Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-01-28
ECLI:NL:GHSHE:2025:227
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
30,680 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 'S-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 14 januari 2025
Zaaknummer: 200.343.777/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/327907 / FA RK 24-724
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder]
,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. F.R.G. Drenth,
tegen
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).
Het hof merkt als belanghebbenden aan:
Pleegouders van [minderjarige] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
hierna te noemen: de pleegouders.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
vestiging: [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de raad.
In het kort:
In deze zaak verzoekt de moeder een opbouwende omgangsregeling vast te stellen met de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2018.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (zittingsplaats Roermond) van 19 april 2024 uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 juli 2024, heeft de moeder verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de verzochte omgangsregeling en, opnieuw rechtdoende, de volgende regeling vast te stellen:
- Stap 1: moeder stuurt een kaartje met een kort bericht naar [minderjarige] ;
- Stap 2: moeder stuurt een videoberichtje naar [minderjarige] ;
- Stap 3: er is een videobelgesprek tussen moeder en [minderjarige] van 10 minuten;
- Stap 4: er vinden elke twee weken korte fysieke bezoeken tussen moeder en [minderjarige] plaats. Deze bezoeken vinden plaats bij [minderjarige] thuis ofwel in het omgangshuis. Deze bezoeken zullen ongeveer 30 minuten duren;
- Stap 5: na vier bezoeken vindt er een evaluatie plaats waarbij er wordt beoordeeld of er ruimte is voor een ruimere regeling.
Subsidiair verzoekt de moeder de bestreden beschikking te vernietigen en een regeling vast te stellen waarbij na het sturen van een kaartje direct gewerkt wordt naar contactmomenten die het hof juist acht.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 september 2024, heeft de GI verzocht de moeder in het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 januari 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
mr. F.R.G. Drenth namens de moeder;
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
2.3.1.
De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. Op verzoek van haar advocaat is zij op de dag van de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld om digitaal aan de mondelinge behandeling deel te nemen. De moeder is ook online, zonder nadere toelichting, niet verschenen.
2.3.2.
De raad is met bericht van verhindering, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
2.3.3.
De pleegouders van [minderjarige] hebben het hof bericht niet tijdens de mondelinge behandeling te zullen verschijnen. Het hof heeft dit bericht 14 januari 2025, maar na de mondelinge behandeling ontvangen.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
V6-formulier van de advocaat van de moeder van 5 augustus 2024 met als bijlage de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 21 februari 2024;
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 25 maart 2024;
een brief van de GI van 9 januari 2025, met als bijlage een brief van de pleegouders van [minderjarige] .
Feiten
3.1.
[minderjarige] is geboren uit de relatie van de vader en de moeder. De vader heeft [minderjarige] niet erkend en hij heeft ook geen gezag (gehad). Bij beschikking van 4 september 2020 heeft de rechtbank het gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigd en de GI tot voogd benoemd. [minderjarige] woont sinds september 2020 bij de pleegouders. De moeder heeft al enige jaren geen contact meer met [minderjarige] . Zij heeft haar in april 2019 voor het laatst gezien.
3.2.
De moeder heeft in eerste aanleg (samengevat) verzocht een opbouwende omgangsregeling vast te stellen en een informatieregeling aan de GI op te leggen. Bij beschikking van 21 februari 2024 heeft de rechtbank Amsterdam zich onbevoegd verklaard van de onderhavige zaak kennis te nemen en de zaak, in de stand waarin deze zich bevond, naar de rechtbank Limburg verwezen.
3.3.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking, heeft de rechtbank een omgangsregeling vastgesteld, waarbij is bepaald dat de moeder maandelijks een kaartje stuurt naar [minderjarige] via de GI waarbij de moeder zich hierbij aan de volgende voorwaarden houdt:
I. er is iemand van maatschappelijk werk of een vertrouwenspersoon die meekijkt als de moeder het kaartje wil schrijven en sturen;
II. de moeder geeft aan als het kaartje wordt opgestuurd naar het hoofdkantoor van de GI.
Tevens heeft de rechtbank bepaald dat de GI éénmaal per maand de moeder een e-mail stuurt met de meest belangrijke updates over [minderjarige] en de (advocaat van de) moeder en de GI verzocht uiterlijk 1 september 2024 de rechtbank te berichten over de voortgang en al dan niet wenselijke vervolgstappen. Iedere verdere beslissing is aangehouden.
3.4.
De moeder kan zich met deze beslissing, althans voor zover het betreft de omgangsregeling, niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De standpunten
3.5.
De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - samengevat – het volgende aan.
Ten onrechte heeft de rechtbank het contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] op de lange baan geschoven en bepaald dat er zeven maanden lang kaartjes verstuurd dienen te worden. De moeder snapt dat er een kaartje gestuurd moet worden ter introductie, maar het is niet bedoeld om haar betrouwbaarheid te testen. Na het sturen van een kaartje dient het opbouwen van de omgang spoedig te worden opgestart. Met de huidige beschikking is het sturen van een kaartje het enig mogelijke contact en wordt het opstarten van fysiek contact niet gegarandeerd. Het is van belang om de vervolgstappen in de beschikking vast te leggen om zo te voorkomen dat het traject van contactherstel verzandt. Er moet een stip op de horizon zijn. De moeder heeft bij haar andere zoontje ervaren dat perspectief na het sturen van kaartjes ontbrak. Het enkel versturen van kaartjes zorgt voor uitstel, en van uitstel komt afstel. Eind vorig jaar heeft de moeder voor het eerst een kaartje gestuurd. Lange tijd heeft zij dit niet gedaan omdat zij het niet eens was met de beslissing van de rechtbank. Het risico dat het verblijf van [minderjarige] in het pleeggezin overhoop wordt gehaald, wordt door de rechtbank overschat. Hiertoe bestaat namelijk geen aanleiding. [minderjarige] zou er juist mee gediend zijn wanneer er stabiel contact tussen haar en de moeder is. De vrees van de rechtbank komt mogelijk door een te sterke focus op het verleden van de moeder. Dit is echter onterecht aangezien de moeder erg veranderd is. De beschikking van de rechtbank noodzaakt de moeder een maatschappelijk werker of vertrouwenspersoon in te schakelen bij het schrijven van een kaartje. Nu de moeder zelf in staat is kaartjes te schrijven die goed aansluiten bij belevingswereld van [minderjarige] , is een maatschappelijk werker of vertrouwenspersoon onnodig. De moeder heeft bovendien niet de mogelijkheid om een maatschappelijk werker in te schakelen omdat zij niet bij een gemeente ingeschreven staat.
3.6.
De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling,
- samengevat - het volgende aan.De moeder kan, door de afspraken na te komen en aan de gestelde randvoorwaarden te voldoen, zelf invloed hebben op eventuele mogelijkheden tot contactherstel. Zij houdt zich echter aan geen enkele afspraak, terwijl dit wel een eerste voorwaarde voor het contactherstel is. De moeder laat niet zien dat zij zich onvoorwaardelijk in wil zetten voor het contactherstel met [minderjarige] . De moeder informeert de GI niet hoe het met haar gaat en er komen weinig of geen reacties op de mails die de GI haar stuurt. Het lukt niet om een afspraak met de moeder te maken en ook andere stappen, zoals het vinden van een maatschappelijk werker of andere hulpverlening, blijven uit. Het blijft stil aan de kant van de moeder. De moeder stelt dat zij één kaartje voor [minderjarige] heeft gestuurd, maar de GI heeft niets ontvangen. Zelfs als het ene kaartje wel ontvangen zou zijn, is dit nog steeds maar één kaartje. Wanneer de moeder serieus met het versturen van kaartjes aan de slag zou zijn gegaan, zou er mogelijk een stip op de horizon gegeven kunnen worden. Er zijn sinds april vorig jaar geen gewijzigde omstandigheden. De moeder dient eerst voor langere periode te laten zien dat zij zich begeleidbaar opstelt, kan samenwerken met de voogd en afspraken kan nakomen. Er bestaan zorgen dat als het de moeder niet lukt om de afspraken met de Gl en de rechtbank op te volgen, zij ook niet in staat zal zijn om toekomstige afspraken over het contactherstel na te komen. De focus op het sturen van kaartjes ligt niet op het introduceren van de moeder, maar op het toetsen van haar betrouwbaarheid. Mocht het uiteindelijk tot fysiek contact komen tussen [minderjarige] en de moeder, dan is de door de moeder voorgestelde frequentie niet in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] heeft geen actieve herinneringen aan haar moeder en de voorgestelde frequentie is niet passend voor een ouder op afstand. Hoewel contact met de biologische ouders in de basis in het belang van ieder kind is, zijn hier wel bepaalde randvoorwaarden voor nodig. Daarnaast staat de moeder nog steeds niet open voor persoonlijke hulpverlening en is er geen maatschappelijk werker betrokken die de moeder kan ondersteunen bij het gehele proces van contactherstel. Dit wordt wel noodzakelijk geacht om verder toe te werken naar een vorm van contactherstel.
3.7.
De pleegouders van [minderjarige] hebben blijkens de hiervoor genoemde bijlage bij de brief van de GI te kennen gegeven dat [minderjarige] op dit moment, ondanks haar problematiek, goed in haar vel zit. Ze doet het goed op school, heeft vriendjes en vriendinnetjes en is lief en verzorgend in de omgang met (jongere) kinderen. Ondanks dat [minderjarige] in de afgelopen vier jaar enorm is gegroeid, heeft zij tot de dag van vandaag nog steeds last van hechtingsproblemen en andere problematiek zoals onrustig en kort slapen, moeilijk te troosten te zijn en nauwelijks reageren op de pleegouders. Hoewel de pleegouders open staan voor contact tussen de moeder en [minderjarige] , dient hier zeer zorgvuldig mee om te worden gegaan. Indien aan de voorwaarden zoals voorgelegd door de GI wordt voldaan, zullen de pleegouders niet voor een bezoekregeling gaan liggen. Een zeer geleidelijk proces van introductie waarbij er steeds evaluaties plaatsvinden en [minderjarige] ’s tempo wordt gevolgd, wordt in het belang van [minderjarige] en passend bij haar ontwikkeling geacht.
Het wettelijk kader
3.8.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft het kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat.
Motivering
3.9.
Het hof onderschrijft de overwegingen van de rechtbank die tot de bestreden beschikking hebben geleid en neemt die na eigen onderzoek en waardering over en maakt die tot de zijne. Het hof voegt hier, op grond van de stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep nog naar voren is gebracht, het volgende aan toe.
3.10.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de GI na de bestreden beschikking nog geen enkel kaartje heeft ontvangen voor [minderjarige] . Volgens de raadsman heeft de moeder er wel één gestuurd, eind december 2024. Zij was het volgens de raadsman niet eens met de beslissing van de rechtbank en had dit daarom nog niet eerder gedaan. Het hof heeft gelet op de stukken en op dat wat besproken is tijdens de mondelinge behandeling veel vragen over de motivatie van de moeder en over de situatie waarin zij verkeert. Deze vragen zijn onbeantwoord gebleven. Daar komt bij dat de moeder de GI kennelijk niet informeert over hoe het met haar gaat en waar zij verblijft. Verder is zij zonder verdere berichtgeving, niet op de mondelinge behandeling in hoger beroep verschenen, ook niet nadat het hof haar (op haar verzoek) kort voor aanvang van de mondelinge behandeling nog in de gelegenheid heeft gesteld digitaal deel te nemen omdat zij wegens ziekte niet in staat zou zijn naar het hof te reizen.
Al het voorgaande in aanmerking nemende is het hof van oordeel dat de regeling zoals de rechtbank die heeft bepaald het meest in het belang van [minderjarige] is. Wat van de kant van de moeder is aangevoerd, geeft geen aanleiding om aan het oordeel van de rechtbank te twijfelen. De grieven van de moeder falen.
Afsluitende conclusie
3.11.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg (zittingsplaats Roermond) van 19 april 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is op 14 januari 2025 mondeling gegeven door mrs. E.P de Beij, C.N.M. Antens en F.M.E. Schulmer en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier. Deze beschikking is daarna op schrift gesteld op 28 januari 2025 en ondertekend door mr. E.P. de Beij.
Inleiding
GERECHTSHOF 'S-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 14 januari 2025
Zaaknummer: 200.343.777/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/327907 / FA RK 24-724
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder]
,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. F.R.G. Drenth,
tegen
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).
Het hof merkt als belanghebbenden aan:
Pleegouders van [minderjarige] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
hierna te noemen: de pleegouders.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
vestiging: [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de raad.
In het kort:
In deze zaak verzoekt de moeder een opbouwende omgangsregeling vast te stellen met de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2018.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (zittingsplaats Roermond) van 19 april 2024 uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 juli 2024, heeft de moeder verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de verzochte omgangsregeling en, opnieuw rechtdoende, de volgende regeling vast te stellen:
- Stap 1: moeder stuurt een kaartje met een kort bericht naar [minderjarige] ;
- Stap 2: moeder stuurt een videoberichtje naar [minderjarige] ;
- Stap 3: er is een videobelgesprek tussen moeder en [minderjarige] van 10 minuten;
- Stap 4: er vinden elke twee weken korte fysieke bezoeken tussen moeder en [minderjarige] plaats. Deze bezoeken vinden plaats bij [minderjarige] thuis ofwel in het omgangshuis. Deze bezoeken zullen ongeveer 30 minuten duren;
- Stap 5: na vier bezoeken vindt er een evaluatie plaats waarbij er wordt beoordeeld of er ruimte is voor een ruimere regeling.
Subsidiair verzoekt de moeder de bestreden beschikking te vernietigen en een regeling vast te stellen waarbij na het sturen van een kaartje direct gewerkt wordt naar contactmomenten die het hof juist acht.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 september 2024, heeft de GI verzocht de moeder in het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 januari 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
mr. F.R.G. Drenth namens de moeder;
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
2.3.1.
De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. Op verzoek van haar advocaat is zij op de dag van de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld om digitaal aan de mondelinge behandeling deel te nemen. De moeder is ook online, zonder nadere toelichting, niet verschenen.
2.3.2.
De raad is met bericht van verhindering, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
2.3.3.
De pleegouders van [minderjarige] hebben het hof bericht niet tijdens de mondelinge behandeling te zullen verschijnen. Het hof heeft dit bericht 14 januari 2025, maar na de mondelinge behandeling ontvangen.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
V6-formulier van de advocaat van de moeder van 5 augustus 2024 met als bijlage de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 21 februari 2024;
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 25 maart 2024;
een brief van de GI van 9 januari 2025, met als bijlage een brief van de pleegouders van [minderjarige] .
Feiten
3.1.
[minderjarige] is geboren uit de relatie van de vader en de moeder. De vader heeft [minderjarige] niet erkend en hij heeft ook geen gezag (gehad). Bij beschikking van 4 september 2020 heeft de rechtbank het gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigd en de GI tot voogd benoemd. [minderjarige] woont sinds september 2020 bij de pleegouders. De moeder heeft al enige jaren geen contact meer met [minderjarige] . Zij heeft haar in april 2019 voor het laatst gezien.
3.2.
De moeder heeft in eerste aanleg (samengevat) verzocht een opbouwende omgangsregeling vast te stellen en een informatieregeling aan de GI op te leggen. Bij beschikking van 21 februari 2024 heeft de rechtbank Amsterdam zich onbevoegd verklaard van de onderhavige zaak kennis te nemen en de zaak, in de stand waarin deze zich bevond, naar de rechtbank Limburg verwezen.
3.3.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking, heeft de rechtbank een omgangsregeling vastgesteld, waarbij is bepaald dat de moeder maandelijks een kaartje stuurt naar [minderjarige] via de GI waarbij de moeder zich hierbij aan de volgende voorwaarden houdt:
I. er is iemand van maatschappelijk werk of een vertrouwenspersoon die meekijkt als de moeder het kaartje wil schrijven en sturen;
II. de moeder geeft aan als het kaartje wordt opgestuurd naar het hoofdkantoor van de GI.
Tevens heeft de rechtbank bepaald dat de GI éénmaal per maand de moeder een e-mail stuurt met de meest belangrijke updates over [minderjarige] en de (advocaat van de) moeder en de GI verzocht uiterlijk 1 september 2024 de rechtbank te berichten over de voortgang en al dan niet wenselijke vervolgstappen. Iedere verdere beslissing is aangehouden.
3.4.
De moeder kan zich met deze beslissing, althans voor zover het betreft de omgangsregeling, niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De standpunten
3.5.
De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - samengevat – het volgende aan.
Ten onrechte heeft de rechtbank het contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] op de lange baan geschoven en bepaald dat er zeven maanden lang kaartjes verstuurd dienen te worden. De moeder snapt dat er een kaartje gestuurd moet worden ter introductie, maar het is niet bedoeld om haar betrouwbaarheid te testen. Na het sturen van een kaartje dient het opbouwen van de omgang spoedig te worden opgestart. Met de huidige beschikking is het sturen van een kaartje het enig mogelijke contact en wordt het opstarten van fysiek contact niet gegarandeerd. Het is van belang om de vervolgstappen in de beschikking vast te leggen om zo te voorkomen dat het traject van contactherstel verzandt. Er moet een stip op de horizon zijn. De moeder heeft bij haar andere zoontje ervaren dat perspectief na het sturen van kaartjes ontbrak. Het enkel versturen van kaartjes zorgt voor uitstel, en van uitstel komt afstel. Eind vorig jaar heeft de moeder voor het eerst een kaartje gestuurd. Lange tijd heeft zij dit niet gedaan omdat zij het niet eens was met de beslissing van de rechtbank. Het risico dat het verblijf van [minderjarige] in het pleeggezin overhoop wordt gehaald, wordt door de rechtbank overschat. Hiertoe bestaat namelijk geen aanleiding. [minderjarige] zou er juist mee gediend zijn wanneer er stabiel contact tussen haar en de moeder is. De vrees van de rechtbank komt mogelijk door een te sterke focus op het verleden van de moeder. Dit is echter onterecht aangezien de moeder erg veranderd is. De beschikking van de rechtbank noodzaakt de moeder een maatschappelijk werker of vertrouwenspersoon in te schakelen bij het schrijven van een kaartje. Nu de moeder zelf in staat is kaartjes te schrijven die goed aansluiten bij belevingswereld van [minderjarige] , is een maatschappelijk werker of vertrouwenspersoon onnodig. De moeder heeft bovendien niet de mogelijkheid om een maatschappelijk werker in te schakelen omdat zij niet bij een gemeente ingeschreven staat.
3.6.
De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling,
- samengevat - het volgende aan.De moeder kan, door de afspraken na te komen en aan de gestelde randvoorwaarden te voldoen, zelf invloed hebben op eventuele mogelijkheden tot contactherstel. Zij houdt zich echter aan geen enkele afspraak, terwijl dit wel een eerste voorwaarde voor het contactherstel is. De moeder laat niet zien dat zij zich onvoorwaardelijk in wil zetten voor het contactherstel met [minderjarige] . De moeder informeert de GI niet hoe het met haar gaat en er komen weinig of geen reacties op de mails die de GI haar stuurt. Het lukt niet om een afspraak met de moeder te maken en ook andere stappen, zoals het vinden van een maatschappelijk werker of andere hulpverlening, blijven uit. Het blijft stil aan de kant van de moeder. De moeder stelt dat zij één kaartje voor [minderjarige] heeft gestuurd, maar de GI heeft niets ontvangen. Zelfs als het ene kaartje wel ontvangen zou zijn, is dit nog steeds maar één kaartje. Wanneer de moeder serieus met het versturen van kaartjes aan de slag zou zijn gegaan, zou er mogelijk een stip op de horizon gegeven kunnen worden. Er zijn sinds april vorig jaar geen gewijzigde omstandigheden. De moeder dient eerst voor langere periode te laten zien dat zij zich begeleidbaar opstelt, kan samenwerken met de voogd en afspraken kan nakomen. Er bestaan zorgen dat als het de moeder niet lukt om de afspraken met de Gl en de rechtbank op te volgen, zij ook niet in staat zal zijn om toekomstige afspraken over het contactherstel na te komen. De focus op het sturen van kaartjes ligt niet op het introduceren van de moeder, maar op het toetsen van haar betrouwbaarheid. Mocht het uiteindelijk tot fysiek contact komen tussen [minderjarige] en de moeder, dan is de door de moeder voorgestelde frequentie niet in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] heeft geen actieve herinneringen aan haar moeder en de voorgestelde frequentie is niet passend voor een ouder op afstand. Hoewel contact met de biologische ouders in de basis in het belang van ieder kind is, zijn hier wel bepaalde randvoorwaarden voor nodig. Daarnaast staat de moeder nog steeds niet open voor persoonlijke hulpverlening en is er geen maatschappelijk werker betrokken die de moeder kan ondersteunen bij het gehele proces van contactherstel. Dit wordt wel noodzakelijk geacht om verder toe te werken naar een vorm van contactherstel.
3.7.
De pleegouders van [minderjarige] hebben blijkens de hiervoor genoemde bijlage bij de brief van de GI te kennen gegeven dat [minderjarige] op dit moment, ondanks haar problematiek, goed in haar vel zit. Ze doet het goed op school, heeft vriendjes en vriendinnetjes en is lief en verzorgend in de omgang met (jongere) kinderen. Ondanks dat [minderjarige] in de afgelopen vier jaar enorm is gegroeid, heeft zij tot de dag van vandaag nog steeds last van hechtingsproblemen en andere problematiek zoals onrustig en kort slapen, moeilijk te troosten te zijn en nauwelijks reageren op de pleegouders. Hoewel de pleegouders open staan voor contact tussen de moeder en [minderjarige] , dient hier zeer zorgvuldig mee om te worden gegaan. Indien aan de voorwaarden zoals voorgelegd door de GI wordt voldaan, zullen de pleegouders niet voor een bezoekregeling gaan liggen. Een zeer geleidelijk proces van introductie waarbij er steeds evaluaties plaatsvinden en [minderjarige] ’s tempo wordt gevolgd, wordt in het belang van [minderjarige] en passend bij haar ontwikkeling geacht.
Het wettelijk kader
3.8.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft het kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat.
Motivering
3.9.
Het hof onderschrijft de overwegingen van de rechtbank die tot de bestreden beschikking hebben geleid en neemt die na eigen onderzoek en waardering over en maakt die tot de zijne. Het hof voegt hier, op grond van de stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep nog naar voren is gebracht, het volgende aan toe.
3.10.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de GI na de bestreden beschikking nog geen enkel kaartje heeft ontvangen voor [minderjarige] . Volgens de raadsman heeft de moeder er wel één gestuurd, eind december 2024. Zij was het volgens de raadsman niet eens met de beslissing van de rechtbank en had dit daarom nog niet eerder gedaan. Het hof heeft gelet op de stukken en op dat wat besproken is tijdens de mondelinge behandeling veel vragen over de motivatie van de moeder en over de situatie waarin zij verkeert. Deze vragen zijn onbeantwoord gebleven. Daar komt bij dat de moeder de GI kennelijk niet informeert over hoe het met haar gaat en waar zij verblijft. Verder is zij zonder verdere berichtgeving, niet op de mondelinge behandeling in hoger beroep verschenen, ook niet nadat het hof haar (op haar verzoek) kort voor aanvang van de mondelinge behandeling nog in de gelegenheid heeft gesteld digitaal deel te nemen omdat zij wegens ziekte niet in staat zou zijn naar het hof te reizen.
Al het voorgaande in aanmerking nemende is het hof van oordeel dat de regeling zoals de rechtbank die heeft bepaald het meest in het belang van [minderjarige] is. Wat van de kant van de moeder is aangevoerd, geeft geen aanleiding om aan het oordeel van de rechtbank te twijfelen. De grieven van de moeder falen.
Afsluitende conclusie
3.11.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg (zittingsplaats Roermond) van 19 april 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is op 14 januari 2025 mondeling gegeven door mrs. E.P de Beij, C.N.M. Antens en F.M.E. Schulmer en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier. Deze beschikking is daarna op schrift gesteld op 28 januari 2025 en ondertekend door mr. E.P. de Beij.
Inleiding
GERECHTSHOF 'S-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 14 januari 2025
Zaaknummer: 200.343.777/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/327907 / FA RK 24-724
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder]
,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. F.R.G. Drenth,
tegen
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).
Het hof merkt als belanghebbenden aan:
Pleegouders van [minderjarige] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
hierna te noemen: de pleegouders.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
vestiging: [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de raad.
In het kort:
In deze zaak verzoekt de moeder een opbouwende omgangsregeling vast te stellen met de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2018.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (zittingsplaats Roermond) van 19 april 2024 uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 juli 2024, heeft de moeder verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de verzochte omgangsregeling en, opnieuw rechtdoende, de volgende regeling vast te stellen:
- Stap 1: moeder stuurt een kaartje met een kort bericht naar [minderjarige] ;
- Stap 2: moeder stuurt een videoberichtje naar [minderjarige] ;
- Stap 3: er is een videobelgesprek tussen moeder en [minderjarige] van 10 minuten;
- Stap 4: er vinden elke twee weken korte fysieke bezoeken tussen moeder en [minderjarige] plaats. Deze bezoeken vinden plaats bij [minderjarige] thuis ofwel in het omgangshuis. Deze bezoeken zullen ongeveer 30 minuten duren;
- Stap 5: na vier bezoeken vindt er een evaluatie plaats waarbij er wordt beoordeeld of er ruimte is voor een ruimere regeling.
Subsidiair verzoekt de moeder de bestreden beschikking te vernietigen en een regeling vast te stellen waarbij na het sturen van een kaartje direct gewerkt wordt naar contactmomenten die het hof juist acht.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 september 2024, heeft de GI verzocht de moeder in het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 januari 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
mr. F.R.G. Drenth namens de moeder;
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
2.3.1.
De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. Op verzoek van haar advocaat is zij op de dag van de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld om digitaal aan de mondelinge behandeling deel te nemen. De moeder is ook online, zonder nadere toelichting, niet verschenen.
2.3.2.
De raad is met bericht van verhindering, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
2.3.3.
De pleegouders van [minderjarige] hebben het hof bericht niet tijdens de mondelinge behandeling te zullen verschijnen. Het hof heeft dit bericht 14 januari 2025, maar na de mondelinge behandeling ontvangen.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
V6-formulier van de advocaat van de moeder van 5 augustus 2024 met als bijlage de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 21 februari 2024;
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 25 maart 2024;
een brief van de GI van 9 januari 2025, met als bijlage een brief van de pleegouders van [minderjarige] .
Feiten
3.1.
[minderjarige] is geboren uit de relatie van de vader en de moeder. De vader heeft [minderjarige] niet erkend en hij heeft ook geen gezag (gehad). Bij beschikking van 4 september 2020 heeft de rechtbank het gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigd en de GI tot voogd benoemd. [minderjarige] woont sinds september 2020 bij de pleegouders. De moeder heeft al enige jaren geen contact meer met [minderjarige] . Zij heeft haar in april 2019 voor het laatst gezien.
3.2.
De moeder heeft in eerste aanleg (samengevat) verzocht een opbouwende omgangsregeling vast te stellen en een informatieregeling aan de GI op te leggen. Bij beschikking van 21 februari 2024 heeft de rechtbank Amsterdam zich onbevoegd verklaard van de onderhavige zaak kennis te nemen en de zaak, in de stand waarin deze zich bevond, naar de rechtbank Limburg verwezen.
3.3.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking, heeft de rechtbank een omgangsregeling vastgesteld, waarbij is bepaald dat de moeder maandelijks een kaartje stuurt naar [minderjarige] via de GI waarbij de moeder zich hierbij aan de volgende voorwaarden houdt:
I. er is iemand van maatschappelijk werk of een vertrouwenspersoon die meekijkt als de moeder het kaartje wil schrijven en sturen;
II. de moeder geeft aan als het kaartje wordt opgestuurd naar het hoofdkantoor van de GI.
Tevens heeft de rechtbank bepaald dat de GI éénmaal per maand de moeder een e-mail stuurt met de meest belangrijke updates over [minderjarige] en de (advocaat van de) moeder en de GI verzocht uiterlijk 1 september 2024 de rechtbank te berichten over de voortgang en al dan niet wenselijke vervolgstappen. Iedere verdere beslissing is aangehouden.
3.4.
De moeder kan zich met deze beslissing, althans voor zover het betreft de omgangsregeling, niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De standpunten
3.5.
De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - samengevat – het volgende aan.
Ten onrechte heeft de rechtbank het contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] op de lange baan geschoven en bepaald dat er zeven maanden lang kaartjes verstuurd dienen te worden. De moeder snapt dat er een kaartje gestuurd moet worden ter introductie, maar het is niet bedoeld om haar betrouwbaarheid te testen. Na het sturen van een kaartje dient het opbouwen van de omgang spoedig te worden opgestart. Met de huidige beschikking is het sturen van een kaartje het enig mogelijke contact en wordt het opstarten van fysiek contact niet gegarandeerd. Het is van belang om de vervolgstappen in de beschikking vast te leggen om zo te voorkomen dat het traject van contactherstel verzandt. Er moet een stip op de horizon zijn. De moeder heeft bij haar andere zoontje ervaren dat perspectief na het sturen van kaartjes ontbrak. Het enkel versturen van kaartjes zorgt voor uitstel, en van uitstel komt afstel. Eind vorig jaar heeft de moeder voor het eerst een kaartje gestuurd. Lange tijd heeft zij dit niet gedaan omdat zij het niet eens was met de beslissing van de rechtbank. Het risico dat het verblijf van [minderjarige] in het pleeggezin overhoop wordt gehaald, wordt door de rechtbank overschat. Hiertoe bestaat namelijk geen aanleiding. [minderjarige] zou er juist mee gediend zijn wanneer er stabiel contact tussen haar en de moeder is. De vrees van de rechtbank komt mogelijk door een te sterke focus op het verleden van de moeder. Dit is echter onterecht aangezien de moeder erg veranderd is. De beschikking van de rechtbank noodzaakt de moeder een maatschappelijk werker of vertrouwenspersoon in te schakelen bij het schrijven van een kaartje. Nu de moeder zelf in staat is kaartjes te schrijven die goed aansluiten bij belevingswereld van [minderjarige] , is een maatschappelijk werker of vertrouwenspersoon onnodig. De moeder heeft bovendien niet de mogelijkheid om een maatschappelijk werker in te schakelen omdat zij niet bij een gemeente ingeschreven staat.
3.6.
De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling,
- samengevat - het volgende aan.De moeder kan, door de afspraken na te komen en aan de gestelde randvoorwaarden te voldoen, zelf invloed hebben op eventuele mogelijkheden tot contactherstel. Zij houdt zich echter aan geen enkele afspraak, terwijl dit wel een eerste voorwaarde voor het contactherstel is. De moeder laat niet zien dat zij zich onvoorwaardelijk in wil zetten voor het contactherstel met [minderjarige] . De moeder informeert de GI niet hoe het met haar gaat en er komen weinig of geen reacties op de mails die de GI haar stuurt. Het lukt niet om een afspraak met de moeder te maken en ook andere stappen, zoals het vinden van een maatschappelijk werker of andere hulpverlening, blijven uit. Het blijft stil aan de kant van de moeder. De moeder stelt dat zij één kaartje voor [minderjarige] heeft gestuurd, maar de GI heeft niets ontvangen. Zelfs als het ene kaartje wel ontvangen zou zijn, is dit nog steeds maar één kaartje. Wanneer de moeder serieus met het versturen van kaartjes aan de slag zou zijn gegaan, zou er mogelijk een stip op de horizon gegeven kunnen worden. Er zijn sinds april vorig jaar geen gewijzigde omstandigheden. De moeder dient eerst voor langere periode te laten zien dat zij zich begeleidbaar opstelt, kan samenwerken met de voogd en afspraken kan nakomen. Er bestaan zorgen dat als het de moeder niet lukt om de afspraken met de Gl en de rechtbank op te volgen, zij ook niet in staat zal zijn om toekomstige afspraken over het contactherstel na te komen. De focus op het sturen van kaartjes ligt niet op het introduceren van de moeder, maar op het toetsen van haar betrouwbaarheid. Mocht het uiteindelijk tot fysiek contact komen tussen [minderjarige] en de moeder, dan is de door de moeder voorgestelde frequentie niet in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] heeft geen actieve herinneringen aan haar moeder en de voorgestelde frequentie is niet passend voor een ouder op afstand. Hoewel contact met de biologische ouders in de basis in het belang van ieder kind is, zijn hier wel bepaalde randvoorwaarden voor nodig. Daarnaast staat de moeder nog steeds niet open voor persoonlijke hulpverlening en is er geen maatschappelijk werker betrokken die de moeder kan ondersteunen bij het gehele proces van contactherstel. Dit wordt wel noodzakelijk geacht om verder toe te werken naar een vorm van contactherstel.
3.7.
De pleegouders van [minderjarige] hebben blijkens de hiervoor genoemde bijlage bij de brief van de GI te kennen gegeven dat [minderjarige] op dit moment, ondanks haar problematiek, goed in haar vel zit. Ze doet het goed op school, heeft vriendjes en vriendinnetjes en is lief en verzorgend in de omgang met (jongere) kinderen. Ondanks dat [minderjarige] in de afgelopen vier jaar enorm is gegroeid, heeft zij tot de dag van vandaag nog steeds last van hechtingsproblemen en andere problematiek zoals onrustig en kort slapen, moeilijk te troosten te zijn en nauwelijks reageren op de pleegouders. Hoewel de pleegouders open staan voor contact tussen de moeder en [minderjarige] , dient hier zeer zorgvuldig mee om te worden gegaan. Indien aan de voorwaarden zoals voorgelegd door de GI wordt voldaan, zullen de pleegouders niet voor een bezoekregeling gaan liggen. Een zeer geleidelijk proces van introductie waarbij er steeds evaluaties plaatsvinden en [minderjarige] ’s tempo wordt gevolgd, wordt in het belang van [minderjarige] en passend bij haar ontwikkeling geacht.
Het wettelijk kader
3.8.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft het kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat.
Motivering
3.9.
Het hof onderschrijft de overwegingen van de rechtbank die tot de bestreden beschikking hebben geleid en neemt die na eigen onderzoek en waardering over en maakt die tot de zijne. Het hof voegt hier, op grond van de stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep nog naar voren is gebracht, het volgende aan toe.
3.10.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de GI na de bestreden beschikking nog geen enkel kaartje heeft ontvangen voor [minderjarige] . Volgens de raadsman heeft de moeder er wel één gestuurd, eind december 2024. Zij was het volgens de raadsman niet eens met de beslissing van de rechtbank en had dit daarom nog niet eerder gedaan. Het hof heeft gelet op de stukken en op dat wat besproken is tijdens de mondelinge behandeling veel vragen over de motivatie van de moeder en over de situatie waarin zij verkeert. Deze vragen zijn onbeantwoord gebleven. Daar komt bij dat de moeder de GI kennelijk niet informeert over hoe het met haar gaat en waar zij verblijft. Verder is zij zonder verdere berichtgeving, niet op de mondelinge behandeling in hoger beroep verschenen, ook niet nadat het hof haar (op haar verzoek) kort voor aanvang van de mondelinge behandeling nog in de gelegenheid heeft gesteld digitaal deel te nemen omdat zij wegens ziekte niet in staat zou zijn naar het hof te reizen.
Al het voorgaande in aanmerking nemende is het hof van oordeel dat de regeling zoals de rechtbank die heeft bepaald het meest in het belang van [minderjarige] is. Wat van de kant van de moeder is aangevoerd, geeft geen aanleiding om aan het oordeel van de rechtbank te twijfelen. De grieven van de moeder falen.
Afsluitende conclusie
3.11.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg (zittingsplaats Roermond) van 19 april 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is op 14 januari 2025 mondeling gegeven door mrs. E.P de Beij, C.N.M. Antens en F.M.E. Schulmer en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier. Deze beschikking is daarna op schrift gesteld op 28 januari 2025 en ondertekend door mr. E.P. de Beij.
Inleiding
GERECHTSHOF 'S-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 14 januari 2025
Zaaknummer: 200.343.777/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/327907 / FA RK 24-724
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder]
,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. F.R.G. Drenth,
tegen
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).
Het hof merkt als belanghebbenden aan:
Pleegouders van [minderjarige] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
hierna te noemen: de pleegouders.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
vestiging: [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de raad.
In het kort:
In deze zaak verzoekt de moeder een opbouwende omgangsregeling vast te stellen met de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2018.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (zittingsplaats Roermond) van 19 april 2024 uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 juli 2024, heeft de moeder verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de verzochte omgangsregeling en, opnieuw rechtdoende, de volgende regeling vast te stellen:
- Stap 1: moeder stuurt een kaartje met een kort bericht naar [minderjarige] ;
- Stap 2: moeder stuurt een videoberichtje naar [minderjarige] ;
- Stap 3: er is een videobelgesprek tussen moeder en [minderjarige] van 10 minuten;
- Stap 4: er vinden elke twee weken korte fysieke bezoeken tussen moeder en [minderjarige] plaats. Deze bezoeken vinden plaats bij [minderjarige] thuis ofwel in het omgangshuis. Deze bezoeken zullen ongeveer 30 minuten duren;
- Stap 5: na vier bezoeken vindt er een evaluatie plaats waarbij er wordt beoordeeld of er ruimte is voor een ruimere regeling.
Subsidiair verzoekt de moeder de bestreden beschikking te vernietigen en een regeling vast te stellen waarbij na het sturen van een kaartje direct gewerkt wordt naar contactmomenten die het hof juist acht.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 september 2024, heeft de GI verzocht de moeder in het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 januari 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
mr. F.R.G. Drenth namens de moeder;
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
2.3.1.
De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. Op verzoek van haar advocaat is zij op de dag van de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld om digitaal aan de mondelinge behandeling deel te nemen. De moeder is ook online, zonder nadere toelichting, niet verschenen.
2.3.2.
De raad is met bericht van verhindering, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
2.3.3.
De pleegouders van [minderjarige] hebben het hof bericht niet tijdens de mondelinge behandeling te zullen verschijnen. Het hof heeft dit bericht 14 januari 2025, maar na de mondelinge behandeling ontvangen.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
V6-formulier van de advocaat van de moeder van 5 augustus 2024 met als bijlage de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 21 februari 2024;
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 25 maart 2024;
een brief van de GI van 9 januari 2025, met als bijlage een brief van de pleegouders van [minderjarige] .
Feiten
3.1.
[minderjarige] is geboren uit de relatie van de vader en de moeder. De vader heeft [minderjarige] niet erkend en hij heeft ook geen gezag (gehad). Bij beschikking van 4 september 2020 heeft de rechtbank het gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigd en de GI tot voogd benoemd. [minderjarige] woont sinds september 2020 bij de pleegouders. De moeder heeft al enige jaren geen contact meer met [minderjarige] . Zij heeft haar in april 2019 voor het laatst gezien.
3.2.
De moeder heeft in eerste aanleg (samengevat) verzocht een opbouwende omgangsregeling vast te stellen en een informatieregeling aan de GI op te leggen. Bij beschikking van 21 februari 2024 heeft de rechtbank Amsterdam zich onbevoegd verklaard van de onderhavige zaak kennis te nemen en de zaak, in de stand waarin deze zich bevond, naar de rechtbank Limburg verwezen.
3.3.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking, heeft de rechtbank een omgangsregeling vastgesteld, waarbij is bepaald dat de moeder maandelijks een kaartje stuurt naar [minderjarige] via de GI waarbij de moeder zich hierbij aan de volgende voorwaarden houdt:
I. er is iemand van maatschappelijk werk of een vertrouwenspersoon die meekijkt als de moeder het kaartje wil schrijven en sturen;
II. de moeder geeft aan als het kaartje wordt opgestuurd naar het hoofdkantoor van de GI.
Tevens heeft de rechtbank bepaald dat de GI éénmaal per maand de moeder een e-mail stuurt met de meest belangrijke updates over [minderjarige] en de (advocaat van de) moeder en de GI verzocht uiterlijk 1 september 2024 de rechtbank te berichten over de voortgang en al dan niet wenselijke vervolgstappen. Iedere verdere beslissing is aangehouden.
3.4.
De moeder kan zich met deze beslissing, althans voor zover het betreft de omgangsregeling, niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De standpunten
3.5.
De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - samengevat – het volgende aan.
Ten onrechte heeft de rechtbank het contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] op de lange baan geschoven en bepaald dat er zeven maanden lang kaartjes verstuurd dienen te worden. De moeder snapt dat er een kaartje gestuurd moet worden ter introductie, maar het is niet bedoeld om haar betrouwbaarheid te testen. Na het sturen van een kaartje dient het opbouwen van de omgang spoedig te worden opgestart. Met de huidige beschikking is het sturen van een kaartje het enig mogelijke contact en wordt het opstarten van fysiek contact niet gegarandeerd. Het is van belang om de vervolgstappen in de beschikking vast te leggen om zo te voorkomen dat het traject van contactherstel verzandt. Er moet een stip op de horizon zijn. De moeder heeft bij haar andere zoontje ervaren dat perspectief na het sturen van kaartjes ontbrak. Het enkel versturen van kaartjes zorgt voor uitstel, en van uitstel komt afstel. Eind vorig jaar heeft de moeder voor het eerst een kaartje gestuurd. Lange tijd heeft zij dit niet gedaan omdat zij het niet eens was met de beslissing van de rechtbank. Het risico dat het verblijf van [minderjarige] in het pleeggezin overhoop wordt gehaald, wordt door de rechtbank overschat. Hiertoe bestaat namelijk geen aanleiding. [minderjarige] zou er juist mee gediend zijn wanneer er stabiel contact tussen haar en de moeder is. De vrees van de rechtbank komt mogelijk door een te sterke focus op het verleden van de moeder. Dit is echter onterecht aangezien de moeder erg veranderd is. De beschikking van de rechtbank noodzaakt de moeder een maatschappelijk werker of vertrouwenspersoon in te schakelen bij het schrijven van een kaartje. Nu de moeder zelf in staat is kaartjes te schrijven die goed aansluiten bij belevingswereld van [minderjarige] , is een maatschappelijk werker of vertrouwenspersoon onnodig. De moeder heeft bovendien niet de mogelijkheid om een maatschappelijk werker in te schakelen omdat zij niet bij een gemeente ingeschreven staat.
3.6.
De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling,
- samengevat - het volgende aan.De moeder kan, door de afspraken na te komen en aan de gestelde randvoorwaarden te voldoen, zelf invloed hebben op eventuele mogelijkheden tot contactherstel. Zij houdt zich echter aan geen enkele afspraak, terwijl dit wel een eerste voorwaarde voor het contactherstel is. De moeder laat niet zien dat zij zich onvoorwaardelijk in wil zetten voor het contactherstel met [minderjarige] . De moeder informeert de GI niet hoe het met haar gaat en er komen weinig of geen reacties op de mails die de GI haar stuurt. Het lukt niet om een afspraak met de moeder te maken en ook andere stappen, zoals het vinden van een maatschappelijk werker of andere hulpverlening, blijven uit. Het blijft stil aan de kant van de moeder. De moeder stelt dat zij één kaartje voor [minderjarige] heeft gestuurd, maar de GI heeft niets ontvangen. Zelfs als het ene kaartje wel ontvangen zou zijn, is dit nog steeds maar één kaartje. Wanneer de moeder serieus met het versturen van kaartjes aan de slag zou zijn gegaan, zou er mogelijk een stip op de horizon gegeven kunnen worden. Er zijn sinds april vorig jaar geen gewijzigde omstandigheden. De moeder dient eerst voor langere periode te laten zien dat zij zich begeleidbaar opstelt, kan samenwerken met de voogd en afspraken kan nakomen. Er bestaan zorgen dat als het de moeder niet lukt om de afspraken met de Gl en de rechtbank op te volgen, zij ook niet in staat zal zijn om toekomstige afspraken over het contactherstel na te komen. De focus op het sturen van kaartjes ligt niet op het introduceren van de moeder, maar op het toetsen van haar betrouwbaarheid. Mocht het uiteindelijk tot fysiek contact komen tussen [minderjarige] en de moeder, dan is de door de moeder voorgestelde frequentie niet in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] heeft geen actieve herinneringen aan haar moeder en de voorgestelde frequentie is niet passend voor een ouder op afstand. Hoewel contact met de biologische ouders in de basis in het belang van ieder kind is, zijn hier wel bepaalde randvoorwaarden voor nodig. Daarnaast staat de moeder nog steeds niet open voor persoonlijke hulpverlening en is er geen maatschappelijk werker betrokken die de moeder kan ondersteunen bij het gehele proces van contactherstel. Dit wordt wel noodzakelijk geacht om verder toe te werken naar een vorm van contactherstel.
3.7.
De pleegouders van [minderjarige] hebben blijkens de hiervoor genoemde bijlage bij de brief van de GI te kennen gegeven dat [minderjarige] op dit moment, ondanks haar problematiek, goed in haar vel zit. Ze doet het goed op school, heeft vriendjes en vriendinnetjes en is lief en verzorgend in de omgang met (jongere) kinderen. Ondanks dat [minderjarige] in de afgelopen vier jaar enorm is gegroeid, heeft zij tot de dag van vandaag nog steeds last van hechtingsproblemen en andere problematiek zoals onrustig en kort slapen, moeilijk te troosten te zijn en nauwelijks reageren op de pleegouders. Hoewel de pleegouders open staan voor contact tussen de moeder en [minderjarige] , dient hier zeer zorgvuldig mee om te worden gegaan. Indien aan de voorwaarden zoals voorgelegd door de GI wordt voldaan, zullen de pleegouders niet voor een bezoekregeling gaan liggen. Een zeer geleidelijk proces van introductie waarbij er steeds evaluaties plaatsvinden en [minderjarige] ’s tempo wordt gevolgd, wordt in het belang van [minderjarige] en passend bij haar ontwikkeling geacht.
Het wettelijk kader
3.8.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft het kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat.
Motivering
3.9.
Het hof onderschrijft de overwegingen van de rechtbank die tot de bestreden beschikking hebben geleid en neemt die na eigen onderzoek en waardering over en maakt die tot de zijne. Het hof voegt hier, op grond van de stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep nog naar voren is gebracht, het volgende aan toe.
3.10.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de GI na de bestreden beschikking nog geen enkel kaartje heeft ontvangen voor [minderjarige] . Volgens de raadsman heeft de moeder er wel één gestuurd, eind december 2024. Zij was het volgens de raadsman niet eens met de beslissing van de rechtbank en had dit daarom nog niet eerder gedaan. Het hof heeft gelet op de stukken en op dat wat besproken is tijdens de mondelinge behandeling veel vragen over de motivatie van de moeder en over de situatie waarin zij verkeert. Deze vragen zijn onbeantwoord gebleven. Daar komt bij dat de moeder de GI kennelijk niet informeert over hoe het met haar gaat en waar zij verblijft. Verder is zij zonder verdere berichtgeving, niet op de mondelinge behandeling in hoger beroep verschenen, ook niet nadat het hof haar (op haar verzoek) kort voor aanvang van de mondelinge behandeling nog in de gelegenheid heeft gesteld digitaal deel te nemen omdat zij wegens ziekte niet in staat zou zijn naar het hof te reizen.
Al het voorgaande in aanmerking nemende is het hof van oordeel dat de regeling zoals de rechtbank die heeft bepaald het meest in het belang van [minderjarige] is. Wat van de kant van de moeder is aangevoerd, geeft geen aanleiding om aan het oordeel van de rechtbank te twijfelen. De grieven van de moeder falen.
Afsluitende conclusie
3.11.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg (zittingsplaats Roermond) van 19 april 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is op 14 januari 2025 mondeling gegeven door mrs. E.P de Beij, C.N.M. Antens en F.M.E. Schulmer en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier. Deze beschikking is daarna op schrift gesteld op 28 januari 2025 en ondertekend door mr. E.P. de Beij.
Inleiding
GERECHTSHOF 'S-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 14 januari 2025
Zaaknummer: 200.343.777/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/327907 / FA RK 24-724
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder]
,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. F.R.G. Drenth,
tegen
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).
Het hof merkt als belanghebbenden aan:
Pleegouders van [minderjarige] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
hierna te noemen: de pleegouders.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
vestiging: [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de raad.
In het kort:
In deze zaak verzoekt de moeder een opbouwende omgangsregeling vast te stellen met de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2018.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (zittingsplaats Roermond) van 19 april 2024 uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 juli 2024, heeft de moeder verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de verzochte omgangsregeling en, opnieuw rechtdoende, de volgende regeling vast te stellen:
- Stap 1: moeder stuurt een kaartje met een kort bericht naar [minderjarige] ;
- Stap 2: moeder stuurt een videoberichtje naar [minderjarige] ;
- Stap 3: er is een videobelgesprek tussen moeder en [minderjarige] van 10 minuten;
- Stap 4: er vinden elke twee weken korte fysieke bezoeken tussen moeder en [minderjarige] plaats. Deze bezoeken vinden plaats bij [minderjarige] thuis ofwel in het omgangshuis. Deze bezoeken zullen ongeveer 30 minuten duren;
- Stap 5: na vier bezoeken vindt er een evaluatie plaats waarbij er wordt beoordeeld of er ruimte is voor een ruimere regeling.
Subsidiair verzoekt de moeder de bestreden beschikking te vernietigen en een regeling vast te stellen waarbij na het sturen van een kaartje direct gewerkt wordt naar contactmomenten die het hof juist acht.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 september 2024, heeft de GI verzocht de moeder in het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 januari 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
mr. F.R.G. Drenth namens de moeder;
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
2.3.1.
De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. Op verzoek van haar advocaat is zij op de dag van de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld om digitaal aan de mondelinge behandeling deel te nemen. De moeder is ook online, zonder nadere toelichting, niet verschenen.
2.3.2.
De raad is met bericht van verhindering, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
2.3.3.
De pleegouders van [minderjarige] hebben het hof bericht niet tijdens de mondelinge behandeling te zullen verschijnen. Het hof heeft dit bericht 14 januari 2025, maar na de mondelinge behandeling ontvangen.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
V6-formulier van de advocaat van de moeder van 5 augustus 2024 met als bijlage de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 21 februari 2024;
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 25 maart 2024;
een brief van de GI van 9 januari 2025, met als bijlage een brief van de pleegouders van [minderjarige] .
Feiten
3.1.
[minderjarige] is geboren uit de relatie van de vader en de moeder. De vader heeft [minderjarige] niet erkend en hij heeft ook geen gezag (gehad). Bij beschikking van 4 september 2020 heeft de rechtbank het gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigd en de GI tot voogd benoemd. [minderjarige] woont sinds september 2020 bij de pleegouders. De moeder heeft al enige jaren geen contact meer met [minderjarige] . Zij heeft haar in april 2019 voor het laatst gezien.
3.2.
De moeder heeft in eerste aanleg (samengevat) verzocht een opbouwende omgangsregeling vast te stellen en een informatieregeling aan de GI op te leggen. Bij beschikking van 21 februari 2024 heeft de rechtbank Amsterdam zich onbevoegd verklaard van de onderhavige zaak kennis te nemen en de zaak, in de stand waarin deze zich bevond, naar de rechtbank Limburg verwezen.
3.3.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking, heeft de rechtbank een omgangsregeling vastgesteld, waarbij is bepaald dat de moeder maandelijks een kaartje stuurt naar [minderjarige] via de GI waarbij de moeder zich hierbij aan de volgende voorwaarden houdt:
I. er is iemand van maatschappelijk werk of een vertrouwenspersoon die meekijkt als de moeder het kaartje wil schrijven en sturen;
II. de moeder geeft aan als het kaartje wordt opgestuurd naar het hoofdkantoor van de GI.
Tevens heeft de rechtbank bepaald dat de GI éénmaal per maand de moeder een e-mail stuurt met de meest belangrijke updates over [minderjarige] en de (advocaat van de) moeder en de GI verzocht uiterlijk 1 september 2024 de rechtbank te berichten over de voortgang en al dan niet wenselijke vervolgstappen. Iedere verdere beslissing is aangehouden.
3.4.
De moeder kan zich met deze beslissing, althans voor zover het betreft de omgangsregeling, niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De standpunten
3.5.
De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - samengevat – het volgende aan.
Ten onrechte heeft de rechtbank het contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] op de lange baan geschoven en bepaald dat er zeven maanden lang kaartjes verstuurd dienen te worden. De moeder snapt dat er een kaartje gestuurd moet worden ter introductie, maar het is niet bedoeld om haar betrouwbaarheid te testen. Na het sturen van een kaartje dient het opbouwen van de omgang spoedig te worden opgestart. Met de huidige beschikking is het sturen van een kaartje het enig mogelijke contact en wordt het opstarten van fysiek contact niet gegarandeerd. Het is van belang om de vervolgstappen in de beschikking vast te leggen om zo te voorkomen dat het traject van contactherstel verzandt. Er moet een stip op de horizon zijn. De moeder heeft bij haar andere zoontje ervaren dat perspectief na het sturen van kaartjes ontbrak. Het enkel versturen van kaartjes zorgt voor uitstel, en van uitstel komt afstel. Eind vorig jaar heeft de moeder voor het eerst een kaartje gestuurd. Lange tijd heeft zij dit niet gedaan omdat zij het niet eens was met de beslissing van de rechtbank. Het risico dat het verblijf van [minderjarige] in het pleeggezin overhoop wordt gehaald, wordt door de rechtbank overschat. Hiertoe bestaat namelijk geen aanleiding. [minderjarige] zou er juist mee gediend zijn wanneer er stabiel contact tussen haar en de moeder is. De vrees van de rechtbank komt mogelijk door een te sterke focus op het verleden van de moeder. Dit is echter onterecht aangezien de moeder erg veranderd is. De beschikking van de rechtbank noodzaakt de moeder een maatschappelijk werker of vertrouwenspersoon in te schakelen bij het schrijven van een kaartje. Nu de moeder zelf in staat is kaartjes te schrijven die goed aansluiten bij belevingswereld van [minderjarige] , is een maatschappelijk werker of vertrouwenspersoon onnodig. De moeder heeft bovendien niet de mogelijkheid om een maatschappelijk werker in te schakelen omdat zij niet bij een gemeente ingeschreven staat.
3.6.
De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling,
- samengevat - het volgende aan.De moeder kan, door de afspraken na te komen en aan de gestelde randvoorwaarden te voldoen, zelf invloed hebben op eventuele mogelijkheden tot contactherstel. Zij houdt zich echter aan geen enkele afspraak, terwijl dit wel een eerste voorwaarde voor het contactherstel is. De moeder laat niet zien dat zij zich onvoorwaardelijk in wil zetten voor het contactherstel met [minderjarige] . De moeder informeert de GI niet hoe het met haar gaat en er komen weinig of geen reacties op de mails die de GI haar stuurt. Het lukt niet om een afspraak met de moeder te maken en ook andere stappen, zoals het vinden van een maatschappelijk werker of andere hulpverlening, blijven uit. Het blijft stil aan de kant van de moeder. De moeder stelt dat zij één kaartje voor [minderjarige] heeft gestuurd, maar de GI heeft niets ontvangen. Zelfs als het ene kaartje wel ontvangen zou zijn, is dit nog steeds maar één kaartje. Wanneer de moeder serieus met het versturen van kaartjes aan de slag zou zijn gegaan, zou er mogelijk een stip op de horizon gegeven kunnen worden. Er zijn sinds april vorig jaar geen gewijzigde omstandigheden. De moeder dient eerst voor langere periode te laten zien dat zij zich begeleidbaar opstelt, kan samenwerken met de voogd en afspraken kan nakomen. Er bestaan zorgen dat als het de moeder niet lukt om de afspraken met de Gl en de rechtbank op te volgen, zij ook niet in staat zal zijn om toekomstige afspraken over het contactherstel na te komen. De focus op het sturen van kaartjes ligt niet op het introduceren van de moeder, maar op het toetsen van haar betrouwbaarheid. Mocht het uiteindelijk tot fysiek contact komen tussen [minderjarige] en de moeder, dan is de door de moeder voorgestelde frequentie niet in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] heeft geen actieve herinneringen aan haar moeder en de voorgestelde frequentie is niet passend voor een ouder op afstand. Hoewel contact met de biologische ouders in de basis in het belang van ieder kind is, zijn hier wel bepaalde randvoorwaarden voor nodig. Daarnaast staat de moeder nog steeds niet open voor persoonlijke hulpverlening en is er geen maatschappelijk werker betrokken die de moeder kan ondersteunen bij het gehele proces van contactherstel. Dit wordt wel noodzakelijk geacht om verder toe te werken naar een vorm van contactherstel.
3.7.
De pleegouders van [minderjarige] hebben blijkens de hiervoor genoemde bijlage bij de brief van de GI te kennen gegeven dat [minderjarige] op dit moment, ondanks haar problematiek, goed in haar vel zit. Ze doet het goed op school, heeft vriendjes en vriendinnetjes en is lief en verzorgend in de omgang met (jongere) kinderen. Ondanks dat [minderjarige] in de afgelopen vier jaar enorm is gegroeid, heeft zij tot de dag van vandaag nog steeds last van hechtingsproblemen en andere problematiek zoals onrustig en kort slapen, moeilijk te troosten te zijn en nauwelijks reageren op de pleegouders. Hoewel de pleegouders open staan voor contact tussen de moeder en [minderjarige] , dient hier zeer zorgvuldig mee om te worden gegaan. Indien aan de voorwaarden zoals voorgelegd door de GI wordt voldaan, zullen de pleegouders niet voor een bezoekregeling gaan liggen. Een zeer geleidelijk proces van introductie waarbij er steeds evaluaties plaatsvinden en [minderjarige] ’s tempo wordt gevolgd, wordt in het belang van [minderjarige] en passend bij haar ontwikkeling geacht.
Het wettelijk kader
3.8.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft het kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat.
Motivering
3.9.
Het hof onderschrijft de overwegingen van de rechtbank die tot de bestreden beschikking hebben geleid en neemt die na eigen onderzoek en waardering over en maakt die tot de zijne. Het hof voegt hier, op grond van de stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep nog naar voren is gebracht, het volgende aan toe.
3.10.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de GI na de bestreden beschikking nog geen enkel kaartje heeft ontvangen voor [minderjarige] . Volgens de raadsman heeft de moeder er wel één gestuurd, eind december 2024. Zij was het volgens de raadsman niet eens met de beslissing van de rechtbank en had dit daarom nog niet eerder gedaan. Het hof heeft gelet op de stukken en op dat wat besproken is tijdens de mondelinge behandeling veel vragen over de motivatie van de moeder en over de situatie waarin zij verkeert. Deze vragen zijn onbeantwoord gebleven. Daar komt bij dat de moeder de GI kennelijk niet informeert over hoe het met haar gaat en waar zij verblijft. Verder is zij zonder verdere berichtgeving, niet op de mondelinge behandeling in hoger beroep verschenen, ook niet nadat het hof haar (op haar verzoek) kort voor aanvang van de mondelinge behandeling nog in de gelegenheid heeft gesteld digitaal deel te nemen omdat zij wegens ziekte niet in staat zou zijn naar het hof te reizen.
Al het voorgaande in aanmerking nemende is het hof van oordeel dat de regeling zoals de rechtbank die heeft bepaald het meest in het belang van [minderjarige] is. Wat van de kant van de moeder is aangevoerd, geeft geen aanleiding om aan het oordeel van de rechtbank te twijfelen. De grieven van de moeder falen.
Afsluitende conclusie
3.11.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg (zittingsplaats Roermond) van 19 april 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is op 14 januari 2025 mondeling gegeven door mrs. E.P de Beij, C.N.M. Antens en F.M.E. Schulmer en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier. Deze beschikking is daarna op schrift gesteld op 28 januari 2025 en ondertekend door mr. E.P. de Beij.
Inleiding
GERECHTSHOF 'S-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 14 januari 2025
Zaaknummer: 200.343.777/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/327907 / FA RK 24-724
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder]
,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. F.R.G. Drenth,
tegen
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).
Het hof merkt als belanghebbenden aan:
Pleegouders van [minderjarige] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
hierna te noemen: de pleegouders.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
vestiging: [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de raad.
In het kort:
In deze zaak verzoekt de moeder een opbouwende omgangsregeling vast te stellen met de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2018.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (zittingsplaats Roermond) van 19 april 2024 uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 juli 2024, heeft de moeder verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de verzochte omgangsregeling en, opnieuw rechtdoende, de volgende regeling vast te stellen:
- Stap 1: moeder stuurt een kaartje met een kort bericht naar [minderjarige] ;
- Stap 2: moeder stuurt een videoberichtje naar [minderjarige] ;
- Stap 3: er is een videobelgesprek tussen moeder en [minderjarige] van 10 minuten;
- Stap 4: er vinden elke twee weken korte fysieke bezoeken tussen moeder en [minderjarige] plaats. Deze bezoeken vinden plaats bij [minderjarige] thuis ofwel in het omgangshuis. Deze bezoeken zullen ongeveer 30 minuten duren;
- Stap 5: na vier bezoeken vindt er een evaluatie plaats waarbij er wordt beoordeeld of er ruimte is voor een ruimere regeling.
Subsidiair verzoekt de moeder de bestreden beschikking te vernietigen en een regeling vast te stellen waarbij na het sturen van een kaartje direct gewerkt wordt naar contactmomenten die het hof juist acht.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 september 2024, heeft de GI verzocht de moeder in het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 januari 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
mr. F.R.G. Drenth namens de moeder;
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
2.3.1.
De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. Op verzoek van haar advocaat is zij op de dag van de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld om digitaal aan de mondelinge behandeling deel te nemen. De moeder is ook online, zonder nadere toelichting, niet verschenen.
2.3.2.
De raad is met bericht van verhindering, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
2.3.3.
De pleegouders van [minderjarige] hebben het hof bericht niet tijdens de mondelinge behandeling te zullen verschijnen. Het hof heeft dit bericht 14 januari 2025, maar na de mondelinge behandeling ontvangen.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
V6-formulier van de advocaat van de moeder van 5 augustus 2024 met als bijlage de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 21 februari 2024;
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 25 maart 2024;
een brief van de GI van 9 januari 2025, met als bijlage een brief van de pleegouders van [minderjarige] .
Feiten
3.1.
[minderjarige] is geboren uit de relatie van de vader en de moeder. De vader heeft [minderjarige] niet erkend en hij heeft ook geen gezag (gehad). Bij beschikking van 4 september 2020 heeft de rechtbank het gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigd en de GI tot voogd benoemd. [minderjarige] woont sinds september 2020 bij de pleegouders. De moeder heeft al enige jaren geen contact meer met [minderjarige] . Zij heeft haar in april 2019 voor het laatst gezien.
3.2.
De moeder heeft in eerste aanleg (samengevat) verzocht een opbouwende omgangsregeling vast te stellen en een informatieregeling aan de GI op te leggen. Bij beschikking van 21 februari 2024 heeft de rechtbank Amsterdam zich onbevoegd verklaard van de onderhavige zaak kennis te nemen en de zaak, in de stand waarin deze zich bevond, naar de rechtbank Limburg verwezen.
3.3.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking, heeft de rechtbank een omgangsregeling vastgesteld, waarbij is bepaald dat de moeder maandelijks een kaartje stuurt naar [minderjarige] via de GI waarbij de moeder zich hierbij aan de volgende voorwaarden houdt:
I. er is iemand van maatschappelijk werk of een vertrouwenspersoon die meekijkt als de moeder het kaartje wil schrijven en sturen;
II. de moeder geeft aan als het kaartje wordt opgestuurd naar het hoofdkantoor van de GI.
Tevens heeft de rechtbank bepaald dat de GI éénmaal per maand de moeder een e-mail stuurt met de meest belangrijke updates over [minderjarige] en de (advocaat van de) moeder en de GI verzocht uiterlijk 1 september 2024 de rechtbank te berichten over de voortgang en al dan niet wenselijke vervolgstappen. Iedere verdere beslissing is aangehouden.
3.4.
De moeder kan zich met deze beslissing, althans voor zover het betreft de omgangsregeling, niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De standpunten
3.5.
De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - samengevat – het volgende aan.
Ten onrechte heeft de rechtbank het contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] op de lange baan geschoven en bepaald dat er zeven maanden lang kaartjes verstuurd dienen te worden. De moeder snapt dat er een kaartje gestuurd moet worden ter introductie, maar het is niet bedoeld om haar betrouwbaarheid te testen. Na het sturen van een kaartje dient het opbouwen van de omgang spoedig te worden opgestart. Met de huidige beschikking is het sturen van een kaartje het enig mogelijke contact en wordt het opstarten van fysiek contact niet gegarandeerd. Het is van belang om de vervolgstappen in de beschikking vast te leggen om zo te voorkomen dat het traject van contactherstel verzandt. Er moet een stip op de horizon zijn. De moeder heeft bij haar andere zoontje ervaren dat perspectief na het sturen van kaartjes ontbrak. Het enkel versturen van kaartjes zorgt voor uitstel, en van uitstel komt afstel. Eind vorig jaar heeft de moeder voor het eerst een kaartje gestuurd. Lange tijd heeft zij dit niet gedaan omdat zij het niet eens was met de beslissing van de rechtbank. Het risico dat het verblijf van [minderjarige] in het pleeggezin overhoop wordt gehaald, wordt door de rechtbank overschat. Hiertoe bestaat namelijk geen aanleiding. [minderjarige] zou er juist mee gediend zijn wanneer er stabiel contact tussen haar en de moeder is. De vrees van de rechtbank komt mogelijk door een te sterke focus op het verleden van de moeder. Dit is echter onterecht aangezien de moeder erg veranderd is. De beschikking van de rechtbank noodzaakt de moeder een maatschappelijk werker of vertrouwenspersoon in te schakelen bij het schrijven van een kaartje. Nu de moeder zelf in staat is kaartjes te schrijven die goed aansluiten bij belevingswereld van [minderjarige] , is een maatschappelijk werker of vertrouwenspersoon onnodig. De moeder heeft bovendien niet de mogelijkheid om een maatschappelijk werker in te schakelen omdat zij niet bij een gemeente ingeschreven staat.
3.6.
De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling,
- samengevat - het volgende aan.De moeder kan, door de afspraken na te komen en aan de gestelde randvoorwaarden te voldoen, zelf invloed hebben op eventuele mogelijkheden tot contactherstel. Zij houdt zich echter aan geen enkele afspraak, terwijl dit wel een eerste voorwaarde voor het contactherstel is. De moeder laat niet zien dat zij zich onvoorwaardelijk in wil zetten voor het contactherstel met [minderjarige] . De moeder informeert de GI niet hoe het met haar gaat en er komen weinig of geen reacties op de mails die de GI haar stuurt. Het lukt niet om een afspraak met de moeder te maken en ook andere stappen, zoals het vinden van een maatschappelijk werker of andere hulpverlening, blijven uit. Het blijft stil aan de kant van de moeder. De moeder stelt dat zij één kaartje voor [minderjarige] heeft gestuurd, maar de GI heeft niets ontvangen. Zelfs als het ene kaartje wel ontvangen zou zijn, is dit nog steeds maar één kaartje. Wanneer de moeder serieus met het versturen van kaartjes aan de slag zou zijn gegaan, zou er mogelijk een stip op de horizon gegeven kunnen worden. Er zijn sinds april vorig jaar geen gewijzigde omstandigheden. De moeder dient eerst voor langere periode te laten zien dat zij zich begeleidbaar opstelt, kan samenwerken met de voogd en afspraken kan nakomen. Er bestaan zorgen dat als het de moeder niet lukt om de afspraken met de Gl en de rechtbank op te volgen, zij ook niet in staat zal zijn om toekomstige afspraken over het contactherstel na te komen. De focus op het sturen van kaartjes ligt niet op het introduceren van de moeder, maar op het toetsen van haar betrouwbaarheid. Mocht het uiteindelijk tot fysiek contact komen tussen [minderjarige] en de moeder, dan is de door de moeder voorgestelde frequentie niet in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] heeft geen actieve herinneringen aan haar moeder en de voorgestelde frequentie is niet passend voor een ouder op afstand. Hoewel contact met de biologische ouders in de basis in het belang van ieder kind is, zijn hier wel bepaalde randvoorwaarden voor nodig. Daarnaast staat de moeder nog steeds niet open voor persoonlijke hulpverlening en is er geen maatschappelijk werker betrokken die de moeder kan ondersteunen bij het gehele proces van contactherstel. Dit wordt wel noodzakelijk geacht om verder toe te werken naar een vorm van contactherstel.
3.7.
De pleegouders van [minderjarige] hebben blijkens de hiervoor genoemde bijlage bij de brief van de GI te kennen gegeven dat [minderjarige] op dit moment, ondanks haar problematiek, goed in haar vel zit. Ze doet het goed op school, heeft vriendjes en vriendinnetjes en is lief en verzorgend in de omgang met (jongere) kinderen. Ondanks dat [minderjarige] in de afgelopen vier jaar enorm is gegroeid, heeft zij tot de dag van vandaag nog steeds last van hechtingsproblemen en andere problematiek zoals onrustig en kort slapen, moeilijk te troosten te zijn en nauwelijks reageren op de pleegouders. Hoewel de pleegouders open staan voor contact tussen de moeder en [minderjarige] , dient hier zeer zorgvuldig mee om te worden gegaan. Indien aan de voorwaarden zoals voorgelegd door de GI wordt voldaan, zullen de pleegouders niet voor een bezoekregeling gaan liggen. Een zeer geleidelijk proces van introductie waarbij er steeds evaluaties plaatsvinden en [minderjarige] ’s tempo wordt gevolgd, wordt in het belang van [minderjarige] en passend bij haar ontwikkeling geacht.
Het wettelijk kader
3.8.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft het kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat.
Motivering
3.9.
Het hof onderschrijft de overwegingen van de rechtbank die tot de bestreden beschikking hebben geleid en neemt die na eigen onderzoek en waardering over en maakt die tot de zijne. Het hof voegt hier, op grond van de stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep nog naar voren is gebracht, het volgende aan toe.
3.10.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de GI na de bestreden beschikking nog geen enkel kaartje heeft ontvangen voor [minderjarige] . Volgens de raadsman heeft de moeder er wel één gestuurd, eind december 2024. Zij was het volgens de raadsman niet eens met de beslissing van de rechtbank en had dit daarom nog niet eerder gedaan. Het hof heeft gelet op de stukken en op dat wat besproken is tijdens de mondelinge behandeling veel vragen over de motivatie van de moeder en over de situatie waarin zij verkeert. Deze vragen zijn onbeantwoord gebleven. Daar komt bij dat de moeder de GI kennelijk niet informeert over hoe het met haar gaat en waar zij verblijft. Verder is zij zonder verdere berichtgeving, niet op de mondelinge behandeling in hoger beroep verschenen, ook niet nadat het hof haar (op haar verzoek) kort voor aanvang van de mondelinge behandeling nog in de gelegenheid heeft gesteld digitaal deel te nemen omdat zij wegens ziekte niet in staat zou zijn naar het hof te reizen.
Al het voorgaande in aanmerking nemende is het hof van oordeel dat de regeling zoals de rechtbank die heeft bepaald het meest in het belang van [minderjarige] is. Wat van de kant van de moeder is aangevoerd, geeft geen aanleiding om aan het oordeel van de rechtbank te twijfelen. De grieven van de moeder falen.
Afsluitende conclusie
3.11.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg (zittingsplaats Roermond) van 19 april 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is op 14 januari 2025 mondeling gegeven door mrs. E.P de Beij, C.N.M. Antens en F.M.E. Schulmer en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier. Deze beschikking is daarna op schrift gesteld op 28 januari 2025 en ondertekend door mr. E.P. de Beij.
Inleiding
GERECHTSHOF 'S-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 14 januari 2025
Zaaknummer: 200.343.777/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/327907 / FA RK 24-724
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder]
,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. F.R.G. Drenth,
tegen
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).
Het hof merkt als belanghebbenden aan:
Pleegouders van [minderjarige] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
hierna te noemen: de pleegouders.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
vestiging: [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de raad.
In het kort:
In deze zaak verzoekt de moeder een opbouwende omgangsregeling vast te stellen met de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2018.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (zittingsplaats Roermond) van 19 april 2024 uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 juli 2024, heeft de moeder verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de verzochte omgangsregeling en, opnieuw rechtdoende, de volgende regeling vast te stellen:
- Stap 1: moeder stuurt een kaartje met een kort bericht naar [minderjarige] ;
- Stap 2: moeder stuurt een videoberichtje naar [minderjarige] ;
- Stap 3: er is een videobelgesprek tussen moeder en [minderjarige] van 10 minuten;
- Stap 4: er vinden elke twee weken korte fysieke bezoeken tussen moeder en [minderjarige] plaats. Deze bezoeken vinden plaats bij [minderjarige] thuis ofwel in het omgangshuis. Deze bezoeken zullen ongeveer 30 minuten duren;
- Stap 5: na vier bezoeken vindt er een evaluatie plaats waarbij er wordt beoordeeld of er ruimte is voor een ruimere regeling.
Subsidiair verzoekt de moeder de bestreden beschikking te vernietigen en een regeling vast te stellen waarbij na het sturen van een kaartje direct gewerkt wordt naar contactmomenten die het hof juist acht.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 september 2024, heeft de GI verzocht de moeder in het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 januari 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
mr. F.R.G. Drenth namens de moeder;
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
2.3.1.
De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. Op verzoek van haar advocaat is zij op de dag van de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld om digitaal aan de mondelinge behandeling deel te nemen. De moeder is ook online, zonder nadere toelichting, niet verschenen.
2.3.2.
De raad is met bericht van verhindering, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
2.3.3.
De pleegouders van [minderjarige] hebben het hof bericht niet tijdens de mondelinge behandeling te zullen verschijnen. Het hof heeft dit bericht 14 januari 2025, maar na de mondelinge behandeling ontvangen.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
V6-formulier van de advocaat van de moeder van 5 augustus 2024 met als bijlage de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 21 februari 2024;
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 25 maart 2024;
een brief van de GI van 9 januari 2025, met als bijlage een brief van de pleegouders van [minderjarige] .
Feiten
3.1.
[minderjarige] is geboren uit de relatie van de vader en de moeder. De vader heeft [minderjarige] niet erkend en hij heeft ook geen gezag (gehad). Bij beschikking van 4 september 2020 heeft de rechtbank het gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigd en de GI tot voogd benoemd. [minderjarige] woont sinds september 2020 bij de pleegouders. De moeder heeft al enige jaren geen contact meer met [minderjarige] . Zij heeft haar in april 2019 voor het laatst gezien.
3.2.
De moeder heeft in eerste aanleg (samengevat) verzocht een opbouwende omgangsregeling vast te stellen en een informatieregeling aan de GI op te leggen. Bij beschikking van 21 februari 2024 heeft de rechtbank Amsterdam zich onbevoegd verklaard van de onderhavige zaak kennis te nemen en de zaak, in de stand waarin deze zich bevond, naar de rechtbank Limburg verwezen.
3.3.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking, heeft de rechtbank een omgangsregeling vastgesteld, waarbij is bepaald dat de moeder maandelijks een kaartje stuurt naar [minderjarige] via de GI waarbij de moeder zich hierbij aan de volgende voorwaarden houdt:
I. er is iemand van maatschappelijk werk of een vertrouwenspersoon die meekijkt als de moeder het kaartje wil schrijven en sturen;
II. de moeder geeft aan als het kaartje wordt opgestuurd naar het hoofdkantoor van de GI.
Tevens heeft de rechtbank bepaald dat de GI éénmaal per maand de moeder een e-mail stuurt met de meest belangrijke updates over [minderjarige] en de (advocaat van de) moeder en de GI verzocht uiterlijk 1 september 2024 de rechtbank te berichten over de voortgang en al dan niet wenselijke vervolgstappen. Iedere verdere beslissing is aangehouden.
3.4.
De moeder kan zich met deze beslissing, althans voor zover het betreft de omgangsregeling, niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De standpunten
3.5.
De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - samengevat – het volgende aan.
Ten onrechte heeft de rechtbank het contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] op de lange baan geschoven en bepaald dat er zeven maanden lang kaartjes verstuurd dienen te worden. De moeder snapt dat er een kaartje gestuurd moet worden ter introductie, maar het is niet bedoeld om haar betrouwbaarheid te testen. Na het sturen van een kaartje dient het opbouwen van de omgang spoedig te worden opgestart. Met de huidige beschikking is het sturen van een kaartje het enig mogelijke contact en wordt het opstarten van fysiek contact niet gegarandeerd. Het is van belang om de vervolgstappen in de beschikking vast te leggen om zo te voorkomen dat het traject van contactherstel verzandt. Er moet een stip op de horizon zijn. De moeder heeft bij haar andere zoontje ervaren dat perspectief na het sturen van kaartjes ontbrak. Het enkel versturen van kaartjes zorgt voor uitstel, en van uitstel komt afstel. Eind vorig jaar heeft de moeder voor het eerst een kaartje gestuurd. Lange tijd heeft zij dit niet gedaan omdat zij het niet eens was met de beslissing van de rechtbank. Het risico dat het verblijf van [minderjarige] in het pleeggezin overhoop wordt gehaald, wordt door de rechtbank overschat. Hiertoe bestaat namelijk geen aanleiding. [minderjarige] zou er juist mee gediend zijn wanneer er stabiel contact tussen haar en de moeder is. De vrees van de rechtbank komt mogelijk door een te sterke focus op het verleden van de moeder. Dit is echter onterecht aangezien de moeder erg veranderd is. De beschikking van de rechtbank noodzaakt de moeder een maatschappelijk werker of vertrouwenspersoon in te schakelen bij het schrijven van een kaartje. Nu de moeder zelf in staat is kaartjes te schrijven die goed aansluiten bij belevingswereld van [minderjarige] , is een maatschappelijk werker of vertrouwenspersoon onnodig. De moeder heeft bovendien niet de mogelijkheid om een maatschappelijk werker in te schakelen omdat zij niet bij een gemeente ingeschreven staat.
3.6.
De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling,
- samengevat - het volgende aan.De moeder kan, door de afspraken na te komen en aan de gestelde randvoorwaarden te voldoen, zelf invloed hebben op eventuele mogelijkheden tot contactherstel. Zij houdt zich echter aan geen enkele afspraak, terwijl dit wel een eerste voorwaarde voor het contactherstel is. De moeder laat niet zien dat zij zich onvoorwaardelijk in wil zetten voor het contactherstel met [minderjarige] . De moeder informeert de GI niet hoe het met haar gaat en er komen weinig of geen reacties op de mails die de GI haar stuurt. Het lukt niet om een afspraak met de moeder te maken en ook andere stappen, zoals het vinden van een maatschappelijk werker of andere hulpverlening, blijven uit. Het blijft stil aan de kant van de moeder. De moeder stelt dat zij één kaartje voor [minderjarige] heeft gestuurd, maar de GI heeft niets ontvangen. Zelfs als het ene kaartje wel ontvangen zou zijn, is dit nog steeds maar één kaartje. Wanneer de moeder serieus met het versturen van kaartjes aan de slag zou zijn gegaan, zou er mogelijk een stip op de horizon gegeven kunnen worden. Er zijn sinds april vorig jaar geen gewijzigde omstandigheden. De moeder dient eerst voor langere periode te laten zien dat zij zich begeleidbaar opstelt, kan samenwerken met de voogd en afspraken kan nakomen. Er bestaan zorgen dat als het de moeder niet lukt om de afspraken met de Gl en de rechtbank op te volgen, zij ook niet in staat zal zijn om toekomstige afspraken over het contactherstel na te komen. De focus op het sturen van kaartjes ligt niet op het introduceren van de moeder, maar op het toetsen van haar betrouwbaarheid. Mocht het uiteindelijk tot fysiek contact komen tussen [minderjarige] en de moeder, dan is de door de moeder voorgestelde frequentie niet in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] heeft geen actieve herinneringen aan haar moeder en de voorgestelde frequentie is niet passend voor een ouder op afstand. Hoewel contact met de biologische ouders in de basis in het belang van ieder kind is, zijn hier wel bepaalde randvoorwaarden voor nodig. Daarnaast staat de moeder nog steeds niet open voor persoonlijke hulpverlening en is er geen maatschappelijk werker betrokken die de moeder kan ondersteunen bij het gehele proces van contactherstel. Dit wordt wel noodzakelijk geacht om verder toe te werken naar een vorm van contactherstel.
3.7.
De pleegouders van [minderjarige] hebben blijkens de hiervoor genoemde bijlage bij de brief van de GI te kennen gegeven dat [minderjarige] op dit moment, ondanks haar problematiek, goed in haar vel zit. Ze doet het goed op school, heeft vriendjes en vriendinnetjes en is lief en verzorgend in de omgang met (jongere) kinderen. Ondanks dat [minderjarige] in de afgelopen vier jaar enorm is gegroeid, heeft zij tot de dag van vandaag nog steeds last van hechtingsproblemen en andere problematiek zoals onrustig en kort slapen, moeilijk te troosten te zijn en nauwelijks reageren op de pleegouders. Hoewel de pleegouders open staan voor contact tussen de moeder en [minderjarige] , dient hier zeer zorgvuldig mee om te worden gegaan. Indien aan de voorwaarden zoals voorgelegd door de GI wordt voldaan, zullen de pleegouders niet voor een bezoekregeling gaan liggen. Een zeer geleidelijk proces van introductie waarbij er steeds evaluaties plaatsvinden en [minderjarige] ’s tempo wordt gevolgd, wordt in het belang van [minderjarige] en passend bij haar ontwikkeling geacht.
Het wettelijk kader
3.8.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft het kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat.
Motivering
3.9.
Het hof onderschrijft de overwegingen van de rechtbank die tot de bestreden beschikking hebben geleid en neemt die na eigen onderzoek en waardering over en maakt die tot de zijne. Het hof voegt hier, op grond van de stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep nog naar voren is gebracht, het volgende aan toe.
3.10.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de GI na de bestreden beschikking nog geen enkel kaartje heeft ontvangen voor [minderjarige] . Volgens de raadsman heeft de moeder er wel één gestuurd, eind december 2024. Zij was het volgens de raadsman niet eens met de beslissing van de rechtbank en had dit daarom nog niet eerder gedaan. Het hof heeft gelet op de stukken en op dat wat besproken is tijdens de mondelinge behandeling veel vragen over de motivatie van de moeder en over de situatie waarin zij verkeert. Deze vragen zijn onbeantwoord gebleven. Daar komt bij dat de moeder de GI kennelijk niet informeert over hoe het met haar gaat en waar zij verblijft. Verder is zij zonder verdere berichtgeving, niet op de mondelinge behandeling in hoger beroep verschenen, ook niet nadat het hof haar (op haar verzoek) kort voor aanvang van de mondelinge behandeling nog in de gelegenheid heeft gesteld digitaal deel te nemen omdat zij wegens ziekte niet in staat zou zijn naar het hof te reizen.
Al het voorgaande in aanmerking nemende is het hof van oordeel dat de regeling zoals de rechtbank die heeft bepaald het meest in het belang van [minderjarige] is. Wat van de kant van de moeder is aangevoerd, geeft geen aanleiding om aan het oordeel van de rechtbank te twijfelen. De grieven van de moeder falen.
Afsluitende conclusie
3.11.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg (zittingsplaats Roermond) van 19 april 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is op 14 januari 2025 mondeling gegeven door mrs. E.P de Beij, C.N.M. Antens en F.M.E. Schulmer en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier. Deze beschikking is daarna op schrift gesteld op 28 januari 2025 en ondertekend door mr. E.P. de Beij.
Inleiding
GERECHTSHOF 'S-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 14 januari 2025
Zaaknummer: 200.343.777/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/327907 / FA RK 24-724
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder]
,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. F.R.G. Drenth,
tegen
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).
Het hof merkt als belanghebbenden aan:
Pleegouders van [minderjarige] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
hierna te noemen: de pleegouders.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
vestiging: [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de raad.
In het kort:
In deze zaak verzoekt de moeder een opbouwende omgangsregeling vast te stellen met de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2018.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (zittingsplaats Roermond) van 19 april 2024 uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 juli 2024, heeft de moeder verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de verzochte omgangsregeling en, opnieuw rechtdoende, de volgende regeling vast te stellen:
- Stap 1: moeder stuurt een kaartje met een kort bericht naar [minderjarige] ;
- Stap 2: moeder stuurt een videoberichtje naar [minderjarige] ;
- Stap 3: er is een videobelgesprek tussen moeder en [minderjarige] van 10 minuten;
- Stap 4: er vinden elke twee weken korte fysieke bezoeken tussen moeder en [minderjarige] plaats. Deze bezoeken vinden plaats bij [minderjarige] thuis ofwel in het omgangshuis. Deze bezoeken zullen ongeveer 30 minuten duren;
- Stap 5: na vier bezoeken vindt er een evaluatie plaats waarbij er wordt beoordeeld of er ruimte is voor een ruimere regeling.
Subsidiair verzoekt de moeder de bestreden beschikking te vernietigen en een regeling vast te stellen waarbij na het sturen van een kaartje direct gewerkt wordt naar contactmomenten die het hof juist acht.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 september 2024, heeft de GI verzocht de moeder in het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 januari 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
mr. F.R.G. Drenth namens de moeder;
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
2.3.1.
De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. Op verzoek van haar advocaat is zij op de dag van de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld om digitaal aan de mondelinge behandeling deel te nemen. De moeder is ook online, zonder nadere toelichting, niet verschenen.
2.3.2.
De raad is met bericht van verhindering, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
2.3.3.
De pleegouders van [minderjarige] hebben het hof bericht niet tijdens de mondelinge behandeling te zullen verschijnen. Het hof heeft dit bericht 14 januari 2025, maar na de mondelinge behandeling ontvangen.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
V6-formulier van de advocaat van de moeder van 5 augustus 2024 met als bijlage de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 21 februari 2024;
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 25 maart 2024;
een brief van de GI van 9 januari 2025, met als bijlage een brief van de pleegouders van [minderjarige] .
Feiten
3.1.
[minderjarige] is geboren uit de relatie van de vader en de moeder. De vader heeft [minderjarige] niet erkend en hij heeft ook geen gezag (gehad). Bij beschikking van 4 september 2020 heeft de rechtbank het gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigd en de GI tot voogd benoemd. [minderjarige] woont sinds september 2020 bij de pleegouders. De moeder heeft al enige jaren geen contact meer met [minderjarige] . Zij heeft haar in april 2019 voor het laatst gezien.
3.2.
De moeder heeft in eerste aanleg (samengevat) verzocht een opbouwende omgangsregeling vast te stellen en een informatieregeling aan de GI op te leggen. Bij beschikking van 21 februari 2024 heeft de rechtbank Amsterdam zich onbevoegd verklaard van de onderhavige zaak kennis te nemen en de zaak, in de stand waarin deze zich bevond, naar de rechtbank Limburg verwezen.
3.3.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking, heeft de rechtbank een omgangsregeling vastgesteld, waarbij is bepaald dat de moeder maandelijks een kaartje stuurt naar [minderjarige] via de GI waarbij de moeder zich hierbij aan de volgende voorwaarden houdt:
I. er is iemand van maatschappelijk werk of een vertrouwenspersoon die meekijkt als de moeder het kaartje wil schrijven en sturen;
II. de moeder geeft aan als het kaartje wordt opgestuurd naar het hoofdkantoor van de GI.
Tevens heeft de rechtbank bepaald dat de GI éénmaal per maand de moeder een e-mail stuurt met de meest belangrijke updates over [minderjarige] en de (advocaat van de) moeder en de GI verzocht uiterlijk 1 september 2024 de rechtbank te berichten over de voortgang en al dan niet wenselijke vervolgstappen. Iedere verdere beslissing is aangehouden.
3.4.
De moeder kan zich met deze beslissing, althans voor zover het betreft de omgangsregeling, niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De standpunten
3.5.
De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - samengevat – het volgende aan.
Ten onrechte heeft de rechtbank het contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] op de lange baan geschoven en bepaald dat er zeven maanden lang kaartjes verstuurd dienen te worden. De moeder snapt dat er een kaartje gestuurd moet worden ter introductie, maar het is niet bedoeld om haar betrouwbaarheid te testen. Na het sturen van een kaartje dient het opbouwen van de omgang spoedig te worden opgestart. Met de huidige beschikking is het sturen van een kaartje het enig mogelijke contact en wordt het opstarten van fysiek contact niet gegarandeerd. Het is van belang om de vervolgstappen in de beschikking vast te leggen om zo te voorkomen dat het traject van contactherstel verzandt. Er moet een stip op de horizon zijn. De moeder heeft bij haar andere zoontje ervaren dat perspectief na het sturen van kaartjes ontbrak. Het enkel versturen van kaartjes zorgt voor uitstel, en van uitstel komt afstel. Eind vorig jaar heeft de moeder voor het eerst een kaartje gestuurd. Lange tijd heeft zij dit niet gedaan omdat zij het niet eens was met de beslissing van de rechtbank. Het risico dat het verblijf van [minderjarige] in het pleeggezin overhoop wordt gehaald, wordt door de rechtbank overschat. Hiertoe bestaat namelijk geen aanleiding. [minderjarige] zou er juist mee gediend zijn wanneer er stabiel contact tussen haar en de moeder is. De vrees van de rechtbank komt mogelijk door een te sterke focus op het verleden van de moeder. Dit is echter onterecht aangezien de moeder erg veranderd is. De beschikking van de rechtbank noodzaakt de moeder een maatschappelijk werker of vertrouwenspersoon in te schakelen bij het schrijven van een kaartje. Nu de moeder zelf in staat is kaartjes te schrijven die goed aansluiten bij belevingswereld van [minderjarige] , is een maatschappelijk werker of vertrouwenspersoon onnodig. De moeder heeft bovendien niet de mogelijkheid om een maatschappelijk werker in te schakelen omdat zij niet bij een gemeente ingeschreven staat.
3.6.
De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling,
- samengevat - het volgende aan.De moeder kan, door de afspraken na te komen en aan de gestelde randvoorwaarden te voldoen, zelf invloed hebben op eventuele mogelijkheden tot contactherstel. Zij houdt zich echter aan geen enkele afspraak, terwijl dit wel een eerste voorwaarde voor het contactherstel is. De moeder laat niet zien dat zij zich onvoorwaardelijk in wil zetten voor het contactherstel met [minderjarige] . De moeder informeert de GI niet hoe het met haar gaat en er komen weinig of geen reacties op de mails die de GI haar stuurt. Het lukt niet om een afspraak met de moeder te maken en ook andere stappen, zoals het vinden van een maatschappelijk werker of andere hulpverlening, blijven uit. Het blijft stil aan de kant van de moeder. De moeder stelt dat zij één kaartje voor [minderjarige] heeft gestuurd, maar de GI heeft niets ontvangen. Zelfs als het ene kaartje wel ontvangen zou zijn, is dit nog steeds maar één kaartje. Wanneer de moeder serieus met het versturen van kaartjes aan de slag zou zijn gegaan, zou er mogelijk een stip op de horizon gegeven kunnen worden. Er zijn sinds april vorig jaar geen gewijzigde omstandigheden. De moeder dient eerst voor langere periode te laten zien dat zij zich begeleidbaar opstelt, kan samenwerken met de voogd en afspraken kan nakomen. Er bestaan zorgen dat als het de moeder niet lukt om de afspraken met de Gl en de rechtbank op te volgen, zij ook niet in staat zal zijn om toekomstige afspraken over het contactherstel na te komen. De focus op het sturen van kaartjes ligt niet op het introduceren van de moeder, maar op het toetsen van haar betrouwbaarheid. Mocht het uiteindelijk tot fysiek contact komen tussen [minderjarige] en de moeder, dan is de door de moeder voorgestelde frequentie niet in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] heeft geen actieve herinneringen aan haar moeder en de voorgestelde frequentie is niet passend voor een ouder op afstand. Hoewel contact met de biologische ouders in de basis in het belang van ieder kind is, zijn hier wel bepaalde randvoorwaarden voor nodig. Daarnaast staat de moeder nog steeds niet open voor persoonlijke hulpverlening en is er geen maatschappelijk werker betrokken die de moeder kan ondersteunen bij het gehele proces van contactherstel. Dit wordt wel noodzakelijk geacht om verder toe te werken naar een vorm van contactherstel.
3.7.
De pleegouders van [minderjarige] hebben blijkens de hiervoor genoemde bijlage bij de brief van de GI te kennen gegeven dat [minderjarige] op dit moment, ondanks haar problematiek, goed in haar vel zit. Ze doet het goed op school, heeft vriendjes en vriendinnetjes en is lief en verzorgend in de omgang met (jongere) kinderen. Ondanks dat [minderjarige] in de afgelopen vier jaar enorm is gegroeid, heeft zij tot de dag van vandaag nog steeds last van hechtingsproblemen en andere problematiek zoals onrustig en kort slapen, moeilijk te troosten te zijn en nauwelijks reageren op de pleegouders. Hoewel de pleegouders open staan voor contact tussen de moeder en [minderjarige] , dient hier zeer zorgvuldig mee om te worden gegaan. Indien aan de voorwaarden zoals voorgelegd door de GI wordt voldaan, zullen de pleegouders niet voor een bezoekregeling gaan liggen. Een zeer geleidelijk proces van introductie waarbij er steeds evaluaties plaatsvinden en [minderjarige] ’s tempo wordt gevolgd, wordt in het belang van [minderjarige] en passend bij haar ontwikkeling geacht.
Het wettelijk kader
3.8.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft het kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat.
Motivering
3.9.
Het hof onderschrijft de overwegingen van de rechtbank die tot de bestreden beschikking hebben geleid en neemt die na eigen onderzoek en waardering over en maakt die tot de zijne. Het hof voegt hier, op grond van de stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep nog naar voren is gebracht, het volgende aan toe.
3.10.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de GI na de bestreden beschikking nog geen enkel kaartje heeft ontvangen voor [minderjarige] . Volgens de raadsman heeft de moeder er wel één gestuurd, eind december 2024. Zij was het volgens de raadsman niet eens met de beslissing van de rechtbank en had dit daarom nog niet eerder gedaan. Het hof heeft gelet op de stukken en op dat wat besproken is tijdens de mondelinge behandeling veel vragen over de motivatie van de moeder en over de situatie waarin zij verkeert. Deze vragen zijn onbeantwoord gebleven. Daar komt bij dat de moeder de GI kennelijk niet informeert over hoe het met haar gaat en waar zij verblijft. Verder is zij zonder verdere berichtgeving, niet op de mondelinge behandeling in hoger beroep verschenen, ook niet nadat het hof haar (op haar verzoek) kort voor aanvang van de mondelinge behandeling nog in de gelegenheid heeft gesteld digitaal deel te nemen omdat zij wegens ziekte niet in staat zou zijn naar het hof te reizen.
Al het voorgaande in aanmerking nemende is het hof van oordeel dat de regeling zoals de rechtbank die heeft bepaald het meest in het belang van [minderjarige] is. Wat van de kant van de moeder is aangevoerd, geeft geen aanleiding om aan het oordeel van de rechtbank te twijfelen. De grieven van de moeder falen.
Afsluitende conclusie
3.11.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg (zittingsplaats Roermond) van 19 april 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is op 14 januari 2025 mondeling gegeven door mrs. E.P de Beij, C.N.M. Antens en F.M.E. Schulmer en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier. Deze beschikking is daarna op schrift gesteld op 28 januari 2025 en ondertekend door mr. E.P. de Beij.