Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-01-30
ECLI:NL:GHSHE:2025:230
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
16,650 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 30 januari 2025
Zaaknummer: 200.342.411/01
Zaaknummer eerste aanleg: 10844639 BM VERZ 23-6189
in de zaak in hoger beroep van:
[rechthebbende]
,
wonende in [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de rechthebbende,
advocaat: mr. R.R.F.J. Palmen,
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
[bewindvoerder] , h.o.d.n. [naam] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,
hierna te noemen: de bewindvoerder,
en
[de zoon van de rechthebbende]
,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de zoon van de rechthebbende,
en
[de dochter van de rechthebbende]
,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de dochter van de rechthebbende.
Deze zaak gaat over het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 19 maart 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij een door de rechthebbende zelf ondertekende brief, ingekomen bij het hof op 12 juni 2024, heeft de rechthebbende, naar het hof begrijpt, verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het bewind op te heffen.
2.2.
Het hof heeft de rechthebbende een termijn gegeven om het verzuim te herstellen dat het hoger beroep niet door een advocaat was ingediend. Op 28 juni 2024, binnen de door het hof gestelde termijn, is een door de advocaat van de rechthebbende ondertekend exemplaar van voornoemde brief van de rechthebbende ontvangen.
2.3.
Het hof heeft verder kennisgenomen van:
- het V6-formulier van 4 juli 2024, van de advocaat van de rechthebbende, ingekomen bij het hof op 5 juli 2024, met bijlagen;
- het V6-formulier van 8 juli 2024, van de advocaat van de rechthebbende, ingekomen bij het hof op 20 augustus 2024, met bijlage;
- de e-mail van de zoon van de rechthebbende van 23 augustus 2024;
- de brief van de bewindvoerder van 30 september 2024, met bijlagen, ingekomen op
1 oktober 2024.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 december 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de rechthebbende, bijgestaan door zijn advocaat;
- de bewindvoerder, in de persoon van [betrokkene] .
2.4.1.
De dochter en de zoon van de rechthebbende zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
2.4.2.
De advocaat van de rechthebbende heeft tijdens de mondelinge behandeling een pleitnota overgelegd en voorgedragen.
2.5.
Op verzoek van het hof heeft de bewindvoerder op 13 december 2024 een machtiging overgelegd waaruit blijkt dat [bewindvoerder] gerechtigd is (geweest) om [naam] B.V. te vertegenwoordigen tijdens de mondelinge behandeling bij het hof.
3De beoordeling
Feiten
3.1.
Uit de bestreden beschikking blijkt dat de kantonrechter bij beschikking van 15 april 2022 over de goederen die de rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind heeft ingesteld. De instellingsgrond was lichamelijke of geestelijke toestand.
3.2.
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking het verzoek van de rechthebbende om het bewind op te heffen afgewezen.
3.3.
De rechthebbende kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De standpunten
3.4.
De rechthebbende voert, samengevat, het volgende aan. De rechthebbende wil dat het bewind wordt opgeheven. De rechthebbende kan zijn eigen financiën beheren, eventueel met behulp van budgetbeheer. Er zijn bij de rechthebbende geen lichamelijke of geestelijke belemmeringen die maken dat het bewind in stand moet blijven. De rechthebbende ervaart geen klik met de bewindvoerder en de rechthebbende heeft geen vertrouwen in de bewindvoerder.
3.5.
De bewindvoerder voert, samengevat, het volgende aan. Het bewind moet in stand blijven, omdat de grond waarop het bewind destijds is uitgesproken onveranderd aanwezig is. De rechthebbende werkt bij de [bedrijf] , zijnde een plek waar mensen met een (verstandelijke) beperking kunnen werken. Daarnaast is er recent ten behoeve van de rechthebbende een WMO-beschikking afgegeven waaruit blijkt dat nog niet alle doelen behaald zijn. Door de bewindvoering lopen de financiële zaken van de rechthebbende op dit moment goed. De reden waarom het soms niet klikt, is omdat de bewindvoerder niet alle verzoeken van de rechthebbende om extra financiën kan toewijzen.
Overwegingen
3.6.
Op grond van artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter een bewind instellen over één of meer van de goederen, die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren, indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, als gevolg van:
a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel;
b. verkwisting of het hebben van problematische schulden.
3.7.
Op grond van artikel 1:449 lid 2 BW kan de kantonrechter het bewind opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken. Dit kan op verzoek van de bewindvoerder of van degene die gerechtigd is het bewind te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432 BW, alsmede ambtshalve.
3.8.
Net als de rechtbank, en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen weging en waardering overneemt en tot de zijne maakt is het hof van oordeel dat het verzoek van de rechthebbende strekkende tot opheffing van het bewind moet worden afgewezen. Het hof voegt daar het volgende aan toe.
3.9.
De rechthebbende heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de noodzaak van het bewind, dat destijds is ingesteld op grond van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, niet meer bestaat of dat voortzetting van het bewind niet zinvol is. Uit de stukken blijkt dat er bij het instellen van het bewind onder andere zorgen waren over drugsproblematiek en beïnvloedbaarheid van de rechthebbende. Er zijn door de rechthebbende geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de zorgen die er destijds waren weggenomen zijn en/of dat de rechthebbende op dit moment in staat is op een verantwoorde wijze zijn eigen financiën te beheren.
De rechthebbende werkt nog altijd als postbode via een werkvoorzieningsplaats voor mensen met een (verstandelijke) beperking. Ook is gebleken dat aan de rechthebbende, op zijn eigen verzoek, op 5 maart 2024 vanuit de gemeente een maatwerkvoorziening is toegekend in het kader van de WMO, op grond waarvan de rechthebbende steun krijgt bij het vergroten van het kunnen nemen van regie en bij het afhandelen van zijn post- en regelzaken. Daarnaast wordt de rechthebbende vanuit de maatwerkvoorziening een luisterend oor geboden zodat hij kan ventileren over het verloop van zijn week of weken. De rechthebbende heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verklaard dat hij op dit moment één keer per veertien dagen deze hulp krijgt in de thuissituatie.
Voorts is het hof er niet van overtuigd geraakt dat de rechthebbende voldoende in staat is de gevolgen van zijn handelen te overzien. Zo is tijdens de mondelinge behandeling bij het hof gebleken dat de rechthebbende feitelijk over een auto beschikt, als hoofdbestuurder in die auto rijdt, terwijl die niet op zijn naam staat en niet op zijn naam verzekerd is. Ook is tijdens de mondelinge behandeling naar voren gekomen dat de rechthebbende een tweede bron van inkomsten heeft door zijn werkzaamheden als verkeersregelaar en dat de bewindvoerder hiervan niet op de hoogte is. Het is niet duidelijk geworden dat de rechthebbende overziet dat deze extra inkomsten mogelijk iets betekenen voor, bijvoorbeeld, de loonheffing op zijn inkomen.
3.10.
De bewindvoerder heeft in de procedure in hoger beroep (andermaal) verklaard open te staan voor het vergroten van de vaardigheden van de rechthebbende door een zelfredzaamheidstraject te starten, zodat gekeken kan worden of het bewind eventueel op termijn opgeheven kan worden. De rechthebbende heeft, evenals bij de kantonrechter in eerste aanleg, tijdens de mondelinge behandeling bij het hof desgevraagd verklaard daar echter niet aan mee te willen werken.
Het lag op de weg van de rechthebbende om in ieder geval in hoger beroep aan te tonen dat hij stappen hij heeft gezet om zijn financiële zelfredzaamheid te vergroten. De kantonrechter heeft dit de rechthebbende in de bestreden beschikking van 19 maart 2024 reeds voorgehouden. Dat de rechthebbende tot op dit moment niet wil meewerken aan een dergelijk traject bij de bewindvoerder laat zien dat de rechthebbende niet of niet volledig overziet dat zijn medewerking er juist toe kan leiden dat het bewind kan worden opgeheven.
3.11.
De rechthebbende voert – ten slotte – aan dat hij geen klik heeft met de bewindvoerder. Dat is echter onvoldoende om aan te nemen dat het bewind niet kan worden voortgezet. Er zijn geen aanwijzingen dat de bewindvoerder de werkzaamheden als bewindvoerder niet goed uitvoert. Dat de bewindvoerder niet op alle verzoeken van de rechthebbende om extra financiële middelen positief reageert betekent niet dat het bewind niet goed verloopt. Daarbij wordt opgemerkt dat het voor een goede samenwerking van belang is dat de bewindvoerder door de rechthebbende volledig wordt geïnformeerd over alle (neven-) werkzaamheden en –inkomsten van de rechthebbende.
3.12.
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is voortzetting van het bewind noodzakelijk en zinvol.
De slotsom
3.13.
Op grond van het voorgaande zal het hof het verzoek van de rechthebbende in hoger beroep afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van
19 maart 2024;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, C.N.M. Antens en L.M.H. Nelissen en is in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 30 januari 2025
Zaaknummer: 200.342.411/01
Zaaknummer eerste aanleg: 10844639 BM VERZ 23-6189
in de zaak in hoger beroep van:
[rechthebbende]
,
wonende in [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de rechthebbende,
advocaat: mr. R.R.F.J. Palmen,
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
[bewindvoerder] , h.o.d.n. [naam] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,
hierna te noemen: de bewindvoerder,
en
[de zoon van de rechthebbende]
,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de zoon van de rechthebbende,
en
[de dochter van de rechthebbende]
,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de dochter van de rechthebbende.
Deze zaak gaat over het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 19 maart 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij een door de rechthebbende zelf ondertekende brief, ingekomen bij het hof op 12 juni 2024, heeft de rechthebbende, naar het hof begrijpt, verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het bewind op te heffen.
2.2.
Het hof heeft de rechthebbende een termijn gegeven om het verzuim te herstellen dat het hoger beroep niet door een advocaat was ingediend. Op 28 juni 2024, binnen de door het hof gestelde termijn, is een door de advocaat van de rechthebbende ondertekend exemplaar van voornoemde brief van de rechthebbende ontvangen.
2.3.
Het hof heeft verder kennisgenomen van:
- het V6-formulier van 4 juli 2024, van de advocaat van de rechthebbende, ingekomen bij het hof op 5 juli 2024, met bijlagen;
- het V6-formulier van 8 juli 2024, van de advocaat van de rechthebbende, ingekomen bij het hof op 20 augustus 2024, met bijlage;
- de e-mail van de zoon van de rechthebbende van 23 augustus 2024;
- de brief van de bewindvoerder van 30 september 2024, met bijlagen, ingekomen op
1 oktober 2024.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 december 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de rechthebbende, bijgestaan door zijn advocaat;
- de bewindvoerder, in de persoon van [betrokkene] .
2.4.1.
De dochter en de zoon van de rechthebbende zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
2.4.2.
De advocaat van de rechthebbende heeft tijdens de mondelinge behandeling een pleitnota overgelegd en voorgedragen.
2.5.
Op verzoek van het hof heeft de bewindvoerder op 13 december 2024 een machtiging overgelegd waaruit blijkt dat [bewindvoerder] gerechtigd is (geweest) om [naam] B.V. te vertegenwoordigen tijdens de mondelinge behandeling bij het hof.
3De beoordeling
Feiten
3.1.
Uit de bestreden beschikking blijkt dat de kantonrechter bij beschikking van 15 april 2022 over de goederen die de rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind heeft ingesteld. De instellingsgrond was lichamelijke of geestelijke toestand.
3.2.
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking het verzoek van de rechthebbende om het bewind op te heffen afgewezen.
3.3.
De rechthebbende kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De standpunten
3.4.
De rechthebbende voert, samengevat, het volgende aan. De rechthebbende wil dat het bewind wordt opgeheven. De rechthebbende kan zijn eigen financiën beheren, eventueel met behulp van budgetbeheer. Er zijn bij de rechthebbende geen lichamelijke of geestelijke belemmeringen die maken dat het bewind in stand moet blijven. De rechthebbende ervaart geen klik met de bewindvoerder en de rechthebbende heeft geen vertrouwen in de bewindvoerder.
3.5.
De bewindvoerder voert, samengevat, het volgende aan. Het bewind moet in stand blijven, omdat de grond waarop het bewind destijds is uitgesproken onveranderd aanwezig is. De rechthebbende werkt bij de [bedrijf] , zijnde een plek waar mensen met een (verstandelijke) beperking kunnen werken. Daarnaast is er recent ten behoeve van de rechthebbende een WMO-beschikking afgegeven waaruit blijkt dat nog niet alle doelen behaald zijn. Door de bewindvoering lopen de financiële zaken van de rechthebbende op dit moment goed. De reden waarom het soms niet klikt, is omdat de bewindvoerder niet alle verzoeken van de rechthebbende om extra financiën kan toewijzen.
Overwegingen
3.6.
Op grond van artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter een bewind instellen over één of meer van de goederen, die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren, indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, als gevolg van:
a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel;
b. verkwisting of het hebben van problematische schulden.
3.7.
Op grond van artikel 1:449 lid 2 BW kan de kantonrechter het bewind opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken. Dit kan op verzoek van de bewindvoerder of van degene die gerechtigd is het bewind te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432 BW, alsmede ambtshalve.
3.8.
Net als de rechtbank, en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen weging en waardering overneemt en tot de zijne maakt is het hof van oordeel dat het verzoek van de rechthebbende strekkende tot opheffing van het bewind moet worden afgewezen. Het hof voegt daar het volgende aan toe.
3.9.
De rechthebbende heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de noodzaak van het bewind, dat destijds is ingesteld op grond van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, niet meer bestaat of dat voortzetting van het bewind niet zinvol is. Uit de stukken blijkt dat er bij het instellen van het bewind onder andere zorgen waren over drugsproblematiek en beïnvloedbaarheid van de rechthebbende. Er zijn door de rechthebbende geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de zorgen die er destijds waren weggenomen zijn en/of dat de rechthebbende op dit moment in staat is op een verantwoorde wijze zijn eigen financiën te beheren.
De rechthebbende werkt nog altijd als postbode via een werkvoorzieningsplaats voor mensen met een (verstandelijke) beperking. Ook is gebleken dat aan de rechthebbende, op zijn eigen verzoek, op 5 maart 2024 vanuit de gemeente een maatwerkvoorziening is toegekend in het kader van de WMO, op grond waarvan de rechthebbende steun krijgt bij het vergroten van het kunnen nemen van regie en bij het afhandelen van zijn post- en regelzaken. Daarnaast wordt de rechthebbende vanuit de maatwerkvoorziening een luisterend oor geboden zodat hij kan ventileren over het verloop van zijn week of weken. De rechthebbende heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verklaard dat hij op dit moment één keer per veertien dagen deze hulp krijgt in de thuissituatie.
Voorts is het hof er niet van overtuigd geraakt dat de rechthebbende voldoende in staat is de gevolgen van zijn handelen te overzien. Zo is tijdens de mondelinge behandeling bij het hof gebleken dat de rechthebbende feitelijk over een auto beschikt, als hoofdbestuurder in die auto rijdt, terwijl die niet op zijn naam staat en niet op zijn naam verzekerd is. Ook is tijdens de mondelinge behandeling naar voren gekomen dat de rechthebbende een tweede bron van inkomsten heeft door zijn werkzaamheden als verkeersregelaar en dat de bewindvoerder hiervan niet op de hoogte is. Het is niet duidelijk geworden dat de rechthebbende overziet dat deze extra inkomsten mogelijk iets betekenen voor, bijvoorbeeld, de loonheffing op zijn inkomen.
3.10.
De bewindvoerder heeft in de procedure in hoger beroep (andermaal) verklaard open te staan voor het vergroten van de vaardigheden van de rechthebbende door een zelfredzaamheidstraject te starten, zodat gekeken kan worden of het bewind eventueel op termijn opgeheven kan worden. De rechthebbende heeft, evenals bij de kantonrechter in eerste aanleg, tijdens de mondelinge behandeling bij het hof desgevraagd verklaard daar echter niet aan mee te willen werken.
Het lag op de weg van de rechthebbende om in ieder geval in hoger beroep aan te tonen dat hij stappen hij heeft gezet om zijn financiële zelfredzaamheid te vergroten. De kantonrechter heeft dit de rechthebbende in de bestreden beschikking van 19 maart 2024 reeds voorgehouden. Dat de rechthebbende tot op dit moment niet wil meewerken aan een dergelijk traject bij de bewindvoerder laat zien dat de rechthebbende niet of niet volledig overziet dat zijn medewerking er juist toe kan leiden dat het bewind kan worden opgeheven.
3.11.
De rechthebbende voert – ten slotte – aan dat hij geen klik heeft met de bewindvoerder. Dat is echter onvoldoende om aan te nemen dat het bewind niet kan worden voortgezet. Er zijn geen aanwijzingen dat de bewindvoerder de werkzaamheden als bewindvoerder niet goed uitvoert. Dat de bewindvoerder niet op alle verzoeken van de rechthebbende om extra financiële middelen positief reageert betekent niet dat het bewind niet goed verloopt. Daarbij wordt opgemerkt dat het voor een goede samenwerking van belang is dat de bewindvoerder door de rechthebbende volledig wordt geïnformeerd over alle (neven-) werkzaamheden en –inkomsten van de rechthebbende.
3.12.
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is voortzetting van het bewind noodzakelijk en zinvol.
De slotsom
3.13.
Op grond van het voorgaande zal het hof het verzoek van de rechthebbende in hoger beroep afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van
19 maart 2024;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, C.N.M. Antens en L.M.H. Nelissen en is in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 30 januari 2025
Zaaknummer: 200.342.411/01
Zaaknummer eerste aanleg: 10844639 BM VERZ 23-6189
in de zaak in hoger beroep van:
[rechthebbende]
,
wonende in [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de rechthebbende,
advocaat: mr. R.R.F.J. Palmen,
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
[bewindvoerder] , h.o.d.n. [naam] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,
hierna te noemen: de bewindvoerder,
en
[de zoon van de rechthebbende]
,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de zoon van de rechthebbende,
en
[de dochter van de rechthebbende]
,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de dochter van de rechthebbende.
Deze zaak gaat over het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 19 maart 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij een door de rechthebbende zelf ondertekende brief, ingekomen bij het hof op 12 juni 2024, heeft de rechthebbende, naar het hof begrijpt, verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het bewind op te heffen.
2.2.
Het hof heeft de rechthebbende een termijn gegeven om het verzuim te herstellen dat het hoger beroep niet door een advocaat was ingediend. Op 28 juni 2024, binnen de door het hof gestelde termijn, is een door de advocaat van de rechthebbende ondertekend exemplaar van voornoemde brief van de rechthebbende ontvangen.
2.3.
Het hof heeft verder kennisgenomen van:
- het V6-formulier van 4 juli 2024, van de advocaat van de rechthebbende, ingekomen bij het hof op 5 juli 2024, met bijlagen;
- het V6-formulier van 8 juli 2024, van de advocaat van de rechthebbende, ingekomen bij het hof op 20 augustus 2024, met bijlage;
- de e-mail van de zoon van de rechthebbende van 23 augustus 2024;
- de brief van de bewindvoerder van 30 september 2024, met bijlagen, ingekomen op
1 oktober 2024.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 december 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de rechthebbende, bijgestaan door zijn advocaat;
- de bewindvoerder, in de persoon van [betrokkene] .
2.4.1.
De dochter en de zoon van de rechthebbende zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
2.4.2.
De advocaat van de rechthebbende heeft tijdens de mondelinge behandeling een pleitnota overgelegd en voorgedragen.
2.5.
Op verzoek van het hof heeft de bewindvoerder op 13 december 2024 een machtiging overgelegd waaruit blijkt dat [bewindvoerder] gerechtigd is (geweest) om [naam] B.V. te vertegenwoordigen tijdens de mondelinge behandeling bij het hof.
3De beoordeling
Feiten
3.1.
Uit de bestreden beschikking blijkt dat de kantonrechter bij beschikking van 15 april 2022 over de goederen die de rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind heeft ingesteld. De instellingsgrond was lichamelijke of geestelijke toestand.
3.2.
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking het verzoek van de rechthebbende om het bewind op te heffen afgewezen.
3.3.
De rechthebbende kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De standpunten
3.4.
De rechthebbende voert, samengevat, het volgende aan. De rechthebbende wil dat het bewind wordt opgeheven. De rechthebbende kan zijn eigen financiën beheren, eventueel met behulp van budgetbeheer. Er zijn bij de rechthebbende geen lichamelijke of geestelijke belemmeringen die maken dat het bewind in stand moet blijven. De rechthebbende ervaart geen klik met de bewindvoerder en de rechthebbende heeft geen vertrouwen in de bewindvoerder.
3.5.
De bewindvoerder voert, samengevat, het volgende aan. Het bewind moet in stand blijven, omdat de grond waarop het bewind destijds is uitgesproken onveranderd aanwezig is. De rechthebbende werkt bij de [bedrijf] , zijnde een plek waar mensen met een (verstandelijke) beperking kunnen werken. Daarnaast is er recent ten behoeve van de rechthebbende een WMO-beschikking afgegeven waaruit blijkt dat nog niet alle doelen behaald zijn. Door de bewindvoering lopen de financiële zaken van de rechthebbende op dit moment goed. De reden waarom het soms niet klikt, is omdat de bewindvoerder niet alle verzoeken van de rechthebbende om extra financiën kan toewijzen.
Overwegingen
3.6.
Op grond van artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter een bewind instellen over één of meer van de goederen, die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren, indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, als gevolg van:
a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel;
b. verkwisting of het hebben van problematische schulden.
3.7.
Op grond van artikel 1:449 lid 2 BW kan de kantonrechter het bewind opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken. Dit kan op verzoek van de bewindvoerder of van degene die gerechtigd is het bewind te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432 BW, alsmede ambtshalve.
3.8.
Net als de rechtbank, en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen weging en waardering overneemt en tot de zijne maakt is het hof van oordeel dat het verzoek van de rechthebbende strekkende tot opheffing van het bewind moet worden afgewezen. Het hof voegt daar het volgende aan toe.
3.9.
De rechthebbende heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de noodzaak van het bewind, dat destijds is ingesteld op grond van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, niet meer bestaat of dat voortzetting van het bewind niet zinvol is. Uit de stukken blijkt dat er bij het instellen van het bewind onder andere zorgen waren over drugsproblematiek en beïnvloedbaarheid van de rechthebbende. Er zijn door de rechthebbende geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de zorgen die er destijds waren weggenomen zijn en/of dat de rechthebbende op dit moment in staat is op een verantwoorde wijze zijn eigen financiën te beheren.
De rechthebbende werkt nog altijd als postbode via een werkvoorzieningsplaats voor mensen met een (verstandelijke) beperking. Ook is gebleken dat aan de rechthebbende, op zijn eigen verzoek, op 5 maart 2024 vanuit de gemeente een maatwerkvoorziening is toegekend in het kader van de WMO, op grond waarvan de rechthebbende steun krijgt bij het vergroten van het kunnen nemen van regie en bij het afhandelen van zijn post- en regelzaken. Daarnaast wordt de rechthebbende vanuit de maatwerkvoorziening een luisterend oor geboden zodat hij kan ventileren over het verloop van zijn week of weken. De rechthebbende heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verklaard dat hij op dit moment één keer per veertien dagen deze hulp krijgt in de thuissituatie.
Voorts is het hof er niet van overtuigd geraakt dat de rechthebbende voldoende in staat is de gevolgen van zijn handelen te overzien. Zo is tijdens de mondelinge behandeling bij het hof gebleken dat de rechthebbende feitelijk over een auto beschikt, als hoofdbestuurder in die auto rijdt, terwijl die niet op zijn naam staat en niet op zijn naam verzekerd is. Ook is tijdens de mondelinge behandeling naar voren gekomen dat de rechthebbende een tweede bron van inkomsten heeft door zijn werkzaamheden als verkeersregelaar en dat de bewindvoerder hiervan niet op de hoogte is. Het is niet duidelijk geworden dat de rechthebbende overziet dat deze extra inkomsten mogelijk iets betekenen voor, bijvoorbeeld, de loonheffing op zijn inkomen.
3.10.
De bewindvoerder heeft in de procedure in hoger beroep (andermaal) verklaard open te staan voor het vergroten van de vaardigheden van de rechthebbende door een zelfredzaamheidstraject te starten, zodat gekeken kan worden of het bewind eventueel op termijn opgeheven kan worden. De rechthebbende heeft, evenals bij de kantonrechter in eerste aanleg, tijdens de mondelinge behandeling bij het hof desgevraagd verklaard daar echter niet aan mee te willen werken.
Het lag op de weg van de rechthebbende om in ieder geval in hoger beroep aan te tonen dat hij stappen hij heeft gezet om zijn financiële zelfredzaamheid te vergroten. De kantonrechter heeft dit de rechthebbende in de bestreden beschikking van 19 maart 2024 reeds voorgehouden. Dat de rechthebbende tot op dit moment niet wil meewerken aan een dergelijk traject bij de bewindvoerder laat zien dat de rechthebbende niet of niet volledig overziet dat zijn medewerking er juist toe kan leiden dat het bewind kan worden opgeheven.
3.11.
De rechthebbende voert – ten slotte – aan dat hij geen klik heeft met de bewindvoerder. Dat is echter onvoldoende om aan te nemen dat het bewind niet kan worden voortgezet. Er zijn geen aanwijzingen dat de bewindvoerder de werkzaamheden als bewindvoerder niet goed uitvoert. Dat de bewindvoerder niet op alle verzoeken van de rechthebbende om extra financiële middelen positief reageert betekent niet dat het bewind niet goed verloopt. Daarbij wordt opgemerkt dat het voor een goede samenwerking van belang is dat de bewindvoerder door de rechthebbende volledig wordt geïnformeerd over alle (neven-) werkzaamheden en –inkomsten van de rechthebbende.
3.12.
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is voortzetting van het bewind noodzakelijk en zinvol.
De slotsom
3.13.
Op grond van het voorgaande zal het hof het verzoek van de rechthebbende in hoger beroep afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van
19 maart 2024;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, C.N.M. Antens en L.M.H. Nelissen en is in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 30 januari 2025
Zaaknummer: 200.342.411/01
Zaaknummer eerste aanleg: 10844639 BM VERZ 23-6189
in de zaak in hoger beroep van:
[rechthebbende]
,
wonende in [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de rechthebbende,
advocaat: mr. R.R.F.J. Palmen,
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
[bewindvoerder] , h.o.d.n. [naam] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,
hierna te noemen: de bewindvoerder,
en
[de zoon van de rechthebbende]
,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de zoon van de rechthebbende,
en
[de dochter van de rechthebbende]
,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de dochter van de rechthebbende.
Deze zaak gaat over het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 19 maart 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij een door de rechthebbende zelf ondertekende brief, ingekomen bij het hof op 12 juni 2024, heeft de rechthebbende, naar het hof begrijpt, verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het bewind op te heffen.
2.2.
Het hof heeft de rechthebbende een termijn gegeven om het verzuim te herstellen dat het hoger beroep niet door een advocaat was ingediend. Op 28 juni 2024, binnen de door het hof gestelde termijn, is een door de advocaat van de rechthebbende ondertekend exemplaar van voornoemde brief van de rechthebbende ontvangen.
2.3.
Het hof heeft verder kennisgenomen van:
- het V6-formulier van 4 juli 2024, van de advocaat van de rechthebbende, ingekomen bij het hof op 5 juli 2024, met bijlagen;
- het V6-formulier van 8 juli 2024, van de advocaat van de rechthebbende, ingekomen bij het hof op 20 augustus 2024, met bijlage;
- de e-mail van de zoon van de rechthebbende van 23 augustus 2024;
- de brief van de bewindvoerder van 30 september 2024, met bijlagen, ingekomen op
1 oktober 2024.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 december 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de rechthebbende, bijgestaan door zijn advocaat;
- de bewindvoerder, in de persoon van [betrokkene] .
2.4.1.
De dochter en de zoon van de rechthebbende zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
2.4.2.
De advocaat van de rechthebbende heeft tijdens de mondelinge behandeling een pleitnota overgelegd en voorgedragen.
2.5.
Op verzoek van het hof heeft de bewindvoerder op 13 december 2024 een machtiging overgelegd waaruit blijkt dat [bewindvoerder] gerechtigd is (geweest) om [naam] B.V. te vertegenwoordigen tijdens de mondelinge behandeling bij het hof.
3De beoordeling
Feiten
3.1.
Uit de bestreden beschikking blijkt dat de kantonrechter bij beschikking van 15 april 2022 over de goederen die de rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind heeft ingesteld. De instellingsgrond was lichamelijke of geestelijke toestand.
3.2.
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking het verzoek van de rechthebbende om het bewind op te heffen afgewezen.
3.3.
De rechthebbende kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De standpunten
3.4.
De rechthebbende voert, samengevat, het volgende aan. De rechthebbende wil dat het bewind wordt opgeheven. De rechthebbende kan zijn eigen financiën beheren, eventueel met behulp van budgetbeheer. Er zijn bij de rechthebbende geen lichamelijke of geestelijke belemmeringen die maken dat het bewind in stand moet blijven. De rechthebbende ervaart geen klik met de bewindvoerder en de rechthebbende heeft geen vertrouwen in de bewindvoerder.
3.5.
De bewindvoerder voert, samengevat, het volgende aan. Het bewind moet in stand blijven, omdat de grond waarop het bewind destijds is uitgesproken onveranderd aanwezig is. De rechthebbende werkt bij de [bedrijf] , zijnde een plek waar mensen met een (verstandelijke) beperking kunnen werken. Daarnaast is er recent ten behoeve van de rechthebbende een WMO-beschikking afgegeven waaruit blijkt dat nog niet alle doelen behaald zijn. Door de bewindvoering lopen de financiële zaken van de rechthebbende op dit moment goed. De reden waarom het soms niet klikt, is omdat de bewindvoerder niet alle verzoeken van de rechthebbende om extra financiën kan toewijzen.
Overwegingen
3.6.
Op grond van artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter een bewind instellen over één of meer van de goederen, die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren, indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, als gevolg van:
a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel;
b. verkwisting of het hebben van problematische schulden.
3.7.
Op grond van artikel 1:449 lid 2 BW kan de kantonrechter het bewind opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken. Dit kan op verzoek van de bewindvoerder of van degene die gerechtigd is het bewind te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432 BW, alsmede ambtshalve.
3.8.
Net als de rechtbank, en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen weging en waardering overneemt en tot de zijne maakt is het hof van oordeel dat het verzoek van de rechthebbende strekkende tot opheffing van het bewind moet worden afgewezen. Het hof voegt daar het volgende aan toe.
3.9.
De rechthebbende heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de noodzaak van het bewind, dat destijds is ingesteld op grond van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, niet meer bestaat of dat voortzetting van het bewind niet zinvol is. Uit de stukken blijkt dat er bij het instellen van het bewind onder andere zorgen waren over drugsproblematiek en beïnvloedbaarheid van de rechthebbende. Er zijn door de rechthebbende geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de zorgen die er destijds waren weggenomen zijn en/of dat de rechthebbende op dit moment in staat is op een verantwoorde wijze zijn eigen financiën te beheren.
De rechthebbende werkt nog altijd als postbode via een werkvoorzieningsplaats voor mensen met een (verstandelijke) beperking. Ook is gebleken dat aan de rechthebbende, op zijn eigen verzoek, op 5 maart 2024 vanuit de gemeente een maatwerkvoorziening is toegekend in het kader van de WMO, op grond waarvan de rechthebbende steun krijgt bij het vergroten van het kunnen nemen van regie en bij het afhandelen van zijn post- en regelzaken. Daarnaast wordt de rechthebbende vanuit de maatwerkvoorziening een luisterend oor geboden zodat hij kan ventileren over het verloop van zijn week of weken. De rechthebbende heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verklaard dat hij op dit moment één keer per veertien dagen deze hulp krijgt in de thuissituatie.
Voorts is het hof er niet van overtuigd geraakt dat de rechthebbende voldoende in staat is de gevolgen van zijn handelen te overzien. Zo is tijdens de mondelinge behandeling bij het hof gebleken dat de rechthebbende feitelijk over een auto beschikt, als hoofdbestuurder in die auto rijdt, terwijl die niet op zijn naam staat en niet op zijn naam verzekerd is. Ook is tijdens de mondelinge behandeling naar voren gekomen dat de rechthebbende een tweede bron van inkomsten heeft door zijn werkzaamheden als verkeersregelaar en dat de bewindvoerder hiervan niet op de hoogte is. Het is niet duidelijk geworden dat de rechthebbende overziet dat deze extra inkomsten mogelijk iets betekenen voor, bijvoorbeeld, de loonheffing op zijn inkomen.
3.10.
De bewindvoerder heeft in de procedure in hoger beroep (andermaal) verklaard open te staan voor het vergroten van de vaardigheden van de rechthebbende door een zelfredzaamheidstraject te starten, zodat gekeken kan worden of het bewind eventueel op termijn opgeheven kan worden. De rechthebbende heeft, evenals bij de kantonrechter in eerste aanleg, tijdens de mondelinge behandeling bij het hof desgevraagd verklaard daar echter niet aan mee te willen werken.
Het lag op de weg van de rechthebbende om in ieder geval in hoger beroep aan te tonen dat hij stappen hij heeft gezet om zijn financiële zelfredzaamheid te vergroten. De kantonrechter heeft dit de rechthebbende in de bestreden beschikking van 19 maart 2024 reeds voorgehouden. Dat de rechthebbende tot op dit moment niet wil meewerken aan een dergelijk traject bij de bewindvoerder laat zien dat de rechthebbende niet of niet volledig overziet dat zijn medewerking er juist toe kan leiden dat het bewind kan worden opgeheven.
3.11.
De rechthebbende voert – ten slotte – aan dat hij geen klik heeft met de bewindvoerder. Dat is echter onvoldoende om aan te nemen dat het bewind niet kan worden voortgezet. Er zijn geen aanwijzingen dat de bewindvoerder de werkzaamheden als bewindvoerder niet goed uitvoert. Dat de bewindvoerder niet op alle verzoeken van de rechthebbende om extra financiële middelen positief reageert betekent niet dat het bewind niet goed verloopt. Daarbij wordt opgemerkt dat het voor een goede samenwerking van belang is dat de bewindvoerder door de rechthebbende volledig wordt geïnformeerd over alle (neven-) werkzaamheden en –inkomsten van de rechthebbende.
3.12.
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is voortzetting van het bewind noodzakelijk en zinvol.
De slotsom
3.13.
Op grond van het voorgaande zal het hof het verzoek van de rechthebbende in hoger beroep afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van
19 maart 2024;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, C.N.M. Antens en L.M.H. Nelissen en is in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 30 januari 2025
Zaaknummer: 200.342.411/01
Zaaknummer eerste aanleg: 10844639 BM VERZ 23-6189
in de zaak in hoger beroep van:
[rechthebbende]
,
wonende in [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de rechthebbende,
advocaat: mr. R.R.F.J. Palmen,
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
[bewindvoerder] , h.o.d.n. [naam] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,
hierna te noemen: de bewindvoerder,
en
[de zoon van de rechthebbende]
,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de zoon van de rechthebbende,
en
[de dochter van de rechthebbende]
,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de dochter van de rechthebbende.
Deze zaak gaat over het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 19 maart 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij een door de rechthebbende zelf ondertekende brief, ingekomen bij het hof op 12 juni 2024, heeft de rechthebbende, naar het hof begrijpt, verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het bewind op te heffen.
2.2.
Het hof heeft de rechthebbende een termijn gegeven om het verzuim te herstellen dat het hoger beroep niet door een advocaat was ingediend. Op 28 juni 2024, binnen de door het hof gestelde termijn, is een door de advocaat van de rechthebbende ondertekend exemplaar van voornoemde brief van de rechthebbende ontvangen.
2.3.
Het hof heeft verder kennisgenomen van:
- het V6-formulier van 4 juli 2024, van de advocaat van de rechthebbende, ingekomen bij het hof op 5 juli 2024, met bijlagen;
- het V6-formulier van 8 juli 2024, van de advocaat van de rechthebbende, ingekomen bij het hof op 20 augustus 2024, met bijlage;
- de e-mail van de zoon van de rechthebbende van 23 augustus 2024;
- de brief van de bewindvoerder van 30 september 2024, met bijlagen, ingekomen op
1 oktober 2024.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 december 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de rechthebbende, bijgestaan door zijn advocaat;
- de bewindvoerder, in de persoon van [betrokkene] .
2.4.1.
De dochter en de zoon van de rechthebbende zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
2.4.2.
De advocaat van de rechthebbende heeft tijdens de mondelinge behandeling een pleitnota overgelegd en voorgedragen.
2.5.
Op verzoek van het hof heeft de bewindvoerder op 13 december 2024 een machtiging overgelegd waaruit blijkt dat [bewindvoerder] gerechtigd is (geweest) om [naam] B.V. te vertegenwoordigen tijdens de mondelinge behandeling bij het hof.
3De beoordeling
Feiten
3.1.
Uit de bestreden beschikking blijkt dat de kantonrechter bij beschikking van 15 april 2022 over de goederen die de rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind heeft ingesteld. De instellingsgrond was lichamelijke of geestelijke toestand.
3.2.
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking het verzoek van de rechthebbende om het bewind op te heffen afgewezen.
3.3.
De rechthebbende kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De standpunten
3.4.
De rechthebbende voert, samengevat, het volgende aan. De rechthebbende wil dat het bewind wordt opgeheven. De rechthebbende kan zijn eigen financiën beheren, eventueel met behulp van budgetbeheer. Er zijn bij de rechthebbende geen lichamelijke of geestelijke belemmeringen die maken dat het bewind in stand moet blijven. De rechthebbende ervaart geen klik met de bewindvoerder en de rechthebbende heeft geen vertrouwen in de bewindvoerder.
3.5.
De bewindvoerder voert, samengevat, het volgende aan. Het bewind moet in stand blijven, omdat de grond waarop het bewind destijds is uitgesproken onveranderd aanwezig is. De rechthebbende werkt bij de [bedrijf] , zijnde een plek waar mensen met een (verstandelijke) beperking kunnen werken. Daarnaast is er recent ten behoeve van de rechthebbende een WMO-beschikking afgegeven waaruit blijkt dat nog niet alle doelen behaald zijn. Door de bewindvoering lopen de financiële zaken van de rechthebbende op dit moment goed. De reden waarom het soms niet klikt, is omdat de bewindvoerder niet alle verzoeken van de rechthebbende om extra financiën kan toewijzen.
Overwegingen
3.6.
Op grond van artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter een bewind instellen over één of meer van de goederen, die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren, indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, als gevolg van:
a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel;
b. verkwisting of het hebben van problematische schulden.
3.7.
Op grond van artikel 1:449 lid 2 BW kan de kantonrechter het bewind opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken. Dit kan op verzoek van de bewindvoerder of van degene die gerechtigd is het bewind te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432 BW, alsmede ambtshalve.
3.8.
Net als de rechtbank, en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen weging en waardering overneemt en tot de zijne maakt is het hof van oordeel dat het verzoek van de rechthebbende strekkende tot opheffing van het bewind moet worden afgewezen. Het hof voegt daar het volgende aan toe.
3.9.
De rechthebbende heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de noodzaak van het bewind, dat destijds is ingesteld op grond van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, niet meer bestaat of dat voortzetting van het bewind niet zinvol is. Uit de stukken blijkt dat er bij het instellen van het bewind onder andere zorgen waren over drugsproblematiek en beïnvloedbaarheid van de rechthebbende. Er zijn door de rechthebbende geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de zorgen die er destijds waren weggenomen zijn en/of dat de rechthebbende op dit moment in staat is op een verantwoorde wijze zijn eigen financiën te beheren.
De rechthebbende werkt nog altijd als postbode via een werkvoorzieningsplaats voor mensen met een (verstandelijke) beperking. Ook is gebleken dat aan de rechthebbende, op zijn eigen verzoek, op 5 maart 2024 vanuit de gemeente een maatwerkvoorziening is toegekend in het kader van de WMO, op grond waarvan de rechthebbende steun krijgt bij het vergroten van het kunnen nemen van regie en bij het afhandelen van zijn post- en regelzaken. Daarnaast wordt de rechthebbende vanuit de maatwerkvoorziening een luisterend oor geboden zodat hij kan ventileren over het verloop van zijn week of weken. De rechthebbende heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verklaard dat hij op dit moment één keer per veertien dagen deze hulp krijgt in de thuissituatie.
Voorts is het hof er niet van overtuigd geraakt dat de rechthebbende voldoende in staat is de gevolgen van zijn handelen te overzien. Zo is tijdens de mondelinge behandeling bij het hof gebleken dat de rechthebbende feitelijk over een auto beschikt, als hoofdbestuurder in die auto rijdt, terwijl die niet op zijn naam staat en niet op zijn naam verzekerd is. Ook is tijdens de mondelinge behandeling naar voren gekomen dat de rechthebbende een tweede bron van inkomsten heeft door zijn werkzaamheden als verkeersregelaar en dat de bewindvoerder hiervan niet op de hoogte is. Het is niet duidelijk geworden dat de rechthebbende overziet dat deze extra inkomsten mogelijk iets betekenen voor, bijvoorbeeld, de loonheffing op zijn inkomen.
3.10.
De bewindvoerder heeft in de procedure in hoger beroep (andermaal) verklaard open te staan voor het vergroten van de vaardigheden van de rechthebbende door een zelfredzaamheidstraject te starten, zodat gekeken kan worden of het bewind eventueel op termijn opgeheven kan worden. De rechthebbende heeft, evenals bij de kantonrechter in eerste aanleg, tijdens de mondelinge behandeling bij het hof desgevraagd verklaard daar echter niet aan mee te willen werken.
Het lag op de weg van de rechthebbende om in ieder geval in hoger beroep aan te tonen dat hij stappen hij heeft gezet om zijn financiële zelfredzaamheid te vergroten. De kantonrechter heeft dit de rechthebbende in de bestreden beschikking van 19 maart 2024 reeds voorgehouden. Dat de rechthebbende tot op dit moment niet wil meewerken aan een dergelijk traject bij de bewindvoerder laat zien dat de rechthebbende niet of niet volledig overziet dat zijn medewerking er juist toe kan leiden dat het bewind kan worden opgeheven.
3.11.
De rechthebbende voert – ten slotte – aan dat hij geen klik heeft met de bewindvoerder. Dat is echter onvoldoende om aan te nemen dat het bewind niet kan worden voortgezet. Er zijn geen aanwijzingen dat de bewindvoerder de werkzaamheden als bewindvoerder niet goed uitvoert. Dat de bewindvoerder niet op alle verzoeken van de rechthebbende om extra financiële middelen positief reageert betekent niet dat het bewind niet goed verloopt. Daarbij wordt opgemerkt dat het voor een goede samenwerking van belang is dat de bewindvoerder door de rechthebbende volledig wordt geïnformeerd over alle (neven-) werkzaamheden en –inkomsten van de rechthebbende.
3.12.
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is voortzetting van het bewind noodzakelijk en zinvol.
De slotsom
3.13.
Op grond van het voorgaande zal het hof het verzoek van de rechthebbende in hoger beroep afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van
19 maart 2024;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, C.N.M. Antens en L.M.H. Nelissen en is in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 30 januari 2025
Zaaknummer: 200.342.411/01
Zaaknummer eerste aanleg: 10844639 BM VERZ 23-6189
in de zaak in hoger beroep van:
[rechthebbende]
,
wonende in [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de rechthebbende,
advocaat: mr. R.R.F.J. Palmen,
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
[bewindvoerder] , h.o.d.n. [naam] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,
hierna te noemen: de bewindvoerder,
en
[de zoon van de rechthebbende]
,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de zoon van de rechthebbende,
en
[de dochter van de rechthebbende]
,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de dochter van de rechthebbende.
Deze zaak gaat over het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 19 maart 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij een door de rechthebbende zelf ondertekende brief, ingekomen bij het hof op 12 juni 2024, heeft de rechthebbende, naar het hof begrijpt, verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het bewind op te heffen.
2.2.
Het hof heeft de rechthebbende een termijn gegeven om het verzuim te herstellen dat het hoger beroep niet door een advocaat was ingediend. Op 28 juni 2024, binnen de door het hof gestelde termijn, is een door de advocaat van de rechthebbende ondertekend exemplaar van voornoemde brief van de rechthebbende ontvangen.
2.3.
Het hof heeft verder kennisgenomen van:
- het V6-formulier van 4 juli 2024, van de advocaat van de rechthebbende, ingekomen bij het hof op 5 juli 2024, met bijlagen;
- het V6-formulier van 8 juli 2024, van de advocaat van de rechthebbende, ingekomen bij het hof op 20 augustus 2024, met bijlage;
- de e-mail van de zoon van de rechthebbende van 23 augustus 2024;
- de brief van de bewindvoerder van 30 september 2024, met bijlagen, ingekomen op
1 oktober 2024.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 december 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de rechthebbende, bijgestaan door zijn advocaat;
- de bewindvoerder, in de persoon van [betrokkene] .
2.4.1.
De dochter en de zoon van de rechthebbende zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
2.4.2.
De advocaat van de rechthebbende heeft tijdens de mondelinge behandeling een pleitnota overgelegd en voorgedragen.
2.5.
Op verzoek van het hof heeft de bewindvoerder op 13 december 2024 een machtiging overgelegd waaruit blijkt dat [bewindvoerder] gerechtigd is (geweest) om [naam] B.V. te vertegenwoordigen tijdens de mondelinge behandeling bij het hof.
3De beoordeling
Feiten
3.1.
Uit de bestreden beschikking blijkt dat de kantonrechter bij beschikking van 15 april 2022 over de goederen die de rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind heeft ingesteld. De instellingsgrond was lichamelijke of geestelijke toestand.
3.2.
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking het verzoek van de rechthebbende om het bewind op te heffen afgewezen.
3.3.
De rechthebbende kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De standpunten
3.4.
De rechthebbende voert, samengevat, het volgende aan. De rechthebbende wil dat het bewind wordt opgeheven. De rechthebbende kan zijn eigen financiën beheren, eventueel met behulp van budgetbeheer. Er zijn bij de rechthebbende geen lichamelijke of geestelijke belemmeringen die maken dat het bewind in stand moet blijven. De rechthebbende ervaart geen klik met de bewindvoerder en de rechthebbende heeft geen vertrouwen in de bewindvoerder.
3.5.
De bewindvoerder voert, samengevat, het volgende aan. Het bewind moet in stand blijven, omdat de grond waarop het bewind destijds is uitgesproken onveranderd aanwezig is. De rechthebbende werkt bij de [bedrijf] , zijnde een plek waar mensen met een (verstandelijke) beperking kunnen werken. Daarnaast is er recent ten behoeve van de rechthebbende een WMO-beschikking afgegeven waaruit blijkt dat nog niet alle doelen behaald zijn. Door de bewindvoering lopen de financiële zaken van de rechthebbende op dit moment goed. De reden waarom het soms niet klikt, is omdat de bewindvoerder niet alle verzoeken van de rechthebbende om extra financiën kan toewijzen.
Overwegingen
3.6.
Op grond van artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter een bewind instellen over één of meer van de goederen, die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren, indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, als gevolg van:
a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel;
b. verkwisting of het hebben van problematische schulden.
3.7.
Op grond van artikel 1:449 lid 2 BW kan de kantonrechter het bewind opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken. Dit kan op verzoek van de bewindvoerder of van degene die gerechtigd is het bewind te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432 BW, alsmede ambtshalve.
3.8.
Net als de rechtbank, en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen weging en waardering overneemt en tot de zijne maakt is het hof van oordeel dat het verzoek van de rechthebbende strekkende tot opheffing van het bewind moet worden afgewezen. Het hof voegt daar het volgende aan toe.
3.9.
De rechthebbende heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de noodzaak van het bewind, dat destijds is ingesteld op grond van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, niet meer bestaat of dat voortzetting van het bewind niet zinvol is. Uit de stukken blijkt dat er bij het instellen van het bewind onder andere zorgen waren over drugsproblematiek en beïnvloedbaarheid van de rechthebbende. Er zijn door de rechthebbende geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de zorgen die er destijds waren weggenomen zijn en/of dat de rechthebbende op dit moment in staat is op een verantwoorde wijze zijn eigen financiën te beheren.
De rechthebbende werkt nog altijd als postbode via een werkvoorzieningsplaats voor mensen met een (verstandelijke) beperking. Ook is gebleken dat aan de rechthebbende, op zijn eigen verzoek, op 5 maart 2024 vanuit de gemeente een maatwerkvoorziening is toegekend in het kader van de WMO, op grond waarvan de rechthebbende steun krijgt bij het vergroten van het kunnen nemen van regie en bij het afhandelen van zijn post- en regelzaken. Daarnaast wordt de rechthebbende vanuit de maatwerkvoorziening een luisterend oor geboden zodat hij kan ventileren over het verloop van zijn week of weken. De rechthebbende heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verklaard dat hij op dit moment één keer per veertien dagen deze hulp krijgt in de thuissituatie.
Voorts is het hof er niet van overtuigd geraakt dat de rechthebbende voldoende in staat is de gevolgen van zijn handelen te overzien. Zo is tijdens de mondelinge behandeling bij het hof gebleken dat de rechthebbende feitelijk over een auto beschikt, als hoofdbestuurder in die auto rijdt, terwijl die niet op zijn naam staat en niet op zijn naam verzekerd is. Ook is tijdens de mondelinge behandeling naar voren gekomen dat de rechthebbende een tweede bron van inkomsten heeft door zijn werkzaamheden als verkeersregelaar en dat de bewindvoerder hiervan niet op de hoogte is. Het is niet duidelijk geworden dat de rechthebbende overziet dat deze extra inkomsten mogelijk iets betekenen voor, bijvoorbeeld, de loonheffing op zijn inkomen.
3.10.
De bewindvoerder heeft in de procedure in hoger beroep (andermaal) verklaard open te staan voor het vergroten van de vaardigheden van de rechthebbende door een zelfredzaamheidstraject te starten, zodat gekeken kan worden of het bewind eventueel op termijn opgeheven kan worden. De rechthebbende heeft, evenals bij de kantonrechter in eerste aanleg, tijdens de mondelinge behandeling bij het hof desgevraagd verklaard daar echter niet aan mee te willen werken.
Het lag op de weg van de rechthebbende om in ieder geval in hoger beroep aan te tonen dat hij stappen hij heeft gezet om zijn financiële zelfredzaamheid te vergroten. De kantonrechter heeft dit de rechthebbende in de bestreden beschikking van 19 maart 2024 reeds voorgehouden. Dat de rechthebbende tot op dit moment niet wil meewerken aan een dergelijk traject bij de bewindvoerder laat zien dat de rechthebbende niet of niet volledig overziet dat zijn medewerking er juist toe kan leiden dat het bewind kan worden opgeheven.
3.11.
De rechthebbende voert – ten slotte – aan dat hij geen klik heeft met de bewindvoerder. Dat is echter onvoldoende om aan te nemen dat het bewind niet kan worden voortgezet. Er zijn geen aanwijzingen dat de bewindvoerder de werkzaamheden als bewindvoerder niet goed uitvoert. Dat de bewindvoerder niet op alle verzoeken van de rechthebbende om extra financiële middelen positief reageert betekent niet dat het bewind niet goed verloopt. Daarbij wordt opgemerkt dat het voor een goede samenwerking van belang is dat de bewindvoerder door de rechthebbende volledig wordt geïnformeerd over alle (neven-) werkzaamheden en –inkomsten van de rechthebbende.
3.12.
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is voortzetting van het bewind noodzakelijk en zinvol.
De slotsom
3.13.
Op grond van het voorgaande zal het hof het verzoek van de rechthebbende in hoger beroep afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van
19 maart 2024;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, C.N.M. Antens en L.M.H. Nelissen en is in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.