Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-04-04
ECLI:NL:GHSHE:2025:2218
Strafrecht; Strafprocesrecht
Wraking
24,636 tokens
Dictum
van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch
Gegeven op het mondelinge wrakingsverzoek op de zitting van 12 maart 2025 in de zaak met parketnummer [parketnummer 1] , in het hoger beroep aanhangig bij de meervoudige strafkamer van dit gerechtshof, ingediend door:
[verzoeker]
geboren te [geboorteplaats] (Joegoslavië) op [geboortedatum] 1973,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[postcode] [woonplaats] , [adres] ,
hierna te noemen: ‘de verzoeker’,
mr. K.B.H. Welvaart, advocaat te Maastricht,
hierna te noemen: ‘de advocaat’,
strekkende tot wraking van mr. R. Lonterman, hierna te noemen: de raadsheer.
1Het procesverloop
1.1.
Het hof, in de samenstelling van mrs. R. Lonterman (voorzitter), O.M.J.J. van de Loo en M.J.M.A. van der Put (leden) heeft ter terechtzitting van 12 maart 2025 een aanvang gemaakt met de tegen verzoeker aanhangig gemaakte strafzaak onder parketnummer [parketnummer 1] .
1.2.
Tijdens de behandeling ter terechtzitting heeft de advocaat van verzoeker te kennen gegeven dat hij zich naar aanleiding van de ontvangen verschoningsbeslissing genoodzaakt ziet de raadsheer te wraken.
1.3.
De Wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek ter openbare zitting van 24 maart 2025 behandeld. Verzoeker is niet op de zitting verschenen. De advocaat van verzoeker heeft het wrakingsverzoek nader toegelicht.
1.4.
Het hof heeft de raadsheer, ter terechtzitting aanwezig, in de gelegenheid gesteld het woord te voeren. Daarbij heeft de raadsheer verklaard niet te willen berusten in de wraking.
1.5.
Het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door de advocaat-generaal, mr. M. Jansen, heeft bij brief van 23 maart 2025 zijn visie op het wrakingsverzoek kenbaar gemaakt.
1.6.
Na de mondelinge behandeling heeft de voorzitter het onderzoek gesloten en medegedeeld dat de Wrakingskamer op 7 april 2025, of zoveel eerder als mogelijk, in het openbaar uitspraak zal doen.
2. Het standpunt van verzoeker
Verzoeker stelt zich op het standpunt dat uit het verschoningsverzoek van de raadsheer kan worden afgeleid dat hij zichzelf vooringenomen acht, althans dat hij mogelijk vreest dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. De inhoud van dat verzoek wijst op vooringenomenheid volgens verzoeker.
Verzoeker heeft in eerste aanleg inderdaad verweren gevoerd waar de raadsheer van stelt dat het ‘in de lijn der verwachting’ ligt dat die weer gevoerd zullen worden. Die verweren zijn opgenomen in de pleitnota in eerste aanleg die zich in de stukken van het hof bevindt en waarvan de raadsheer kennis heeft genomen tijdens de voorbereiding van de zaak. Dat de raadsheer al van die verweren kennis heeft genomen, alsmede van het beroepschrift van verzoeker, waaruit blijkt dat hij stelt ten onrechte te zijn veroordeeld, subsidiair de straf te hoog vindt, acht verzoeker ook van betekenis in dit verband.
De feitelijke vaststelling dat verzoeker een prominente rol speelt in de OVC-gesprekken, die het grootste gedeelte van het dossier beslaan, zoals de raadsheer zelf ook stelt, is voor verzoeker al een blijk van vooringenomenheid, een schijn van partijdigheid.
Ook het feit dat het verweer van (het ontbreken van) de wederrechtelijke bevoordeling (welke volgens de raadsheer niet in de eerder door hem berechte zaak is gevoerd, maar wel beslecht) betekent dat dit verweer verworpen zal worden. Het betreft immers wel degelijk afpersing met geweld en bedreiging met geweld, zoals de raadsheer eerder oordeelde. Dat is in de zaak tegen de medeverdachte reeds beslecht in het arrest van 30 januari 2023.
Verzoeker acht de handelwijze van de raadsheer zuiver en de beslissing tot afwijzing van zijn verschoningsverzoek te kort door de bocht en niet getuigen van respect voor zijn kennelijke worsteling c.q. beslissing om het verschoningsverzoek te doen en in te dienen.
De raadsheer acht zelf bijzondere omstandigheden aanwezig die toewijzing van zijn verzoek rechtvaardigen. De beslissing van de verschoningskamer komt daar nog bij. Dus niet alleen het feit dat de raadsheer een verzoek tot verschoning heeft gedaan, maar vooral ook de reden waarom.
De bij verzoeker bestaande vrees is wel (objectief) gerechtvaardigd. Er is in ieder geval een schijn van partijdigheid. De verzoeker is van mening dat het verzoek zonder meer had moeten worden toegewezen. De raadsheer voelde zich immers niet volledig vrij of onbevooroordeeld om de zaak inhoudelijk te behandelen, laat staat als voorzitter.
Als een rechter zelf twijfel koestert over zijn onpartijdigheid, zelfs wanneer objectief niet de vrees gerechtvaardigd is van vooringenomenheid, is er toch grond voor verschoning aanwezig. Daarvan is hier sprake.
3Het standpunt van de raadsheer
De raadsheer heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. Hij heeft tijdens de behandeling ter terechtzitting van 12 maart 2025 aangegeven dat er geen subjectieve redenen zijn die twijfel over zijn onbevangenheid en onpartijdigheid in deze zaak teweeg zouden kunnen brengen. Bij de voorbereiding van de zaak heeft de raadsheer zich afgevraagd of er, gelet op zijn betrokkenheid bij de berechting van de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] onder parketnummer [parketnummer 2] sprake was van een objectieve schijn van vooringenomenheid. Dat heeft hij vervolgens laten toetsen door de verschoningskamer. Het verschoningsverzoek is afgewezen. De raadsheer voelt zich daarom frank en vrij, oftewel onbevangen, om over deze zaak te oordelen.
Tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft de raadsheer desgevraagd aangegeven dat hij, toen hij er achter kwam dat hij de zaak van een medeverdachte had gedaan, gekeken heeft of er bijzondere omstandigheden aanwezig waren voor verschoning. Omdat daarover kan worden getwijfeld, heeft de raadsheer dit willen laten toetsen. Het gaat om dezelfde tenlastelegging en hetzelfde onderliggende dossier. Verzoeker wordt echter niet in de uitspraak van de medeverdachte genoemd. De raadsheer wilde volstrekt helder zijn over zijn bemoeienis met het dossier van de medeverdachte.
De zaak tegen de medeverdachte betrof een bekennende verdachte. Daardoor hoefden de bewijsmiddelen niet te worden uitgewerkt. Als dat wel had gemoeten, dan waren gesprekken met verzoeker waarschijnlijk als bewijsmiddelen gebezigd.
Met prominent heeft de raadsheer bedoeld een prominente rol in de gesprekken. Verzoeker betwist ook niet dat hij deelnemer was aan de gesprekken.
4Het standpunt van het OM
Een raadsheer moet uit hoofde van zijn aanstelling worden vermoed onpartijdig te zijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen zouden kunnen opleveren voor het oordeel dat de raadsheer een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
De enkele omstandigheid dat de zaak van verzoeker in hoger beroep wordt behandeld door een kamer van het gerechtshof, waarvan een lid zitting heeft gehad in de kamer van het gerechtshof die voordien in de zaak tegen de medeverdachte het oordeel heeft uitgesproken dat die medeverdachte met de nadien terecht staande verdachte het strafbare feit heeft gepleegd, levert geen zwaarwegende aanwijzing op als hiervoor bedoeld.
Beoordeling
5.1.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
5.2.
Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheid aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing van de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.
5.3.
Bij beslissing van 11 maart 2025 heeft de verschoningskamer het verzoek tot verschoning van de raadsheer afgewezen. Daartoe heeft de verschoningskamer overwogen:
“3.2. Vooropgesteld dient te worden dat een raadsheer uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen zouden kunnen opleveren voor het oordeel dat de raadsheer een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte bestaande vrees daarvoor objectief
gerechtvaardigd is.
3.3.
De enkele omstandigheid dat de zaak van de verdachte in hoger beroep wordt behandeld door een kamer van het gerechtshof, waarvan een lid zitting heeft gehad in de kamer van het gerechtshof die voordien, te weten in de zaak tegen de medeverdachte, het oordeel heeft uitgesproken dat die medeverdachte met de nadien terecht staande verdachte het strafbare feit heeft gepleegd, levert geen zwaarwegende aanwijzing op als hiervoor bedoeld. Het is immers de normale, wettelijke taak van de raadsheer die heeft te beslissen omtrent de in de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde vragen, daarbij uitsluitend te oordelen op de grondslag van het aan de verdachte tenlastegelegde en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting dienaangaande in de zaak van de verdachte, en daarbij hetgeen hij heeft beslist in andere zaken, van een andere verdachte, buiten beschouwing te laten (vgl. HR 26 mei 1992, NJ
1992, 676 en HR 18 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:A05050).
3.4.
Dit kan echter anders zijn indien bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die een zwaarwegende aanwijzing opleveren om te oordelen dat er bij de verdachte een objectief gerechtvaardigde vrees kan bestaan dat de raadsheer jegens hem een vooringenomenheid koestert.
3.5.
De verschoningskamer stelt vast dat medeverdachte [medeverdachte] bij arrest van dit hof van 30 januari 2023, gewezen onder parketnummer [parketnummer 2] , ter zake van ‘medeplegen van afpersing’ is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis. Verzoeker was voorzitter van de behandelend strafkamer.
3.6.
Uit dit arrest komt naar voren dat de medeverdachte als lid van de motorclub [motorclub] , samen met andere leden van de betreffende motorclub, in een clubhuis van de motorclub een ander lid van de motorclub heeft mishandeld en bedreigd en aldus het slachtoffer (op de bewezenverklaarde wijze) heeft gedwongen tot afgifte van een geldbedrag van € 5.500,00, diens (Ducati) motorfiets met bijbehorende (kenteken)papieren en tot betaling van een openstaande factuur van € 1.896,00, welke aan voormelde motorfiets was gelieerd. Door de leden van de motorclub, met name door de medeverdachte zelf, is fors geweld gepleegd jegens het slachtoffer, waarbij het slachtoffer meermalen tegen het hoofd en het lichaam is geslagen.
3.7.
Ofschoon het hof in het arrest tegen medeverdachte [medeverdachte] bewezen heeft verklaard dat hij het tenlastegelegde ‘tezamen en in vereniging’ met anderen heeft gepleegd, komt daaruit niet (ook niet uit de opgenomen, niet nader uitgewerkte, bewijsmiddelen) naar voren wie die anderen in concreto betreffen. Aldus blijkt uit het arrest, ten laste van de medeverdachte gewezen, niet onmiskenbaar van de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde en valt daaruit voorts niet af te leiden dat reeds een oordeel is geveld over zijn schuld aan hetgeen hem in zijn eigen strafzaak wordt verweten.
3.8.
Het enkele feit dat een raadsheer reeds eerder een medeverdachte heeft veroordeeld in een andere strafrechtelijke procedure is niet voldoende om twijfel te doen rijzen over de onpartijdigheid van verzoeker. Nu in de zaak van de medeverdachte evenmin onmiskenbaar een uitspraak is gedaan over de schuld van de verdachte en er ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die nopen tot een
andersluidende conclusie, is er naar het oordeel van de verschoningskamer onvoldoende grond om tot honorering van het verzoek over te kunnen gaan (vgl. EHRM 24 maart 2009, ECLI :CE: ECHR: 2009:0324JUD003227 104). Hetgeen verzoeker, enigszins
prematuur, te berde heeft gebracht aangaande verweren die door of namens de verdachte in zijn strafzaak kunnen worden gevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.”
5.4.
Tegen de beslissing op een verschoningsverzoek staat geen zelfstandig rechtsmiddel open (art. 518, lid 3, Sv). Aan de Wrakingskamer ligt dan ook niet ter beoordeling voor of de verschoningsbeslissing juist is. Wraking kan in beginsel geen verkapt rechtsmiddel tegen de eerdere verschoningsbeslissing vormen. Beslist moet worden op het wrakingsverzoek. Dat verzoek dient evenwel langs dezelfde maatstaven, zoals hiervoor in rov. 5.1 en 5.2 alsmede in rov. 3.2 en 3.4 van de verschoningsbeslissing genoemd, te worden beoordeeld. Nu er reeds een verschoningsbeslissing ligt, heeft het wrakingsverzoek in beginsel alleen kans van slagen indien de verzoeker nieuwe feiten en omstandigheden voordraagt waaruit blijkt van vooringenomenheid van de raadsheer.
5.5.
Verzoeker draagt in de kern dezelfde feiten en omstandigheden voor als de raadsheer in zijn gedane verschoningsverzoek heeft gedaan. Nu daarover al in de verschoningsbeslissing is geoordeeld, dient daarom ook hier tot uitgangspunt dat zij geen zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de raadsheer jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert of dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is, met name omdat in het tegen medeverdachte [medeverdachte] gewezen arrest niet onmiskenbaar uitspraak is gedaan over verzoekers betrokkenheid bij of schuld aan wat hem in zijn eigen strafzaak wordt verweten en omdat wat de raadsheer prematuur over mogelijk door verzoeker te voeren verweren heeft opgebracht, hiervoor niet voldoende is.
Bijzondere omstandigheden om hier van dat uitgangspunt af te wijken, zijn niet gebleken. Voor zover verzoeker benadrukt dat de raadsheer hem een prominente rol in de OVC-gesprekken toedicht, zegt dat hooguit iets over verzoekers deelname aan die gesprekken, maar weinig of niets over de inhoud van die gesprekken en al helemaal niets over zijn schuld aan het hem tenlastegelegde.
Dictum
Het hof:
wijst het verzoek tot wraking af;
verstaat dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek;
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan de verzoeker, het openbaar ministerie en de raadsheer;
Deze beslissing is gegeven door mrs. M.G.W.M. Stienissen, voorzitter, C.M.J. Peters en T. van de Woestijne, leden, bijgestaan door mr. L. Kramer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2025.
Dictum
van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch
Gegeven op het mondelinge wrakingsverzoek op de zitting van 12 maart 2025 in de zaak met parketnummer [parketnummer 1] , in het hoger beroep aanhangig bij de meervoudige strafkamer van dit gerechtshof, ingediend door:
[verzoeker]
geboren te [geboorteplaats] (Joegoslavië) op [geboortedatum] 1973,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[postcode] [woonplaats] , [adres] ,
hierna te noemen: ‘de verzoeker’,
mr. K.B.H. Welvaart, advocaat te Maastricht,
hierna te noemen: ‘de advocaat’,
strekkende tot wraking van mr. R. Lonterman, hierna te noemen: de raadsheer.
1Het procesverloop
1.1.
Het hof, in de samenstelling van mrs. R. Lonterman (voorzitter), O.M.J.J. van de Loo en M.J.M.A. van der Put (leden) heeft ter terechtzitting van 12 maart 2025 een aanvang gemaakt met de tegen verzoeker aanhangig gemaakte strafzaak onder parketnummer [parketnummer 1] .
1.2.
Tijdens de behandeling ter terechtzitting heeft de advocaat van verzoeker te kennen gegeven dat hij zich naar aanleiding van de ontvangen verschoningsbeslissing genoodzaakt ziet de raadsheer te wraken.
1.3.
De Wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek ter openbare zitting van 24 maart 2025 behandeld. Verzoeker is niet op de zitting verschenen. De advocaat van verzoeker heeft het wrakingsverzoek nader toegelicht.
1.4.
Het hof heeft de raadsheer, ter terechtzitting aanwezig, in de gelegenheid gesteld het woord te voeren. Daarbij heeft de raadsheer verklaard niet te willen berusten in de wraking.
1.5.
Het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door de advocaat-generaal, mr. M. Jansen, heeft bij brief van 23 maart 2025 zijn visie op het wrakingsverzoek kenbaar gemaakt.
1.6.
Na de mondelinge behandeling heeft de voorzitter het onderzoek gesloten en medegedeeld dat de Wrakingskamer op 7 april 2025, of zoveel eerder als mogelijk, in het openbaar uitspraak zal doen.
2. Het standpunt van verzoeker
Verzoeker stelt zich op het standpunt dat uit het verschoningsverzoek van de raadsheer kan worden afgeleid dat hij zichzelf vooringenomen acht, althans dat hij mogelijk vreest dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. De inhoud van dat verzoek wijst op vooringenomenheid volgens verzoeker.
Verzoeker heeft in eerste aanleg inderdaad verweren gevoerd waar de raadsheer van stelt dat het ‘in de lijn der verwachting’ ligt dat die weer gevoerd zullen worden. Die verweren zijn opgenomen in de pleitnota in eerste aanleg die zich in de stukken van het hof bevindt en waarvan de raadsheer kennis heeft genomen tijdens de voorbereiding van de zaak. Dat de raadsheer al van die verweren kennis heeft genomen, alsmede van het beroepschrift van verzoeker, waaruit blijkt dat hij stelt ten onrechte te zijn veroordeeld, subsidiair de straf te hoog vindt, acht verzoeker ook van betekenis in dit verband.
De feitelijke vaststelling dat verzoeker een prominente rol speelt in de OVC-gesprekken, die het grootste gedeelte van het dossier beslaan, zoals de raadsheer zelf ook stelt, is voor verzoeker al een blijk van vooringenomenheid, een schijn van partijdigheid.
Ook het feit dat het verweer van (het ontbreken van) de wederrechtelijke bevoordeling (welke volgens de raadsheer niet in de eerder door hem berechte zaak is gevoerd, maar wel beslecht) betekent dat dit verweer verworpen zal worden. Het betreft immers wel degelijk afpersing met geweld en bedreiging met geweld, zoals de raadsheer eerder oordeelde. Dat is in de zaak tegen de medeverdachte reeds beslecht in het arrest van 30 januari 2023.
Verzoeker acht de handelwijze van de raadsheer zuiver en de beslissing tot afwijzing van zijn verschoningsverzoek te kort door de bocht en niet getuigen van respect voor zijn kennelijke worsteling c.q. beslissing om het verschoningsverzoek te doen en in te dienen.
De raadsheer acht zelf bijzondere omstandigheden aanwezig die toewijzing van zijn verzoek rechtvaardigen. De beslissing van de verschoningskamer komt daar nog bij. Dus niet alleen het feit dat de raadsheer een verzoek tot verschoning heeft gedaan, maar vooral ook de reden waarom.
De bij verzoeker bestaande vrees is wel (objectief) gerechtvaardigd. Er is in ieder geval een schijn van partijdigheid. De verzoeker is van mening dat het verzoek zonder meer had moeten worden toegewezen. De raadsheer voelde zich immers niet volledig vrij of onbevooroordeeld om de zaak inhoudelijk te behandelen, laat staat als voorzitter.
Als een rechter zelf twijfel koestert over zijn onpartijdigheid, zelfs wanneer objectief niet de vrees gerechtvaardigd is van vooringenomenheid, is er toch grond voor verschoning aanwezig. Daarvan is hier sprake.
3Het standpunt van de raadsheer
De raadsheer heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. Hij heeft tijdens de behandeling ter terechtzitting van 12 maart 2025 aangegeven dat er geen subjectieve redenen zijn die twijfel over zijn onbevangenheid en onpartijdigheid in deze zaak teweeg zouden kunnen brengen. Bij de voorbereiding van de zaak heeft de raadsheer zich afgevraagd of er, gelet op zijn betrokkenheid bij de berechting van de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] onder parketnummer [parketnummer 2] sprake was van een objectieve schijn van vooringenomenheid. Dat heeft hij vervolgens laten toetsen door de verschoningskamer. Het verschoningsverzoek is afgewezen. De raadsheer voelt zich daarom frank en vrij, oftewel onbevangen, om over deze zaak te oordelen.
Tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft de raadsheer desgevraagd aangegeven dat hij, toen hij er achter kwam dat hij de zaak van een medeverdachte had gedaan, gekeken heeft of er bijzondere omstandigheden aanwezig waren voor verschoning. Omdat daarover kan worden getwijfeld, heeft de raadsheer dit willen laten toetsen. Het gaat om dezelfde tenlastelegging en hetzelfde onderliggende dossier. Verzoeker wordt echter niet in de uitspraak van de medeverdachte genoemd. De raadsheer wilde volstrekt helder zijn over zijn bemoeienis met het dossier van de medeverdachte.
De zaak tegen de medeverdachte betrof een bekennende verdachte. Daardoor hoefden de bewijsmiddelen niet te worden uitgewerkt. Als dat wel had gemoeten, dan waren gesprekken met verzoeker waarschijnlijk als bewijsmiddelen gebezigd.
Met prominent heeft de raadsheer bedoeld een prominente rol in de gesprekken. Verzoeker betwist ook niet dat hij deelnemer was aan de gesprekken.
4Het standpunt van het OM
Een raadsheer moet uit hoofde van zijn aanstelling worden vermoed onpartijdig te zijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen zouden kunnen opleveren voor het oordeel dat de raadsheer een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
De enkele omstandigheid dat de zaak van verzoeker in hoger beroep wordt behandeld door een kamer van het gerechtshof, waarvan een lid zitting heeft gehad in de kamer van het gerechtshof die voordien in de zaak tegen de medeverdachte het oordeel heeft uitgesproken dat die medeverdachte met de nadien terecht staande verdachte het strafbare feit heeft gepleegd, levert geen zwaarwegende aanwijzing op als hiervoor bedoeld.
Beoordeling
5.1.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
5.2.
Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheid aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing van de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.
5.3.
Bij beslissing van 11 maart 2025 heeft de verschoningskamer het verzoek tot verschoning van de raadsheer afgewezen. Daartoe heeft de verschoningskamer overwogen:
“3.2. Vooropgesteld dient te worden dat een raadsheer uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen zouden kunnen opleveren voor het oordeel dat de raadsheer een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte bestaande vrees daarvoor objectief
gerechtvaardigd is.
3.3.
De enkele omstandigheid dat de zaak van de verdachte in hoger beroep wordt behandeld door een kamer van het gerechtshof, waarvan een lid zitting heeft gehad in de kamer van het gerechtshof die voordien, te weten in de zaak tegen de medeverdachte, het oordeel heeft uitgesproken dat die medeverdachte met de nadien terecht staande verdachte het strafbare feit heeft gepleegd, levert geen zwaarwegende aanwijzing op als hiervoor bedoeld. Het is immers de normale, wettelijke taak van de raadsheer die heeft te beslissen omtrent de in de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde vragen, daarbij uitsluitend te oordelen op de grondslag van het aan de verdachte tenlastegelegde en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting dienaangaande in de zaak van de verdachte, en daarbij hetgeen hij heeft beslist in andere zaken, van een andere verdachte, buiten beschouwing te laten (vgl. HR 26 mei 1992, NJ
1992, 676 en HR 18 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:A05050).
3.4.
Dit kan echter anders zijn indien bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die een zwaarwegende aanwijzing opleveren om te oordelen dat er bij de verdachte een objectief gerechtvaardigde vrees kan bestaan dat de raadsheer jegens hem een vooringenomenheid koestert.
3.5.
De verschoningskamer stelt vast dat medeverdachte [medeverdachte] bij arrest van dit hof van 30 januari 2023, gewezen onder parketnummer [parketnummer 2] , ter zake van ‘medeplegen van afpersing’ is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis. Verzoeker was voorzitter van de behandelend strafkamer.
3.6.
Uit dit arrest komt naar voren dat de medeverdachte als lid van de motorclub [motorclub] , samen met andere leden van de betreffende motorclub, in een clubhuis van de motorclub een ander lid van de motorclub heeft mishandeld en bedreigd en aldus het slachtoffer (op de bewezenverklaarde wijze) heeft gedwongen tot afgifte van een geldbedrag van € 5.500,00, diens (Ducati) motorfiets met bijbehorende (kenteken)papieren en tot betaling van een openstaande factuur van € 1.896,00, welke aan voormelde motorfiets was gelieerd. Door de leden van de motorclub, met name door de medeverdachte zelf, is fors geweld gepleegd jegens het slachtoffer, waarbij het slachtoffer meermalen tegen het hoofd en het lichaam is geslagen.
3.7.
Ofschoon het hof in het arrest tegen medeverdachte [medeverdachte] bewezen heeft verklaard dat hij het tenlastegelegde ‘tezamen en in vereniging’ met anderen heeft gepleegd, komt daaruit niet (ook niet uit de opgenomen, niet nader uitgewerkte, bewijsmiddelen) naar voren wie die anderen in concreto betreffen. Aldus blijkt uit het arrest, ten laste van de medeverdachte gewezen, niet onmiskenbaar van de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde en valt daaruit voorts niet af te leiden dat reeds een oordeel is geveld over zijn schuld aan hetgeen hem in zijn eigen strafzaak wordt verweten.
3.8.
Het enkele feit dat een raadsheer reeds eerder een medeverdachte heeft veroordeeld in een andere strafrechtelijke procedure is niet voldoende om twijfel te doen rijzen over de onpartijdigheid van verzoeker. Nu in de zaak van de medeverdachte evenmin onmiskenbaar een uitspraak is gedaan over de schuld van de verdachte en er ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die nopen tot een
andersluidende conclusie, is er naar het oordeel van de verschoningskamer onvoldoende grond om tot honorering van het verzoek over te kunnen gaan (vgl. EHRM 24 maart 2009, ECLI :CE: ECHR: 2009:0324JUD003227 104). Hetgeen verzoeker, enigszins
prematuur, te berde heeft gebracht aangaande verweren die door of namens de verdachte in zijn strafzaak kunnen worden gevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.”
5.4.
Tegen de beslissing op een verschoningsverzoek staat geen zelfstandig rechtsmiddel open (art. 518, lid 3, Sv). Aan de Wrakingskamer ligt dan ook niet ter beoordeling voor of de verschoningsbeslissing juist is. Wraking kan in beginsel geen verkapt rechtsmiddel tegen de eerdere verschoningsbeslissing vormen. Beslist moet worden op het wrakingsverzoek. Dat verzoek dient evenwel langs dezelfde maatstaven, zoals hiervoor in rov. 5.1 en 5.2 alsmede in rov. 3.2 en 3.4 van de verschoningsbeslissing genoemd, te worden beoordeeld. Nu er reeds een verschoningsbeslissing ligt, heeft het wrakingsverzoek in beginsel alleen kans van slagen indien de verzoeker nieuwe feiten en omstandigheden voordraagt waaruit blijkt van vooringenomenheid van de raadsheer.
5.5.
Verzoeker draagt in de kern dezelfde feiten en omstandigheden voor als de raadsheer in zijn gedane verschoningsverzoek heeft gedaan. Nu daarover al in de verschoningsbeslissing is geoordeeld, dient daarom ook hier tot uitgangspunt dat zij geen zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de raadsheer jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert of dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is, met name omdat in het tegen medeverdachte [medeverdachte] gewezen arrest niet onmiskenbaar uitspraak is gedaan over verzoekers betrokkenheid bij of schuld aan wat hem in zijn eigen strafzaak wordt verweten en omdat wat de raadsheer prematuur over mogelijk door verzoeker te voeren verweren heeft opgebracht, hiervoor niet voldoende is.
Bijzondere omstandigheden om hier van dat uitgangspunt af te wijken, zijn niet gebleken. Voor zover verzoeker benadrukt dat de raadsheer hem een prominente rol in de OVC-gesprekken toedicht, zegt dat hooguit iets over verzoekers deelname aan die gesprekken, maar weinig of niets over de inhoud van die gesprekken en al helemaal niets over zijn schuld aan het hem tenlastegelegde.
Dictum
Het hof:
wijst het verzoek tot wraking af;
verstaat dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek;
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan de verzoeker, het openbaar ministerie en de raadsheer;
Deze beslissing is gegeven door mrs. M.G.W.M. Stienissen, voorzitter, C.M.J. Peters en T. van de Woestijne, leden, bijgestaan door mr. L. Kramer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2025.
Dictum
van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch
Gegeven op het mondelinge wrakingsverzoek op de zitting van 12 maart 2025 in de zaak met parketnummer [parketnummer 1] , in het hoger beroep aanhangig bij de meervoudige strafkamer van dit gerechtshof, ingediend door:
[verzoeker]
geboren te [geboorteplaats] (Joegoslavië) op [geboortedatum] 1973,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[postcode] [woonplaats] , [adres] ,
hierna te noemen: ‘de verzoeker’,
mr. K.B.H. Welvaart, advocaat te Maastricht,
hierna te noemen: ‘de advocaat’,
strekkende tot wraking van mr. R. Lonterman, hierna te noemen: de raadsheer.
1Het procesverloop
1.1.
Het hof, in de samenstelling van mrs. R. Lonterman (voorzitter), O.M.J.J. van de Loo en M.J.M.A. van der Put (leden) heeft ter terechtzitting van 12 maart 2025 een aanvang gemaakt met de tegen verzoeker aanhangig gemaakte strafzaak onder parketnummer [parketnummer 1] .
1.2.
Tijdens de behandeling ter terechtzitting heeft de advocaat van verzoeker te kennen gegeven dat hij zich naar aanleiding van de ontvangen verschoningsbeslissing genoodzaakt ziet de raadsheer te wraken.
1.3.
De Wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek ter openbare zitting van 24 maart 2025 behandeld. Verzoeker is niet op de zitting verschenen. De advocaat van verzoeker heeft het wrakingsverzoek nader toegelicht.
1.4.
Het hof heeft de raadsheer, ter terechtzitting aanwezig, in de gelegenheid gesteld het woord te voeren. Daarbij heeft de raadsheer verklaard niet te willen berusten in de wraking.
1.5.
Het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door de advocaat-generaal, mr. M. Jansen, heeft bij brief van 23 maart 2025 zijn visie op het wrakingsverzoek kenbaar gemaakt.
1.6.
Na de mondelinge behandeling heeft de voorzitter het onderzoek gesloten en medegedeeld dat de Wrakingskamer op 7 april 2025, of zoveel eerder als mogelijk, in het openbaar uitspraak zal doen.
2. Het standpunt van verzoeker
Verzoeker stelt zich op het standpunt dat uit het verschoningsverzoek van de raadsheer kan worden afgeleid dat hij zichzelf vooringenomen acht, althans dat hij mogelijk vreest dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. De inhoud van dat verzoek wijst op vooringenomenheid volgens verzoeker.
Verzoeker heeft in eerste aanleg inderdaad verweren gevoerd waar de raadsheer van stelt dat het ‘in de lijn der verwachting’ ligt dat die weer gevoerd zullen worden. Die verweren zijn opgenomen in de pleitnota in eerste aanleg die zich in de stukken van het hof bevindt en waarvan de raadsheer kennis heeft genomen tijdens de voorbereiding van de zaak. Dat de raadsheer al van die verweren kennis heeft genomen, alsmede van het beroepschrift van verzoeker, waaruit blijkt dat hij stelt ten onrechte te zijn veroordeeld, subsidiair de straf te hoog vindt, acht verzoeker ook van betekenis in dit verband.
De feitelijke vaststelling dat verzoeker een prominente rol speelt in de OVC-gesprekken, die het grootste gedeelte van het dossier beslaan, zoals de raadsheer zelf ook stelt, is voor verzoeker al een blijk van vooringenomenheid, een schijn van partijdigheid.
Ook het feit dat het verweer van (het ontbreken van) de wederrechtelijke bevoordeling (welke volgens de raadsheer niet in de eerder door hem berechte zaak is gevoerd, maar wel beslecht) betekent dat dit verweer verworpen zal worden. Het betreft immers wel degelijk afpersing met geweld en bedreiging met geweld, zoals de raadsheer eerder oordeelde. Dat is in de zaak tegen de medeverdachte reeds beslecht in het arrest van 30 januari 2023.
Verzoeker acht de handelwijze van de raadsheer zuiver en de beslissing tot afwijzing van zijn verschoningsverzoek te kort door de bocht en niet getuigen van respect voor zijn kennelijke worsteling c.q. beslissing om het verschoningsverzoek te doen en in te dienen.
De raadsheer acht zelf bijzondere omstandigheden aanwezig die toewijzing van zijn verzoek rechtvaardigen. De beslissing van de verschoningskamer komt daar nog bij. Dus niet alleen het feit dat de raadsheer een verzoek tot verschoning heeft gedaan, maar vooral ook de reden waarom.
De bij verzoeker bestaande vrees is wel (objectief) gerechtvaardigd. Er is in ieder geval een schijn van partijdigheid. De verzoeker is van mening dat het verzoek zonder meer had moeten worden toegewezen. De raadsheer voelde zich immers niet volledig vrij of onbevooroordeeld om de zaak inhoudelijk te behandelen, laat staat als voorzitter.
Als een rechter zelf twijfel koestert over zijn onpartijdigheid, zelfs wanneer objectief niet de vrees gerechtvaardigd is van vooringenomenheid, is er toch grond voor verschoning aanwezig. Daarvan is hier sprake.
3Het standpunt van de raadsheer
De raadsheer heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. Hij heeft tijdens de behandeling ter terechtzitting van 12 maart 2025 aangegeven dat er geen subjectieve redenen zijn die twijfel over zijn onbevangenheid en onpartijdigheid in deze zaak teweeg zouden kunnen brengen. Bij de voorbereiding van de zaak heeft de raadsheer zich afgevraagd of er, gelet op zijn betrokkenheid bij de berechting van de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] onder parketnummer [parketnummer 2] sprake was van een objectieve schijn van vooringenomenheid. Dat heeft hij vervolgens laten toetsen door de verschoningskamer. Het verschoningsverzoek is afgewezen. De raadsheer voelt zich daarom frank en vrij, oftewel onbevangen, om over deze zaak te oordelen.
Tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft de raadsheer desgevraagd aangegeven dat hij, toen hij er achter kwam dat hij de zaak van een medeverdachte had gedaan, gekeken heeft of er bijzondere omstandigheden aanwezig waren voor verschoning. Omdat daarover kan worden getwijfeld, heeft de raadsheer dit willen laten toetsen. Het gaat om dezelfde tenlastelegging en hetzelfde onderliggende dossier. Verzoeker wordt echter niet in de uitspraak van de medeverdachte genoemd. De raadsheer wilde volstrekt helder zijn over zijn bemoeienis met het dossier van de medeverdachte.
De zaak tegen de medeverdachte betrof een bekennende verdachte. Daardoor hoefden de bewijsmiddelen niet te worden uitgewerkt. Als dat wel had gemoeten, dan waren gesprekken met verzoeker waarschijnlijk als bewijsmiddelen gebezigd.
Met prominent heeft de raadsheer bedoeld een prominente rol in de gesprekken. Verzoeker betwist ook niet dat hij deelnemer was aan de gesprekken.
4Het standpunt van het OM
Een raadsheer moet uit hoofde van zijn aanstelling worden vermoed onpartijdig te zijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen zouden kunnen opleveren voor het oordeel dat de raadsheer een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
De enkele omstandigheid dat de zaak van verzoeker in hoger beroep wordt behandeld door een kamer van het gerechtshof, waarvan een lid zitting heeft gehad in de kamer van het gerechtshof die voordien in de zaak tegen de medeverdachte het oordeel heeft uitgesproken dat die medeverdachte met de nadien terecht staande verdachte het strafbare feit heeft gepleegd, levert geen zwaarwegende aanwijzing op als hiervoor bedoeld.
Beoordeling
5.1.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
5.2.
Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheid aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing van de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.
5.3.
Bij beslissing van 11 maart 2025 heeft de verschoningskamer het verzoek tot verschoning van de raadsheer afgewezen. Daartoe heeft de verschoningskamer overwogen:
“3.2. Vooropgesteld dient te worden dat een raadsheer uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen zouden kunnen opleveren voor het oordeel dat de raadsheer een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte bestaande vrees daarvoor objectief
gerechtvaardigd is.
3.3.
De enkele omstandigheid dat de zaak van de verdachte in hoger beroep wordt behandeld door een kamer van het gerechtshof, waarvan een lid zitting heeft gehad in de kamer van het gerechtshof die voordien, te weten in de zaak tegen de medeverdachte, het oordeel heeft uitgesproken dat die medeverdachte met de nadien terecht staande verdachte het strafbare feit heeft gepleegd, levert geen zwaarwegende aanwijzing op als hiervoor bedoeld. Het is immers de normale, wettelijke taak van de raadsheer die heeft te beslissen omtrent de in de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde vragen, daarbij uitsluitend te oordelen op de grondslag van het aan de verdachte tenlastegelegde en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting dienaangaande in de zaak van de verdachte, en daarbij hetgeen hij heeft beslist in andere zaken, van een andere verdachte, buiten beschouwing te laten (vgl. HR 26 mei 1992, NJ
1992, 676 en HR 18 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:A05050).
3.4.
Dit kan echter anders zijn indien bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die een zwaarwegende aanwijzing opleveren om te oordelen dat er bij de verdachte een objectief gerechtvaardigde vrees kan bestaan dat de raadsheer jegens hem een vooringenomenheid koestert.
3.5.
De verschoningskamer stelt vast dat medeverdachte [medeverdachte] bij arrest van dit hof van 30 januari 2023, gewezen onder parketnummer [parketnummer 2] , ter zake van ‘medeplegen van afpersing’ is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis. Verzoeker was voorzitter van de behandelend strafkamer.
3.6.
Uit dit arrest komt naar voren dat de medeverdachte als lid van de motorclub [motorclub] , samen met andere leden van de betreffende motorclub, in een clubhuis van de motorclub een ander lid van de motorclub heeft mishandeld en bedreigd en aldus het slachtoffer (op de bewezenverklaarde wijze) heeft gedwongen tot afgifte van een geldbedrag van € 5.500,00, diens (Ducati) motorfiets met bijbehorende (kenteken)papieren en tot betaling van een openstaande factuur van € 1.896,00, welke aan voormelde motorfiets was gelieerd. Door de leden van de motorclub, met name door de medeverdachte zelf, is fors geweld gepleegd jegens het slachtoffer, waarbij het slachtoffer meermalen tegen het hoofd en het lichaam is geslagen.
3.7.
Ofschoon het hof in het arrest tegen medeverdachte [medeverdachte] bewezen heeft verklaard dat hij het tenlastegelegde ‘tezamen en in vereniging’ met anderen heeft gepleegd, komt daaruit niet (ook niet uit de opgenomen, niet nader uitgewerkte, bewijsmiddelen) naar voren wie die anderen in concreto betreffen. Aldus blijkt uit het arrest, ten laste van de medeverdachte gewezen, niet onmiskenbaar van de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde en valt daaruit voorts niet af te leiden dat reeds een oordeel is geveld over zijn schuld aan hetgeen hem in zijn eigen strafzaak wordt verweten.
3.8.
Het enkele feit dat een raadsheer reeds eerder een medeverdachte heeft veroordeeld in een andere strafrechtelijke procedure is niet voldoende om twijfel te doen rijzen over de onpartijdigheid van verzoeker. Nu in de zaak van de medeverdachte evenmin onmiskenbaar een uitspraak is gedaan over de schuld van de verdachte en er ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die nopen tot een
andersluidende conclusie, is er naar het oordeel van de verschoningskamer onvoldoende grond om tot honorering van het verzoek over te kunnen gaan (vgl. EHRM 24 maart 2009, ECLI :CE: ECHR: 2009:0324JUD003227 104). Hetgeen verzoeker, enigszins
prematuur, te berde heeft gebracht aangaande verweren die door of namens de verdachte in zijn strafzaak kunnen worden gevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.”
5.4.
Tegen de beslissing op een verschoningsverzoek staat geen zelfstandig rechtsmiddel open (art. 518, lid 3, Sv). Aan de Wrakingskamer ligt dan ook niet ter beoordeling voor of de verschoningsbeslissing juist is. Wraking kan in beginsel geen verkapt rechtsmiddel tegen de eerdere verschoningsbeslissing vormen. Beslist moet worden op het wrakingsverzoek. Dat verzoek dient evenwel langs dezelfde maatstaven, zoals hiervoor in rov. 5.1 en 5.2 alsmede in rov. 3.2 en 3.4 van de verschoningsbeslissing genoemd, te worden beoordeeld. Nu er reeds een verschoningsbeslissing ligt, heeft het wrakingsverzoek in beginsel alleen kans van slagen indien de verzoeker nieuwe feiten en omstandigheden voordraagt waaruit blijkt van vooringenomenheid van de raadsheer.
5.5.
Verzoeker draagt in de kern dezelfde feiten en omstandigheden voor als de raadsheer in zijn gedane verschoningsverzoek heeft gedaan. Nu daarover al in de verschoningsbeslissing is geoordeeld, dient daarom ook hier tot uitgangspunt dat zij geen zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de raadsheer jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert of dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is, met name omdat in het tegen medeverdachte [medeverdachte] gewezen arrest niet onmiskenbaar uitspraak is gedaan over verzoekers betrokkenheid bij of schuld aan wat hem in zijn eigen strafzaak wordt verweten en omdat wat de raadsheer prematuur over mogelijk door verzoeker te voeren verweren heeft opgebracht, hiervoor niet voldoende is.
Bijzondere omstandigheden om hier van dat uitgangspunt af te wijken, zijn niet gebleken. Voor zover verzoeker benadrukt dat de raadsheer hem een prominente rol in de OVC-gesprekken toedicht, zegt dat hooguit iets over verzoekers deelname aan die gesprekken, maar weinig of niets over de inhoud van die gesprekken en al helemaal niets over zijn schuld aan het hem tenlastegelegde.
Dictum
Het hof:
wijst het verzoek tot wraking af;
verstaat dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek;
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan de verzoeker, het openbaar ministerie en de raadsheer;
Deze beslissing is gegeven door mrs. M.G.W.M. Stienissen, voorzitter, C.M.J. Peters en T. van de Woestijne, leden, bijgestaan door mr. L. Kramer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2025.
Dictum
van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch
Gegeven op het mondelinge wrakingsverzoek op de zitting van 12 maart 2025 in de zaak met parketnummer [parketnummer 1] , in het hoger beroep aanhangig bij de meervoudige strafkamer van dit gerechtshof, ingediend door:
[verzoeker]
geboren te [geboorteplaats] (Joegoslavië) op [geboortedatum] 1973,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[postcode] [woonplaats] , [adres] ,
hierna te noemen: ‘de verzoeker’,
mr. K.B.H. Welvaart, advocaat te Maastricht,
hierna te noemen: ‘de advocaat’,
strekkende tot wraking van mr. R. Lonterman, hierna te noemen: de raadsheer.
1Het procesverloop
1.1.
Het hof, in de samenstelling van mrs. R. Lonterman (voorzitter), O.M.J.J. van de Loo en M.J.M.A. van der Put (leden) heeft ter terechtzitting van 12 maart 2025 een aanvang gemaakt met de tegen verzoeker aanhangig gemaakte strafzaak onder parketnummer [parketnummer 1] .
1.2.
Tijdens de behandeling ter terechtzitting heeft de advocaat van verzoeker te kennen gegeven dat hij zich naar aanleiding van de ontvangen verschoningsbeslissing genoodzaakt ziet de raadsheer te wraken.
1.3.
De Wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek ter openbare zitting van 24 maart 2025 behandeld. Verzoeker is niet op de zitting verschenen. De advocaat van verzoeker heeft het wrakingsverzoek nader toegelicht.
1.4.
Het hof heeft de raadsheer, ter terechtzitting aanwezig, in de gelegenheid gesteld het woord te voeren. Daarbij heeft de raadsheer verklaard niet te willen berusten in de wraking.
1.5.
Het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door de advocaat-generaal, mr. M. Jansen, heeft bij brief van 23 maart 2025 zijn visie op het wrakingsverzoek kenbaar gemaakt.
1.6.
Na de mondelinge behandeling heeft de voorzitter het onderzoek gesloten en medegedeeld dat de Wrakingskamer op 7 april 2025, of zoveel eerder als mogelijk, in het openbaar uitspraak zal doen.
2. Het standpunt van verzoeker
Verzoeker stelt zich op het standpunt dat uit het verschoningsverzoek van de raadsheer kan worden afgeleid dat hij zichzelf vooringenomen acht, althans dat hij mogelijk vreest dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. De inhoud van dat verzoek wijst op vooringenomenheid volgens verzoeker.
Verzoeker heeft in eerste aanleg inderdaad verweren gevoerd waar de raadsheer van stelt dat het ‘in de lijn der verwachting’ ligt dat die weer gevoerd zullen worden. Die verweren zijn opgenomen in de pleitnota in eerste aanleg die zich in de stukken van het hof bevindt en waarvan de raadsheer kennis heeft genomen tijdens de voorbereiding van de zaak. Dat de raadsheer al van die verweren kennis heeft genomen, alsmede van het beroepschrift van verzoeker, waaruit blijkt dat hij stelt ten onrechte te zijn veroordeeld, subsidiair de straf te hoog vindt, acht verzoeker ook van betekenis in dit verband.
De feitelijke vaststelling dat verzoeker een prominente rol speelt in de OVC-gesprekken, die het grootste gedeelte van het dossier beslaan, zoals de raadsheer zelf ook stelt, is voor verzoeker al een blijk van vooringenomenheid, een schijn van partijdigheid.
Ook het feit dat het verweer van (het ontbreken van) de wederrechtelijke bevoordeling (welke volgens de raadsheer niet in de eerder door hem berechte zaak is gevoerd, maar wel beslecht) betekent dat dit verweer verworpen zal worden. Het betreft immers wel degelijk afpersing met geweld en bedreiging met geweld, zoals de raadsheer eerder oordeelde. Dat is in de zaak tegen de medeverdachte reeds beslecht in het arrest van 30 januari 2023.
Verzoeker acht de handelwijze van de raadsheer zuiver en de beslissing tot afwijzing van zijn verschoningsverzoek te kort door de bocht en niet getuigen van respect voor zijn kennelijke worsteling c.q. beslissing om het verschoningsverzoek te doen en in te dienen.
De raadsheer acht zelf bijzondere omstandigheden aanwezig die toewijzing van zijn verzoek rechtvaardigen. De beslissing van de verschoningskamer komt daar nog bij. Dus niet alleen het feit dat de raadsheer een verzoek tot verschoning heeft gedaan, maar vooral ook de reden waarom.
De bij verzoeker bestaande vrees is wel (objectief) gerechtvaardigd. Er is in ieder geval een schijn van partijdigheid. De verzoeker is van mening dat het verzoek zonder meer had moeten worden toegewezen. De raadsheer voelde zich immers niet volledig vrij of onbevooroordeeld om de zaak inhoudelijk te behandelen, laat staat als voorzitter.
Als een rechter zelf twijfel koestert over zijn onpartijdigheid, zelfs wanneer objectief niet de vrees gerechtvaardigd is van vooringenomenheid, is er toch grond voor verschoning aanwezig. Daarvan is hier sprake.
3Het standpunt van de raadsheer
De raadsheer heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. Hij heeft tijdens de behandeling ter terechtzitting van 12 maart 2025 aangegeven dat er geen subjectieve redenen zijn die twijfel over zijn onbevangenheid en onpartijdigheid in deze zaak teweeg zouden kunnen brengen. Bij de voorbereiding van de zaak heeft de raadsheer zich afgevraagd of er, gelet op zijn betrokkenheid bij de berechting van de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] onder parketnummer [parketnummer 2] sprake was van een objectieve schijn van vooringenomenheid. Dat heeft hij vervolgens laten toetsen door de verschoningskamer. Het verschoningsverzoek is afgewezen. De raadsheer voelt zich daarom frank en vrij, oftewel onbevangen, om over deze zaak te oordelen.
Tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft de raadsheer desgevraagd aangegeven dat hij, toen hij er achter kwam dat hij de zaak van een medeverdachte had gedaan, gekeken heeft of er bijzondere omstandigheden aanwezig waren voor verschoning. Omdat daarover kan worden getwijfeld, heeft de raadsheer dit willen laten toetsen. Het gaat om dezelfde tenlastelegging en hetzelfde onderliggende dossier. Verzoeker wordt echter niet in de uitspraak van de medeverdachte genoemd. De raadsheer wilde volstrekt helder zijn over zijn bemoeienis met het dossier van de medeverdachte.
De zaak tegen de medeverdachte betrof een bekennende verdachte. Daardoor hoefden de bewijsmiddelen niet te worden uitgewerkt. Als dat wel had gemoeten, dan waren gesprekken met verzoeker waarschijnlijk als bewijsmiddelen gebezigd.
Met prominent heeft de raadsheer bedoeld een prominente rol in de gesprekken. Verzoeker betwist ook niet dat hij deelnemer was aan de gesprekken.
4Het standpunt van het OM
Een raadsheer moet uit hoofde van zijn aanstelling worden vermoed onpartijdig te zijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen zouden kunnen opleveren voor het oordeel dat de raadsheer een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
De enkele omstandigheid dat de zaak van verzoeker in hoger beroep wordt behandeld door een kamer van het gerechtshof, waarvan een lid zitting heeft gehad in de kamer van het gerechtshof die voordien in de zaak tegen de medeverdachte het oordeel heeft uitgesproken dat die medeverdachte met de nadien terecht staande verdachte het strafbare feit heeft gepleegd, levert geen zwaarwegende aanwijzing op als hiervoor bedoeld.
Beoordeling
5.1.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
5.2.
Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheid aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing van de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.
5.3.
Bij beslissing van 11 maart 2025 heeft de verschoningskamer het verzoek tot verschoning van de raadsheer afgewezen. Daartoe heeft de verschoningskamer overwogen:
“3.2. Vooropgesteld dient te worden dat een raadsheer uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen zouden kunnen opleveren voor het oordeel dat de raadsheer een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte bestaande vrees daarvoor objectief
gerechtvaardigd is.
3.3.
De enkele omstandigheid dat de zaak van de verdachte in hoger beroep wordt behandeld door een kamer van het gerechtshof, waarvan een lid zitting heeft gehad in de kamer van het gerechtshof die voordien, te weten in de zaak tegen de medeverdachte, het oordeel heeft uitgesproken dat die medeverdachte met de nadien terecht staande verdachte het strafbare feit heeft gepleegd, levert geen zwaarwegende aanwijzing op als hiervoor bedoeld. Het is immers de normale, wettelijke taak van de raadsheer die heeft te beslissen omtrent de in de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde vragen, daarbij uitsluitend te oordelen op de grondslag van het aan de verdachte tenlastegelegde en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting dienaangaande in de zaak van de verdachte, en daarbij hetgeen hij heeft beslist in andere zaken, van een andere verdachte, buiten beschouwing te laten (vgl. HR 26 mei 1992, NJ
1992, 676 en HR 18 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:A05050).
3.4.
Dit kan echter anders zijn indien bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die een zwaarwegende aanwijzing opleveren om te oordelen dat er bij de verdachte een objectief gerechtvaardigde vrees kan bestaan dat de raadsheer jegens hem een vooringenomenheid koestert.
3.5.
De verschoningskamer stelt vast dat medeverdachte [medeverdachte] bij arrest van dit hof van 30 januari 2023, gewezen onder parketnummer [parketnummer 2] , ter zake van ‘medeplegen van afpersing’ is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis. Verzoeker was voorzitter van de behandelend strafkamer.
3.6.
Uit dit arrest komt naar voren dat de medeverdachte als lid van de motorclub [motorclub] , samen met andere leden van de betreffende motorclub, in een clubhuis van de motorclub een ander lid van de motorclub heeft mishandeld en bedreigd en aldus het slachtoffer (op de bewezenverklaarde wijze) heeft gedwongen tot afgifte van een geldbedrag van € 5.500,00, diens (Ducati) motorfiets met bijbehorende (kenteken)papieren en tot betaling van een openstaande factuur van € 1.896,00, welke aan voormelde motorfiets was gelieerd. Door de leden van de motorclub, met name door de medeverdachte zelf, is fors geweld gepleegd jegens het slachtoffer, waarbij het slachtoffer meermalen tegen het hoofd en het lichaam is geslagen.
3.7.
Ofschoon het hof in het arrest tegen medeverdachte [medeverdachte] bewezen heeft verklaard dat hij het tenlastegelegde ‘tezamen en in vereniging’ met anderen heeft gepleegd, komt daaruit niet (ook niet uit de opgenomen, niet nader uitgewerkte, bewijsmiddelen) naar voren wie die anderen in concreto betreffen. Aldus blijkt uit het arrest, ten laste van de medeverdachte gewezen, niet onmiskenbaar van de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde en valt daaruit voorts niet af te leiden dat reeds een oordeel is geveld over zijn schuld aan hetgeen hem in zijn eigen strafzaak wordt verweten.
3.8.
Het enkele feit dat een raadsheer reeds eerder een medeverdachte heeft veroordeeld in een andere strafrechtelijke procedure is niet voldoende om twijfel te doen rijzen over de onpartijdigheid van verzoeker. Nu in de zaak van de medeverdachte evenmin onmiskenbaar een uitspraak is gedaan over de schuld van de verdachte en er ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die nopen tot een
andersluidende conclusie, is er naar het oordeel van de verschoningskamer onvoldoende grond om tot honorering van het verzoek over te kunnen gaan (vgl. EHRM 24 maart 2009, ECLI :CE: ECHR: 2009:0324JUD003227 104). Hetgeen verzoeker, enigszins
prematuur, te berde heeft gebracht aangaande verweren die door of namens de verdachte in zijn strafzaak kunnen worden gevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.”
5.4.
Tegen de beslissing op een verschoningsverzoek staat geen zelfstandig rechtsmiddel open (art. 518, lid 3, Sv). Aan de Wrakingskamer ligt dan ook niet ter beoordeling voor of de verschoningsbeslissing juist is. Wraking kan in beginsel geen verkapt rechtsmiddel tegen de eerdere verschoningsbeslissing vormen. Beslist moet worden op het wrakingsverzoek. Dat verzoek dient evenwel langs dezelfde maatstaven, zoals hiervoor in rov. 5.1 en 5.2 alsmede in rov. 3.2 en 3.4 van de verschoningsbeslissing genoemd, te worden beoordeeld. Nu er reeds een verschoningsbeslissing ligt, heeft het wrakingsverzoek in beginsel alleen kans van slagen indien de verzoeker nieuwe feiten en omstandigheden voordraagt waaruit blijkt van vooringenomenheid van de raadsheer.
5.5.
Verzoeker draagt in de kern dezelfde feiten en omstandigheden voor als de raadsheer in zijn gedane verschoningsverzoek heeft gedaan. Nu daarover al in de verschoningsbeslissing is geoordeeld, dient daarom ook hier tot uitgangspunt dat zij geen zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de raadsheer jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert of dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is, met name omdat in het tegen medeverdachte [medeverdachte] gewezen arrest niet onmiskenbaar uitspraak is gedaan over verzoekers betrokkenheid bij of schuld aan wat hem in zijn eigen strafzaak wordt verweten en omdat wat de raadsheer prematuur over mogelijk door verzoeker te voeren verweren heeft opgebracht, hiervoor niet voldoende is.
Bijzondere omstandigheden om hier van dat uitgangspunt af te wijken, zijn niet gebleken. Voor zover verzoeker benadrukt dat de raadsheer hem een prominente rol in de OVC-gesprekken toedicht, zegt dat hooguit iets over verzoekers deelname aan die gesprekken, maar weinig of niets over de inhoud van die gesprekken en al helemaal niets over zijn schuld aan het hem tenlastegelegde.
Dictum
Het hof:
wijst het verzoek tot wraking af;
verstaat dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek;
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan de verzoeker, het openbaar ministerie en de raadsheer;
Deze beslissing is gegeven door mrs. M.G.W.M. Stienissen, voorzitter, C.M.J. Peters en T. van de Woestijne, leden, bijgestaan door mr. L. Kramer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2025.
Dictum
van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch
Gegeven op het mondelinge wrakingsverzoek op de zitting van 12 maart 2025 in de zaak met parketnummer [parketnummer 1] , in het hoger beroep aanhangig bij de meervoudige strafkamer van dit gerechtshof, ingediend door:
[verzoeker]
geboren te [geboorteplaats] (Joegoslavië) op [geboortedatum] 1973,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[postcode] [woonplaats] , [adres] ,
hierna te noemen: ‘de verzoeker’,
mr. K.B.H. Welvaart, advocaat te Maastricht,
hierna te noemen: ‘de advocaat’,
strekkende tot wraking van mr. R. Lonterman, hierna te noemen: de raadsheer.
1Het procesverloop
1.1.
Het hof, in de samenstelling van mrs. R. Lonterman (voorzitter), O.M.J.J. van de Loo en M.J.M.A. van der Put (leden) heeft ter terechtzitting van 12 maart 2025 een aanvang gemaakt met de tegen verzoeker aanhangig gemaakte strafzaak onder parketnummer [parketnummer 1] .
1.2.
Tijdens de behandeling ter terechtzitting heeft de advocaat van verzoeker te kennen gegeven dat hij zich naar aanleiding van de ontvangen verschoningsbeslissing genoodzaakt ziet de raadsheer te wraken.
1.3.
De Wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek ter openbare zitting van 24 maart 2025 behandeld. Verzoeker is niet op de zitting verschenen. De advocaat van verzoeker heeft het wrakingsverzoek nader toegelicht.
1.4.
Het hof heeft de raadsheer, ter terechtzitting aanwezig, in de gelegenheid gesteld het woord te voeren. Daarbij heeft de raadsheer verklaard niet te willen berusten in de wraking.
1.5.
Het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door de advocaat-generaal, mr. M. Jansen, heeft bij brief van 23 maart 2025 zijn visie op het wrakingsverzoek kenbaar gemaakt.
1.6.
Na de mondelinge behandeling heeft de voorzitter het onderzoek gesloten en medegedeeld dat de Wrakingskamer op 7 april 2025, of zoveel eerder als mogelijk, in het openbaar uitspraak zal doen.
2. Het standpunt van verzoeker
Verzoeker stelt zich op het standpunt dat uit het verschoningsverzoek van de raadsheer kan worden afgeleid dat hij zichzelf vooringenomen acht, althans dat hij mogelijk vreest dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. De inhoud van dat verzoek wijst op vooringenomenheid volgens verzoeker.
Verzoeker heeft in eerste aanleg inderdaad verweren gevoerd waar de raadsheer van stelt dat het ‘in de lijn der verwachting’ ligt dat die weer gevoerd zullen worden. Die verweren zijn opgenomen in de pleitnota in eerste aanleg die zich in de stukken van het hof bevindt en waarvan de raadsheer kennis heeft genomen tijdens de voorbereiding van de zaak. Dat de raadsheer al van die verweren kennis heeft genomen, alsmede van het beroepschrift van verzoeker, waaruit blijkt dat hij stelt ten onrechte te zijn veroordeeld, subsidiair de straf te hoog vindt, acht verzoeker ook van betekenis in dit verband.
De feitelijke vaststelling dat verzoeker een prominente rol speelt in de OVC-gesprekken, die het grootste gedeelte van het dossier beslaan, zoals de raadsheer zelf ook stelt, is voor verzoeker al een blijk van vooringenomenheid, een schijn van partijdigheid.
Ook het feit dat het verweer van (het ontbreken van) de wederrechtelijke bevoordeling (welke volgens de raadsheer niet in de eerder door hem berechte zaak is gevoerd, maar wel beslecht) betekent dat dit verweer verworpen zal worden. Het betreft immers wel degelijk afpersing met geweld en bedreiging met geweld, zoals de raadsheer eerder oordeelde. Dat is in de zaak tegen de medeverdachte reeds beslecht in het arrest van 30 januari 2023.
Verzoeker acht de handelwijze van de raadsheer zuiver en de beslissing tot afwijzing van zijn verschoningsverzoek te kort door de bocht en niet getuigen van respect voor zijn kennelijke worsteling c.q. beslissing om het verschoningsverzoek te doen en in te dienen.
De raadsheer acht zelf bijzondere omstandigheden aanwezig die toewijzing van zijn verzoek rechtvaardigen. De beslissing van de verschoningskamer komt daar nog bij. Dus niet alleen het feit dat de raadsheer een verzoek tot verschoning heeft gedaan, maar vooral ook de reden waarom.
De bij verzoeker bestaande vrees is wel (objectief) gerechtvaardigd. Er is in ieder geval een schijn van partijdigheid. De verzoeker is van mening dat het verzoek zonder meer had moeten worden toegewezen. De raadsheer voelde zich immers niet volledig vrij of onbevooroordeeld om de zaak inhoudelijk te behandelen, laat staat als voorzitter.
Als een rechter zelf twijfel koestert over zijn onpartijdigheid, zelfs wanneer objectief niet de vrees gerechtvaardigd is van vooringenomenheid, is er toch grond voor verschoning aanwezig. Daarvan is hier sprake.
3Het standpunt van de raadsheer
De raadsheer heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. Hij heeft tijdens de behandeling ter terechtzitting van 12 maart 2025 aangegeven dat er geen subjectieve redenen zijn die twijfel over zijn onbevangenheid en onpartijdigheid in deze zaak teweeg zouden kunnen brengen. Bij de voorbereiding van de zaak heeft de raadsheer zich afgevraagd of er, gelet op zijn betrokkenheid bij de berechting van de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] onder parketnummer [parketnummer 2] sprake was van een objectieve schijn van vooringenomenheid. Dat heeft hij vervolgens laten toetsen door de verschoningskamer. Het verschoningsverzoek is afgewezen. De raadsheer voelt zich daarom frank en vrij, oftewel onbevangen, om over deze zaak te oordelen.
Tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft de raadsheer desgevraagd aangegeven dat hij, toen hij er achter kwam dat hij de zaak van een medeverdachte had gedaan, gekeken heeft of er bijzondere omstandigheden aanwezig waren voor verschoning. Omdat daarover kan worden getwijfeld, heeft de raadsheer dit willen laten toetsen. Het gaat om dezelfde tenlastelegging en hetzelfde onderliggende dossier. Verzoeker wordt echter niet in de uitspraak van de medeverdachte genoemd. De raadsheer wilde volstrekt helder zijn over zijn bemoeienis met het dossier van de medeverdachte.
De zaak tegen de medeverdachte betrof een bekennende verdachte. Daardoor hoefden de bewijsmiddelen niet te worden uitgewerkt. Als dat wel had gemoeten, dan waren gesprekken met verzoeker waarschijnlijk als bewijsmiddelen gebezigd.
Met prominent heeft de raadsheer bedoeld een prominente rol in de gesprekken. Verzoeker betwist ook niet dat hij deelnemer was aan de gesprekken.
4Het standpunt van het OM
Een raadsheer moet uit hoofde van zijn aanstelling worden vermoed onpartijdig te zijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen zouden kunnen opleveren voor het oordeel dat de raadsheer een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
De enkele omstandigheid dat de zaak van verzoeker in hoger beroep wordt behandeld door een kamer van het gerechtshof, waarvan een lid zitting heeft gehad in de kamer van het gerechtshof die voordien in de zaak tegen de medeverdachte het oordeel heeft uitgesproken dat die medeverdachte met de nadien terecht staande verdachte het strafbare feit heeft gepleegd, levert geen zwaarwegende aanwijzing op als hiervoor bedoeld.
Beoordeling
5.1.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
5.2.
Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheid aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing van de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.
5.3.
Bij beslissing van 11 maart 2025 heeft de verschoningskamer het verzoek tot verschoning van de raadsheer afgewezen. Daartoe heeft de verschoningskamer overwogen:
“3.2. Vooropgesteld dient te worden dat een raadsheer uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen zouden kunnen opleveren voor het oordeel dat de raadsheer een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte bestaande vrees daarvoor objectief
gerechtvaardigd is.
3.3.
De enkele omstandigheid dat de zaak van de verdachte in hoger beroep wordt behandeld door een kamer van het gerechtshof, waarvan een lid zitting heeft gehad in de kamer van het gerechtshof die voordien, te weten in de zaak tegen de medeverdachte, het oordeel heeft uitgesproken dat die medeverdachte met de nadien terecht staande verdachte het strafbare feit heeft gepleegd, levert geen zwaarwegende aanwijzing op als hiervoor bedoeld. Het is immers de normale, wettelijke taak van de raadsheer die heeft te beslissen omtrent de in de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde vragen, daarbij uitsluitend te oordelen op de grondslag van het aan de verdachte tenlastegelegde en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting dienaangaande in de zaak van de verdachte, en daarbij hetgeen hij heeft beslist in andere zaken, van een andere verdachte, buiten beschouwing te laten (vgl. HR 26 mei 1992, NJ
1992, 676 en HR 18 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:A05050).
3.4.
Dit kan echter anders zijn indien bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die een zwaarwegende aanwijzing opleveren om te oordelen dat er bij de verdachte een objectief gerechtvaardigde vrees kan bestaan dat de raadsheer jegens hem een vooringenomenheid koestert.
3.5.
De verschoningskamer stelt vast dat medeverdachte [medeverdachte] bij arrest van dit hof van 30 januari 2023, gewezen onder parketnummer [parketnummer 2] , ter zake van ‘medeplegen van afpersing’ is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis. Verzoeker was voorzitter van de behandelend strafkamer.
3.6.
Uit dit arrest komt naar voren dat de medeverdachte als lid van de motorclub [motorclub] , samen met andere leden van de betreffende motorclub, in een clubhuis van de motorclub een ander lid van de motorclub heeft mishandeld en bedreigd en aldus het slachtoffer (op de bewezenverklaarde wijze) heeft gedwongen tot afgifte van een geldbedrag van € 5.500,00, diens (Ducati) motorfiets met bijbehorende (kenteken)papieren en tot betaling van een openstaande factuur van € 1.896,00, welke aan voormelde motorfiets was gelieerd. Door de leden van de motorclub, met name door de medeverdachte zelf, is fors geweld gepleegd jegens het slachtoffer, waarbij het slachtoffer meermalen tegen het hoofd en het lichaam is geslagen.
3.7.
Ofschoon het hof in het arrest tegen medeverdachte [medeverdachte] bewezen heeft verklaard dat hij het tenlastegelegde ‘tezamen en in vereniging’ met anderen heeft gepleegd, komt daaruit niet (ook niet uit de opgenomen, niet nader uitgewerkte, bewijsmiddelen) naar voren wie die anderen in concreto betreffen. Aldus blijkt uit het arrest, ten laste van de medeverdachte gewezen, niet onmiskenbaar van de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde en valt daaruit voorts niet af te leiden dat reeds een oordeel is geveld over zijn schuld aan hetgeen hem in zijn eigen strafzaak wordt verweten.
3.8.
Het enkele feit dat een raadsheer reeds eerder een medeverdachte heeft veroordeeld in een andere strafrechtelijke procedure is niet voldoende om twijfel te doen rijzen over de onpartijdigheid van verzoeker. Nu in de zaak van de medeverdachte evenmin onmiskenbaar een uitspraak is gedaan over de schuld van de verdachte en er ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die nopen tot een
andersluidende conclusie, is er naar het oordeel van de verschoningskamer onvoldoende grond om tot honorering van het verzoek over te kunnen gaan (vgl. EHRM 24 maart 2009, ECLI :CE: ECHR: 2009:0324JUD003227 104). Hetgeen verzoeker, enigszins
prematuur, te berde heeft gebracht aangaande verweren die door of namens de verdachte in zijn strafzaak kunnen worden gevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.”
5.4.
Tegen de beslissing op een verschoningsverzoek staat geen zelfstandig rechtsmiddel open (art. 518, lid 3, Sv). Aan de Wrakingskamer ligt dan ook niet ter beoordeling voor of de verschoningsbeslissing juist is. Wraking kan in beginsel geen verkapt rechtsmiddel tegen de eerdere verschoningsbeslissing vormen. Beslist moet worden op het wrakingsverzoek. Dat verzoek dient evenwel langs dezelfde maatstaven, zoals hiervoor in rov. 5.1 en 5.2 alsmede in rov. 3.2 en 3.4 van de verschoningsbeslissing genoemd, te worden beoordeeld. Nu er reeds een verschoningsbeslissing ligt, heeft het wrakingsverzoek in beginsel alleen kans van slagen indien de verzoeker nieuwe feiten en omstandigheden voordraagt waaruit blijkt van vooringenomenheid van de raadsheer.
5.5.
Verzoeker draagt in de kern dezelfde feiten en omstandigheden voor als de raadsheer in zijn gedane verschoningsverzoek heeft gedaan. Nu daarover al in de verschoningsbeslissing is geoordeeld, dient daarom ook hier tot uitgangspunt dat zij geen zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de raadsheer jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert of dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is, met name omdat in het tegen medeverdachte [medeverdachte] gewezen arrest niet onmiskenbaar uitspraak is gedaan over verzoekers betrokkenheid bij of schuld aan wat hem in zijn eigen strafzaak wordt verweten en omdat wat de raadsheer prematuur over mogelijk door verzoeker te voeren verweren heeft opgebracht, hiervoor niet voldoende is.
Bijzondere omstandigheden om hier van dat uitgangspunt af te wijken, zijn niet gebleken. Voor zover verzoeker benadrukt dat de raadsheer hem een prominente rol in de OVC-gesprekken toedicht, zegt dat hooguit iets over verzoekers deelname aan die gesprekken, maar weinig of niets over de inhoud van die gesprekken en al helemaal niets over zijn schuld aan het hem tenlastegelegde.
Dictum
Het hof:
wijst het verzoek tot wraking af;
verstaat dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek;
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan de verzoeker, het openbaar ministerie en de raadsheer;
Deze beslissing is gegeven door mrs. M.G.W.M. Stienissen, voorzitter, C.M.J. Peters en T. van de Woestijne, leden, bijgestaan door mr. L. Kramer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2025.
Dictum
van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch
Gegeven op het mondelinge wrakingsverzoek op de zitting van 12 maart 2025 in de zaak met parketnummer [parketnummer 1] , in het hoger beroep aanhangig bij de meervoudige strafkamer van dit gerechtshof, ingediend door:
[verzoeker]
geboren te [geboorteplaats] (Joegoslavië) op [geboortedatum] 1973,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[postcode] [woonplaats] , [adres] ,
hierna te noemen: ‘de verzoeker’,
mr. K.B.H. Welvaart, advocaat te Maastricht,
hierna te noemen: ‘de advocaat’,
strekkende tot wraking van mr. R. Lonterman, hierna te noemen: de raadsheer.
1Het procesverloop
1.1.
Het hof, in de samenstelling van mrs. R. Lonterman (voorzitter), O.M.J.J. van de Loo en M.J.M.A. van der Put (leden) heeft ter terechtzitting van 12 maart 2025 een aanvang gemaakt met de tegen verzoeker aanhangig gemaakte strafzaak onder parketnummer [parketnummer 1] .
1.2.
Tijdens de behandeling ter terechtzitting heeft de advocaat van verzoeker te kennen gegeven dat hij zich naar aanleiding van de ontvangen verschoningsbeslissing genoodzaakt ziet de raadsheer te wraken.
1.3.
De Wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek ter openbare zitting van 24 maart 2025 behandeld. Verzoeker is niet op de zitting verschenen. De advocaat van verzoeker heeft het wrakingsverzoek nader toegelicht.
1.4.
Het hof heeft de raadsheer, ter terechtzitting aanwezig, in de gelegenheid gesteld het woord te voeren. Daarbij heeft de raadsheer verklaard niet te willen berusten in de wraking.
1.5.
Het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door de advocaat-generaal, mr. M. Jansen, heeft bij brief van 23 maart 2025 zijn visie op het wrakingsverzoek kenbaar gemaakt.
1.6.
Na de mondelinge behandeling heeft de voorzitter het onderzoek gesloten en medegedeeld dat de Wrakingskamer op 7 april 2025, of zoveel eerder als mogelijk, in het openbaar uitspraak zal doen.
2. Het standpunt van verzoeker
Verzoeker stelt zich op het standpunt dat uit het verschoningsverzoek van de raadsheer kan worden afgeleid dat hij zichzelf vooringenomen acht, althans dat hij mogelijk vreest dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. De inhoud van dat verzoek wijst op vooringenomenheid volgens verzoeker.
Verzoeker heeft in eerste aanleg inderdaad verweren gevoerd waar de raadsheer van stelt dat het ‘in de lijn der verwachting’ ligt dat die weer gevoerd zullen worden. Die verweren zijn opgenomen in de pleitnota in eerste aanleg die zich in de stukken van het hof bevindt en waarvan de raadsheer kennis heeft genomen tijdens de voorbereiding van de zaak. Dat de raadsheer al van die verweren kennis heeft genomen, alsmede van het beroepschrift van verzoeker, waaruit blijkt dat hij stelt ten onrechte te zijn veroordeeld, subsidiair de straf te hoog vindt, acht verzoeker ook van betekenis in dit verband.
De feitelijke vaststelling dat verzoeker een prominente rol speelt in de OVC-gesprekken, die het grootste gedeelte van het dossier beslaan, zoals de raadsheer zelf ook stelt, is voor verzoeker al een blijk van vooringenomenheid, een schijn van partijdigheid.
Ook het feit dat het verweer van (het ontbreken van) de wederrechtelijke bevoordeling (welke volgens de raadsheer niet in de eerder door hem berechte zaak is gevoerd, maar wel beslecht) betekent dat dit verweer verworpen zal worden. Het betreft immers wel degelijk afpersing met geweld en bedreiging met geweld, zoals de raadsheer eerder oordeelde. Dat is in de zaak tegen de medeverdachte reeds beslecht in het arrest van 30 januari 2023.
Verzoeker acht de handelwijze van de raadsheer zuiver en de beslissing tot afwijzing van zijn verschoningsverzoek te kort door de bocht en niet getuigen van respect voor zijn kennelijke worsteling c.q. beslissing om het verschoningsverzoek te doen en in te dienen.
De raadsheer acht zelf bijzondere omstandigheden aanwezig die toewijzing van zijn verzoek rechtvaardigen. De beslissing van de verschoningskamer komt daar nog bij. Dus niet alleen het feit dat de raadsheer een verzoek tot verschoning heeft gedaan, maar vooral ook de reden waarom.
De bij verzoeker bestaande vrees is wel (objectief) gerechtvaardigd. Er is in ieder geval een schijn van partijdigheid. De verzoeker is van mening dat het verzoek zonder meer had moeten worden toegewezen. De raadsheer voelde zich immers niet volledig vrij of onbevooroordeeld om de zaak inhoudelijk te behandelen, laat staat als voorzitter.
Als een rechter zelf twijfel koestert over zijn onpartijdigheid, zelfs wanneer objectief niet de vrees gerechtvaardigd is van vooringenomenheid, is er toch grond voor verschoning aanwezig. Daarvan is hier sprake.
3Het standpunt van de raadsheer
De raadsheer heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. Hij heeft tijdens de behandeling ter terechtzitting van 12 maart 2025 aangegeven dat er geen subjectieve redenen zijn die twijfel over zijn onbevangenheid en onpartijdigheid in deze zaak teweeg zouden kunnen brengen. Bij de voorbereiding van de zaak heeft de raadsheer zich afgevraagd of er, gelet op zijn betrokkenheid bij de berechting van de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] onder parketnummer [parketnummer 2] sprake was van een objectieve schijn van vooringenomenheid. Dat heeft hij vervolgens laten toetsen door de verschoningskamer. Het verschoningsverzoek is afgewezen. De raadsheer voelt zich daarom frank en vrij, oftewel onbevangen, om over deze zaak te oordelen.
Tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft de raadsheer desgevraagd aangegeven dat hij, toen hij er achter kwam dat hij de zaak van een medeverdachte had gedaan, gekeken heeft of er bijzondere omstandigheden aanwezig waren voor verschoning. Omdat daarover kan worden getwijfeld, heeft de raadsheer dit willen laten toetsen. Het gaat om dezelfde tenlastelegging en hetzelfde onderliggende dossier. Verzoeker wordt echter niet in de uitspraak van de medeverdachte genoemd. De raadsheer wilde volstrekt helder zijn over zijn bemoeienis met het dossier van de medeverdachte.
De zaak tegen de medeverdachte betrof een bekennende verdachte. Daardoor hoefden de bewijsmiddelen niet te worden uitgewerkt. Als dat wel had gemoeten, dan waren gesprekken met verzoeker waarschijnlijk als bewijsmiddelen gebezigd.
Met prominent heeft de raadsheer bedoeld een prominente rol in de gesprekken. Verzoeker betwist ook niet dat hij deelnemer was aan de gesprekken.
4Het standpunt van het OM
Een raadsheer moet uit hoofde van zijn aanstelling worden vermoed onpartijdig te zijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen zouden kunnen opleveren voor het oordeel dat de raadsheer een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
De enkele omstandigheid dat de zaak van verzoeker in hoger beroep wordt behandeld door een kamer van het gerechtshof, waarvan een lid zitting heeft gehad in de kamer van het gerechtshof die voordien in de zaak tegen de medeverdachte het oordeel heeft uitgesproken dat die medeverdachte met de nadien terecht staande verdachte het strafbare feit heeft gepleegd, levert geen zwaarwegende aanwijzing op als hiervoor bedoeld.
Beoordeling
5.1.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
5.2.
Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheid aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing van de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.
5.3.
Bij beslissing van 11 maart 2025 heeft de verschoningskamer het verzoek tot verschoning van de raadsheer afgewezen. Daartoe heeft de verschoningskamer overwogen:
“3.2. Vooropgesteld dient te worden dat een raadsheer uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen zouden kunnen opleveren voor het oordeel dat de raadsheer een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte bestaande vrees daarvoor objectief
gerechtvaardigd is.
3.3.
De enkele omstandigheid dat de zaak van de verdachte in hoger beroep wordt behandeld door een kamer van het gerechtshof, waarvan een lid zitting heeft gehad in de kamer van het gerechtshof die voordien, te weten in de zaak tegen de medeverdachte, het oordeel heeft uitgesproken dat die medeverdachte met de nadien terecht staande verdachte het strafbare feit heeft gepleegd, levert geen zwaarwegende aanwijzing op als hiervoor bedoeld. Het is immers de normale, wettelijke taak van de raadsheer die heeft te beslissen omtrent de in de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde vragen, daarbij uitsluitend te oordelen op de grondslag van het aan de verdachte tenlastegelegde en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting dienaangaande in de zaak van de verdachte, en daarbij hetgeen hij heeft beslist in andere zaken, van een andere verdachte, buiten beschouwing te laten (vgl. HR 26 mei 1992, NJ
1992, 676 en HR 18 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:A05050).
3.4.
Dit kan echter anders zijn indien bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die een zwaarwegende aanwijzing opleveren om te oordelen dat er bij de verdachte een objectief gerechtvaardigde vrees kan bestaan dat de raadsheer jegens hem een vooringenomenheid koestert.
3.5.
De verschoningskamer stelt vast dat medeverdachte [medeverdachte] bij arrest van dit hof van 30 januari 2023, gewezen onder parketnummer [parketnummer 2] , ter zake van ‘medeplegen van afpersing’ is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis. Verzoeker was voorzitter van de behandelend strafkamer.
3.6.
Uit dit arrest komt naar voren dat de medeverdachte als lid van de motorclub [motorclub] , samen met andere leden van de betreffende motorclub, in een clubhuis van de motorclub een ander lid van de motorclub heeft mishandeld en bedreigd en aldus het slachtoffer (op de bewezenverklaarde wijze) heeft gedwongen tot afgifte van een geldbedrag van € 5.500,00, diens (Ducati) motorfiets met bijbehorende (kenteken)papieren en tot betaling van een openstaande factuur van € 1.896,00, welke aan voormelde motorfiets was gelieerd. Door de leden van de motorclub, met name door de medeverdachte zelf, is fors geweld gepleegd jegens het slachtoffer, waarbij het slachtoffer meermalen tegen het hoofd en het lichaam is geslagen.
3.7.
Ofschoon het hof in het arrest tegen medeverdachte [medeverdachte] bewezen heeft verklaard dat hij het tenlastegelegde ‘tezamen en in vereniging’ met anderen heeft gepleegd, komt daaruit niet (ook niet uit de opgenomen, niet nader uitgewerkte, bewijsmiddelen) naar voren wie die anderen in concreto betreffen. Aldus blijkt uit het arrest, ten laste van de medeverdachte gewezen, niet onmiskenbaar van de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde en valt daaruit voorts niet af te leiden dat reeds een oordeel is geveld over zijn schuld aan hetgeen hem in zijn eigen strafzaak wordt verweten.
3.8.
Het enkele feit dat een raadsheer reeds eerder een medeverdachte heeft veroordeeld in een andere strafrechtelijke procedure is niet voldoende om twijfel te doen rijzen over de onpartijdigheid van verzoeker. Nu in de zaak van de medeverdachte evenmin onmiskenbaar een uitspraak is gedaan over de schuld van de verdachte en er ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die nopen tot een
andersluidende conclusie, is er naar het oordeel van de verschoningskamer onvoldoende grond om tot honorering van het verzoek over te kunnen gaan (vgl. EHRM 24 maart 2009, ECLI :CE: ECHR: 2009:0324JUD003227 104). Hetgeen verzoeker, enigszins
prematuur, te berde heeft gebracht aangaande verweren die door of namens de verdachte in zijn strafzaak kunnen worden gevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.”
5.4.
Tegen de beslissing op een verschoningsverzoek staat geen zelfstandig rechtsmiddel open (art. 518, lid 3, Sv). Aan de Wrakingskamer ligt dan ook niet ter beoordeling voor of de verschoningsbeslissing juist is. Wraking kan in beginsel geen verkapt rechtsmiddel tegen de eerdere verschoningsbeslissing vormen. Beslist moet worden op het wrakingsverzoek. Dat verzoek dient evenwel langs dezelfde maatstaven, zoals hiervoor in rov. 5.1 en 5.2 alsmede in rov. 3.2 en 3.4 van de verschoningsbeslissing genoemd, te worden beoordeeld. Nu er reeds een verschoningsbeslissing ligt, heeft het wrakingsverzoek in beginsel alleen kans van slagen indien de verzoeker nieuwe feiten en omstandigheden voordraagt waaruit blijkt van vooringenomenheid van de raadsheer.
5.5.
Verzoeker draagt in de kern dezelfde feiten en omstandigheden voor als de raadsheer in zijn gedane verschoningsverzoek heeft gedaan. Nu daarover al in de verschoningsbeslissing is geoordeeld, dient daarom ook hier tot uitgangspunt dat zij geen zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de raadsheer jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert of dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is, met name omdat in het tegen medeverdachte [medeverdachte] gewezen arrest niet onmiskenbaar uitspraak is gedaan over verzoekers betrokkenheid bij of schuld aan wat hem in zijn eigen strafzaak wordt verweten en omdat wat de raadsheer prematuur over mogelijk door verzoeker te voeren verweren heeft opgebracht, hiervoor niet voldoende is.
Bijzondere omstandigheden om hier van dat uitgangspunt af te wijken, zijn niet gebleken. Voor zover verzoeker benadrukt dat de raadsheer hem een prominente rol in de OVC-gesprekken toedicht, zegt dat hooguit iets over verzoekers deelname aan die gesprekken, maar weinig of niets over de inhoud van die gesprekken en al helemaal niets over zijn schuld aan het hem tenlastegelegde.
Dictum
Het hof:
wijst het verzoek tot wraking af;
verstaat dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek;
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan de verzoeker, het openbaar ministerie en de raadsheer;
Deze beslissing is gegeven door mrs. M.G.W.M. Stienissen, voorzitter, C.M.J. Peters en T. van de Woestijne, leden, bijgestaan door mr. L. Kramer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2025.