beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep Kern van de zaak 6.1. Deze uitspraak gaat over twee broers ( [geïntimeerde] en [appellant] ) die een geschil hebben over twee relatief kort achter elkaar opgemaakte, gewijzigde testamenten van hun overleden vader. Deze gewijzigde testamenten heeft de vader op oudere leeftijd laten maken op 14 juli 2014 en op 23 januari 2015. In een eerder testament van 28 maart 2014 waren [geïntimeerde] en [appellant] beiden tot erfgenamen van vader benoemd. In het testament van 14 juli 2014 is een regeling op genomen die inhield dat de helft van alle kosten van bepaalde juridische procedures zou worden afgetrokken van wat [geïntimeerde] zou ontvangen uit de nalatenschap. In het gewijzigde testament van 23 januari 2015 is opgenomen dat [geïntimeerde] wordt onterfd. [geïntimeerde] wil dat de inhoud van beide gewijzigde testamenten nietig wordt verklaard, omdat volgens hem de vader wilsonbekwaam was toen hij de beide gewijzigde testamenten liet opstellen. [appellant] is het daar niet mee eens. De rechtbank heeft een deskundige benoemd en daarna voor recht verklaard dat de inhoud van het testament van 23 januari 2015 nietig is (over het testament van 14 juli 2014 had [geïntimeerde] bij de rechtbank geen vordering ingesteld). Het hof komt tot hetzelfde oordeel als de rechtbank en stelt [geïntimeerde] daarnaast ook ten aanzien van het testament van 14 juli 2014 in het gelijk. Feiten 6.2. In dit hoger beroep wordt uitgegaan van de volgende feiten. a. [geïntimeerde] en [appellant] zijn de zonen van [erflater] geboren op [geboortedatum] (hierna: de vader), en [de moeder] , geboren op [geboortedatum] (hierna: de moeder). b. [appellant] is huisarts. In die hoedanigheid zag hij toe op de medische zorg die aan de vader en de moeder werd verleend. c. Bij de moeder werd in 2010 dementie vastgesteld. d. Bij e-mail van 5 september 2013 heeft [appellant] onder meer het volgende aan [geïntimeerde] geschreven: “(…) Wel kan ik je het volgende melden. Zoals je zelf al aangeeft is Pa bijzonder vergeetachtig. Hij weet inderdaad niet meer wat er een p De kantonrechter heeft daarbij geoordeeld dat op basis van de ingediende stukken, de zitting, het verhoor van vader en het dossier over het bewind en mentorschap, geen sprake was van zodanige gewichtige redenen dat ontslag van de bewindvoerder en mentor moest volgen. m. Op 23 januari 2015 heeft de vader bij testament (hierna ook: het testament van 23 januari 2015) alle eerder door hem gemaakte uiterste wilsbeschikkingen herroepen. Daarbij heeft hij [appellant] tot zijn enig erfgenaam benoemd, onder de last bepaalde legaten uit te keren of af te geven. [geïntimeerde] is in het testament van 23 januari 2015 uitdrukkelijk als erfgenaam uitgesloten. Als beweegreden voor het maken van dit testament is het volgende opgenomen: "Ik maak dit testament mede naar aanleiding van het feit dat mijn zoon [geïntimeerde] bezwaar heeft aangetekend tegen: - de van tweeëntwintig januari tweeduizend veertien daterende beschikking van de kantonrechter, waarbij machtiging aan de bewindvoerder over mijn vermogen is verleend voor het doen van schenkingen uit mijn vermogen door middel van schulderkenningen aan mijn kinderen; - de van drie oktober tweeduizend dertien daterende beschikking van de kantonrechter waarbij mijn zoon [appellant] als bewindvoerder is aangewezen. Het is mijn wens dat mijn kinderen niet onderling in een juridische procedure verwikkeld. geraken en dat de afwikkeling van mijn nalatenschap daardoor een langdurige kwestie wordt. ” n. Bij beschikking van 12 februari 2015 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de uitspraak van 22 januari 2014 van de kantonrechter bekrachtigd. Het hof heeft onder meer het volgende overwogen: “(…) Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat de vader zeer wel in staat is geweest zijn wil te bepalen ten aanzien van een schenking aan zijn beide zonen en dat de in de bestreden beschikking verleende machtiging tot schenking van € 117.000,- aan ieder van hen overeenkomstig zijn wil is. Het hof wijst in dit verband op het door verweerder aangehaalde proces-verbaal van 28 maart 2014, opgesteld door [persoon A] , kandidaat-notaris, en op de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 4 december 2014." o. Op 26 februari 2016 is de vader overleden. p. Op 21 maart 2018 is de moeder overleden. De procedure bij de rechtbank 6.3.1. In de onderhavige procedure vorderde [geïntimeerde] in eerste aanleg in conventie samengevat primair om voor recht te verklaren dat het testament van 23 januari 2015 nietig is, althans om dat testament te vernietigen. Subsidiair vorderde hij dat, voorafgaand aan genoemde verklaring voor recht, een medisch deskundige zou worden benoemd ter beoordeling van de wilsbekwaamheid van de vader ten tijde van het opmaken van het bewuste testament. Meer subsidiair vorderde hij om voor recht te verklaren dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld doordat hij heeft bewerkstelligd dat de vader het testament van 23 januari 2015 heeft opgemaakt en dit niet ongedaan is gemaakt. Nog meer subsidiair vorderde hij om voor recht te verklaren dat [appellant] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen rechten kan ontlenen aan het testament van 23 januari 2015. Daarnaast vorderde [geïntimeerde] veroordeling van [appellant] tot vergoeding van de als gevolg van de onrechtmatige daad door [geïntimeerde] geleden schade, op te maken bij staat. 6.3.2. [appellant] vorderde in eerste aanleg in reconventie primair [geïntimeerde] op straffe van het verbeuren van een dwangsom te veroordelen mee te werken aan de executie van het testament van 23 januari 2015. Subsidiair vorderde hij dat de rechtbank vervangende toestemming zou verlenen deze executie ten uitvoer te leggen en voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de door [appellant] geleden schade. 6.3.3. Beide partijen hebben in eerste aanleg gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, verderop in dit arrest De CDR ernst is achteraf redelijk goed in te vullen als er geen complicerende factoren zijn. En die complicerende factoren zijn op 23 januari 2015 bij [erflater] wel aanwezig. De afhankelijkheid van [erflater] op 23 januari 2015 wordt bepaald door meerdere factoren waaronder zijn lichamelijke conditie (nauwelijks mobiel, noodzaak tillift), de ernst van zijn dementie, zijn overmatig alcohol gebruik en zijn stemming. Een CDR score op grond van zijn afhankelijkheid is dus moeilijk achteraf te bepalen. Geen oog hebben voor deze afhankelijkheid door lichamelijke klachten, overmatig alcohol gebruik en matige stemming kan een overschatting geven van de ernst van de dementie. De verbale vermogens van [erflater] zullen op 23 januari 2015 nog goed geweest zijn. Alcohol gerelateerde dementie gaat minder gepaard met begrip en expressie problemen van de taal. Dit is ook terug te zien in het verslag van specialist ouderengeneeskundige [persoon D] van 12 september 2015. Overzicht problemen waren op 18 november 2013 echter al aanwezig bij [erflater] , te zien aan het onvermogen om adequaat wijzers te plaatsen in een klok, waarbij [erflater] ook niet door had dat hij deze verkeerd plaats[t]. Onbewust onbekwaam op dit gebied op 18 november 2013. Het overmatig alcohol gebruik kan op 23 januari 2015 mogelijk wat minder zijn geworden, maar was in september 2015 nog altijd een halve fles wijn per dag. De in dit verslag eerder vermelde literatuur geeft aan dat alcohol gerelateerde dementie alleen maar kan verbeteren bij totale abstinentie. Aangezien meerdere rapportages melden dat [erflater] overmatig alcohol is blijven gebruiken, stel ik als onderzoeker dat het te verwachten was dat [erflater] op 23 januari 2015 voor overzicht en planning nog altijd onbewust onbekwaam was, ondanks zijn goede verbale vermogens. Daar uit volgt dat het te verwachten is dat [erflater] belangen minder goed heeft kunnen wegen op 23 januari 2015. 4) Welke opmerkingen zijn naar uw oordeel verder van belang ten behoeve van de door de rechtbank te nemen beslissing? (…) Het blijft voor mij als onderzoek[er, hof] niet duidelijk of bovengenoemde mogelijke voorkeur voor [appellant] uiteindelijk ook heeft gezorgd voor de verandering van het testament door [erflater] .” 6.3.7. In het bestreden vonnis (van 11 januari 2023) heeft de rechtbank in conventie voor recht verklaard dat de uiterste wilsbeschikkingen neergelegd in het testament van 23 januari 2015 nietig zijn. In reconventie heeft de rechtbank de vordering van [appellant] afgewezen. De rechtbank heeft [appellant] in de proceskosten in conventie en reconventie veroordeeld. 6.4. In de aanloop naar het bestreden vonnis heeft de rechtbank de zaak waar het hier om gaat (met nummer C/02/362568 / HA ZA 19-541) over de nalatenschap van de vader, gevoegd met de zaak met nummer C/02/384653 / HA ZA 21-212 over de nalatenschap van de kant van de moeder. Die zaak heeft de rechtbank aangehouden en op de parkeerrol geplaatst. De procedure in hoger beroep 6.5. [appellant] heeft in hoger beroep zes grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en, kort gezegd, tot het afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] en (naar het hof begrijpt) tot het alsnog toewijzen van de vorderingen van [appellant] . Ter zitting in hoger beroep heeft de raadsman van [appellant] desgevraagd toegelicht hoe het petitum uitgelegd moet worden. In het petitum wordt gevorderd dat het bestreden vonnis van 11 januari 2023 wordt vernietigd en dat de vorderingen van [geïntimeerde] ongegrond zullen worden verklaard. De raadsman van [appellant] heeft meegedeeld dat dit alleen betrekking heeft op de zaak over de nalatenschap van de vader en niet op de zaak over de nalatenschap van moeder. Dat betekent dat in dit hoger beroep en dit arrest alleen de zaak over de nalatenschap van de vader (de eerstgenoemde zaak in 6.4. hierboven) aan de orde is. De procedure over de nalatenschap van de kant van de moeder (laatstgenoemde zaak In dit geval gaat het er dan ook om te beoordelen: (i) of er bij de vader ten tijde van het verlijden van het testament op 23 januari 2015 overeenkomstig de stellingen van [geïntimeerde] sprake was van een ontbrekende wil zoals hierboven bedoeld en zo ja, of (ii) hetzelfde gold voor het dan toepasselijke testament van 14 juli 2014. De stelplicht en bewijslast van de stelling dat de vader niet in staat was zijn wil te bepalen op deze twee data, rusten op [geïntimeerde] . In een geval als dit voldoet de desbetreffende partij in de regel aan zijn stelplicht door een voldoende onderbouwde medische verklaring in het geding te brengen die deze stelling ondersteunt. 6.9. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden [geïntimeerde] toegelaten tot bewijs van zijn stellingen en de deskundige benoemd. Hiertegen heeft [appellant] ook geen grieven gericht. 6.10. Zoals al overwogen, luidde de conclusie van de deskundige dat bij de vader ten tijde van het opmaken van het testament van 23 januari 2015 sprake was van een geestelijke stoornis en dat deze geestelijke stoornis een redelijke waardering van de bij het opmaken van dat testament betrokken belangen heeft belet. Het hof is van oordeel dat de deskundige deze conclusie voldoende overtuigend heeft gemotiveerd en onderbouwd in zijn rapport, uitmondend in zijn antwoorden op de vragen 2 en 3 (zie onder 6.3.6.). Het hof zal deze conclusie dan ook overnemen. Dit zal het hof hieronder in 6.11. tot en met 6.18. toelichten. Dit betekent dat het hof ook toekomt aan de beoordeling of overeenkomstig de stellingen van [geïntimeerde] sprake was van een ontbrekende wil van de vader bij het (eerdere) testament van 14 juli 2014. Het hof heeft overwogen en ook ter zitting met partijen besproken dat voor die beoordeling mogelijk opnieuw een deskundige geraadpleegd zou dienen te worden. Alles afwegende en in samenhang beziend acht het hof dit niet nodig voor de oordeelsvorming en komt het hof tot het oordeel dat de vader ook ten aanzien van dit (eerdere) testament van 14 juli 2014 handelingsonbekwaam was. Dit zal het hof onder 6.16. nader toelichten. 6.11. Allereerst geldt het volgende. Voor de rechter geldt een beperkte motiveringsplicht ten aanzien van de beslissing om de bevindingen van een deskundige al dan niet te volgen. Wel dienen bij de beantwoording van de vraag of de conclusies waartoe een deskundige in zijn rapport is gekomen zullen worden gevolgd, alle ter zake door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden in aanmerking te worden genomen. Op basis van die aangevoerde stellingen dient de rechter in volle omvang te toetsen of aanleiding bestaat van de in het rapport geformuleerde conclusies af te wijken. De rechter zal op specifieke bezwaren van een partij moeten ingaan als deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van de zienswijze van de deskundige. 6.12. Het hof leest het deskundigenbericht tegen de achtergrond van alle relevante, door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden en overweegt in het licht van de bovenstaande maatstaf als volgt. Het hof acht onder meer van belang dat als onvoldoende betwist vaststaat dat: het op 14 juli 2014 en 23 januari 2015 bij het verlijden van de aangepaste testamenten ging om complexe rechtshandelingen die begrip en overzicht vereisten, mede in aanmerking genomen de in die testamenten weergegeven beweegredenen voor het maken daarvan (zie 6.2. onder i. en m.), uit het overgelegde transcript van het bezoek van de notaris aan de vader op 11 maart 2014 blijkt dat de vader tot driemaal toe heeft aangegeven dat hij de discussie over de toen besproken papieren schenking niet begreep/niet kon volgen (prod. XVIII bij conclusie van antwoord in reconventie), het [appellant] , die mentor en bewindvoerder van vader was, is geweest die in elk geval ten aanzien van de onterving van [geïntimeerde] in het testament van 23 januari 2015 tegen de notaris heeft gezegd dat vader tot deze wijziging wilde overgaan, het [appellant] was d Het handschrift is bibberig. Bij het kloktekenen plaatst dhr de cijfers op de juiste plaats. De wijzers zet hij verkeerd. Hij ziet dit zelf niet. Er is een benoemfout, heeft wel een goed overzicht. Met name het geheugen is slecht.“ “Meest waarschijnlijk is dat het hier gaat om een dementie van het Alzheimertype.” “Al met al is er sprake van cognitieve stoornissen bij een MRI scan zonder specifieke bevindingen. Mogelijk is het alcoholgebruik een belangrijke oorzaak, dd wordt gedacht aan de ziekte van Alzheimer.” 6.14. Alles overziend acht het hof de conclusies van de deskundige voldoende overtuigend. Het hof ziet geen aanleiding om op basis van wat [appellant] aanvoert af te wijken van die conclusies. Meer in het bijzonder overweegt het hof als volgt ten aanzien van de bezwaren van [appellant] over het deskundigenbericht. 6.14.1. [appellant] heeft naar aanleiding van het concept deskundigenbericht 34 vragen (deels in de vorm van aanbevelingen) aan de deskundige gesteld. De deskundige heeft de vragen aangehecht aan het deskundigenbericht en drie vragen verwerkt in het rapport (en op grond daarvan bepaalde tekst aangepast). Het staat een deskundige vrij het onderzoek in te richten naar eigen inzicht, zo ook hier. De deskundige heeft voldoende inzichtelijk gemaakt en toegelicht hoe hij met de vragen van [appellant] is omgegaan. De inhoud van de niet door de deskundige verwerkte 31 vragen maakt naar het oordeel van het hof niet dat de relevante conclusies van de deskundige in zijn rapport minder of geen waarde hebben. 6.14.2. Anders dan [appellant] aanvoert en in lijn met het betoog van [geïntimeerde] , is het hof van oordeel dat de deskundige op basis van zijn interpretatie van de brief van [persoon C] kan concluderen dat [persoon C] de diagnose dementie heeft gesteld. [appellant] brengt nog diverse bezwaren naar voren over de interpretatie van de kant van de rechtbank, onder meer dat de rechtbank (onder 3.11.) ten onrechte de suggestie wekt dat [appellant] als mentor van vader had moeten zorgen voor opvolging (zoals [persoon C] adviseerde). Net als [geïntimeerde] leest het hof deze overweging van de rechtbank aldus, dat de rechtbank er vooral mee aanduidt dat [appellant] er niet voor heeft gezorgd dat de verdere ontwikkeling van de dementie nader is vastgelegd. Wat hier van zij, dit doet naar het oordeel niet af aan de conclusies van de deskundige dàt er sprake was van dementie bij vader. 6.14.3. Verder passeert het hof het betoog van [appellant] dat de deskundige aangeeft dat hij de dementie niet heeft kunnen vaststellen. Naar het hof begrijpt, doelt [appellant] hiermee op de hierboven al genoemde door de deskundige gesignaleerde complicatie dat het hier moeilijk was om achteraf een zogenaamde CDR score te bepalen. Naar het oordeel van het hof doet dit niet af aan de waarde van de conclusies van de deskundige, integendeel. De deskundige vermeldt transparant dat hij zich van deze complicatie bewust is en motiveert daarnaast voldoende overtuigend hoe hij tot de conclusie komt dat de door hem geconstateerde geestelijke stoornis zoals beschreven in zijn antwoord op vraag 2, een redelijke waardering van de bij het opmaken van het testament betrokken belangen heeft belet. 6.14.4. Anders dan [appellant] naar voren brengt, leest het hof de conclusies van de deskundige niet zo, dat hij per definitie vindt dat de aanduiding “onbewust onbekwaam” hetzelfde betekent als wilsonbekwaam. De aanduiding geeft overigens wel duidelijk weer wat er op het punt van de klok-test speelde. Bovendien is het slechts een onderdeel van de beantwoording van vraag 2 en moet deze passage naar het oordeel van het hof in de context van het geheel worden gelezen. 6.14.5. Een zelfde overweging geldt ook voor het betoog van [appellant] dat de deskundige ten onrechte zou menen dat iemand die aan dementie lijdt per definitie wilsonbekwaam is. De beantwoording van vragen 2 en 3 maakt duidelijk dat deskundige deze begrippen niet zonder meer gelijk schakelt en gemotiveer en n.) hebben vastgesteld dat de vader wilsbekwaam was, maakt niet dat ten aanzien van het testament van 14 juli 2014 en het testament van 23 januari 2015 niet kan worden geoordeeld dat de vader wilsonbekwaam was. Ter zitting in hoger beroep is (als onvoldoende betwist) komen vast te staan dat de bewuste gerechten ten tijde van de desbetreffende uitspraken niet op de hoogte waren van de rapportage van neuroloog [persoon C] . Bovendien is het hof van oordeel dat het bij die uitspraken ging over minder complexe en minder verstrekkende rechtshandelingen dan de hier aan de orde zijnde wijzigingen van de testamenten van de vader (zie ook 6.12., eerste gedachtestreepje). 6.17.2. In dat kader geldt voorts dat anders dan [appellant] aanvoert, het enkele feit dat [geïntimeerde] (in 2015) uiteindelijk akkoord is gegaan met bepaalde aspecten van de tegen zijn zin gedane schenkingen op papier, niet met zich brengt dat de vader wilsbekwaam was ten tijde van het laten opmaken van de gewijzigde testamenten. 6.17.3. Dat de notaris de vader kennelijk wel wilsbekwaam heeft geacht ten tijde van het verlijden van het testament van 14 juli 2014 en het testament van 23 januari 2015, leidt ook niet tot een ander oordeel van het hof. Zoals ook de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld (onder 3.18.) had het zeer wel voor de hand gelegen dat de notaris het zogenaamde Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid ten behoeve van notariële dienstverlening (hierna: het stappenplan, productie XVI bij dagvaarding in eerste aanleg) had doorlopen bij het opmaken van het testament van 23 januari 2015. Een groot deel van de in het stappenplan daarvoor genoemde indicatoren waren in dit geval aanwezig. Dat geldt overeenkomstig voor het testament van 14 juli 2014. Niettemin heeft de notaris dit stappenplan niet doorlopen. Daar komt bij dat al bij leven van de vader en vóór het opmaken van de beide testamenten de meermaals besproken rapportage van neuroloog [persoon C] is opgemaakt, waarin de dementie van de vader aan de orde komt. Gelet op al het voorgaande, hecht het hof doorslaggevende waarde aan de conclusies en bevindingen van de deskundige. 6.17.4. Anders dan [appellant] , is het hof van oordeel dat de rechtbank (evenals de deskundige) terecht en op goede gronden voorbij is gegaan aan de conclusie in het verslag dat specialist ouderengeneeskunde [persoon D] (hierna: [persoon D] ) op 14 september 2015 opgesteld (bijlage 8 bij het deskundigenbericht). Dit verslag had betrekking op het gesprek dat [persoon D] heeft gehad met de vader op 12 september 2015. Op basis van dit gesprek en de informatie van de zorgcoördinator en het zorgevaluatieverslag van 11 september 2015 komt [persoon D] tot de conclusie dat de vader ondanks zijn vergeetachtigheid en mogelijke beïnvloedbaarheid volledig wils- en beslissingsbekwaam is ten aanzien van de keuze wie aan te stellen als zijn bewindvoerder. Zoals [geïntimeerde] terecht aanvoert en overeenkomstig de overwegingen van de rechtbank constateert het hof dat [persoon D] geen onderzoek heeft gedaan naar de wilsbekwaamheid voor het maken van een testament (maar voor de minder complexe keuze voor een bewindvoerder). Daarnaast geeft de deskundige duidelijk en inzichtelijk aan waarom hij de werkwijze van [persoon D] niet als voldoende beschouwt. Bovendien kan [persoon D] niet worden aangemerkt als onafhankelijk deskundige: hij heeft zijn onderzoek gedaan op verzoek van [appellant] en hij geeft aan dat hij [appellant] kent uit de studietijd. 6.17.5. De brief van 5 november 2014 van [persoon H] (hierna: [persoon H] ) van het verzorgingshuis waar de vader verblijft (prod. 5 bij antwoordconclusie na deskundigenbericht) leidt ook niet tot een ander oordeel van het hof. Het enkele uit die brief ook blijkende feit dat de vader niet in de zogenaamde ‘dementieketen’ verbleef, maakt niet er bij de vader geen sprake kon zijn van wilsonbekwaamheid bij het laten opmaken van de testamenten van 14 juli 2014 en 23 januari 2015. Verder blij