Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-01-30
ECLI:NL:GHSHE:2025:228
Civiel recht
Hoger beroep
13,878 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 30 januari 2025
Zaaknummer : 200.329.740/01
Zaaknummer eerste aanleg : 10260606 / HZ VERZ 22-74
in de zaak in hoger beroep van:
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. D.N. Lavain te Stein,
tegen
[verweerster]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster,
hierna te noemen: [verweerster] ,
advocaat: was mr. W.H.J.W. de Brouwer, thans mr. P.J.A. van de Laar te Eindhoven.
5De tussenbeschikking van 23 november 2023
Bij die tussenbeschikking heeft het hof geoordeeld dat er op dat moment grote onduidelijkheid bestond over de eigendomskwestie en verhuurderschap van de loodsen en dat het op dat moment niet opportuun was om in deze zaak al een beslissing te nemen. Het hof heeft de verdere (inhoudelijke) behandeling van onderhavige zaak dan ook aangehouden tot 28 november 2024, pro forma, en heeft daarbij partijen in de gelegenheid gesteld om het hof, uiterlijk op die datum, schriftelijk nader te berichten over de stand van zaken met betrekking tot alle thans (nog) lopende en alle mogelijk nog op te starten (beroeps)procedures tussen partijen en de procedures die inhoudelijk nauw verband houden met onderhavige procedure. Iedere verdere beslissing is door het hof aangehouden.
6Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
6.1.
Bij brief van 11 oktober 2024 heeft het hof partijen onder meer bericht dat de samenstelling van de behandelend kamer is gewijzigd en dat het hof geen acht zal slaan op de informatie of producties die het hof na het tussenarrest van 23 november 2023 van partijen heeft ontvangen, maar dat het partijen vrij staat om relevante informatie en producties bij akte alsnog in het geding te brengen.
6.2.
Bij brief van 23 december 2024 (met twee bijlagen) heeft mr. Lavain het hof bericht dat voortzetting van de onderhavige procedure zinledig is geworden, omdat op basis van het vonnis van 23 oktober 2024 van de rechtbank Limburg (C/03/301403 / HA ZA 22-50) (ECLI:NL:RBLIM:2024:7403), gewezen tussen enerzijds [verweerster] en haar grootouders en anderzijds haar vader, vast staat dat [verweerster] en haar grootouders géén recht hadden op de huurpenningen die in de deze procedure ter discussie staan (periode juli t/m november 2021) en dat [verweerster] nooit eigenaar (en verhuurder in de zin van artikel 7:201 BW) van de bedrijfsruimten is geweest. De geplande mondelinge behandeling behoefde wat [appellant] betreft geen doorgang te vinden en hij verzocht het hof om (eind)beschikking te wijzen en [verweerster] te veroordelen in de proceskosten. Daarnaast heeft mr. Lavain het hof bericht dat [appellant] ondertussen de bedrijfsruimten wel heeft verlaten.
6.3.
Bij brief van 31 december 2024 met twee producties heeft mr. Van de Laar het hof verzocht de zaak aan te houden en de zitting op 8 januari 2025 geen doorgang te laten vinden, omdat er nog onduidelijkheid is over wie recht heeft op de huurpenningen die [appellant] moet voldoen, gezien de vonnissen van 13 september 2023 en 23 oktober 2024 waarvan hoger beroep is ingesteld. [verweerster] is vooralsnog niet voornemens om de procedure in te trekken of om aan royement mee te werken. In het door de rechtbank Limburg op 13 september 2023 gewezen vonnis in de procedure van de ouders van [verweerster] tegen de grootouders van [verweerster] heeft de rechtbank onder meer voor recht verklaard dat de huurpenningen voor de bedrijfsruimten met ingang van 1 mei 2016 voor de ouders van [verweerster] zijn met uitzondering van de huurpenningen van [naam 1] en [naam 2] die pas na de notariële levering van de bedrijfsruimten voor de ouders van [verweerster] zijn.
6.4.
Bij e-mail van 2 januari 2025 heeft het hof nadere vragen gesteld aan mr. Lavain.
6.5.
Bij e-mail van 2 januari 2025 heeft mr. Lavain het hof geantwoord dat een zitting zinledig is, omdat met de eindvonnissen van de rechtbank Limburg vaststaat dat [verweerster] nimmer eigenaar en verhuurder is geweest. Het verzoek en de grieven worden niet door [appellant] ingetrokken. Het primaire verzoek in eerste aanleg strekkende tot niet-ontvankelijkheid had volgens [appellant] toegewezen moeten worden. Volgens [appellant] gaat een nadere zitting daar niets aan toevoegen, maar hij conformeert zich aan het oordeel van het hof over de doorgang/aanhouding van de geplande zitting op 8 januari 2025.
6.6.
Bij e-mail van 3 januari 2025 heeft het hof – kort weergegeven – partijen bericht dat het hof behoefte heeft aan nadere informatie en dat het hof daarover geïnformeerd wenst te worden op de zitting die doorgaat, tenzij partijen gezamenlijk een eenstemmig verzoek doen voor aanhouding. Daarnaast heeft het hof partijen – nogmaals – meegedeeld dat mr. Zweers-van Vollenhoven in verband met haar pensionering is gedefungeerd en dat zij wordt vervangen door mr. J.B. Smits.
6.7.
De tweede mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 januari 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
mr. Lavain namens [appellant] en
[verweerster] , bijgestaan door mr. Van de Laar.
[appellant] zelf is zonder voorafgaand bericht van verhindering niet verschenen.
7De verdere beoordeling
7.1.
Het hof overweegt het volgende.
Het inroepen van een doorbrekingsgrond
7.1.1.
Voordat het hof het hoger beroep inhoudelijk zal kunnen beoordelen, dient het hof allereerst de vraag te beantwoorden of [appellant] ontvankelijk is in het ingestelde hoger beroep.
7.1.2.
Ingevolge artikel 7:230a lid 8 BW staat tegen een beschikking krachtens dit artikel geen hogere voorziening open. Dit rechtsmiddelenverbod kan echter worden doorbroken in het geval dat de rechter buiten het toepassingsgebied van artikel 7:230a BW is getreden, het artikel ten onrechte heeft toegepast dan wel buiten toepassing heeft gelaten of bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat niet kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak.
7.1.3.
Omdat [appellant] in hoger beroep onder meer klaagt over de zogenoemde voorvragen, zoals de vraag of de huur wel rechtsgeldig is geëindigd, is hij in zoverre ontvankelijk in het hoger beroep. Het hof is vervolgens van oordeel dat de door [appellant] ingeroepen doorbrekingsgrond zich voordoet. Hieronder zal het hof dit toelichten.
Geen opzegging door de verhuurder
7.2.
Na het formuleren van zijn gronden/grieven in het beroepschrift heeft [appellant] op beide zittingen een beroep gedaan op een nieuw gebleken omstandigheid over de eigendomskwestie naar aanleiding van procedures binnen de familie [verweerster] en het vonnis van 23 oktober 2024 van de rechtbank Limburg. In dit vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is van een nietige overeenkomst ex artikel 3:40 BW, dat de koopovereenkomst tussen de grootouders en [verweerster] geacht wordt nooit te hebben bestaan en dat [verweerster] dus nooit eigenaar is geworden van de loodsen. [verweerster] heeft op die nieuwe grond zoals aangevoerd door [appellant] gereageerd. Gelet op de latere ontwikkelingen is het hof van oordeel dat dit een toelaatbare nieuwe grief is.
7.2.1.
Op de zitting van 8 januari 2025 heeft [verweerster] desgevraagd onomwonden het standpunt ingenomen dat zij het gehuurde inmiddels heeft teruggeleverd aan opa en dat zij geen verhuurder is.
Dictum
Het hof:
verklaart [appellant] ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep;
vernietigt de beschikking waarvan beroep;
wijst het primaire verzoek van [appellant] om hem niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek tot verlenging van de ontruimingsbescherming toe;
verklaart [appellant] daarin niet-ontvankelijk;
veroordeelt [verweerster] in de proceskosten van de eerste aanleg, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] op € 86,00 voor griffierecht en € 528,00 voor salaris gemachtigde.
veroordeelt [verweerster] in de proceskosten van dit hoger beroep, en begroot die kosten overeenkomstig het liquidatietarief tot op heden aan de zijde van [appellant] op € 343,00 voor griffierecht en € 2.428,00 voor salaris advocaat;
verklaart deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, J.B. Smits en R.L.G. Kraaijvanger en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2025.
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 30 januari 2025
Zaaknummer : 200.329.740/01
Zaaknummer eerste aanleg : 10260606 / HZ VERZ 22-74
in de zaak in hoger beroep van:
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. D.N. Lavain te Stein,
tegen
[verweerster]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster,
hierna te noemen: [verweerster] ,
advocaat: was mr. W.H.J.W. de Brouwer, thans mr. P.J.A. van de Laar te Eindhoven.
5De tussenbeschikking van 23 november 2023
Bij die tussenbeschikking heeft het hof geoordeeld dat er op dat moment grote onduidelijkheid bestond over de eigendomskwestie en verhuurderschap van de loodsen en dat het op dat moment niet opportuun was om in deze zaak al een beslissing te nemen. Het hof heeft de verdere (inhoudelijke) behandeling van onderhavige zaak dan ook aangehouden tot 28 november 2024, pro forma, en heeft daarbij partijen in de gelegenheid gesteld om het hof, uiterlijk op die datum, schriftelijk nader te berichten over de stand van zaken met betrekking tot alle thans (nog) lopende en alle mogelijk nog op te starten (beroeps)procedures tussen partijen en de procedures die inhoudelijk nauw verband houden met onderhavige procedure. Iedere verdere beslissing is door het hof aangehouden.
6Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
6.1.
Bij brief van 11 oktober 2024 heeft het hof partijen onder meer bericht dat de samenstelling van de behandelend kamer is gewijzigd en dat het hof geen acht zal slaan op de informatie of producties die het hof na het tussenarrest van 23 november 2023 van partijen heeft ontvangen, maar dat het partijen vrij staat om relevante informatie en producties bij akte alsnog in het geding te brengen.
6.2.
Bij brief van 23 december 2024 (met twee bijlagen) heeft mr. Lavain het hof bericht dat voortzetting van de onderhavige procedure zinledig is geworden, omdat op basis van het vonnis van 23 oktober 2024 van de rechtbank Limburg (C/03/301403 / HA ZA 22-50) (ECLI:NL:RBLIM:2024:7403), gewezen tussen enerzijds [verweerster] en haar grootouders en anderzijds haar vader, vast staat dat [verweerster] en haar grootouders géén recht hadden op de huurpenningen die in de deze procedure ter discussie staan (periode juli t/m november 2021) en dat [verweerster] nooit eigenaar (en verhuurder in de zin van artikel 7:201 BW) van de bedrijfsruimten is geweest. De geplande mondelinge behandeling behoefde wat [appellant] betreft geen doorgang te vinden en hij verzocht het hof om (eind)beschikking te wijzen en [verweerster] te veroordelen in de proceskosten. Daarnaast heeft mr. Lavain het hof bericht dat [appellant] ondertussen de bedrijfsruimten wel heeft verlaten.
6.3.
Bij brief van 31 december 2024 met twee producties heeft mr. Van de Laar het hof verzocht de zaak aan te houden en de zitting op 8 januari 2025 geen doorgang te laten vinden, omdat er nog onduidelijkheid is over wie recht heeft op de huurpenningen die [appellant] moet voldoen, gezien de vonnissen van 13 september 2023 en 23 oktober 2024 waarvan hoger beroep is ingesteld. [verweerster] is vooralsnog niet voornemens om de procedure in te trekken of om aan royement mee te werken. In het door de rechtbank Limburg op 13 september 2023 gewezen vonnis in de procedure van de ouders van [verweerster] tegen de grootouders van [verweerster] heeft de rechtbank onder meer voor recht verklaard dat de huurpenningen voor de bedrijfsruimten met ingang van 1 mei 2016 voor de ouders van [verweerster] zijn met uitzondering van de huurpenningen van [naam 1] en [naam 2] die pas na de notariële levering van de bedrijfsruimten voor de ouders van [verweerster] zijn.
6.4.
Bij e-mail van 2 januari 2025 heeft het hof nadere vragen gesteld aan mr. Lavain.
6.5.
Bij e-mail van 2 januari 2025 heeft mr. Lavain het hof geantwoord dat een zitting zinledig is, omdat met de eindvonnissen van de rechtbank Limburg vaststaat dat [verweerster] nimmer eigenaar en verhuurder is geweest. Het verzoek en de grieven worden niet door [appellant] ingetrokken. Het primaire verzoek in eerste aanleg strekkende tot niet-ontvankelijkheid had volgens [appellant] toegewezen moeten worden. Volgens [appellant] gaat een nadere zitting daar niets aan toevoegen, maar hij conformeert zich aan het oordeel van het hof over de doorgang/aanhouding van de geplande zitting op 8 januari 2025.
6.6.
Bij e-mail van 3 januari 2025 heeft het hof – kort weergegeven – partijen bericht dat het hof behoefte heeft aan nadere informatie en dat het hof daarover geïnformeerd wenst te worden op de zitting die doorgaat, tenzij partijen gezamenlijk een eenstemmig verzoek doen voor aanhouding. Daarnaast heeft het hof partijen – nogmaals – meegedeeld dat mr. Zweers-van Vollenhoven in verband met haar pensionering is gedefungeerd en dat zij wordt vervangen door mr. J.B. Smits.
6.7.
De tweede mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 januari 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
mr. Lavain namens [appellant] en
[verweerster] , bijgestaan door mr. Van de Laar.
[appellant] zelf is zonder voorafgaand bericht van verhindering niet verschenen.
7De verdere beoordeling
7.1.
Het hof overweegt het volgende.
Het inroepen van een doorbrekingsgrond
7.1.1.
Voordat het hof het hoger beroep inhoudelijk zal kunnen beoordelen, dient het hof allereerst de vraag te beantwoorden of [appellant] ontvankelijk is in het ingestelde hoger beroep.
7.1.2.
Ingevolge artikel 7:230a lid 8 BW staat tegen een beschikking krachtens dit artikel geen hogere voorziening open. Dit rechtsmiddelenverbod kan echter worden doorbroken in het geval dat de rechter buiten het toepassingsgebied van artikel 7:230a BW is getreden, het artikel ten onrechte heeft toegepast dan wel buiten toepassing heeft gelaten of bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat niet kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak.
7.1.3.
Omdat [appellant] in hoger beroep onder meer klaagt over de zogenoemde voorvragen, zoals de vraag of de huur wel rechtsgeldig is geëindigd, is hij in zoverre ontvankelijk in het hoger beroep. Het hof is vervolgens van oordeel dat de door [appellant] ingeroepen doorbrekingsgrond zich voordoet. Hieronder zal het hof dit toelichten.
Geen opzegging door de verhuurder
7.2.
Na het formuleren van zijn gronden/grieven in het beroepschrift heeft [appellant] op beide zittingen een beroep gedaan op een nieuw gebleken omstandigheid over de eigendomskwestie naar aanleiding van procedures binnen de familie [verweerster] en het vonnis van 23 oktober 2024 van de rechtbank Limburg. In dit vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is van een nietige overeenkomst ex artikel 3:40 BW, dat de koopovereenkomst tussen de grootouders en [verweerster] geacht wordt nooit te hebben bestaan en dat [verweerster] dus nooit eigenaar is geworden van de loodsen. [verweerster] heeft op die nieuwe grond zoals aangevoerd door [appellant] gereageerd. Gelet op de latere ontwikkelingen is het hof van oordeel dat dit een toelaatbare nieuwe grief is.
7.2.1.
Op de zitting van 8 januari 2025 heeft [verweerster] desgevraagd onomwonden het standpunt ingenomen dat zij het gehuurde inmiddels heeft teruggeleverd aan opa en dat zij geen verhuurder is.
Dictum
Het hof:
verklaart [appellant] ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep;
vernietigt de beschikking waarvan beroep;
wijst het primaire verzoek van [appellant] om hem niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek tot verlenging van de ontruimingsbescherming toe;
verklaart [appellant] daarin niet-ontvankelijk;
veroordeelt [verweerster] in de proceskosten van de eerste aanleg, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] op € 86,00 voor griffierecht en € 528,00 voor salaris gemachtigde.
veroordeelt [verweerster] in de proceskosten van dit hoger beroep, en begroot die kosten overeenkomstig het liquidatietarief tot op heden aan de zijde van [appellant] op € 343,00 voor griffierecht en € 2.428,00 voor salaris advocaat;
verklaart deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, J.B. Smits en R.L.G. Kraaijvanger en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2025.
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 30 januari 2025
Zaaknummer : 200.329.740/01
Zaaknummer eerste aanleg : 10260606 / HZ VERZ 22-74
in de zaak in hoger beroep van:
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. D.N. Lavain te Stein,
tegen
[verweerster]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster,
hierna te noemen: [verweerster] ,
advocaat: was mr. W.H.J.W. de Brouwer, thans mr. P.J.A. van de Laar te Eindhoven.
5De tussenbeschikking van 23 november 2023
Bij die tussenbeschikking heeft het hof geoordeeld dat er op dat moment grote onduidelijkheid bestond over de eigendomskwestie en verhuurderschap van de loodsen en dat het op dat moment niet opportuun was om in deze zaak al een beslissing te nemen. Het hof heeft de verdere (inhoudelijke) behandeling van onderhavige zaak dan ook aangehouden tot 28 november 2024, pro forma, en heeft daarbij partijen in de gelegenheid gesteld om het hof, uiterlijk op die datum, schriftelijk nader te berichten over de stand van zaken met betrekking tot alle thans (nog) lopende en alle mogelijk nog op te starten (beroeps)procedures tussen partijen en de procedures die inhoudelijk nauw verband houden met onderhavige procedure. Iedere verdere beslissing is door het hof aangehouden.
6Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
6.1.
Bij brief van 11 oktober 2024 heeft het hof partijen onder meer bericht dat de samenstelling van de behandelend kamer is gewijzigd en dat het hof geen acht zal slaan op de informatie of producties die het hof na het tussenarrest van 23 november 2023 van partijen heeft ontvangen, maar dat het partijen vrij staat om relevante informatie en producties bij akte alsnog in het geding te brengen.
6.2.
Bij brief van 23 december 2024 (met twee bijlagen) heeft mr. Lavain het hof bericht dat voortzetting van de onderhavige procedure zinledig is geworden, omdat op basis van het vonnis van 23 oktober 2024 van de rechtbank Limburg (C/03/301403 / HA ZA 22-50) (ECLI:NL:RBLIM:2024:7403), gewezen tussen enerzijds [verweerster] en haar grootouders en anderzijds haar vader, vast staat dat [verweerster] en haar grootouders géén recht hadden op de huurpenningen die in de deze procedure ter discussie staan (periode juli t/m november 2021) en dat [verweerster] nooit eigenaar (en verhuurder in de zin van artikel 7:201 BW) van de bedrijfsruimten is geweest. De geplande mondelinge behandeling behoefde wat [appellant] betreft geen doorgang te vinden en hij verzocht het hof om (eind)beschikking te wijzen en [verweerster] te veroordelen in de proceskosten. Daarnaast heeft mr. Lavain het hof bericht dat [appellant] ondertussen de bedrijfsruimten wel heeft verlaten.
6.3.
Bij brief van 31 december 2024 met twee producties heeft mr. Van de Laar het hof verzocht de zaak aan te houden en de zitting op 8 januari 2025 geen doorgang te laten vinden, omdat er nog onduidelijkheid is over wie recht heeft op de huurpenningen die [appellant] moet voldoen, gezien de vonnissen van 13 september 2023 en 23 oktober 2024 waarvan hoger beroep is ingesteld. [verweerster] is vooralsnog niet voornemens om de procedure in te trekken of om aan royement mee te werken. In het door de rechtbank Limburg op 13 september 2023 gewezen vonnis in de procedure van de ouders van [verweerster] tegen de grootouders van [verweerster] heeft de rechtbank onder meer voor recht verklaard dat de huurpenningen voor de bedrijfsruimten met ingang van 1 mei 2016 voor de ouders van [verweerster] zijn met uitzondering van de huurpenningen van [naam 1] en [naam 2] die pas na de notariële levering van de bedrijfsruimten voor de ouders van [verweerster] zijn.
6.4.
Bij e-mail van 2 januari 2025 heeft het hof nadere vragen gesteld aan mr. Lavain.
6.5.
Bij e-mail van 2 januari 2025 heeft mr. Lavain het hof geantwoord dat een zitting zinledig is, omdat met de eindvonnissen van de rechtbank Limburg vaststaat dat [verweerster] nimmer eigenaar en verhuurder is geweest. Het verzoek en de grieven worden niet door [appellant] ingetrokken. Het primaire verzoek in eerste aanleg strekkende tot niet-ontvankelijkheid had volgens [appellant] toegewezen moeten worden. Volgens [appellant] gaat een nadere zitting daar niets aan toevoegen, maar hij conformeert zich aan het oordeel van het hof over de doorgang/aanhouding van de geplande zitting op 8 januari 2025.
6.6.
Bij e-mail van 3 januari 2025 heeft het hof – kort weergegeven – partijen bericht dat het hof behoefte heeft aan nadere informatie en dat het hof daarover geïnformeerd wenst te worden op de zitting die doorgaat, tenzij partijen gezamenlijk een eenstemmig verzoek doen voor aanhouding. Daarnaast heeft het hof partijen – nogmaals – meegedeeld dat mr. Zweers-van Vollenhoven in verband met haar pensionering is gedefungeerd en dat zij wordt vervangen door mr. J.B. Smits.
6.7.
De tweede mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 januari 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
mr. Lavain namens [appellant] en
[verweerster] , bijgestaan door mr. Van de Laar.
[appellant] zelf is zonder voorafgaand bericht van verhindering niet verschenen.
7De verdere beoordeling
7.1.
Het hof overweegt het volgende.
Het inroepen van een doorbrekingsgrond
7.1.1.
Voordat het hof het hoger beroep inhoudelijk zal kunnen beoordelen, dient het hof allereerst de vraag te beantwoorden of [appellant] ontvankelijk is in het ingestelde hoger beroep.
7.1.2.
Ingevolge artikel 7:230a lid 8 BW staat tegen een beschikking krachtens dit artikel geen hogere voorziening open. Dit rechtsmiddelenverbod kan echter worden doorbroken in het geval dat de rechter buiten het toepassingsgebied van artikel 7:230a BW is getreden, het artikel ten onrechte heeft toegepast dan wel buiten toepassing heeft gelaten of bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat niet kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak.
7.1.3.
Omdat [appellant] in hoger beroep onder meer klaagt over de zogenoemde voorvragen, zoals de vraag of de huur wel rechtsgeldig is geëindigd, is hij in zoverre ontvankelijk in het hoger beroep. Het hof is vervolgens van oordeel dat de door [appellant] ingeroepen doorbrekingsgrond zich voordoet. Hieronder zal het hof dit toelichten.
Geen opzegging door de verhuurder
7.2.
Na het formuleren van zijn gronden/grieven in het beroepschrift heeft [appellant] op beide zittingen een beroep gedaan op een nieuw gebleken omstandigheid over de eigendomskwestie naar aanleiding van procedures binnen de familie [verweerster] en het vonnis van 23 oktober 2024 van de rechtbank Limburg. In dit vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is van een nietige overeenkomst ex artikel 3:40 BW, dat de koopovereenkomst tussen de grootouders en [verweerster] geacht wordt nooit te hebben bestaan en dat [verweerster] dus nooit eigenaar is geworden van de loodsen. [verweerster] heeft op die nieuwe grond zoals aangevoerd door [appellant] gereageerd. Gelet op de latere ontwikkelingen is het hof van oordeel dat dit een toelaatbare nieuwe grief is.
7.2.1.
Op de zitting van 8 januari 2025 heeft [verweerster] desgevraagd onomwonden het standpunt ingenomen dat zij het gehuurde inmiddels heeft teruggeleverd aan opa en dat zij geen verhuurder is.
Dictum
Het hof:
verklaart [appellant] ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep;
vernietigt de beschikking waarvan beroep;
wijst het primaire verzoek van [appellant] om hem niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek tot verlenging van de ontruimingsbescherming toe;
verklaart [appellant] daarin niet-ontvankelijk;
veroordeelt [verweerster] in de proceskosten van de eerste aanleg, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] op € 86,00 voor griffierecht en € 528,00 voor salaris gemachtigde.
veroordeelt [verweerster] in de proceskosten van dit hoger beroep, en begroot die kosten overeenkomstig het liquidatietarief tot op heden aan de zijde van [appellant] op € 343,00 voor griffierecht en € 2.428,00 voor salaris advocaat;
verklaart deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, J.B. Smits en R.L.G. Kraaijvanger en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2025.
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 30 januari 2025
Zaaknummer : 200.329.740/01
Zaaknummer eerste aanleg : 10260606 / HZ VERZ 22-74
in de zaak in hoger beroep van:
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. D.N. Lavain te Stein,
tegen
[verweerster]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster,
hierna te noemen: [verweerster] ,
advocaat: was mr. W.H.J.W. de Brouwer, thans mr. P.J.A. van de Laar te Eindhoven.
5De tussenbeschikking van 23 november 2023
Bij die tussenbeschikking heeft het hof geoordeeld dat er op dat moment grote onduidelijkheid bestond over de eigendomskwestie en verhuurderschap van de loodsen en dat het op dat moment niet opportuun was om in deze zaak al een beslissing te nemen. Het hof heeft de verdere (inhoudelijke) behandeling van onderhavige zaak dan ook aangehouden tot 28 november 2024, pro forma, en heeft daarbij partijen in de gelegenheid gesteld om het hof, uiterlijk op die datum, schriftelijk nader te berichten over de stand van zaken met betrekking tot alle thans (nog) lopende en alle mogelijk nog op te starten (beroeps)procedures tussen partijen en de procedures die inhoudelijk nauw verband houden met onderhavige procedure. Iedere verdere beslissing is door het hof aangehouden.
6Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
6.1.
Bij brief van 11 oktober 2024 heeft het hof partijen onder meer bericht dat de samenstelling van de behandelend kamer is gewijzigd en dat het hof geen acht zal slaan op de informatie of producties die het hof na het tussenarrest van 23 november 2023 van partijen heeft ontvangen, maar dat het partijen vrij staat om relevante informatie en producties bij akte alsnog in het geding te brengen.
6.2.
Bij brief van 23 december 2024 (met twee bijlagen) heeft mr. Lavain het hof bericht dat voortzetting van de onderhavige procedure zinledig is geworden, omdat op basis van het vonnis van 23 oktober 2024 van de rechtbank Limburg (C/03/301403 / HA ZA 22-50) (ECLI:NL:RBLIM:2024:7403), gewezen tussen enerzijds [verweerster] en haar grootouders en anderzijds haar vader, vast staat dat [verweerster] en haar grootouders géén recht hadden op de huurpenningen die in de deze procedure ter discussie staan (periode juli t/m november 2021) en dat [verweerster] nooit eigenaar (en verhuurder in de zin van artikel 7:201 BW) van de bedrijfsruimten is geweest. De geplande mondelinge behandeling behoefde wat [appellant] betreft geen doorgang te vinden en hij verzocht het hof om (eind)beschikking te wijzen en [verweerster] te veroordelen in de proceskosten. Daarnaast heeft mr. Lavain het hof bericht dat [appellant] ondertussen de bedrijfsruimten wel heeft verlaten.
6.3.
Bij brief van 31 december 2024 met twee producties heeft mr. Van de Laar het hof verzocht de zaak aan te houden en de zitting op 8 januari 2025 geen doorgang te laten vinden, omdat er nog onduidelijkheid is over wie recht heeft op de huurpenningen die [appellant] moet voldoen, gezien de vonnissen van 13 september 2023 en 23 oktober 2024 waarvan hoger beroep is ingesteld. [verweerster] is vooralsnog niet voornemens om de procedure in te trekken of om aan royement mee te werken. In het door de rechtbank Limburg op 13 september 2023 gewezen vonnis in de procedure van de ouders van [verweerster] tegen de grootouders van [verweerster] heeft de rechtbank onder meer voor recht verklaard dat de huurpenningen voor de bedrijfsruimten met ingang van 1 mei 2016 voor de ouders van [verweerster] zijn met uitzondering van de huurpenningen van [naam 1] en [naam 2] die pas na de notariële levering van de bedrijfsruimten voor de ouders van [verweerster] zijn.
6.4.
Bij e-mail van 2 januari 2025 heeft het hof nadere vragen gesteld aan mr. Lavain.
6.5.
Bij e-mail van 2 januari 2025 heeft mr. Lavain het hof geantwoord dat een zitting zinledig is, omdat met de eindvonnissen van de rechtbank Limburg vaststaat dat [verweerster] nimmer eigenaar en verhuurder is geweest. Het verzoek en de grieven worden niet door [appellant] ingetrokken. Het primaire verzoek in eerste aanleg strekkende tot niet-ontvankelijkheid had volgens [appellant] toegewezen moeten worden. Volgens [appellant] gaat een nadere zitting daar niets aan toevoegen, maar hij conformeert zich aan het oordeel van het hof over de doorgang/aanhouding van de geplande zitting op 8 januari 2025.
6.6.
Bij e-mail van 3 januari 2025 heeft het hof – kort weergegeven – partijen bericht dat het hof behoefte heeft aan nadere informatie en dat het hof daarover geïnformeerd wenst te worden op de zitting die doorgaat, tenzij partijen gezamenlijk een eenstemmig verzoek doen voor aanhouding. Daarnaast heeft het hof partijen – nogmaals – meegedeeld dat mr. Zweers-van Vollenhoven in verband met haar pensionering is gedefungeerd en dat zij wordt vervangen door mr. J.B. Smits.
6.7.
De tweede mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 januari 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
mr. Lavain namens [appellant] en
[verweerster] , bijgestaan door mr. Van de Laar.
[appellant] zelf is zonder voorafgaand bericht van verhindering niet verschenen.
7De verdere beoordeling
7.1.
Het hof overweegt het volgende.
Het inroepen van een doorbrekingsgrond
7.1.1.
Voordat het hof het hoger beroep inhoudelijk zal kunnen beoordelen, dient het hof allereerst de vraag te beantwoorden of [appellant] ontvankelijk is in het ingestelde hoger beroep.
7.1.2.
Ingevolge artikel 7:230a lid 8 BW staat tegen een beschikking krachtens dit artikel geen hogere voorziening open. Dit rechtsmiddelenverbod kan echter worden doorbroken in het geval dat de rechter buiten het toepassingsgebied van artikel 7:230a BW is getreden, het artikel ten onrechte heeft toegepast dan wel buiten toepassing heeft gelaten of bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat niet kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak.
7.1.3.
Omdat [appellant] in hoger beroep onder meer klaagt over de zogenoemde voorvragen, zoals de vraag of de huur wel rechtsgeldig is geëindigd, is hij in zoverre ontvankelijk in het hoger beroep. Het hof is vervolgens van oordeel dat de door [appellant] ingeroepen doorbrekingsgrond zich voordoet. Hieronder zal het hof dit toelichten.
Geen opzegging door de verhuurder
7.2.
Na het formuleren van zijn gronden/grieven in het beroepschrift heeft [appellant] op beide zittingen een beroep gedaan op een nieuw gebleken omstandigheid over de eigendomskwestie naar aanleiding van procedures binnen de familie [verweerster] en het vonnis van 23 oktober 2024 van de rechtbank Limburg. In dit vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is van een nietige overeenkomst ex artikel 3:40 BW, dat de koopovereenkomst tussen de grootouders en [verweerster] geacht wordt nooit te hebben bestaan en dat [verweerster] dus nooit eigenaar is geworden van de loodsen. [verweerster] heeft op die nieuwe grond zoals aangevoerd door [appellant] gereageerd. Gelet op de latere ontwikkelingen is het hof van oordeel dat dit een toelaatbare nieuwe grief is.
7.2.1.
Op de zitting van 8 januari 2025 heeft [verweerster] desgevraagd onomwonden het standpunt ingenomen dat zij het gehuurde inmiddels heeft teruggeleverd aan opa en dat zij geen verhuurder is.
Dictum
Het hof:
verklaart [appellant] ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep;
vernietigt de beschikking waarvan beroep;
wijst het primaire verzoek van [appellant] om hem niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek tot verlenging van de ontruimingsbescherming toe;
verklaart [appellant] daarin niet-ontvankelijk;
veroordeelt [verweerster] in de proceskosten van de eerste aanleg, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] op € 86,00 voor griffierecht en € 528,00 voor salaris gemachtigde.
veroordeelt [verweerster] in de proceskosten van dit hoger beroep, en begroot die kosten overeenkomstig het liquidatietarief tot op heden aan de zijde van [appellant] op € 343,00 voor griffierecht en € 2.428,00 voor salaris advocaat;
verklaart deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, J.B. Smits en R.L.G. Kraaijvanger en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2025.
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 30 januari 2025
Zaaknummer : 200.329.740/01
Zaaknummer eerste aanleg : 10260606 / HZ VERZ 22-74
in de zaak in hoger beroep van:
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. D.N. Lavain te Stein,
tegen
[verweerster]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster,
hierna te noemen: [verweerster] ,
advocaat: was mr. W.H.J.W. de Brouwer, thans mr. P.J.A. van de Laar te Eindhoven.
5De tussenbeschikking van 23 november 2023
Bij die tussenbeschikking heeft het hof geoordeeld dat er op dat moment grote onduidelijkheid bestond over de eigendomskwestie en verhuurderschap van de loodsen en dat het op dat moment niet opportuun was om in deze zaak al een beslissing te nemen. Het hof heeft de verdere (inhoudelijke) behandeling van onderhavige zaak dan ook aangehouden tot 28 november 2024, pro forma, en heeft daarbij partijen in de gelegenheid gesteld om het hof, uiterlijk op die datum, schriftelijk nader te berichten over de stand van zaken met betrekking tot alle thans (nog) lopende en alle mogelijk nog op te starten (beroeps)procedures tussen partijen en de procedures die inhoudelijk nauw verband houden met onderhavige procedure. Iedere verdere beslissing is door het hof aangehouden.
6Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
6.1.
Bij brief van 11 oktober 2024 heeft het hof partijen onder meer bericht dat de samenstelling van de behandelend kamer is gewijzigd en dat het hof geen acht zal slaan op de informatie of producties die het hof na het tussenarrest van 23 november 2023 van partijen heeft ontvangen, maar dat het partijen vrij staat om relevante informatie en producties bij akte alsnog in het geding te brengen.
6.2.
Bij brief van 23 december 2024 (met twee bijlagen) heeft mr. Lavain het hof bericht dat voortzetting van de onderhavige procedure zinledig is geworden, omdat op basis van het vonnis van 23 oktober 2024 van de rechtbank Limburg (C/03/301403 / HA ZA 22-50) (ECLI:NL:RBLIM:2024:7403), gewezen tussen enerzijds [verweerster] en haar grootouders en anderzijds haar vader, vast staat dat [verweerster] en haar grootouders géén recht hadden op de huurpenningen die in de deze procedure ter discussie staan (periode juli t/m november 2021) en dat [verweerster] nooit eigenaar (en verhuurder in de zin van artikel 7:201 BW) van de bedrijfsruimten is geweest. De geplande mondelinge behandeling behoefde wat [appellant] betreft geen doorgang te vinden en hij verzocht het hof om (eind)beschikking te wijzen en [verweerster] te veroordelen in de proceskosten. Daarnaast heeft mr. Lavain het hof bericht dat [appellant] ondertussen de bedrijfsruimten wel heeft verlaten.
6.3.
Bij brief van 31 december 2024 met twee producties heeft mr. Van de Laar het hof verzocht de zaak aan te houden en de zitting op 8 januari 2025 geen doorgang te laten vinden, omdat er nog onduidelijkheid is over wie recht heeft op de huurpenningen die [appellant] moet voldoen, gezien de vonnissen van 13 september 2023 en 23 oktober 2024 waarvan hoger beroep is ingesteld. [verweerster] is vooralsnog niet voornemens om de procedure in te trekken of om aan royement mee te werken. In het door de rechtbank Limburg op 13 september 2023 gewezen vonnis in de procedure van de ouders van [verweerster] tegen de grootouders van [verweerster] heeft de rechtbank onder meer voor recht verklaard dat de huurpenningen voor de bedrijfsruimten met ingang van 1 mei 2016 voor de ouders van [verweerster] zijn met uitzondering van de huurpenningen van [naam 1] en [naam 2] die pas na de notariële levering van de bedrijfsruimten voor de ouders van [verweerster] zijn.
6.4.
Bij e-mail van 2 januari 2025 heeft het hof nadere vragen gesteld aan mr. Lavain.
6.5.
Bij e-mail van 2 januari 2025 heeft mr. Lavain het hof geantwoord dat een zitting zinledig is, omdat met de eindvonnissen van de rechtbank Limburg vaststaat dat [verweerster] nimmer eigenaar en verhuurder is geweest. Het verzoek en de grieven worden niet door [appellant] ingetrokken. Het primaire verzoek in eerste aanleg strekkende tot niet-ontvankelijkheid had volgens [appellant] toegewezen moeten worden. Volgens [appellant] gaat een nadere zitting daar niets aan toevoegen, maar hij conformeert zich aan het oordeel van het hof over de doorgang/aanhouding van de geplande zitting op 8 januari 2025.
6.6.
Bij e-mail van 3 januari 2025 heeft het hof – kort weergegeven – partijen bericht dat het hof behoefte heeft aan nadere informatie en dat het hof daarover geïnformeerd wenst te worden op de zitting die doorgaat, tenzij partijen gezamenlijk een eenstemmig verzoek doen voor aanhouding. Daarnaast heeft het hof partijen – nogmaals – meegedeeld dat mr. Zweers-van Vollenhoven in verband met haar pensionering is gedefungeerd en dat zij wordt vervangen door mr. J.B. Smits.
6.7.
De tweede mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 januari 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
mr. Lavain namens [appellant] en
[verweerster] , bijgestaan door mr. Van de Laar.
[appellant] zelf is zonder voorafgaand bericht van verhindering niet verschenen.
7De verdere beoordeling
7.1.
Het hof overweegt het volgende.
Het inroepen van een doorbrekingsgrond
7.1.1.
Voordat het hof het hoger beroep inhoudelijk zal kunnen beoordelen, dient het hof allereerst de vraag te beantwoorden of [appellant] ontvankelijk is in het ingestelde hoger beroep.
7.1.2.
Ingevolge artikel 7:230a lid 8 BW staat tegen een beschikking krachtens dit artikel geen hogere voorziening open. Dit rechtsmiddelenverbod kan echter worden doorbroken in het geval dat de rechter buiten het toepassingsgebied van artikel 7:230a BW is getreden, het artikel ten onrechte heeft toegepast dan wel buiten toepassing heeft gelaten of bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat niet kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak.
7.1.3.
Omdat [appellant] in hoger beroep onder meer klaagt over de zogenoemde voorvragen, zoals de vraag of de huur wel rechtsgeldig is geëindigd, is hij in zoverre ontvankelijk in het hoger beroep. Het hof is vervolgens van oordeel dat de door [appellant] ingeroepen doorbrekingsgrond zich voordoet. Hieronder zal het hof dit toelichten.
Geen opzegging door de verhuurder
7.2.
Na het formuleren van zijn gronden/grieven in het beroepschrift heeft [appellant] op beide zittingen een beroep gedaan op een nieuw gebleken omstandigheid over de eigendomskwestie naar aanleiding van procedures binnen de familie [verweerster] en het vonnis van 23 oktober 2024 van de rechtbank Limburg. In dit vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is van een nietige overeenkomst ex artikel 3:40 BW, dat de koopovereenkomst tussen de grootouders en [verweerster] geacht wordt nooit te hebben bestaan en dat [verweerster] dus nooit eigenaar is geworden van de loodsen. [verweerster] heeft op die nieuwe grond zoals aangevoerd door [appellant] gereageerd. Gelet op de latere ontwikkelingen is het hof van oordeel dat dit een toelaatbare nieuwe grief is.
7.2.1.
Op de zitting van 8 januari 2025 heeft [verweerster] desgevraagd onomwonden het standpunt ingenomen dat zij het gehuurde inmiddels heeft teruggeleverd aan opa en dat zij geen verhuurder is.
Dictum
Het hof:
verklaart [appellant] ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep;
vernietigt de beschikking waarvan beroep;
wijst het primaire verzoek van [appellant] om hem niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek tot verlenging van de ontruimingsbescherming toe;
verklaart [appellant] daarin niet-ontvankelijk;
veroordeelt [verweerster] in de proceskosten van de eerste aanleg, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] op € 86,00 voor griffierecht en € 528,00 voor salaris gemachtigde.
veroordeelt [verweerster] in de proceskosten van dit hoger beroep, en begroot die kosten overeenkomstig het liquidatietarief tot op heden aan de zijde van [appellant] op € 343,00 voor griffierecht en € 2.428,00 voor salaris advocaat;
verklaart deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, J.B. Smits en R.L.G. Kraaijvanger en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2025.
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 30 januari 2025
Zaaknummer : 200.329.740/01
Zaaknummer eerste aanleg : 10260606 / HZ VERZ 22-74
in de zaak in hoger beroep van:
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. D.N. Lavain te Stein,
tegen
[verweerster]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster,
hierna te noemen: [verweerster] ,
advocaat: was mr. W.H.J.W. de Brouwer, thans mr. P.J.A. van de Laar te Eindhoven.
5De tussenbeschikking van 23 november 2023
Bij die tussenbeschikking heeft het hof geoordeeld dat er op dat moment grote onduidelijkheid bestond over de eigendomskwestie en verhuurderschap van de loodsen en dat het op dat moment niet opportuun was om in deze zaak al een beslissing te nemen. Het hof heeft de verdere (inhoudelijke) behandeling van onderhavige zaak dan ook aangehouden tot 28 november 2024, pro forma, en heeft daarbij partijen in de gelegenheid gesteld om het hof, uiterlijk op die datum, schriftelijk nader te berichten over de stand van zaken met betrekking tot alle thans (nog) lopende en alle mogelijk nog op te starten (beroeps)procedures tussen partijen en de procedures die inhoudelijk nauw verband houden met onderhavige procedure. Iedere verdere beslissing is door het hof aangehouden.
6Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
6.1.
Bij brief van 11 oktober 2024 heeft het hof partijen onder meer bericht dat de samenstelling van de behandelend kamer is gewijzigd en dat het hof geen acht zal slaan op de informatie of producties die het hof na het tussenarrest van 23 november 2023 van partijen heeft ontvangen, maar dat het partijen vrij staat om relevante informatie en producties bij akte alsnog in het geding te brengen.
6.2.
Bij brief van 23 december 2024 (met twee bijlagen) heeft mr. Lavain het hof bericht dat voortzetting van de onderhavige procedure zinledig is geworden, omdat op basis van het vonnis van 23 oktober 2024 van de rechtbank Limburg (C/03/301403 / HA ZA 22-50) (ECLI:NL:RBLIM:2024:7403), gewezen tussen enerzijds [verweerster] en haar grootouders en anderzijds haar vader, vast staat dat [verweerster] en haar grootouders géén recht hadden op de huurpenningen die in de deze procedure ter discussie staan (periode juli t/m november 2021) en dat [verweerster] nooit eigenaar (en verhuurder in de zin van artikel 7:201 BW) van de bedrijfsruimten is geweest. De geplande mondelinge behandeling behoefde wat [appellant] betreft geen doorgang te vinden en hij verzocht het hof om (eind)beschikking te wijzen en [verweerster] te veroordelen in de proceskosten. Daarnaast heeft mr. Lavain het hof bericht dat [appellant] ondertussen de bedrijfsruimten wel heeft verlaten.
6.3.
Bij brief van 31 december 2024 met twee producties heeft mr. Van de Laar het hof verzocht de zaak aan te houden en de zitting op 8 januari 2025 geen doorgang te laten vinden, omdat er nog onduidelijkheid is over wie recht heeft op de huurpenningen die [appellant] moet voldoen, gezien de vonnissen van 13 september 2023 en 23 oktober 2024 waarvan hoger beroep is ingesteld. [verweerster] is vooralsnog niet voornemens om de procedure in te trekken of om aan royement mee te werken. In het door de rechtbank Limburg op 13 september 2023 gewezen vonnis in de procedure van de ouders van [verweerster] tegen de grootouders van [verweerster] heeft de rechtbank onder meer voor recht verklaard dat de huurpenningen voor de bedrijfsruimten met ingang van 1 mei 2016 voor de ouders van [verweerster] zijn met uitzondering van de huurpenningen van [naam 1] en [naam 2] die pas na de notariële levering van de bedrijfsruimten voor de ouders van [verweerster] zijn.
6.4.
Bij e-mail van 2 januari 2025 heeft het hof nadere vragen gesteld aan mr. Lavain.
6.5.
Bij e-mail van 2 januari 2025 heeft mr. Lavain het hof geantwoord dat een zitting zinledig is, omdat met de eindvonnissen van de rechtbank Limburg vaststaat dat [verweerster] nimmer eigenaar en verhuurder is geweest. Het verzoek en de grieven worden niet door [appellant] ingetrokken. Het primaire verzoek in eerste aanleg strekkende tot niet-ontvankelijkheid had volgens [appellant] toegewezen moeten worden. Volgens [appellant] gaat een nadere zitting daar niets aan toevoegen, maar hij conformeert zich aan het oordeel van het hof over de doorgang/aanhouding van de geplande zitting op 8 januari 2025.
6.6.
Bij e-mail van 3 januari 2025 heeft het hof – kort weergegeven – partijen bericht dat het hof behoefte heeft aan nadere informatie en dat het hof daarover geïnformeerd wenst te worden op de zitting die doorgaat, tenzij partijen gezamenlijk een eenstemmig verzoek doen voor aanhouding. Daarnaast heeft het hof partijen – nogmaals – meegedeeld dat mr. Zweers-van Vollenhoven in verband met haar pensionering is gedefungeerd en dat zij wordt vervangen door mr. J.B. Smits.
6.7.
De tweede mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 januari 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
mr. Lavain namens [appellant] en
[verweerster] , bijgestaan door mr. Van de Laar.
[appellant] zelf is zonder voorafgaand bericht van verhindering niet verschenen.
7De verdere beoordeling
7.1.
Het hof overweegt het volgende.
Het inroepen van een doorbrekingsgrond
7.1.1.
Voordat het hof het hoger beroep inhoudelijk zal kunnen beoordelen, dient het hof allereerst de vraag te beantwoorden of [appellant] ontvankelijk is in het ingestelde hoger beroep.
7.1.2.
Ingevolge artikel 7:230a lid 8 BW staat tegen een beschikking krachtens dit artikel geen hogere voorziening open. Dit rechtsmiddelenverbod kan echter worden doorbroken in het geval dat de rechter buiten het toepassingsgebied van artikel 7:230a BW is getreden, het artikel ten onrechte heeft toegepast dan wel buiten toepassing heeft gelaten of bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat niet kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak.
7.1.3.
Omdat [appellant] in hoger beroep onder meer klaagt over de zogenoemde voorvragen, zoals de vraag of de huur wel rechtsgeldig is geëindigd, is hij in zoverre ontvankelijk in het hoger beroep. Het hof is vervolgens van oordeel dat de door [appellant] ingeroepen doorbrekingsgrond zich voordoet. Hieronder zal het hof dit toelichten.
Geen opzegging door de verhuurder
7.2.
Na het formuleren van zijn gronden/grieven in het beroepschrift heeft [appellant] op beide zittingen een beroep gedaan op een nieuw gebleken omstandigheid over de eigendomskwestie naar aanleiding van procedures binnen de familie [verweerster] en het vonnis van 23 oktober 2024 van de rechtbank Limburg. In dit vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is van een nietige overeenkomst ex artikel 3:40 BW, dat de koopovereenkomst tussen de grootouders en [verweerster] geacht wordt nooit te hebben bestaan en dat [verweerster] dus nooit eigenaar is geworden van de loodsen. [verweerster] heeft op die nieuwe grond zoals aangevoerd door [appellant] gereageerd. Gelet op de latere ontwikkelingen is het hof van oordeel dat dit een toelaatbare nieuwe grief is.
7.2.1.
Op de zitting van 8 januari 2025 heeft [verweerster] desgevraagd onomwonden het standpunt ingenomen dat zij het gehuurde inmiddels heeft teruggeleverd aan opa en dat zij geen verhuurder is.
Dictum
Het hof:
verklaart [appellant] ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep;
vernietigt de beschikking waarvan beroep;
wijst het primaire verzoek van [appellant] om hem niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek tot verlenging van de ontruimingsbescherming toe;
verklaart [appellant] daarin niet-ontvankelijk;
veroordeelt [verweerster] in de proceskosten van de eerste aanleg, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] op € 86,00 voor griffierecht en € 528,00 voor salaris gemachtigde.
veroordeelt [verweerster] in de proceskosten van dit hoger beroep, en begroot die kosten overeenkomstig het liquidatietarief tot op heden aan de zijde van [appellant] op € 343,00 voor griffierecht en € 2.428,00 voor salaris advocaat;
verklaart deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, J.B. Smits en R.L.G. Kraaijvanger en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2025.