Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-08-08
ECLI:NL:GHSHE:2025:2223
Strafrecht
Hoger beroep
20,970 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-000239-25
Uitspraak : 8 augustus 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 13 januari 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-293655-24, tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘witwassen’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken, met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft de politierechter een beslissing genomen op het beslag.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, en opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken.
Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven, geldbedrag verbeurd zal verklaren.
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit.
Ten aanzien van het beslag heeft de raadsman bepleit dat het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven, geldbedrag geretourneerd dient te worden aan de verdachte.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat de politierechter heeft volstaan met een aantekening mondeling vonnis, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 13 september 2024 te Gronsveld, gemeente Eijsden-Margraten, althans in Nederland, (van) een geldbedrag van € 20.990,00, in elk geval enig geldbedrag, althans een of meer voorwerpen de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, en/of heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten en/of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 13 september 2024 te Gronsveld, gemeente Eijsden-Margraten, een geldbedrag van € 20.990,00 voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij/zij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
In het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Dictum
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte een voldoende concrete, verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van zijn geld. Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad is het volgens de verdediging niet aan de verdachte om aannemelijk te maken dat het geld niet van een misdrijf afkomstig is. Het Openbaar Ministerie moet aannemelijk maken dat het niet anders kan zijn dan dat het geld afkomstig is uit (een) misdrij(f)ven, dan wel is het aan het Openbaar Ministerie om de door de verdachte gegeven verklaring te verifiëren. Nu het Openbaar Ministier dit onvoldoende heeft gedaan, is de verdediging van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem is tenlastegelegd.
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof met betrekking tot het tenlastegelegde het volgende af.
Voor een veroordeling ter zake van witwassen is vereist dat voldoende komt vast te staan dat het desbetreffende voorwerp – in dit geval een geldbedrag van € 20.990,00 – afkomstig is uit enig misdrijf. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen de herkomst van het geldbedrag en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat dit geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat dit bedrag uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het Openbaar Ministerie om daarvan bewijs aan te dragen waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. Als de vastgestelde feiten en omstandigheden het vermoeden van witwassen rechtvaardigen, mag in beginsel van de verdachte worden verlangd dat hij een voldoende concrete, verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het geldbedrag.
Het hof ziet zich aldus in de eerste plaats voor de vraag gesteld of voornoemd geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is. Een vraag die in dat kader beantwoord moet worden is of er sprake is van een specifiek gronddelict waaruit de gelden afkomstig zouden kunnen zijn. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend.
Er zijn naar het oordeel van het hof evenwel voldoende aanwijzingen die een vermoeden van witwassen rechtvaardigen. Het hof heeft hierbij in acht genomen dat de verdachte in een auto reed met Duits exportkenteken en dat de verbalisanten, na doorzoeking van de auto, een zwarte rugzak aantroffen op de achterbank, achter de bestuurdersstoel. Toen de verbalisanten in de rugzak keken, zagen zij eerst kledingstukken. Toen zij deze kledingstukken verwijderden, zagen zij onder de kleding verschillende pakketten van ongeveer 10 centimeter dik. De pakketten waren ingewikkeld in plastic. In totaal troffen de verbalisanten drie pakketten aan waarvan twee pakketten in plastic gewikkeld papiergeld in euro’s bevatten en één pakket bevatte in plastic gewikkeld kleingeld. Het totaalbedrag aan papiergeld betrof € 20.990,00 in kleine coupures.
Gezien deze omstandigheden mag van de verdachte een verklaring worden verlangd over de herkomst van het geldbedrag. De verdachte heeft bij een eerste gelegenheid verklaard dat hij het geldbedrag in Oostenrijk had gekregen van een onbekend persoon, dat hij in Oostenrijk op de trein is gestapt richting Luxemburg, dat hij niet weet hoeveel geld het was, dat hij de bestuurder [betrokkene 1] heeft ontmoet in Luxemburg en dat zij hadden afgesproken om naar Amsterdam te gaan. De verdachte kon niet vertellen hoelang hij [betrokkene 1] al kende. Verder verklaarde de verdachte dat het geld niet van hem was maar van ene [betrokkene 2] , dat deze [betrokkene 2] in Amsterdam het geld zou overnemen en dat hij met het geld goederen ging kopen om deze naar Nigeria te sturen. De verdachte had geen bewijsstukken met betrekking tot de herkomst van het geld.
Bij gelegenheid van een later verhoor verklaarde de verdachte dat hij geen inkomsten had, dat hij schulden heeft, dat zijn bankrekening is geblokkeerd, dat het aangetroffen geld afkomstig is van twee verschillende banken, dat er leningen op zijn naam zijn afgesloten en dat het geld van hem is. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij onderweg was naar Amsterdam om een vlooienmarkt te bezoeken en dat hij auto-onderdelen wilde exporteren naar Nigeria.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat het geld van hem is, dat het geld afkomstig is van een belastingteruggave en twee leningen van de bank. Daartoe heeft de verdachte pas voor het eerst in hoger beroep stukken overgelegd. Het hof stelt op basis van deze stukken echter vast dat de verdachte de belastingteruggave reeds lange tijd geleden, te weten in 2019, heeft ontvangen en dat uit de stukken van de bank enkel blijkt dat de verdachte een schuld heeft aan de bank. De verdachte heeft geen enkel inzicht gegeven in zijn inkomsten en uitgaven, noch hoe de verdachte jaren later het tenlastegelegde geldbedrag contant voorhanden heeft gekregen. Enige stukken ter onderbouwing, zoals pintransacties, ontbreken..
Daar komt bij dat de verdachte eerste een geheel andersluidende verklaring tegen de politie heeft afgelegd inhoudende dat het geld niet van hem was, maar dat hij dit geld had gekregen van een onbekende persoon. Wanneer sprake was van legaal geld van de verdachte zelf is het volstrekt onbegrijpelijk dat verdachte in eerste instantie tegenover de politie heeft verklaard dat het geld niet van hem was en hij dit geld – in opdracht – naar een andere persoon in Amsterdam zou moeten brengen.
Daar komt nog bij dat de verdachte van de politie na zijn verhoor een ‘witwasbrief’ heeft meekregen waarin staat dat de verdachte die dag (13 september 2024) is heengezonden om hem, de verdachte, in de gelegenheid te stellen zijn verklaring te onderbouwen met bescheiden, opdat de politie zijn verklaring kon verifiëren. De verdachte heeft van die gelegenheid al die tijd geen gebruik gemaakt, hetgeen de verdachte niet sterkt in zijn geloofwaardigheid.
Gelet op al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de verdachte er niet in is geslaagd een voldoende concrete, verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven over de herkomst van het geldbedrag van € 20.990,00. Dit leidt het hof tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat dit geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.
Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder feit 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
witwassen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet in zoverre opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) weken;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een geldbedrag van € 400,00, een geldbedrag van € 2.100,00, een geldbedrag van € 9.350,00, een geldbedrag van € 6.500,00, een geldbedrag van € 1.660,00, een geldbedrag van € 290,00 en een geldbedrag van € 690,00.
Dit arrest is gewezen door:
mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
mr. A.M.G. Smit en mr. Y. van Setten, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. H. Smits, griffier,
en op 8 augustus 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Parketnummer : 20-000239-25
Uitspraak : 8 augustus 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 13 januari 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-293655-24, tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘witwassen’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken, met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft de politierechter een beslissing genomen op het beslag.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, en opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken.
Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven, geldbedrag verbeurd zal verklaren.
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit.
Ten aanzien van het beslag heeft de raadsman bepleit dat het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven, geldbedrag geretourneerd dient te worden aan de verdachte.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat de politierechter heeft volstaan met een aantekening mondeling vonnis, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 13 september 2024 te Gronsveld, gemeente Eijsden-Margraten, althans in Nederland, (van) een geldbedrag van € 20.990,00, in elk geval enig geldbedrag, althans een of meer voorwerpen de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, en/of heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten en/of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 13 september 2024 te Gronsveld, gemeente Eijsden-Margraten, een geldbedrag van € 20.990,00 voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij/zij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
In het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Dictum
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte een voldoende concrete, verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van zijn geld. Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad is het volgens de verdediging niet aan de verdachte om aannemelijk te maken dat het geld niet van een misdrijf afkomstig is. Het Openbaar Ministerie moet aannemelijk maken dat het niet anders kan zijn dan dat het geld afkomstig is uit (een) misdrij(f)ven, dan wel is het aan het Openbaar Ministerie om de door de verdachte gegeven verklaring te verifiëren. Nu het Openbaar Ministier dit onvoldoende heeft gedaan, is de verdediging van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem is tenlastegelegd.
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof met betrekking tot het tenlastegelegde het volgende af.
Voor een veroordeling ter zake van witwassen is vereist dat voldoende komt vast te staan dat het desbetreffende voorwerp – in dit geval een geldbedrag van € 20.990,00 – afkomstig is uit enig misdrijf. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen de herkomst van het geldbedrag en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat dit geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat dit bedrag uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het Openbaar Ministerie om daarvan bewijs aan te dragen waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. Als de vastgestelde feiten en omstandigheden het vermoeden van witwassen rechtvaardigen, mag in beginsel van de verdachte worden verlangd dat hij een voldoende concrete, verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het geldbedrag.
Het hof ziet zich aldus in de eerste plaats voor de vraag gesteld of voornoemd geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is. Een vraag die in dat kader beantwoord moet worden is of er sprake is van een specifiek gronddelict waaruit de gelden afkomstig zouden kunnen zijn. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend.
Er zijn naar het oordeel van het hof evenwel voldoende aanwijzingen die een vermoeden van witwassen rechtvaardigen. Het hof heeft hierbij in acht genomen dat de verdachte in een auto reed met Duits exportkenteken en dat de verbalisanten, na doorzoeking van de auto, een zwarte rugzak aantroffen op de achterbank, achter de bestuurdersstoel. Toen de verbalisanten in de rugzak keken, zagen zij eerst kledingstukken. Toen zij deze kledingstukken verwijderden, zagen zij onder de kleding verschillende pakketten van ongeveer 10 centimeter dik. De pakketten waren ingewikkeld in plastic. In totaal troffen de verbalisanten drie pakketten aan waarvan twee pakketten in plastic gewikkeld papiergeld in euro’s bevatten en één pakket bevatte in plastic gewikkeld kleingeld. Het totaalbedrag aan papiergeld betrof € 20.990,00 in kleine coupures.
Gezien deze omstandigheden mag van de verdachte een verklaring worden verlangd over de herkomst van het geldbedrag. De verdachte heeft bij een eerste gelegenheid verklaard dat hij het geldbedrag in Oostenrijk had gekregen van een onbekend persoon, dat hij in Oostenrijk op de trein is gestapt richting Luxemburg, dat hij niet weet hoeveel geld het was, dat hij de bestuurder [betrokkene 1] heeft ontmoet in Luxemburg en dat zij hadden afgesproken om naar Amsterdam te gaan. De verdachte kon niet vertellen hoelang hij [betrokkene 1] al kende. Verder verklaarde de verdachte dat het geld niet van hem was maar van ene [betrokkene 2] , dat deze [betrokkene 2] in Amsterdam het geld zou overnemen en dat hij met het geld goederen ging kopen om deze naar Nigeria te sturen. De verdachte had geen bewijsstukken met betrekking tot de herkomst van het geld.
Bij gelegenheid van een later verhoor verklaarde de verdachte dat hij geen inkomsten had, dat hij schulden heeft, dat zijn bankrekening is geblokkeerd, dat het aangetroffen geld afkomstig is van twee verschillende banken, dat er leningen op zijn naam zijn afgesloten en dat het geld van hem is. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij onderweg was naar Amsterdam om een vlooienmarkt te bezoeken en dat hij auto-onderdelen wilde exporteren naar Nigeria.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat het geld van hem is, dat het geld afkomstig is van een belastingteruggave en twee leningen van de bank. Daartoe heeft de verdachte pas voor het eerst in hoger beroep stukken overgelegd. Het hof stelt op basis van deze stukken echter vast dat de verdachte de belastingteruggave reeds lange tijd geleden, te weten in 2019, heeft ontvangen en dat uit de stukken van de bank enkel blijkt dat de verdachte een schuld heeft aan de bank. De verdachte heeft geen enkel inzicht gegeven in zijn inkomsten en uitgaven, noch hoe de verdachte jaren later het tenlastegelegde geldbedrag contant voorhanden heeft gekregen. Enige stukken ter onderbouwing, zoals pintransacties, ontbreken..
Daar komt bij dat de verdachte eerste een geheel andersluidende verklaring tegen de politie heeft afgelegd inhoudende dat het geld niet van hem was, maar dat hij dit geld had gekregen van een onbekende persoon. Wanneer sprake was van legaal geld van de verdachte zelf is het volstrekt onbegrijpelijk dat verdachte in eerste instantie tegenover de politie heeft verklaard dat het geld niet van hem was en hij dit geld – in opdracht – naar een andere persoon in Amsterdam zou moeten brengen.
Daar komt nog bij dat de verdachte van de politie na zijn verhoor een ‘witwasbrief’ heeft meekregen waarin staat dat de verdachte die dag (13 september 2024) is heengezonden om hem, de verdachte, in de gelegenheid te stellen zijn verklaring te onderbouwen met bescheiden, opdat de politie zijn verklaring kon verifiëren. De verdachte heeft van die gelegenheid al die tijd geen gebruik gemaakt, hetgeen de verdachte niet sterkt in zijn geloofwaardigheid.
Gelet op al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de verdachte er niet in is geslaagd een voldoende concrete, verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven over de herkomst van het geldbedrag van € 20.990,00. Dit leidt het hof tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat dit geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.
Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder feit 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
witwassen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet in zoverre opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) weken;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een geldbedrag van € 400,00, een geldbedrag van € 2.100,00, een geldbedrag van € 9.350,00, een geldbedrag van € 6.500,00, een geldbedrag van € 1.660,00, een geldbedrag van € 290,00 en een geldbedrag van € 690,00.
Dit arrest is gewezen door:
mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
mr. A.M.G. Smit en mr. Y. van Setten, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. H. Smits, griffier,
en op 8 augustus 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Parketnummer : 20-000239-25
Uitspraak : 8 augustus 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 13 januari 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-293655-24, tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘witwassen’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken, met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft de politierechter een beslissing genomen op het beslag.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, en opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken.
Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven, geldbedrag verbeurd zal verklaren.
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit.
Ten aanzien van het beslag heeft de raadsman bepleit dat het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven, geldbedrag geretourneerd dient te worden aan de verdachte.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat de politierechter heeft volstaan met een aantekening mondeling vonnis, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 13 september 2024 te Gronsveld, gemeente Eijsden-Margraten, althans in Nederland, (van) een geldbedrag van € 20.990,00, in elk geval enig geldbedrag, althans een of meer voorwerpen de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, en/of heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten en/of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 13 september 2024 te Gronsveld, gemeente Eijsden-Margraten, een geldbedrag van € 20.990,00 voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij/zij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
In het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Dictum
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte een voldoende concrete, verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van zijn geld. Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad is het volgens de verdediging niet aan de verdachte om aannemelijk te maken dat het geld niet van een misdrijf afkomstig is. Het Openbaar Ministerie moet aannemelijk maken dat het niet anders kan zijn dan dat het geld afkomstig is uit (een) misdrij(f)ven, dan wel is het aan het Openbaar Ministerie om de door de verdachte gegeven verklaring te verifiëren. Nu het Openbaar Ministier dit onvoldoende heeft gedaan, is de verdediging van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem is tenlastegelegd.
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof met betrekking tot het tenlastegelegde het volgende af.
Voor een veroordeling ter zake van witwassen is vereist dat voldoende komt vast te staan dat het desbetreffende voorwerp – in dit geval een geldbedrag van € 20.990,00 – afkomstig is uit enig misdrijf. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen de herkomst van het geldbedrag en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat dit geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat dit bedrag uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het Openbaar Ministerie om daarvan bewijs aan te dragen waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. Als de vastgestelde feiten en omstandigheden het vermoeden van witwassen rechtvaardigen, mag in beginsel van de verdachte worden verlangd dat hij een voldoende concrete, verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het geldbedrag.
Het hof ziet zich aldus in de eerste plaats voor de vraag gesteld of voornoemd geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is. Een vraag die in dat kader beantwoord moet worden is of er sprake is van een specifiek gronddelict waaruit de gelden afkomstig zouden kunnen zijn. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend.
Er zijn naar het oordeel van het hof evenwel voldoende aanwijzingen die een vermoeden van witwassen rechtvaardigen. Het hof heeft hierbij in acht genomen dat de verdachte in een auto reed met Duits exportkenteken en dat de verbalisanten, na doorzoeking van de auto, een zwarte rugzak aantroffen op de achterbank, achter de bestuurdersstoel. Toen de verbalisanten in de rugzak keken, zagen zij eerst kledingstukken. Toen zij deze kledingstukken verwijderden, zagen zij onder de kleding verschillende pakketten van ongeveer 10 centimeter dik. De pakketten waren ingewikkeld in plastic. In totaal troffen de verbalisanten drie pakketten aan waarvan twee pakketten in plastic gewikkeld papiergeld in euro’s bevatten en één pakket bevatte in plastic gewikkeld kleingeld. Het totaalbedrag aan papiergeld betrof € 20.990,00 in kleine coupures.
Gezien deze omstandigheden mag van de verdachte een verklaring worden verlangd over de herkomst van het geldbedrag. De verdachte heeft bij een eerste gelegenheid verklaard dat hij het geldbedrag in Oostenrijk had gekregen van een onbekend persoon, dat hij in Oostenrijk op de trein is gestapt richting Luxemburg, dat hij niet weet hoeveel geld het was, dat hij de bestuurder [betrokkene 1] heeft ontmoet in Luxemburg en dat zij hadden afgesproken om naar Amsterdam te gaan. De verdachte kon niet vertellen hoelang hij [betrokkene 1] al kende. Verder verklaarde de verdachte dat het geld niet van hem was maar van ene [betrokkene 2] , dat deze [betrokkene 2] in Amsterdam het geld zou overnemen en dat hij met het geld goederen ging kopen om deze naar Nigeria te sturen. De verdachte had geen bewijsstukken met betrekking tot de herkomst van het geld.
Bij gelegenheid van een later verhoor verklaarde de verdachte dat hij geen inkomsten had, dat hij schulden heeft, dat zijn bankrekening is geblokkeerd, dat het aangetroffen geld afkomstig is van twee verschillende banken, dat er leningen op zijn naam zijn afgesloten en dat het geld van hem is. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij onderweg was naar Amsterdam om een vlooienmarkt te bezoeken en dat hij auto-onderdelen wilde exporteren naar Nigeria.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat het geld van hem is, dat het geld afkomstig is van een belastingteruggave en twee leningen van de bank. Daartoe heeft de verdachte pas voor het eerst in hoger beroep stukken overgelegd. Het hof stelt op basis van deze stukken echter vast dat de verdachte de belastingteruggave reeds lange tijd geleden, te weten in 2019, heeft ontvangen en dat uit de stukken van de bank enkel blijkt dat de verdachte een schuld heeft aan de bank. De verdachte heeft geen enkel inzicht gegeven in zijn inkomsten en uitgaven, noch hoe de verdachte jaren later het tenlastegelegde geldbedrag contant voorhanden heeft gekregen. Enige stukken ter onderbouwing, zoals pintransacties, ontbreken..
Daar komt bij dat de verdachte eerste een geheel andersluidende verklaring tegen de politie heeft afgelegd inhoudende dat het geld niet van hem was, maar dat hij dit geld had gekregen van een onbekende persoon. Wanneer sprake was van legaal geld van de verdachte zelf is het volstrekt onbegrijpelijk dat verdachte in eerste instantie tegenover de politie heeft verklaard dat het geld niet van hem was en hij dit geld – in opdracht – naar een andere persoon in Amsterdam zou moeten brengen.
Daar komt nog bij dat de verdachte van de politie na zijn verhoor een ‘witwasbrief’ heeft meekregen waarin staat dat de verdachte die dag (13 september 2024) is heengezonden om hem, de verdachte, in de gelegenheid te stellen zijn verklaring te onderbouwen met bescheiden, opdat de politie zijn verklaring kon verifiëren. De verdachte heeft van die gelegenheid al die tijd geen gebruik gemaakt, hetgeen de verdachte niet sterkt in zijn geloofwaardigheid.
Gelet op al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de verdachte er niet in is geslaagd een voldoende concrete, verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven over de herkomst van het geldbedrag van € 20.990,00. Dit leidt het hof tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat dit geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.
Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder feit 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
witwassen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet in zoverre opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) weken;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een geldbedrag van € 400,00, een geldbedrag van € 2.100,00, een geldbedrag van € 9.350,00, een geldbedrag van € 6.500,00, een geldbedrag van € 1.660,00, een geldbedrag van € 290,00 en een geldbedrag van € 690,00.
Dit arrest is gewezen door:
mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
mr. A.M.G. Smit en mr. Y. van Setten, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. H. Smits, griffier,
en op 8 augustus 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Parketnummer : 20-000239-25
Uitspraak : 8 augustus 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 13 januari 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-293655-24, tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘witwassen’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken, met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft de politierechter een beslissing genomen op het beslag.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, en opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken.
Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven, geldbedrag verbeurd zal verklaren.
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit.
Ten aanzien van het beslag heeft de raadsman bepleit dat het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven, geldbedrag geretourneerd dient te worden aan de verdachte.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat de politierechter heeft volstaan met een aantekening mondeling vonnis, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 13 september 2024 te Gronsveld, gemeente Eijsden-Margraten, althans in Nederland, (van) een geldbedrag van € 20.990,00, in elk geval enig geldbedrag, althans een of meer voorwerpen de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, en/of heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten en/of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 13 september 2024 te Gronsveld, gemeente Eijsden-Margraten, een geldbedrag van € 20.990,00 voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij/zij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
In het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Dictum
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte een voldoende concrete, verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van zijn geld. Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad is het volgens de verdediging niet aan de verdachte om aannemelijk te maken dat het geld niet van een misdrijf afkomstig is. Het Openbaar Ministerie moet aannemelijk maken dat het niet anders kan zijn dan dat het geld afkomstig is uit (een) misdrij(f)ven, dan wel is het aan het Openbaar Ministerie om de door de verdachte gegeven verklaring te verifiëren. Nu het Openbaar Ministier dit onvoldoende heeft gedaan, is de verdediging van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem is tenlastegelegd.
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof met betrekking tot het tenlastegelegde het volgende af.
Voor een veroordeling ter zake van witwassen is vereist dat voldoende komt vast te staan dat het desbetreffende voorwerp – in dit geval een geldbedrag van € 20.990,00 – afkomstig is uit enig misdrijf. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen de herkomst van het geldbedrag en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat dit geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat dit bedrag uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het Openbaar Ministerie om daarvan bewijs aan te dragen waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. Als de vastgestelde feiten en omstandigheden het vermoeden van witwassen rechtvaardigen, mag in beginsel van de verdachte worden verlangd dat hij een voldoende concrete, verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het geldbedrag.
Het hof ziet zich aldus in de eerste plaats voor de vraag gesteld of voornoemd geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is. Een vraag die in dat kader beantwoord moet worden is of er sprake is van een specifiek gronddelict waaruit de gelden afkomstig zouden kunnen zijn. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend.
Er zijn naar het oordeel van het hof evenwel voldoende aanwijzingen die een vermoeden van witwassen rechtvaardigen. Het hof heeft hierbij in acht genomen dat de verdachte in een auto reed met Duits exportkenteken en dat de verbalisanten, na doorzoeking van de auto, een zwarte rugzak aantroffen op de achterbank, achter de bestuurdersstoel. Toen de verbalisanten in de rugzak keken, zagen zij eerst kledingstukken. Toen zij deze kledingstukken verwijderden, zagen zij onder de kleding verschillende pakketten van ongeveer 10 centimeter dik. De pakketten waren ingewikkeld in plastic. In totaal troffen de verbalisanten drie pakketten aan waarvan twee pakketten in plastic gewikkeld papiergeld in euro’s bevatten en één pakket bevatte in plastic gewikkeld kleingeld. Het totaalbedrag aan papiergeld betrof € 20.990,00 in kleine coupures.
Gezien deze omstandigheden mag van de verdachte een verklaring worden verlangd over de herkomst van het geldbedrag. De verdachte heeft bij een eerste gelegenheid verklaard dat hij het geldbedrag in Oostenrijk had gekregen van een onbekend persoon, dat hij in Oostenrijk op de trein is gestapt richting Luxemburg, dat hij niet weet hoeveel geld het was, dat hij de bestuurder [betrokkene 1] heeft ontmoet in Luxemburg en dat zij hadden afgesproken om naar Amsterdam te gaan. De verdachte kon niet vertellen hoelang hij [betrokkene 1] al kende. Verder verklaarde de verdachte dat het geld niet van hem was maar van ene [betrokkene 2] , dat deze [betrokkene 2] in Amsterdam het geld zou overnemen en dat hij met het geld goederen ging kopen om deze naar Nigeria te sturen. De verdachte had geen bewijsstukken met betrekking tot de herkomst van het geld.
Bij gelegenheid van een later verhoor verklaarde de verdachte dat hij geen inkomsten had, dat hij schulden heeft, dat zijn bankrekening is geblokkeerd, dat het aangetroffen geld afkomstig is van twee verschillende banken, dat er leningen op zijn naam zijn afgesloten en dat het geld van hem is. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij onderweg was naar Amsterdam om een vlooienmarkt te bezoeken en dat hij auto-onderdelen wilde exporteren naar Nigeria.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat het geld van hem is, dat het geld afkomstig is van een belastingteruggave en twee leningen van de bank. Daartoe heeft de verdachte pas voor het eerst in hoger beroep stukken overgelegd. Het hof stelt op basis van deze stukken echter vast dat de verdachte de belastingteruggave reeds lange tijd geleden, te weten in 2019, heeft ontvangen en dat uit de stukken van de bank enkel blijkt dat de verdachte een schuld heeft aan de bank. De verdachte heeft geen enkel inzicht gegeven in zijn inkomsten en uitgaven, noch hoe de verdachte jaren later het tenlastegelegde geldbedrag contant voorhanden heeft gekregen. Enige stukken ter onderbouwing, zoals pintransacties, ontbreken..
Daar komt bij dat de verdachte eerste een geheel andersluidende verklaring tegen de politie heeft afgelegd inhoudende dat het geld niet van hem was, maar dat hij dit geld had gekregen van een onbekende persoon. Wanneer sprake was van legaal geld van de verdachte zelf is het volstrekt onbegrijpelijk dat verdachte in eerste instantie tegenover de politie heeft verklaard dat het geld niet van hem was en hij dit geld – in opdracht – naar een andere persoon in Amsterdam zou moeten brengen.
Daar komt nog bij dat de verdachte van de politie na zijn verhoor een ‘witwasbrief’ heeft meekregen waarin staat dat de verdachte die dag (13 september 2024) is heengezonden om hem, de verdachte, in de gelegenheid te stellen zijn verklaring te onderbouwen met bescheiden, opdat de politie zijn verklaring kon verifiëren. De verdachte heeft van die gelegenheid al die tijd geen gebruik gemaakt, hetgeen de verdachte niet sterkt in zijn geloofwaardigheid.
Gelet op al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de verdachte er niet in is geslaagd een voldoende concrete, verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven over de herkomst van het geldbedrag van € 20.990,00. Dit leidt het hof tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat dit geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.
Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder feit 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
witwassen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet in zoverre opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) weken;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een geldbedrag van € 400,00, een geldbedrag van € 2.100,00, een geldbedrag van € 9.350,00, een geldbedrag van € 6.500,00, een geldbedrag van € 1.660,00, een geldbedrag van € 290,00 en een geldbedrag van € 690,00.
Dit arrest is gewezen door:
mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
mr. A.M.G. Smit en mr. Y. van Setten, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. H. Smits, griffier,
en op 8 augustus 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Parketnummer : 20-000239-25
Uitspraak : 8 augustus 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 13 januari 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-293655-24, tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘witwassen’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken, met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft de politierechter een beslissing genomen op het beslag.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, en opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken.
Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven, geldbedrag verbeurd zal verklaren.
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit.
Ten aanzien van het beslag heeft de raadsman bepleit dat het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven, geldbedrag geretourneerd dient te worden aan de verdachte.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat de politierechter heeft volstaan met een aantekening mondeling vonnis, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 13 september 2024 te Gronsveld, gemeente Eijsden-Margraten, althans in Nederland, (van) een geldbedrag van € 20.990,00, in elk geval enig geldbedrag, althans een of meer voorwerpen de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, en/of heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten en/of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 13 september 2024 te Gronsveld, gemeente Eijsden-Margraten, een geldbedrag van € 20.990,00 voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij/zij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
In het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Dictum
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte een voldoende concrete, verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van zijn geld. Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad is het volgens de verdediging niet aan de verdachte om aannemelijk te maken dat het geld niet van een misdrijf afkomstig is. Het Openbaar Ministerie moet aannemelijk maken dat het niet anders kan zijn dan dat het geld afkomstig is uit (een) misdrij(f)ven, dan wel is het aan het Openbaar Ministerie om de door de verdachte gegeven verklaring te verifiëren. Nu het Openbaar Ministier dit onvoldoende heeft gedaan, is de verdediging van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem is tenlastegelegd.
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof met betrekking tot het tenlastegelegde het volgende af.
Voor een veroordeling ter zake van witwassen is vereist dat voldoende komt vast te staan dat het desbetreffende voorwerp – in dit geval een geldbedrag van € 20.990,00 – afkomstig is uit enig misdrijf. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen de herkomst van het geldbedrag en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat dit geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat dit bedrag uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het Openbaar Ministerie om daarvan bewijs aan te dragen waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. Als de vastgestelde feiten en omstandigheden het vermoeden van witwassen rechtvaardigen, mag in beginsel van de verdachte worden verlangd dat hij een voldoende concrete, verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het geldbedrag.
Het hof ziet zich aldus in de eerste plaats voor de vraag gesteld of voornoemd geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is. Een vraag die in dat kader beantwoord moet worden is of er sprake is van een specifiek gronddelict waaruit de gelden afkomstig zouden kunnen zijn. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend.
Er zijn naar het oordeel van het hof evenwel voldoende aanwijzingen die een vermoeden van witwassen rechtvaardigen. Het hof heeft hierbij in acht genomen dat de verdachte in een auto reed met Duits exportkenteken en dat de verbalisanten, na doorzoeking van de auto, een zwarte rugzak aantroffen op de achterbank, achter de bestuurdersstoel. Toen de verbalisanten in de rugzak keken, zagen zij eerst kledingstukken. Toen zij deze kledingstukken verwijderden, zagen zij onder de kleding verschillende pakketten van ongeveer 10 centimeter dik. De pakketten waren ingewikkeld in plastic. In totaal troffen de verbalisanten drie pakketten aan waarvan twee pakketten in plastic gewikkeld papiergeld in euro’s bevatten en één pakket bevatte in plastic gewikkeld kleingeld. Het totaalbedrag aan papiergeld betrof € 20.990,00 in kleine coupures.
Gezien deze omstandigheden mag van de verdachte een verklaring worden verlangd over de herkomst van het geldbedrag. De verdachte heeft bij een eerste gelegenheid verklaard dat hij het geldbedrag in Oostenrijk had gekregen van een onbekend persoon, dat hij in Oostenrijk op de trein is gestapt richting Luxemburg, dat hij niet weet hoeveel geld het was, dat hij de bestuurder [betrokkene 1] heeft ontmoet in Luxemburg en dat zij hadden afgesproken om naar Amsterdam te gaan. De verdachte kon niet vertellen hoelang hij [betrokkene 1] al kende. Verder verklaarde de verdachte dat het geld niet van hem was maar van ene [betrokkene 2] , dat deze [betrokkene 2] in Amsterdam het geld zou overnemen en dat hij met het geld goederen ging kopen om deze naar Nigeria te sturen. De verdachte had geen bewijsstukken met betrekking tot de herkomst van het geld.
Bij gelegenheid van een later verhoor verklaarde de verdachte dat hij geen inkomsten had, dat hij schulden heeft, dat zijn bankrekening is geblokkeerd, dat het aangetroffen geld afkomstig is van twee verschillende banken, dat er leningen op zijn naam zijn afgesloten en dat het geld van hem is. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij onderweg was naar Amsterdam om een vlooienmarkt te bezoeken en dat hij auto-onderdelen wilde exporteren naar Nigeria.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat het geld van hem is, dat het geld afkomstig is van een belastingteruggave en twee leningen van de bank. Daartoe heeft de verdachte pas voor het eerst in hoger beroep stukken overgelegd. Het hof stelt op basis van deze stukken echter vast dat de verdachte de belastingteruggave reeds lange tijd geleden, te weten in 2019, heeft ontvangen en dat uit de stukken van de bank enkel blijkt dat de verdachte een schuld heeft aan de bank. De verdachte heeft geen enkel inzicht gegeven in zijn inkomsten en uitgaven, noch hoe de verdachte jaren later het tenlastegelegde geldbedrag contant voorhanden heeft gekregen. Enige stukken ter onderbouwing, zoals pintransacties, ontbreken..
Daar komt bij dat de verdachte eerste een geheel andersluidende verklaring tegen de politie heeft afgelegd inhoudende dat het geld niet van hem was, maar dat hij dit geld had gekregen van een onbekende persoon. Wanneer sprake was van legaal geld van de verdachte zelf is het volstrekt onbegrijpelijk dat verdachte in eerste instantie tegenover de politie heeft verklaard dat het geld niet van hem was en hij dit geld – in opdracht – naar een andere persoon in Amsterdam zou moeten brengen.
Daar komt nog bij dat de verdachte van de politie na zijn verhoor een ‘witwasbrief’ heeft meekregen waarin staat dat de verdachte die dag (13 september 2024) is heengezonden om hem, de verdachte, in de gelegenheid te stellen zijn verklaring te onderbouwen met bescheiden, opdat de politie zijn verklaring kon verifiëren. De verdachte heeft van die gelegenheid al die tijd geen gebruik gemaakt, hetgeen de verdachte niet sterkt in zijn geloofwaardigheid.
Gelet op al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de verdachte er niet in is geslaagd een voldoende concrete, verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven over de herkomst van het geldbedrag van € 20.990,00. Dit leidt het hof tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat dit geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.
Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder feit 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
witwassen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet in zoverre opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) weken;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een geldbedrag van € 400,00, een geldbedrag van € 2.100,00, een geldbedrag van € 9.350,00, een geldbedrag van € 6.500,00, een geldbedrag van € 1.660,00, een geldbedrag van € 290,00 en een geldbedrag van € 690,00.
Dit arrest is gewezen door:
mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
mr. A.M.G. Smit en mr. Y. van Setten, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. H. Smits, griffier,
en op 8 augustus 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Parketnummer : 20-000239-25
Uitspraak : 8 augustus 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 13 januari 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-293655-24, tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘witwassen’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken, met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft de politierechter een beslissing genomen op het beslag.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, en opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken.
Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven, geldbedrag verbeurd zal verklaren.
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit.
Ten aanzien van het beslag heeft de raadsman bepleit dat het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven, geldbedrag geretourneerd dient te worden aan de verdachte.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat de politierechter heeft volstaan met een aantekening mondeling vonnis, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 13 september 2024 te Gronsveld, gemeente Eijsden-Margraten, althans in Nederland, (van) een geldbedrag van € 20.990,00, in elk geval enig geldbedrag, althans een of meer voorwerpen de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, en/of heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten en/of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 13 september 2024 te Gronsveld, gemeente Eijsden-Margraten, een geldbedrag van € 20.990,00 voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij/zij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
In het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Dictum
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte een voldoende concrete, verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van zijn geld. Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad is het volgens de verdediging niet aan de verdachte om aannemelijk te maken dat het geld niet van een misdrijf afkomstig is. Het Openbaar Ministerie moet aannemelijk maken dat het niet anders kan zijn dan dat het geld afkomstig is uit (een) misdrij(f)ven, dan wel is het aan het Openbaar Ministerie om de door de verdachte gegeven verklaring te verifiëren. Nu het Openbaar Ministier dit onvoldoende heeft gedaan, is de verdediging van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem is tenlastegelegd.
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof met betrekking tot het tenlastegelegde het volgende af.
Voor een veroordeling ter zake van witwassen is vereist dat voldoende komt vast te staan dat het desbetreffende voorwerp – in dit geval een geldbedrag van € 20.990,00 – afkomstig is uit enig misdrijf. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen de herkomst van het geldbedrag en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat dit geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat dit bedrag uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het Openbaar Ministerie om daarvan bewijs aan te dragen waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. Als de vastgestelde feiten en omstandigheden het vermoeden van witwassen rechtvaardigen, mag in beginsel van de verdachte worden verlangd dat hij een voldoende concrete, verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het geldbedrag.
Het hof ziet zich aldus in de eerste plaats voor de vraag gesteld of voornoemd geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is. Een vraag die in dat kader beantwoord moet worden is of er sprake is van een specifiek gronddelict waaruit de gelden afkomstig zouden kunnen zijn. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend.
Er zijn naar het oordeel van het hof evenwel voldoende aanwijzingen die een vermoeden van witwassen rechtvaardigen. Het hof heeft hierbij in acht genomen dat de verdachte in een auto reed met Duits exportkenteken en dat de verbalisanten, na doorzoeking van de auto, een zwarte rugzak aantroffen op de achterbank, achter de bestuurdersstoel. Toen de verbalisanten in de rugzak keken, zagen zij eerst kledingstukken. Toen zij deze kledingstukken verwijderden, zagen zij onder de kleding verschillende pakketten van ongeveer 10 centimeter dik. De pakketten waren ingewikkeld in plastic. In totaal troffen de verbalisanten drie pakketten aan waarvan twee pakketten in plastic gewikkeld papiergeld in euro’s bevatten en één pakket bevatte in plastic gewikkeld kleingeld. Het totaalbedrag aan papiergeld betrof € 20.990,00 in kleine coupures.
Gezien deze omstandigheden mag van de verdachte een verklaring worden verlangd over de herkomst van het geldbedrag. De verdachte heeft bij een eerste gelegenheid verklaard dat hij het geldbedrag in Oostenrijk had gekregen van een onbekend persoon, dat hij in Oostenrijk op de trein is gestapt richting Luxemburg, dat hij niet weet hoeveel geld het was, dat hij de bestuurder [betrokkene 1] heeft ontmoet in Luxemburg en dat zij hadden afgesproken om naar Amsterdam te gaan. De verdachte kon niet vertellen hoelang hij [betrokkene 1] al kende. Verder verklaarde de verdachte dat het geld niet van hem was maar van ene [betrokkene 2] , dat deze [betrokkene 2] in Amsterdam het geld zou overnemen en dat hij met het geld goederen ging kopen om deze naar Nigeria te sturen. De verdachte had geen bewijsstukken met betrekking tot de herkomst van het geld.
Bij gelegenheid van een later verhoor verklaarde de verdachte dat hij geen inkomsten had, dat hij schulden heeft, dat zijn bankrekening is geblokkeerd, dat het aangetroffen geld afkomstig is van twee verschillende banken, dat er leningen op zijn naam zijn afgesloten en dat het geld van hem is. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij onderweg was naar Amsterdam om een vlooienmarkt te bezoeken en dat hij auto-onderdelen wilde exporteren naar Nigeria.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat het geld van hem is, dat het geld afkomstig is van een belastingteruggave en twee leningen van de bank. Daartoe heeft de verdachte pas voor het eerst in hoger beroep stukken overgelegd. Het hof stelt op basis van deze stukken echter vast dat de verdachte de belastingteruggave reeds lange tijd geleden, te weten in 2019, heeft ontvangen en dat uit de stukken van de bank enkel blijkt dat de verdachte een schuld heeft aan de bank. De verdachte heeft geen enkel inzicht gegeven in zijn inkomsten en uitgaven, noch hoe de verdachte jaren later het tenlastegelegde geldbedrag contant voorhanden heeft gekregen. Enige stukken ter onderbouwing, zoals pintransacties, ontbreken..
Daar komt bij dat de verdachte eerste een geheel andersluidende verklaring tegen de politie heeft afgelegd inhoudende dat het geld niet van hem was, maar dat hij dit geld had gekregen van een onbekende persoon. Wanneer sprake was van legaal geld van de verdachte zelf is het volstrekt onbegrijpelijk dat verdachte in eerste instantie tegenover de politie heeft verklaard dat het geld niet van hem was en hij dit geld – in opdracht – naar een andere persoon in Amsterdam zou moeten brengen.
Daar komt nog bij dat de verdachte van de politie na zijn verhoor een ‘witwasbrief’ heeft meekregen waarin staat dat de verdachte die dag (13 september 2024) is heengezonden om hem, de verdachte, in de gelegenheid te stellen zijn verklaring te onderbouwen met bescheiden, opdat de politie zijn verklaring kon verifiëren. De verdachte heeft van die gelegenheid al die tijd geen gebruik gemaakt, hetgeen de verdachte niet sterkt in zijn geloofwaardigheid.
Gelet op al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de verdachte er niet in is geslaagd een voldoende concrete, verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven over de herkomst van het geldbedrag van € 20.990,00. Dit leidt het hof tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat dit geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.
Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder feit 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
witwassen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet in zoverre opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) weken;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een geldbedrag van € 400,00, een geldbedrag van € 2.100,00, een geldbedrag van € 9.350,00, een geldbedrag van € 6.500,00, een geldbedrag van € 1.660,00, een geldbedrag van € 290,00 en een geldbedrag van € 690,00.
Dit arrest is gewezen door:
mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
mr. A.M.G. Smit en mr. Y. van Setten, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. H. Smits, griffier,
en op 8 augustus 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.