Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-01-07
ECLI:NL:GHSHE:2025:21
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
29,784 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.335.199/01
arrest van 7 januari 2025
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. J.M. McKernan te Sittard,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. D.N. Lavain te Stein (Limburg),
op het bij exploot van dagvaarding van 10 november 2023 ingeleide hoger beroep van het kortgedingvonnis van 16 oktober 2023, zoals met toepassing van artikel 32 Rv aangevuld bij herstelvonnis van 17 november 2023, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, rechtdoende als voorzieningenrechter, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.
Procesverloop
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep met één productie;
de memorie van grieven met producties 1 en 2;
de memorie van antwoord met productie 12;
de akte van [appellant] ;
de antwoordakte van [geïntimeerde] .
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Beoordeling
De vaststaande feiten en de kern van het geschil
3.1.1.
Het gaat in dit kort geding naar de kern genomen om de vraag of de kantonrechter, rechtdoende als voorzieningenrechter, [appellant] terecht heeft veroordeeld tot ontruiming van de door hem gehuurde woning vanwege tekortkomingen van [appellant] in de nakoming van de huurovereenkomst.
3.1.2.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
a. [appellant] is met ingang van 11 oktober 2011 samen met zijn toenmalige partner [persoon A] de woning aan [adres woning] te [woonplaats] gaan huren van de moeder van [geïntimeerde] . De moeder van [geïntimeerde] is in 2015 overleden. [geïntimeerde] heeft vervolgens de eigendom van de woning en de hoedanigheid van verhuurder van de woning verkregen.
b. Aanvankelijk hebben [appellant] en [persoon A] met hun twee kinderen in het gehuurde gewoond. Nadien is de relatie tussen [appellant] en [persoon A] verbroken. De huurovereenkomst is toen ten aanzien van [persoon A] beëindigd, waarna [appellant] enig huurder is gebleven van de woning.
c. In de huurovereenkomst staat onder meer het volgende:
“
10.4
Onderverhuur, medeverhuur of het afstaan van een gedeelte van het gehuurde, is
zonder de uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de verhuurder niet toegestaan.
(…)
10.11
Indien zich in het gehuurde XTC of andere verdovende middelen bevinden c.q.
verhandeld of gedistribueerd worden of indien door de politie of gerechtelijke macht
huiszoeking in het gehuurde naar verdovende middelen wordt uitgevoerd is deze
huurovereenkomst onmiddellijk beëindigd zonder dat daartoe ingebrekestelling zal zijn
vereist. Dit geldt ook voor het telen en distribueren van verdovende middelen of
vergelijkbare zaken.
(…)
10.14
In het geval van oneigenlijk gebruik van het gehuurde al dan niet in combinatie met strafbaar handelen door huurder in het gehuurde, is verhuurder gerechtigd deze
overeenkomst per direct te beëindigen.”
- d. Op de huurovereenkomst zijn de Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Woonruimte (ROZ-model 2003) van toepassing. In die algemene bepalingen staat onder meer het volgende:
“
1.1
Huurder dient het gehuurde - gedurende de gehele duur van de overeenkomst -
daadwerkelijk, behoorlijk en zelf te bewonen overeenkomstig de in de huurovereenkomst
aangegeven bestemming (…).”
e. [appellant] verblijft sinds een onbekende datum, maar in ieder geval vanaf september 2022, tot op heden in detentie. Hij is gegijzeld in verband met een ontnemingsvordering. Het is onzeker wanneer deze gijzeling zal eindigen.
f. De inmiddels meerjarige zoon van [appellant] is in elk geval met ingang van september 2022 in het gehuurde gaan wonen.
g. Bij brief van 12 december 2022 heeft [geïntimeerde] een [appellant] onder meer meegedeeld:
“Wel heb ik begrepen dat u, in strijd met de huurovereenkomst, niet zelf het pand gebruikt, maar laat bewonen door een derde, uw zoon. Daar u momenteel niet in staat bent zelfde woning te gebruiken als een goed huurder betaamt wens ik met onmiddellijke ingang de huurovereenkomst te beëindigen.”
h. [appellant] heeft aan [geïntimeerde] laten weten niet akkoord te gaan met een beëindiging van de huurovereenkomst. Partijen hebben daar vervolgens nog verder over gecorrespondeerd.
i. Bij brief van 28 augustus 2023 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] onder meer meegedeeld dat justitie berekend heeft dat hij in de periode 2000-2004 met softdrugs een bedrag verdiend zou hebben van € 2.655.000,- en dat er binnen 12 tot 14 weken weer op de verlenging van de gijzeling zal worden beslist. In die brief is voorts meegedeeld dat de huur betaald zal blijven worden en dat het gehuurde door de zoon zal worden onderhouden.
j. Op 5 september 2023 heeft de politie een inval gedaan in het gehuurde, en daarbij de zoon van [appellant] aangehouden. De zoon verblijft sindsdien in voorlopige hechtenis.
k. Bij brief van 5 september 2023 heeft de advocaat van [geïntimeerde] aan [appellant] onder meer meegedeeld, dat [geïntimeerde] het onacceptabel vindt dat [appellant] de huurwoning voor onbepaalde duur heeft verlaten, deze niet zelf daadwerkelijk bewoont én de woning aan derde(n) onderverhuurt dan wel in gebruik heeft gegeven. In de brief is [appellant] verzocht om in te stemmen met een beëindiging van de huurovereenkomst en aangekondigd dat anders in kort geding ontruiming van de woning zal worden gevorderd.
l. De huur wordt structureel na de eerste van de maand overgemaakt.
Het kort geding bij de kantonrechter
3.2.1.
[geïntimeerde] vorderde in het kort geding bij de kantonrechter als onmiddellijke voorziening bij voorraad in de zin van artikel 254 Rv, samengevat en voor zover in hoger beroep nog van belang, veroordeling van [appellant] tot ontruiming van het gehuurde met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
3.2.2.
Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] , samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.
[appellant] is in de nakoming van de huurovereenkomst tekortgeschoten door:
het gehuurde niet zelf te bewonen;
het gehuurde zonder toestemming van [geïntimeerde] onder te verhuren of in gebruik te geven aan zijn zoon;
de huur structureel te laat te betalen;
overlast te (laten) veroorzaken door een hond;
verboden strafrechtelijke en gevaarlijke activiteiten (de opslag van flessen lachgas) van de zoon van [geïntimeerde] , die aan [geïntimeerde] kunnen worden toegerekend.
3.2.3.
[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
3.2.4.
In het beroepen vonnis van 16 oktober 2023 heeft de kantonrechter, samengevat en voor zover in hoger beroep van belang, als volgt geoordeeld.
[geïntimeerde] heeft, uitgaande van zijn stellingen, een spoedeisend belang bij beoordeling van zijn vordering tot ontruiming in kort geding (rov. 4.2).
Als vaststaand wordt aangenomen dat zich door toedoen van de zoon van [appellant] (meerdere, ook niet lege) flessen met lachgas in het gehuurde bevonden. De opslag van meerdere flessen lachgas levert een (brand)gevaar zettende situatie op en kan ook anderszins overlast (uit criminele kringen) met zich meebrengen, terwijl ook gehandeld is in strijd met artikel 10 van de algemene bepalingen. Voldoende aannemelijk is dat hoe dan ook strafbare feiten zijn gepleegd, die (mogelijke) gevolgen hebben voor het gehuurde en/of de omgeving van het gehuurde (rov. 4.3).
[appellant] heeft ten onrechte nagelaten om te voorkomen dat de woning door de zoon werd gebruikt voor zaken die met criminaliteit samenhangen en die de nodige risico’s in het leven roepen (rov. 4.3.2).
Procesverloop
3.4.1.
[appellant] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.
3.4.2.
[geïntimeerde] heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot, kort gezegd, bekrachtiging van het beroepen vonnis met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
3.4.3.
[geïntimeerde] heeft voorts betoogd dat [appellant] geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het herstelvonnis van 17 november 2024 en dat de eis van [appellant] in hoger beroep niet tegen het herstelvonnis is gericht. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellant] daarom geen belang bij zijn hoger beroep.
3.4.4.
Het hof verwerpt dit betoog om de volgende reden. Bij het kortgedingvonnis van 16 oktober 2023 heeft de kantonrechter verzuimd om te beslissen over de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de bij dat vonnis uitgesproken veroordelingen. Bij het herstelvonnis van 17 november 2023 heeft de kantonrechter uitsluitend de veroordelingen die bij het vonnis van 16 oktober 2023 waren uitgesproken, alsnog uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het vonnis van 16 oktober 2023 is het onderwerp van dit hoger beroep. Dat het vonnis daarna bij het herstelvonnis van 17 november 2024 is aangevuld met een uitvoerbaar bij voorraadverklaring, doet daar niet aan af.
Over grief 1: het spoedeisend belang van [geïntimeerde] bij zijn vordering tot ontruiming
3.5.1.
In rov. 4.2 van het beroepen vonnis heeft de kantonrechter geoordeeld – kort gezegd – dat [geïntimeerde] , uitgaande van zijn stellingen, een spoedeisend belang heeft bij beoordeling van zijn vordering tot ontruiming in kort geding.
Grief 1 is tegen dat oordeel gericht.
3.5.2.
Het hof verwerpt de grief. Het hof deelt namelijk het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] , uitgaande van zijn stellingen, een spoedeisend belang heeft bij beoordeling van zijn vordering tot ontruiming in kort geding. Hiermee is op zichzelf niet gezegd dat de vordering tot ontruiming terecht is toegewezen. Dat zal het hof in het kader van grief 2 beoordelen.
Over grief 2: bestond er gelet op tekortkomingen van [appellant] in de nakoming van de huurovereenkomst aanleiding om [appellant] in kort geding tot ontruiming van de woning te veroordelen?
3.6.1.
Grief 2 is naar de kern genomen gericht tegen de toewijzing van de vordering tot veroordeling van [appellant] tot ontruiming van de huurwoning. Door de grief wordt aan het hof de vraag voorgelegd of er ten tijde van het beroepen vonnis aanleiding bestond om [appellant] tot ontruiming van de door hem gehuurde woning te veroordelen, waarbij het hof rekening moet houden met het in hoger beroep gevoerde debat en met de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van de beslissing in hoger beroep. Deze vraag wordt in volle omvang aan het oordeel van het hof voorgelegd.
3.6.2.
Het hof stelt bij de beoordeling van deze grief voorop dat [appellant] op grond van artikel 1.1 van de Algemene Bepalingen bij de huurovereenkomst verplicht was om het gehuurde – gedurende de gehele duur van de overeenkomst – daadwerkelijk, behoorlijk en zelf te bewonen. Die verplichting volgt ook uit de in artikel 7:213 BW neergelegde verplichting van de huurder om zich ten aanzien van het gebruik van de gehuurde zaak als een goed huurder te gedragen. Het zich gedragen als goed huurder brengt mee dat [appellant] in staat moest zijn om de verantwoordelijkheid te dragen voor hetgeen er in en aan de woning gebeurde. Die verplichting kan naar het voorshands oordeel van het hof door een huurder slechts worden nagekomen door regelmatig in het gehuurde te verblijven, terwijl in dit geval artikel 1.1 van de Algemene Bepalingen [appellant] verplichtte de woning gedurende de gehele duur van de huurovereenkomst daadwerkelijk zelf voor bewoning te gebruiken.
3.6.3.
Het hof is voorshands van oordeel dat [appellant] in de nakoming van die verplichting is tekortgeschoten. [appellant] heeft immers gedurende een langdurige periode van in elk geval 14 maanden (de gijzeling is in elk geval in september 2022 begonnen terwijl de woning eind november 2023 is ontruimd) niet zelf in de woning gewoond. Dat dit geen vrije keuze van [appellant] is geweest, neemt de tekortkoming niet weg. Een overeenkomst kan ook worden ontbonden als de tekortkoming niet aan de tekortschietende partij kan worden toegerekend. Bovendien komt de tekortkoming in de verhouding tussen [geïntimeerde] en [appellant] wel degelijk voor rekening van [appellant] .
3.6.4.
Dat de zoon van [appellant] gedurende een deel van de periode van afwezigheid van [appellant] in de woning heeft gewoond, neemt de tekortkoming niet weg. Dit volgt reeds uit het feit dat de politie op 5 september 2023 een inval heeft gedaan in het gehuurde en daarbij de zoon van [appellant] heeft aangehouden, waarna de zoon langdurig in voorlopige hechtenis is genomen. Hierdoor kon ook de zoon geen toezicht meer houden op het gehuurde en niet langer namens [appellant] de verantwoordelijkheid dragen voor hetgeen er in en aan de woning gebeurde. Vanaf dat moment was er in het geheel geen toezicht van de zijde van [appellant] meer op het gehuurde.
3.6.5.
Daar komt bij dat het hof, evenals de kantonrechter, voldoende aangetoond acht dat de zoon meerdere flessen lachgas in het gehuurde heeft opgeslagen. Dat hier een rechtvaardiging voor aanwezig was, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt. Bij [geïntimeerde] kon hierdoor de gerechtvaardigde vrees ontstaan dat er in de woning sprake was van een (brand)gevaarlijke situatie en van criminele activiteiten, met mogelijke overlast uit criminele kringen tot gevolg. [geïntimeerde] hoefde dit naar het voorlopig oordeel van het hof niet te accepteren.
3.6.6.
[appellant] is naar het voorshands oordeel van het hof in dit kader verantwoordelijk voor de gedragingen van zijn zoon, omdat niet blijkt dat [appellant] iets heeft gedaan om toezicht uit te oefenen op het gebruik dat zijn zoon van de woning maakte. [appellant] heeft zich ook in zoverre zelf niet als goed huurder gedragen (in de zin van HR 22 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8743). Dat [appellant] daar ook niet toe in staat was omdat hij in gijzeling zat, komt om de in rov. 3.6.3 genoemde redenen voor rekening van [appellant] zelf. Ook in zoverre is dus sprake van een tekortkoming van [appellant] in de nakoming van de huurovereenkomst.
3.6.7.
Naar het oordeel van het hof is het aannemelijk dat een bodemrechter zal oordelen dat de bovenstaande tekortkomingen, zeker in onderling verband en samenhang bezien, de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigen.
3.6.8.
Het hof is voorts van oordeel dat in de gegeven omstandigheden niet van [geïntimeerde] te vergen was om de uitkomst van een bodemprocedure af te wachten. [appellant] schoot immers reeds langdurig tekort in de nakoming van zijn verplichting om het gehuurde zelf daadwerkelijk te bewonen, en er bestond geen concreet uitzicht op het moment waarop die tekortkoming zou eindigen. Verder bestonden er duidelijke aanwijzingen dat de zoon van [appellant] door de opslag van flessen lachgas in de woning een (brand)gevaarlijke situatie had doen ontstaan en zich schuldig maakte aan criminele activiteiten, met mogelijke overlast uit criminele kringen tot gevolg. Nadat ook de zoon gedetineerd was geraakt, was van toezicht namens [appellant] op het gehuurde in het geheel geen sprake meer.
Conclusie
3.8.1.
Omdat de grieven geen doel treffen, zal het hof het beroepen kortgedingvonnis bekrachtigen.
3.8.2.
Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Het hof stelt die kosten aan de zijde van [geïntimeerde] vast op:
Griffierechten € 343,--
Salaris advocaat € 1.821,-- (1,5 punt x tarief II)
Nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de
Dictum
Totaal € 2.342,--
3.8.3.
Uit het bovenstaande volgt de onderstaande uitspraak.
4De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, rechtdoende als voorzieningenrechter, onder zaaknummer 10697226 CV EXPL 23-3893 tussen partijen gewezen kortgedingvonnis van 16 oktober 2023, zoals aangevuld bij herstelvonnis van 17 november 2023;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] ten bedrage van € 2.342,--, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als [appellant] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [appellant] € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M.G.W.M. Stienissen en C.B.M. Scholten van Aschat en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 januari 2025.
griffier rolraadsheer
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.335.199/01
arrest van 7 januari 2025
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. J.M. McKernan te Sittard,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. D.N. Lavain te Stein (Limburg),
op het bij exploot van dagvaarding van 10 november 2023 ingeleide hoger beroep van het kortgedingvonnis van 16 oktober 2023, zoals met toepassing van artikel 32 Rv aangevuld bij herstelvonnis van 17 november 2023, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, rechtdoende als voorzieningenrechter, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.
Procesverloop
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep met één productie;
de memorie van grieven met producties 1 en 2;
de memorie van antwoord met productie 12;
de akte van [appellant] ;
de antwoordakte van [geïntimeerde] .
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Beoordeling
De vaststaande feiten en de kern van het geschil
3.1.1.
Het gaat in dit kort geding naar de kern genomen om de vraag of de kantonrechter, rechtdoende als voorzieningenrechter, [appellant] terecht heeft veroordeeld tot ontruiming van de door hem gehuurde woning vanwege tekortkomingen van [appellant] in de nakoming van de huurovereenkomst.
3.1.2.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
a. [appellant] is met ingang van 11 oktober 2011 samen met zijn toenmalige partner [persoon A] de woning aan [adres woning] te [woonplaats] gaan huren van de moeder van [geïntimeerde] . De moeder van [geïntimeerde] is in 2015 overleden. [geïntimeerde] heeft vervolgens de eigendom van de woning en de hoedanigheid van verhuurder van de woning verkregen.
b. Aanvankelijk hebben [appellant] en [persoon A] met hun twee kinderen in het gehuurde gewoond. Nadien is de relatie tussen [appellant] en [persoon A] verbroken. De huurovereenkomst is toen ten aanzien van [persoon A] beëindigd, waarna [appellant] enig huurder is gebleven van de woning.
c. In de huurovereenkomst staat onder meer het volgende:
“
10.4
Onderverhuur, medeverhuur of het afstaan van een gedeelte van het gehuurde, is
zonder de uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de verhuurder niet toegestaan.
(…)
10.11
Indien zich in het gehuurde XTC of andere verdovende middelen bevinden c.q.
verhandeld of gedistribueerd worden of indien door de politie of gerechtelijke macht
huiszoeking in het gehuurde naar verdovende middelen wordt uitgevoerd is deze
huurovereenkomst onmiddellijk beëindigd zonder dat daartoe ingebrekestelling zal zijn
vereist. Dit geldt ook voor het telen en distribueren van verdovende middelen of
vergelijkbare zaken.
(…)
10.14
In het geval van oneigenlijk gebruik van het gehuurde al dan niet in combinatie met strafbaar handelen door huurder in het gehuurde, is verhuurder gerechtigd deze
overeenkomst per direct te beëindigen.”
- d. Op de huurovereenkomst zijn de Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Woonruimte (ROZ-model 2003) van toepassing. In die algemene bepalingen staat onder meer het volgende:
“
1.1
Huurder dient het gehuurde - gedurende de gehele duur van de overeenkomst -
daadwerkelijk, behoorlijk en zelf te bewonen overeenkomstig de in de huurovereenkomst
aangegeven bestemming (…).”
e. [appellant] verblijft sinds een onbekende datum, maar in ieder geval vanaf september 2022, tot op heden in detentie. Hij is gegijzeld in verband met een ontnemingsvordering. Het is onzeker wanneer deze gijzeling zal eindigen.
f. De inmiddels meerjarige zoon van [appellant] is in elk geval met ingang van september 2022 in het gehuurde gaan wonen.
g. Bij brief van 12 december 2022 heeft [geïntimeerde] een [appellant] onder meer meegedeeld:
“Wel heb ik begrepen dat u, in strijd met de huurovereenkomst, niet zelf het pand gebruikt, maar laat bewonen door een derde, uw zoon. Daar u momenteel niet in staat bent zelfde woning te gebruiken als een goed huurder betaamt wens ik met onmiddellijke ingang de huurovereenkomst te beëindigen.”
h. [appellant] heeft aan [geïntimeerde] laten weten niet akkoord te gaan met een beëindiging van de huurovereenkomst. Partijen hebben daar vervolgens nog verder over gecorrespondeerd.
i. Bij brief van 28 augustus 2023 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] onder meer meegedeeld dat justitie berekend heeft dat hij in de periode 2000-2004 met softdrugs een bedrag verdiend zou hebben van € 2.655.000,- en dat er binnen 12 tot 14 weken weer op de verlenging van de gijzeling zal worden beslist. In die brief is voorts meegedeeld dat de huur betaald zal blijven worden en dat het gehuurde door de zoon zal worden onderhouden.
j. Op 5 september 2023 heeft de politie een inval gedaan in het gehuurde, en daarbij de zoon van [appellant] aangehouden. De zoon verblijft sindsdien in voorlopige hechtenis.
k. Bij brief van 5 september 2023 heeft de advocaat van [geïntimeerde] aan [appellant] onder meer meegedeeld, dat [geïntimeerde] het onacceptabel vindt dat [appellant] de huurwoning voor onbepaalde duur heeft verlaten, deze niet zelf daadwerkelijk bewoont én de woning aan derde(n) onderverhuurt dan wel in gebruik heeft gegeven. In de brief is [appellant] verzocht om in te stemmen met een beëindiging van de huurovereenkomst en aangekondigd dat anders in kort geding ontruiming van de woning zal worden gevorderd.
l. De huur wordt structureel na de eerste van de maand overgemaakt.
Het kort geding bij de kantonrechter
3.2.1.
[geïntimeerde] vorderde in het kort geding bij de kantonrechter als onmiddellijke voorziening bij voorraad in de zin van artikel 254 Rv, samengevat en voor zover in hoger beroep nog van belang, veroordeling van [appellant] tot ontruiming van het gehuurde met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
3.2.2.
Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] , samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.
[appellant] is in de nakoming van de huurovereenkomst tekortgeschoten door:
het gehuurde niet zelf te bewonen;
het gehuurde zonder toestemming van [geïntimeerde] onder te verhuren of in gebruik te geven aan zijn zoon;
de huur structureel te laat te betalen;
overlast te (laten) veroorzaken door een hond;
verboden strafrechtelijke en gevaarlijke activiteiten (de opslag van flessen lachgas) van de zoon van [geïntimeerde] , die aan [geïntimeerde] kunnen worden toegerekend.
3.2.3.
[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
3.2.4.
In het beroepen vonnis van 16 oktober 2023 heeft de kantonrechter, samengevat en voor zover in hoger beroep van belang, als volgt geoordeeld.
[geïntimeerde] heeft, uitgaande van zijn stellingen, een spoedeisend belang bij beoordeling van zijn vordering tot ontruiming in kort geding (rov. 4.2).
Als vaststaand wordt aangenomen dat zich door toedoen van de zoon van [appellant] (meerdere, ook niet lege) flessen met lachgas in het gehuurde bevonden. De opslag van meerdere flessen lachgas levert een (brand)gevaar zettende situatie op en kan ook anderszins overlast (uit criminele kringen) met zich meebrengen, terwijl ook gehandeld is in strijd met artikel 10 van de algemene bepalingen. Voldoende aannemelijk is dat hoe dan ook strafbare feiten zijn gepleegd, die (mogelijke) gevolgen hebben voor het gehuurde en/of de omgeving van het gehuurde (rov. 4.3).
[appellant] heeft ten onrechte nagelaten om te voorkomen dat de woning door de zoon werd gebruikt voor zaken die met criminaliteit samenhangen en die de nodige risico’s in het leven roepen (rov. 4.3.2).
Procesverloop
3.4.1.
[appellant] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.
3.4.2.
[geïntimeerde] heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot, kort gezegd, bekrachtiging van het beroepen vonnis met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
3.4.3.
[geïntimeerde] heeft voorts betoogd dat [appellant] geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het herstelvonnis van 17 november 2024 en dat de eis van [appellant] in hoger beroep niet tegen het herstelvonnis is gericht. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellant] daarom geen belang bij zijn hoger beroep.
3.4.4.
Het hof verwerpt dit betoog om de volgende reden. Bij het kortgedingvonnis van 16 oktober 2023 heeft de kantonrechter verzuimd om te beslissen over de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de bij dat vonnis uitgesproken veroordelingen. Bij het herstelvonnis van 17 november 2023 heeft de kantonrechter uitsluitend de veroordelingen die bij het vonnis van 16 oktober 2023 waren uitgesproken, alsnog uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het vonnis van 16 oktober 2023 is het onderwerp van dit hoger beroep. Dat het vonnis daarna bij het herstelvonnis van 17 november 2024 is aangevuld met een uitvoerbaar bij voorraadverklaring, doet daar niet aan af.
Over grief 1: het spoedeisend belang van [geïntimeerde] bij zijn vordering tot ontruiming
3.5.1.
In rov. 4.2 van het beroepen vonnis heeft de kantonrechter geoordeeld – kort gezegd – dat [geïntimeerde] , uitgaande van zijn stellingen, een spoedeisend belang heeft bij beoordeling van zijn vordering tot ontruiming in kort geding.
Grief 1 is tegen dat oordeel gericht.
3.5.2.
Het hof verwerpt de grief. Het hof deelt namelijk het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] , uitgaande van zijn stellingen, een spoedeisend belang heeft bij beoordeling van zijn vordering tot ontruiming in kort geding. Hiermee is op zichzelf niet gezegd dat de vordering tot ontruiming terecht is toegewezen. Dat zal het hof in het kader van grief 2 beoordelen.
Over grief 2: bestond er gelet op tekortkomingen van [appellant] in de nakoming van de huurovereenkomst aanleiding om [appellant] in kort geding tot ontruiming van de woning te veroordelen?
3.6.1.
Grief 2 is naar de kern genomen gericht tegen de toewijzing van de vordering tot veroordeling van [appellant] tot ontruiming van de huurwoning. Door de grief wordt aan het hof de vraag voorgelegd of er ten tijde van het beroepen vonnis aanleiding bestond om [appellant] tot ontruiming van de door hem gehuurde woning te veroordelen, waarbij het hof rekening moet houden met het in hoger beroep gevoerde debat en met de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van de beslissing in hoger beroep. Deze vraag wordt in volle omvang aan het oordeel van het hof voorgelegd.
3.6.2.
Het hof stelt bij de beoordeling van deze grief voorop dat [appellant] op grond van artikel 1.1 van de Algemene Bepalingen bij de huurovereenkomst verplicht was om het gehuurde – gedurende de gehele duur van de overeenkomst – daadwerkelijk, behoorlijk en zelf te bewonen. Die verplichting volgt ook uit de in artikel 7:213 BW neergelegde verplichting van de huurder om zich ten aanzien van het gebruik van de gehuurde zaak als een goed huurder te gedragen. Het zich gedragen als goed huurder brengt mee dat [appellant] in staat moest zijn om de verantwoordelijkheid te dragen voor hetgeen er in en aan de woning gebeurde. Die verplichting kan naar het voorshands oordeel van het hof door een huurder slechts worden nagekomen door regelmatig in het gehuurde te verblijven, terwijl in dit geval artikel 1.1 van de Algemene Bepalingen [appellant] verplichtte de woning gedurende de gehele duur van de huurovereenkomst daadwerkelijk zelf voor bewoning te gebruiken.
3.6.3.
Het hof is voorshands van oordeel dat [appellant] in de nakoming van die verplichting is tekortgeschoten. [appellant] heeft immers gedurende een langdurige periode van in elk geval 14 maanden (de gijzeling is in elk geval in september 2022 begonnen terwijl de woning eind november 2023 is ontruimd) niet zelf in de woning gewoond. Dat dit geen vrije keuze van [appellant] is geweest, neemt de tekortkoming niet weg. Een overeenkomst kan ook worden ontbonden als de tekortkoming niet aan de tekortschietende partij kan worden toegerekend. Bovendien komt de tekortkoming in de verhouding tussen [geïntimeerde] en [appellant] wel degelijk voor rekening van [appellant] .
3.6.4.
Dat de zoon van [appellant] gedurende een deel van de periode van afwezigheid van [appellant] in de woning heeft gewoond, neemt de tekortkoming niet weg. Dit volgt reeds uit het feit dat de politie op 5 september 2023 een inval heeft gedaan in het gehuurde en daarbij de zoon van [appellant] heeft aangehouden, waarna de zoon langdurig in voorlopige hechtenis is genomen. Hierdoor kon ook de zoon geen toezicht meer houden op het gehuurde en niet langer namens [appellant] de verantwoordelijkheid dragen voor hetgeen er in en aan de woning gebeurde. Vanaf dat moment was er in het geheel geen toezicht van de zijde van [appellant] meer op het gehuurde.
3.6.5.
Daar komt bij dat het hof, evenals de kantonrechter, voldoende aangetoond acht dat de zoon meerdere flessen lachgas in het gehuurde heeft opgeslagen. Dat hier een rechtvaardiging voor aanwezig was, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt. Bij [geïntimeerde] kon hierdoor de gerechtvaardigde vrees ontstaan dat er in de woning sprake was van een (brand)gevaarlijke situatie en van criminele activiteiten, met mogelijke overlast uit criminele kringen tot gevolg. [geïntimeerde] hoefde dit naar het voorlopig oordeel van het hof niet te accepteren.
3.6.6.
[appellant] is naar het voorshands oordeel van het hof in dit kader verantwoordelijk voor de gedragingen van zijn zoon, omdat niet blijkt dat [appellant] iets heeft gedaan om toezicht uit te oefenen op het gebruik dat zijn zoon van de woning maakte. [appellant] heeft zich ook in zoverre zelf niet als goed huurder gedragen (in de zin van HR 22 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8743). Dat [appellant] daar ook niet toe in staat was omdat hij in gijzeling zat, komt om de in rov. 3.6.3 genoemde redenen voor rekening van [appellant] zelf. Ook in zoverre is dus sprake van een tekortkoming van [appellant] in de nakoming van de huurovereenkomst.
3.6.7.
Naar het oordeel van het hof is het aannemelijk dat een bodemrechter zal oordelen dat de bovenstaande tekortkomingen, zeker in onderling verband en samenhang bezien, de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigen.
3.6.8.
Het hof is voorts van oordeel dat in de gegeven omstandigheden niet van [geïntimeerde] te vergen was om de uitkomst van een bodemprocedure af te wachten. [appellant] schoot immers reeds langdurig tekort in de nakoming van zijn verplichting om het gehuurde zelf daadwerkelijk te bewonen, en er bestond geen concreet uitzicht op het moment waarop die tekortkoming zou eindigen. Verder bestonden er duidelijke aanwijzingen dat de zoon van [appellant] door de opslag van flessen lachgas in de woning een (brand)gevaarlijke situatie had doen ontstaan en zich schuldig maakte aan criminele activiteiten, met mogelijke overlast uit criminele kringen tot gevolg. Nadat ook de zoon gedetineerd was geraakt, was van toezicht namens [appellant] op het gehuurde in het geheel geen sprake meer.
Conclusie
3.8.1.
Omdat de grieven geen doel treffen, zal het hof het beroepen kortgedingvonnis bekrachtigen.
3.8.2.
Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Het hof stelt die kosten aan de zijde van [geïntimeerde] vast op:
Griffierechten € 343,--
Salaris advocaat € 1.821,-- (1,5 punt x tarief II)
Nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de
Dictum
Totaal € 2.342,--
3.8.3.
Uit het bovenstaande volgt de onderstaande uitspraak.
4De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, rechtdoende als voorzieningenrechter, onder zaaknummer 10697226 CV EXPL 23-3893 tussen partijen gewezen kortgedingvonnis van 16 oktober 2023, zoals aangevuld bij herstelvonnis van 17 november 2023;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] ten bedrage van € 2.342,--, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als [appellant] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [appellant] € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M.G.W.M. Stienissen en C.B.M. Scholten van Aschat en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 januari 2025.
griffier rolraadsheer
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.335.199/01
arrest van 7 januari 2025
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. J.M. McKernan te Sittard,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. D.N. Lavain te Stein (Limburg),
op het bij exploot van dagvaarding van 10 november 2023 ingeleide hoger beroep van het kortgedingvonnis van 16 oktober 2023, zoals met toepassing van artikel 32 Rv aangevuld bij herstelvonnis van 17 november 2023, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, rechtdoende als voorzieningenrechter, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.
Procesverloop
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep met één productie;
de memorie van grieven met producties 1 en 2;
de memorie van antwoord met productie 12;
de akte van [appellant] ;
de antwoordakte van [geïntimeerde] .
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Beoordeling
De vaststaande feiten en de kern van het geschil
3.1.1.
Het gaat in dit kort geding naar de kern genomen om de vraag of de kantonrechter, rechtdoende als voorzieningenrechter, [appellant] terecht heeft veroordeeld tot ontruiming van de door hem gehuurde woning vanwege tekortkomingen van [appellant] in de nakoming van de huurovereenkomst.
3.1.2.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
a. [appellant] is met ingang van 11 oktober 2011 samen met zijn toenmalige partner [persoon A] de woning aan [adres woning] te [woonplaats] gaan huren van de moeder van [geïntimeerde] . De moeder van [geïntimeerde] is in 2015 overleden. [geïntimeerde] heeft vervolgens de eigendom van de woning en de hoedanigheid van verhuurder van de woning verkregen.
b. Aanvankelijk hebben [appellant] en [persoon A] met hun twee kinderen in het gehuurde gewoond. Nadien is de relatie tussen [appellant] en [persoon A] verbroken. De huurovereenkomst is toen ten aanzien van [persoon A] beëindigd, waarna [appellant] enig huurder is gebleven van de woning.
c. In de huurovereenkomst staat onder meer het volgende:
“
10.4
Onderverhuur, medeverhuur of het afstaan van een gedeelte van het gehuurde, is
zonder de uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de verhuurder niet toegestaan.
(…)
10.11
Indien zich in het gehuurde XTC of andere verdovende middelen bevinden c.q.
verhandeld of gedistribueerd worden of indien door de politie of gerechtelijke macht
huiszoeking in het gehuurde naar verdovende middelen wordt uitgevoerd is deze
huurovereenkomst onmiddellijk beëindigd zonder dat daartoe ingebrekestelling zal zijn
vereist. Dit geldt ook voor het telen en distribueren van verdovende middelen of
vergelijkbare zaken.
(…)
10.14
In het geval van oneigenlijk gebruik van het gehuurde al dan niet in combinatie met strafbaar handelen door huurder in het gehuurde, is verhuurder gerechtigd deze
overeenkomst per direct te beëindigen.”
- d. Op de huurovereenkomst zijn de Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Woonruimte (ROZ-model 2003) van toepassing. In die algemene bepalingen staat onder meer het volgende:
“
1.1
Huurder dient het gehuurde - gedurende de gehele duur van de overeenkomst -
daadwerkelijk, behoorlijk en zelf te bewonen overeenkomstig de in de huurovereenkomst
aangegeven bestemming (…).”
e. [appellant] verblijft sinds een onbekende datum, maar in ieder geval vanaf september 2022, tot op heden in detentie. Hij is gegijzeld in verband met een ontnemingsvordering. Het is onzeker wanneer deze gijzeling zal eindigen.
f. De inmiddels meerjarige zoon van [appellant] is in elk geval met ingang van september 2022 in het gehuurde gaan wonen.
g. Bij brief van 12 december 2022 heeft [geïntimeerde] een [appellant] onder meer meegedeeld:
“Wel heb ik begrepen dat u, in strijd met de huurovereenkomst, niet zelf het pand gebruikt, maar laat bewonen door een derde, uw zoon. Daar u momenteel niet in staat bent zelfde woning te gebruiken als een goed huurder betaamt wens ik met onmiddellijke ingang de huurovereenkomst te beëindigen.”
h. [appellant] heeft aan [geïntimeerde] laten weten niet akkoord te gaan met een beëindiging van de huurovereenkomst. Partijen hebben daar vervolgens nog verder over gecorrespondeerd.
i. Bij brief van 28 augustus 2023 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] onder meer meegedeeld dat justitie berekend heeft dat hij in de periode 2000-2004 met softdrugs een bedrag verdiend zou hebben van € 2.655.000,- en dat er binnen 12 tot 14 weken weer op de verlenging van de gijzeling zal worden beslist. In die brief is voorts meegedeeld dat de huur betaald zal blijven worden en dat het gehuurde door de zoon zal worden onderhouden.
j. Op 5 september 2023 heeft de politie een inval gedaan in het gehuurde, en daarbij de zoon van [appellant] aangehouden. De zoon verblijft sindsdien in voorlopige hechtenis.
k. Bij brief van 5 september 2023 heeft de advocaat van [geïntimeerde] aan [appellant] onder meer meegedeeld, dat [geïntimeerde] het onacceptabel vindt dat [appellant] de huurwoning voor onbepaalde duur heeft verlaten, deze niet zelf daadwerkelijk bewoont én de woning aan derde(n) onderverhuurt dan wel in gebruik heeft gegeven. In de brief is [appellant] verzocht om in te stemmen met een beëindiging van de huurovereenkomst en aangekondigd dat anders in kort geding ontruiming van de woning zal worden gevorderd.
l. De huur wordt structureel na de eerste van de maand overgemaakt.
Het kort geding bij de kantonrechter
3.2.1.
[geïntimeerde] vorderde in het kort geding bij de kantonrechter als onmiddellijke voorziening bij voorraad in de zin van artikel 254 Rv, samengevat en voor zover in hoger beroep nog van belang, veroordeling van [appellant] tot ontruiming van het gehuurde met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
3.2.2.
Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] , samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.
[appellant] is in de nakoming van de huurovereenkomst tekortgeschoten door:
het gehuurde niet zelf te bewonen;
het gehuurde zonder toestemming van [geïntimeerde] onder te verhuren of in gebruik te geven aan zijn zoon;
de huur structureel te laat te betalen;
overlast te (laten) veroorzaken door een hond;
verboden strafrechtelijke en gevaarlijke activiteiten (de opslag van flessen lachgas) van de zoon van [geïntimeerde] , die aan [geïntimeerde] kunnen worden toegerekend.
3.2.3.
[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
3.2.4.
In het beroepen vonnis van 16 oktober 2023 heeft de kantonrechter, samengevat en voor zover in hoger beroep van belang, als volgt geoordeeld.
[geïntimeerde] heeft, uitgaande van zijn stellingen, een spoedeisend belang bij beoordeling van zijn vordering tot ontruiming in kort geding (rov. 4.2).
Als vaststaand wordt aangenomen dat zich door toedoen van de zoon van [appellant] (meerdere, ook niet lege) flessen met lachgas in het gehuurde bevonden. De opslag van meerdere flessen lachgas levert een (brand)gevaar zettende situatie op en kan ook anderszins overlast (uit criminele kringen) met zich meebrengen, terwijl ook gehandeld is in strijd met artikel 10 van de algemene bepalingen. Voldoende aannemelijk is dat hoe dan ook strafbare feiten zijn gepleegd, die (mogelijke) gevolgen hebben voor het gehuurde en/of de omgeving van het gehuurde (rov. 4.3).
[appellant] heeft ten onrechte nagelaten om te voorkomen dat de woning door de zoon werd gebruikt voor zaken die met criminaliteit samenhangen en die de nodige risico’s in het leven roepen (rov. 4.3.2).
Procesverloop
3.4.1.
[appellant] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.
3.4.2.
[geïntimeerde] heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot, kort gezegd, bekrachtiging van het beroepen vonnis met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
3.4.3.
[geïntimeerde] heeft voorts betoogd dat [appellant] geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het herstelvonnis van 17 november 2024 en dat de eis van [appellant] in hoger beroep niet tegen het herstelvonnis is gericht. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellant] daarom geen belang bij zijn hoger beroep.
3.4.4.
Het hof verwerpt dit betoog om de volgende reden. Bij het kortgedingvonnis van 16 oktober 2023 heeft de kantonrechter verzuimd om te beslissen over de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de bij dat vonnis uitgesproken veroordelingen. Bij het herstelvonnis van 17 november 2023 heeft de kantonrechter uitsluitend de veroordelingen die bij het vonnis van 16 oktober 2023 waren uitgesproken, alsnog uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het vonnis van 16 oktober 2023 is het onderwerp van dit hoger beroep. Dat het vonnis daarna bij het herstelvonnis van 17 november 2024 is aangevuld met een uitvoerbaar bij voorraadverklaring, doet daar niet aan af.
Over grief 1: het spoedeisend belang van [geïntimeerde] bij zijn vordering tot ontruiming
3.5.1.
In rov. 4.2 van het beroepen vonnis heeft de kantonrechter geoordeeld – kort gezegd – dat [geïntimeerde] , uitgaande van zijn stellingen, een spoedeisend belang heeft bij beoordeling van zijn vordering tot ontruiming in kort geding.
Grief 1 is tegen dat oordeel gericht.
3.5.2.
Het hof verwerpt de grief. Het hof deelt namelijk het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] , uitgaande van zijn stellingen, een spoedeisend belang heeft bij beoordeling van zijn vordering tot ontruiming in kort geding. Hiermee is op zichzelf niet gezegd dat de vordering tot ontruiming terecht is toegewezen. Dat zal het hof in het kader van grief 2 beoordelen.
Over grief 2: bestond er gelet op tekortkomingen van [appellant] in de nakoming van de huurovereenkomst aanleiding om [appellant] in kort geding tot ontruiming van de woning te veroordelen?
3.6.1.
Grief 2 is naar de kern genomen gericht tegen de toewijzing van de vordering tot veroordeling van [appellant] tot ontruiming van de huurwoning. Door de grief wordt aan het hof de vraag voorgelegd of er ten tijde van het beroepen vonnis aanleiding bestond om [appellant] tot ontruiming van de door hem gehuurde woning te veroordelen, waarbij het hof rekening moet houden met het in hoger beroep gevoerde debat en met de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van de beslissing in hoger beroep. Deze vraag wordt in volle omvang aan het oordeel van het hof voorgelegd.
3.6.2.
Het hof stelt bij de beoordeling van deze grief voorop dat [appellant] op grond van artikel 1.1 van de Algemene Bepalingen bij de huurovereenkomst verplicht was om het gehuurde – gedurende de gehele duur van de overeenkomst – daadwerkelijk, behoorlijk en zelf te bewonen. Die verplichting volgt ook uit de in artikel 7:213 BW neergelegde verplichting van de huurder om zich ten aanzien van het gebruik van de gehuurde zaak als een goed huurder te gedragen. Het zich gedragen als goed huurder brengt mee dat [appellant] in staat moest zijn om de verantwoordelijkheid te dragen voor hetgeen er in en aan de woning gebeurde. Die verplichting kan naar het voorshands oordeel van het hof door een huurder slechts worden nagekomen door regelmatig in het gehuurde te verblijven, terwijl in dit geval artikel 1.1 van de Algemene Bepalingen [appellant] verplichtte de woning gedurende de gehele duur van de huurovereenkomst daadwerkelijk zelf voor bewoning te gebruiken.
3.6.3.
Het hof is voorshands van oordeel dat [appellant] in de nakoming van die verplichting is tekortgeschoten. [appellant] heeft immers gedurende een langdurige periode van in elk geval 14 maanden (de gijzeling is in elk geval in september 2022 begonnen terwijl de woning eind november 2023 is ontruimd) niet zelf in de woning gewoond. Dat dit geen vrije keuze van [appellant] is geweest, neemt de tekortkoming niet weg. Een overeenkomst kan ook worden ontbonden als de tekortkoming niet aan de tekortschietende partij kan worden toegerekend. Bovendien komt de tekortkoming in de verhouding tussen [geïntimeerde] en [appellant] wel degelijk voor rekening van [appellant] .
3.6.4.
Dat de zoon van [appellant] gedurende een deel van de periode van afwezigheid van [appellant] in de woning heeft gewoond, neemt de tekortkoming niet weg. Dit volgt reeds uit het feit dat de politie op 5 september 2023 een inval heeft gedaan in het gehuurde en daarbij de zoon van [appellant] heeft aangehouden, waarna de zoon langdurig in voorlopige hechtenis is genomen. Hierdoor kon ook de zoon geen toezicht meer houden op het gehuurde en niet langer namens [appellant] de verantwoordelijkheid dragen voor hetgeen er in en aan de woning gebeurde. Vanaf dat moment was er in het geheel geen toezicht van de zijde van [appellant] meer op het gehuurde.
3.6.5.
Daar komt bij dat het hof, evenals de kantonrechter, voldoende aangetoond acht dat de zoon meerdere flessen lachgas in het gehuurde heeft opgeslagen. Dat hier een rechtvaardiging voor aanwezig was, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt. Bij [geïntimeerde] kon hierdoor de gerechtvaardigde vrees ontstaan dat er in de woning sprake was van een (brand)gevaarlijke situatie en van criminele activiteiten, met mogelijke overlast uit criminele kringen tot gevolg. [geïntimeerde] hoefde dit naar het voorlopig oordeel van het hof niet te accepteren.
3.6.6.
[appellant] is naar het voorshands oordeel van het hof in dit kader verantwoordelijk voor de gedragingen van zijn zoon, omdat niet blijkt dat [appellant] iets heeft gedaan om toezicht uit te oefenen op het gebruik dat zijn zoon van de woning maakte. [appellant] heeft zich ook in zoverre zelf niet als goed huurder gedragen (in de zin van HR 22 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8743). Dat [appellant] daar ook niet toe in staat was omdat hij in gijzeling zat, komt om de in rov. 3.6.3 genoemde redenen voor rekening van [appellant] zelf. Ook in zoverre is dus sprake van een tekortkoming van [appellant] in de nakoming van de huurovereenkomst.
3.6.7.
Naar het oordeel van het hof is het aannemelijk dat een bodemrechter zal oordelen dat de bovenstaande tekortkomingen, zeker in onderling verband en samenhang bezien, de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigen.
3.6.8.
Het hof is voorts van oordeel dat in de gegeven omstandigheden niet van [geïntimeerde] te vergen was om de uitkomst van een bodemprocedure af te wachten. [appellant] schoot immers reeds langdurig tekort in de nakoming van zijn verplichting om het gehuurde zelf daadwerkelijk te bewonen, en er bestond geen concreet uitzicht op het moment waarop die tekortkoming zou eindigen. Verder bestonden er duidelijke aanwijzingen dat de zoon van [appellant] door de opslag van flessen lachgas in de woning een (brand)gevaarlijke situatie had doen ontstaan en zich schuldig maakte aan criminele activiteiten, met mogelijke overlast uit criminele kringen tot gevolg. Nadat ook de zoon gedetineerd was geraakt, was van toezicht namens [appellant] op het gehuurde in het geheel geen sprake meer.
Conclusie
3.8.1.
Omdat de grieven geen doel treffen, zal het hof het beroepen kortgedingvonnis bekrachtigen.
3.8.2.
Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Het hof stelt die kosten aan de zijde van [geïntimeerde] vast op:
Griffierechten € 343,--
Salaris advocaat € 1.821,-- (1,5 punt x tarief II)
Nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de
Dictum
Totaal € 2.342,--
3.8.3.
Uit het bovenstaande volgt de onderstaande uitspraak.
4De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, rechtdoende als voorzieningenrechter, onder zaaknummer 10697226 CV EXPL 23-3893 tussen partijen gewezen kortgedingvonnis van 16 oktober 2023, zoals aangevuld bij herstelvonnis van 17 november 2023;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] ten bedrage van € 2.342,--, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als [appellant] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [appellant] € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M.G.W.M. Stienissen en C.B.M. Scholten van Aschat en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 januari 2025.
griffier rolraadsheer
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.335.199/01
arrest van 7 januari 2025
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. J.M. McKernan te Sittard,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. D.N. Lavain te Stein (Limburg),
op het bij exploot van dagvaarding van 10 november 2023 ingeleide hoger beroep van het kortgedingvonnis van 16 oktober 2023, zoals met toepassing van artikel 32 Rv aangevuld bij herstelvonnis van 17 november 2023, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, rechtdoende als voorzieningenrechter, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.
Procesverloop
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep met één productie;
de memorie van grieven met producties 1 en 2;
de memorie van antwoord met productie 12;
de akte van [appellant] ;
de antwoordakte van [geïntimeerde] .
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Beoordeling
De vaststaande feiten en de kern van het geschil
3.1.1.
Het gaat in dit kort geding naar de kern genomen om de vraag of de kantonrechter, rechtdoende als voorzieningenrechter, [appellant] terecht heeft veroordeeld tot ontruiming van de door hem gehuurde woning vanwege tekortkomingen van [appellant] in de nakoming van de huurovereenkomst.
3.1.2.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
a. [appellant] is met ingang van 11 oktober 2011 samen met zijn toenmalige partner [persoon A] de woning aan [adres woning] te [woonplaats] gaan huren van de moeder van [geïntimeerde] . De moeder van [geïntimeerde] is in 2015 overleden. [geïntimeerde] heeft vervolgens de eigendom van de woning en de hoedanigheid van verhuurder van de woning verkregen.
b. Aanvankelijk hebben [appellant] en [persoon A] met hun twee kinderen in het gehuurde gewoond. Nadien is de relatie tussen [appellant] en [persoon A] verbroken. De huurovereenkomst is toen ten aanzien van [persoon A] beëindigd, waarna [appellant] enig huurder is gebleven van de woning.
c. In de huurovereenkomst staat onder meer het volgende:
“
10.4
Onderverhuur, medeverhuur of het afstaan van een gedeelte van het gehuurde, is
zonder de uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de verhuurder niet toegestaan.
(…)
10.11
Indien zich in het gehuurde XTC of andere verdovende middelen bevinden c.q.
verhandeld of gedistribueerd worden of indien door de politie of gerechtelijke macht
huiszoeking in het gehuurde naar verdovende middelen wordt uitgevoerd is deze
huurovereenkomst onmiddellijk beëindigd zonder dat daartoe ingebrekestelling zal zijn
vereist. Dit geldt ook voor het telen en distribueren van verdovende middelen of
vergelijkbare zaken.
(…)
10.14
In het geval van oneigenlijk gebruik van het gehuurde al dan niet in combinatie met strafbaar handelen door huurder in het gehuurde, is verhuurder gerechtigd deze
overeenkomst per direct te beëindigen.”
- d. Op de huurovereenkomst zijn de Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Woonruimte (ROZ-model 2003) van toepassing. In die algemene bepalingen staat onder meer het volgende:
“
1.1
Huurder dient het gehuurde - gedurende de gehele duur van de overeenkomst -
daadwerkelijk, behoorlijk en zelf te bewonen overeenkomstig de in de huurovereenkomst
aangegeven bestemming (…).”
e. [appellant] verblijft sinds een onbekende datum, maar in ieder geval vanaf september 2022, tot op heden in detentie. Hij is gegijzeld in verband met een ontnemingsvordering. Het is onzeker wanneer deze gijzeling zal eindigen.
f. De inmiddels meerjarige zoon van [appellant] is in elk geval met ingang van september 2022 in het gehuurde gaan wonen.
g. Bij brief van 12 december 2022 heeft [geïntimeerde] een [appellant] onder meer meegedeeld:
“Wel heb ik begrepen dat u, in strijd met de huurovereenkomst, niet zelf het pand gebruikt, maar laat bewonen door een derde, uw zoon. Daar u momenteel niet in staat bent zelfde woning te gebruiken als een goed huurder betaamt wens ik met onmiddellijke ingang de huurovereenkomst te beëindigen.”
h. [appellant] heeft aan [geïntimeerde] laten weten niet akkoord te gaan met een beëindiging van de huurovereenkomst. Partijen hebben daar vervolgens nog verder over gecorrespondeerd.
i. Bij brief van 28 augustus 2023 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] onder meer meegedeeld dat justitie berekend heeft dat hij in de periode 2000-2004 met softdrugs een bedrag verdiend zou hebben van € 2.655.000,- en dat er binnen 12 tot 14 weken weer op de verlenging van de gijzeling zal worden beslist. In die brief is voorts meegedeeld dat de huur betaald zal blijven worden en dat het gehuurde door de zoon zal worden onderhouden.
j. Op 5 september 2023 heeft de politie een inval gedaan in het gehuurde, en daarbij de zoon van [appellant] aangehouden. De zoon verblijft sindsdien in voorlopige hechtenis.
k. Bij brief van 5 september 2023 heeft de advocaat van [geïntimeerde] aan [appellant] onder meer meegedeeld, dat [geïntimeerde] het onacceptabel vindt dat [appellant] de huurwoning voor onbepaalde duur heeft verlaten, deze niet zelf daadwerkelijk bewoont én de woning aan derde(n) onderverhuurt dan wel in gebruik heeft gegeven. In de brief is [appellant] verzocht om in te stemmen met een beëindiging van de huurovereenkomst en aangekondigd dat anders in kort geding ontruiming van de woning zal worden gevorderd.
l. De huur wordt structureel na de eerste van de maand overgemaakt.
Het kort geding bij de kantonrechter
3.2.1.
[geïntimeerde] vorderde in het kort geding bij de kantonrechter als onmiddellijke voorziening bij voorraad in de zin van artikel 254 Rv, samengevat en voor zover in hoger beroep nog van belang, veroordeling van [appellant] tot ontruiming van het gehuurde met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
3.2.2.
Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] , samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.
[appellant] is in de nakoming van de huurovereenkomst tekortgeschoten door:
het gehuurde niet zelf te bewonen;
het gehuurde zonder toestemming van [geïntimeerde] onder te verhuren of in gebruik te geven aan zijn zoon;
de huur structureel te laat te betalen;
overlast te (laten) veroorzaken door een hond;
verboden strafrechtelijke en gevaarlijke activiteiten (de opslag van flessen lachgas) van de zoon van [geïntimeerde] , die aan [geïntimeerde] kunnen worden toegerekend.
3.2.3.
[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
3.2.4.
In het beroepen vonnis van 16 oktober 2023 heeft de kantonrechter, samengevat en voor zover in hoger beroep van belang, als volgt geoordeeld.
[geïntimeerde] heeft, uitgaande van zijn stellingen, een spoedeisend belang bij beoordeling van zijn vordering tot ontruiming in kort geding (rov. 4.2).
Als vaststaand wordt aangenomen dat zich door toedoen van de zoon van [appellant] (meerdere, ook niet lege) flessen met lachgas in het gehuurde bevonden. De opslag van meerdere flessen lachgas levert een (brand)gevaar zettende situatie op en kan ook anderszins overlast (uit criminele kringen) met zich meebrengen, terwijl ook gehandeld is in strijd met artikel 10 van de algemene bepalingen. Voldoende aannemelijk is dat hoe dan ook strafbare feiten zijn gepleegd, die (mogelijke) gevolgen hebben voor het gehuurde en/of de omgeving van het gehuurde (rov. 4.3).
[appellant] heeft ten onrechte nagelaten om te voorkomen dat de woning door de zoon werd gebruikt voor zaken die met criminaliteit samenhangen en die de nodige risico’s in het leven roepen (rov. 4.3.2).
Procesverloop
3.4.1.
[appellant] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.
3.4.2.
[geïntimeerde] heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot, kort gezegd, bekrachtiging van het beroepen vonnis met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
3.4.3.
[geïntimeerde] heeft voorts betoogd dat [appellant] geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het herstelvonnis van 17 november 2024 en dat de eis van [appellant] in hoger beroep niet tegen het herstelvonnis is gericht. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellant] daarom geen belang bij zijn hoger beroep.
3.4.4.
Het hof verwerpt dit betoog om de volgende reden. Bij het kortgedingvonnis van 16 oktober 2023 heeft de kantonrechter verzuimd om te beslissen over de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de bij dat vonnis uitgesproken veroordelingen. Bij het herstelvonnis van 17 november 2023 heeft de kantonrechter uitsluitend de veroordelingen die bij het vonnis van 16 oktober 2023 waren uitgesproken, alsnog uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het vonnis van 16 oktober 2023 is het onderwerp van dit hoger beroep. Dat het vonnis daarna bij het herstelvonnis van 17 november 2024 is aangevuld met een uitvoerbaar bij voorraadverklaring, doet daar niet aan af.
Over grief 1: het spoedeisend belang van [geïntimeerde] bij zijn vordering tot ontruiming
3.5.1.
In rov. 4.2 van het beroepen vonnis heeft de kantonrechter geoordeeld – kort gezegd – dat [geïntimeerde] , uitgaande van zijn stellingen, een spoedeisend belang heeft bij beoordeling van zijn vordering tot ontruiming in kort geding.
Grief 1 is tegen dat oordeel gericht.
3.5.2.
Het hof verwerpt de grief. Het hof deelt namelijk het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] , uitgaande van zijn stellingen, een spoedeisend belang heeft bij beoordeling van zijn vordering tot ontruiming in kort geding. Hiermee is op zichzelf niet gezegd dat de vordering tot ontruiming terecht is toegewezen. Dat zal het hof in het kader van grief 2 beoordelen.
Over grief 2: bestond er gelet op tekortkomingen van [appellant] in de nakoming van de huurovereenkomst aanleiding om [appellant] in kort geding tot ontruiming van de woning te veroordelen?
3.6.1.
Grief 2 is naar de kern genomen gericht tegen de toewijzing van de vordering tot veroordeling van [appellant] tot ontruiming van de huurwoning. Door de grief wordt aan het hof de vraag voorgelegd of er ten tijde van het beroepen vonnis aanleiding bestond om [appellant] tot ontruiming van de door hem gehuurde woning te veroordelen, waarbij het hof rekening moet houden met het in hoger beroep gevoerde debat en met de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van de beslissing in hoger beroep. Deze vraag wordt in volle omvang aan het oordeel van het hof voorgelegd.
3.6.2.
Het hof stelt bij de beoordeling van deze grief voorop dat [appellant] op grond van artikel 1.1 van de Algemene Bepalingen bij de huurovereenkomst verplicht was om het gehuurde – gedurende de gehele duur van de overeenkomst – daadwerkelijk, behoorlijk en zelf te bewonen. Die verplichting volgt ook uit de in artikel 7:213 BW neergelegde verplichting van de huurder om zich ten aanzien van het gebruik van de gehuurde zaak als een goed huurder te gedragen. Het zich gedragen als goed huurder brengt mee dat [appellant] in staat moest zijn om de verantwoordelijkheid te dragen voor hetgeen er in en aan de woning gebeurde. Die verplichting kan naar het voorshands oordeel van het hof door een huurder slechts worden nagekomen door regelmatig in het gehuurde te verblijven, terwijl in dit geval artikel 1.1 van de Algemene Bepalingen [appellant] verplichtte de woning gedurende de gehele duur van de huurovereenkomst daadwerkelijk zelf voor bewoning te gebruiken.
3.6.3.
Het hof is voorshands van oordeel dat [appellant] in de nakoming van die verplichting is tekortgeschoten. [appellant] heeft immers gedurende een langdurige periode van in elk geval 14 maanden (de gijzeling is in elk geval in september 2022 begonnen terwijl de woning eind november 2023 is ontruimd) niet zelf in de woning gewoond. Dat dit geen vrije keuze van [appellant] is geweest, neemt de tekortkoming niet weg. Een overeenkomst kan ook worden ontbonden als de tekortkoming niet aan de tekortschietende partij kan worden toegerekend. Bovendien komt de tekortkoming in de verhouding tussen [geïntimeerde] en [appellant] wel degelijk voor rekening van [appellant] .
3.6.4.
Dat de zoon van [appellant] gedurende een deel van de periode van afwezigheid van [appellant] in de woning heeft gewoond, neemt de tekortkoming niet weg. Dit volgt reeds uit het feit dat de politie op 5 september 2023 een inval heeft gedaan in het gehuurde en daarbij de zoon van [appellant] heeft aangehouden, waarna de zoon langdurig in voorlopige hechtenis is genomen. Hierdoor kon ook de zoon geen toezicht meer houden op het gehuurde en niet langer namens [appellant] de verantwoordelijkheid dragen voor hetgeen er in en aan de woning gebeurde. Vanaf dat moment was er in het geheel geen toezicht van de zijde van [appellant] meer op het gehuurde.
3.6.5.
Daar komt bij dat het hof, evenals de kantonrechter, voldoende aangetoond acht dat de zoon meerdere flessen lachgas in het gehuurde heeft opgeslagen. Dat hier een rechtvaardiging voor aanwezig was, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt. Bij [geïntimeerde] kon hierdoor de gerechtvaardigde vrees ontstaan dat er in de woning sprake was van een (brand)gevaarlijke situatie en van criminele activiteiten, met mogelijke overlast uit criminele kringen tot gevolg. [geïntimeerde] hoefde dit naar het voorlopig oordeel van het hof niet te accepteren.
3.6.6.
[appellant] is naar het voorshands oordeel van het hof in dit kader verantwoordelijk voor de gedragingen van zijn zoon, omdat niet blijkt dat [appellant] iets heeft gedaan om toezicht uit te oefenen op het gebruik dat zijn zoon van de woning maakte. [appellant] heeft zich ook in zoverre zelf niet als goed huurder gedragen (in de zin van HR 22 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8743). Dat [appellant] daar ook niet toe in staat was omdat hij in gijzeling zat, komt om de in rov. 3.6.3 genoemde redenen voor rekening van [appellant] zelf. Ook in zoverre is dus sprake van een tekortkoming van [appellant] in de nakoming van de huurovereenkomst.
3.6.7.
Naar het oordeel van het hof is het aannemelijk dat een bodemrechter zal oordelen dat de bovenstaande tekortkomingen, zeker in onderling verband en samenhang bezien, de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigen.
3.6.8.
Het hof is voorts van oordeel dat in de gegeven omstandigheden niet van [geïntimeerde] te vergen was om de uitkomst van een bodemprocedure af te wachten. [appellant] schoot immers reeds langdurig tekort in de nakoming van zijn verplichting om het gehuurde zelf daadwerkelijk te bewonen, en er bestond geen concreet uitzicht op het moment waarop die tekortkoming zou eindigen. Verder bestonden er duidelijke aanwijzingen dat de zoon van [appellant] door de opslag van flessen lachgas in de woning een (brand)gevaarlijke situatie had doen ontstaan en zich schuldig maakte aan criminele activiteiten, met mogelijke overlast uit criminele kringen tot gevolg. Nadat ook de zoon gedetineerd was geraakt, was van toezicht namens [appellant] op het gehuurde in het geheel geen sprake meer.
Conclusie
3.8.1.
Omdat de grieven geen doel treffen, zal het hof het beroepen kortgedingvonnis bekrachtigen.
3.8.2.
Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Het hof stelt die kosten aan de zijde van [geïntimeerde] vast op:
Griffierechten € 343,--
Salaris advocaat € 1.821,-- (1,5 punt x tarief II)
Nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de
Dictum
Totaal € 2.342,--
3.8.3.
Uit het bovenstaande volgt de onderstaande uitspraak.
4De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, rechtdoende als voorzieningenrechter, onder zaaknummer 10697226 CV EXPL 23-3893 tussen partijen gewezen kortgedingvonnis van 16 oktober 2023, zoals aangevuld bij herstelvonnis van 17 november 2023;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] ten bedrage van € 2.342,--, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als [appellant] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [appellant] € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M.G.W.M. Stienissen en C.B.M. Scholten van Aschat en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 januari 2025.
griffier rolraadsheer
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.335.199/01
arrest van 7 januari 2025
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. J.M. McKernan te Sittard,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. D.N. Lavain te Stein (Limburg),
op het bij exploot van dagvaarding van 10 november 2023 ingeleide hoger beroep van het kortgedingvonnis van 16 oktober 2023, zoals met toepassing van artikel 32 Rv aangevuld bij herstelvonnis van 17 november 2023, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, rechtdoende als voorzieningenrechter, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.
Procesverloop
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep met één productie;
de memorie van grieven met producties 1 en 2;
de memorie van antwoord met productie 12;
de akte van [appellant] ;
de antwoordakte van [geïntimeerde] .
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Beoordeling
De vaststaande feiten en de kern van het geschil
3.1.1.
Het gaat in dit kort geding naar de kern genomen om de vraag of de kantonrechter, rechtdoende als voorzieningenrechter, [appellant] terecht heeft veroordeeld tot ontruiming van de door hem gehuurde woning vanwege tekortkomingen van [appellant] in de nakoming van de huurovereenkomst.
3.1.2.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
a. [appellant] is met ingang van 11 oktober 2011 samen met zijn toenmalige partner [persoon A] de woning aan [adres woning] te [woonplaats] gaan huren van de moeder van [geïntimeerde] . De moeder van [geïntimeerde] is in 2015 overleden. [geïntimeerde] heeft vervolgens de eigendom van de woning en de hoedanigheid van verhuurder van de woning verkregen.
b. Aanvankelijk hebben [appellant] en [persoon A] met hun twee kinderen in het gehuurde gewoond. Nadien is de relatie tussen [appellant] en [persoon A] verbroken. De huurovereenkomst is toen ten aanzien van [persoon A] beëindigd, waarna [appellant] enig huurder is gebleven van de woning.
c. In de huurovereenkomst staat onder meer het volgende:
“
10.4
Onderverhuur, medeverhuur of het afstaan van een gedeelte van het gehuurde, is
zonder de uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de verhuurder niet toegestaan.
(…)
10.11
Indien zich in het gehuurde XTC of andere verdovende middelen bevinden c.q.
verhandeld of gedistribueerd worden of indien door de politie of gerechtelijke macht
huiszoeking in het gehuurde naar verdovende middelen wordt uitgevoerd is deze
huurovereenkomst onmiddellijk beëindigd zonder dat daartoe ingebrekestelling zal zijn
vereist. Dit geldt ook voor het telen en distribueren van verdovende middelen of
vergelijkbare zaken.
(…)
10.14
In het geval van oneigenlijk gebruik van het gehuurde al dan niet in combinatie met strafbaar handelen door huurder in het gehuurde, is verhuurder gerechtigd deze
overeenkomst per direct te beëindigen.”
- d. Op de huurovereenkomst zijn de Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Woonruimte (ROZ-model 2003) van toepassing. In die algemene bepalingen staat onder meer het volgende:
“
1.1
Huurder dient het gehuurde - gedurende de gehele duur van de overeenkomst -
daadwerkelijk, behoorlijk en zelf te bewonen overeenkomstig de in de huurovereenkomst
aangegeven bestemming (…).”
e. [appellant] verblijft sinds een onbekende datum, maar in ieder geval vanaf september 2022, tot op heden in detentie. Hij is gegijzeld in verband met een ontnemingsvordering. Het is onzeker wanneer deze gijzeling zal eindigen.
f. De inmiddels meerjarige zoon van [appellant] is in elk geval met ingang van september 2022 in het gehuurde gaan wonen.
g. Bij brief van 12 december 2022 heeft [geïntimeerde] een [appellant] onder meer meegedeeld:
“Wel heb ik begrepen dat u, in strijd met de huurovereenkomst, niet zelf het pand gebruikt, maar laat bewonen door een derde, uw zoon. Daar u momenteel niet in staat bent zelfde woning te gebruiken als een goed huurder betaamt wens ik met onmiddellijke ingang de huurovereenkomst te beëindigen.”
h. [appellant] heeft aan [geïntimeerde] laten weten niet akkoord te gaan met een beëindiging van de huurovereenkomst. Partijen hebben daar vervolgens nog verder over gecorrespondeerd.
i. Bij brief van 28 augustus 2023 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] onder meer meegedeeld dat justitie berekend heeft dat hij in de periode 2000-2004 met softdrugs een bedrag verdiend zou hebben van € 2.655.000,- en dat er binnen 12 tot 14 weken weer op de verlenging van de gijzeling zal worden beslist. In die brief is voorts meegedeeld dat de huur betaald zal blijven worden en dat het gehuurde door de zoon zal worden onderhouden.
j. Op 5 september 2023 heeft de politie een inval gedaan in het gehuurde, en daarbij de zoon van [appellant] aangehouden. De zoon verblijft sindsdien in voorlopige hechtenis.
k. Bij brief van 5 september 2023 heeft de advocaat van [geïntimeerde] aan [appellant] onder meer meegedeeld, dat [geïntimeerde] het onacceptabel vindt dat [appellant] de huurwoning voor onbepaalde duur heeft verlaten, deze niet zelf daadwerkelijk bewoont én de woning aan derde(n) onderverhuurt dan wel in gebruik heeft gegeven. In de brief is [appellant] verzocht om in te stemmen met een beëindiging van de huurovereenkomst en aangekondigd dat anders in kort geding ontruiming van de woning zal worden gevorderd.
l. De huur wordt structureel na de eerste van de maand overgemaakt.
Het kort geding bij de kantonrechter
3.2.1.
[geïntimeerde] vorderde in het kort geding bij de kantonrechter als onmiddellijke voorziening bij voorraad in de zin van artikel 254 Rv, samengevat en voor zover in hoger beroep nog van belang, veroordeling van [appellant] tot ontruiming van het gehuurde met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
3.2.2.
Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] , samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.
[appellant] is in de nakoming van de huurovereenkomst tekortgeschoten door:
het gehuurde niet zelf te bewonen;
het gehuurde zonder toestemming van [geïntimeerde] onder te verhuren of in gebruik te geven aan zijn zoon;
de huur structureel te laat te betalen;
overlast te (laten) veroorzaken door een hond;
verboden strafrechtelijke en gevaarlijke activiteiten (de opslag van flessen lachgas) van de zoon van [geïntimeerde] , die aan [geïntimeerde] kunnen worden toegerekend.
3.2.3.
[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
3.2.4.
In het beroepen vonnis van 16 oktober 2023 heeft de kantonrechter, samengevat en voor zover in hoger beroep van belang, als volgt geoordeeld.
[geïntimeerde] heeft, uitgaande van zijn stellingen, een spoedeisend belang bij beoordeling van zijn vordering tot ontruiming in kort geding (rov. 4.2).
Als vaststaand wordt aangenomen dat zich door toedoen van de zoon van [appellant] (meerdere, ook niet lege) flessen met lachgas in het gehuurde bevonden. De opslag van meerdere flessen lachgas levert een (brand)gevaar zettende situatie op en kan ook anderszins overlast (uit criminele kringen) met zich meebrengen, terwijl ook gehandeld is in strijd met artikel 10 van de algemene bepalingen. Voldoende aannemelijk is dat hoe dan ook strafbare feiten zijn gepleegd, die (mogelijke) gevolgen hebben voor het gehuurde en/of de omgeving van het gehuurde (rov. 4.3).
[appellant] heeft ten onrechte nagelaten om te voorkomen dat de woning door de zoon werd gebruikt voor zaken die met criminaliteit samenhangen en die de nodige risico’s in het leven roepen (rov. 4.3.2).
Procesverloop
3.4.1.
[appellant] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.
3.4.2.
[geïntimeerde] heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot, kort gezegd, bekrachtiging van het beroepen vonnis met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
3.4.3.
[geïntimeerde] heeft voorts betoogd dat [appellant] geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het herstelvonnis van 17 november 2024 en dat de eis van [appellant] in hoger beroep niet tegen het herstelvonnis is gericht. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellant] daarom geen belang bij zijn hoger beroep.
3.4.4.
Het hof verwerpt dit betoog om de volgende reden. Bij het kortgedingvonnis van 16 oktober 2023 heeft de kantonrechter verzuimd om te beslissen over de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de bij dat vonnis uitgesproken veroordelingen. Bij het herstelvonnis van 17 november 2023 heeft de kantonrechter uitsluitend de veroordelingen die bij het vonnis van 16 oktober 2023 waren uitgesproken, alsnog uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het vonnis van 16 oktober 2023 is het onderwerp van dit hoger beroep. Dat het vonnis daarna bij het herstelvonnis van 17 november 2024 is aangevuld met een uitvoerbaar bij voorraadverklaring, doet daar niet aan af.
Over grief 1: het spoedeisend belang van [geïntimeerde] bij zijn vordering tot ontruiming
3.5.1.
In rov. 4.2 van het beroepen vonnis heeft de kantonrechter geoordeeld – kort gezegd – dat [geïntimeerde] , uitgaande van zijn stellingen, een spoedeisend belang heeft bij beoordeling van zijn vordering tot ontruiming in kort geding.
Grief 1 is tegen dat oordeel gericht.
3.5.2.
Het hof verwerpt de grief. Het hof deelt namelijk het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] , uitgaande van zijn stellingen, een spoedeisend belang heeft bij beoordeling van zijn vordering tot ontruiming in kort geding. Hiermee is op zichzelf niet gezegd dat de vordering tot ontruiming terecht is toegewezen. Dat zal het hof in het kader van grief 2 beoordelen.
Over grief 2: bestond er gelet op tekortkomingen van [appellant] in de nakoming van de huurovereenkomst aanleiding om [appellant] in kort geding tot ontruiming van de woning te veroordelen?
3.6.1.
Grief 2 is naar de kern genomen gericht tegen de toewijzing van de vordering tot veroordeling van [appellant] tot ontruiming van de huurwoning. Door de grief wordt aan het hof de vraag voorgelegd of er ten tijde van het beroepen vonnis aanleiding bestond om [appellant] tot ontruiming van de door hem gehuurde woning te veroordelen, waarbij het hof rekening moet houden met het in hoger beroep gevoerde debat en met de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van de beslissing in hoger beroep. Deze vraag wordt in volle omvang aan het oordeel van het hof voorgelegd.
3.6.2.
Het hof stelt bij de beoordeling van deze grief voorop dat [appellant] op grond van artikel 1.1 van de Algemene Bepalingen bij de huurovereenkomst verplicht was om het gehuurde – gedurende de gehele duur van de overeenkomst – daadwerkelijk, behoorlijk en zelf te bewonen. Die verplichting volgt ook uit de in artikel 7:213 BW neergelegde verplichting van de huurder om zich ten aanzien van het gebruik van de gehuurde zaak als een goed huurder te gedragen. Het zich gedragen als goed huurder brengt mee dat [appellant] in staat moest zijn om de verantwoordelijkheid te dragen voor hetgeen er in en aan de woning gebeurde. Die verplichting kan naar het voorshands oordeel van het hof door een huurder slechts worden nagekomen door regelmatig in het gehuurde te verblijven, terwijl in dit geval artikel 1.1 van de Algemene Bepalingen [appellant] verplichtte de woning gedurende de gehele duur van de huurovereenkomst daadwerkelijk zelf voor bewoning te gebruiken.
3.6.3.
Het hof is voorshands van oordeel dat [appellant] in de nakoming van die verplichting is tekortgeschoten. [appellant] heeft immers gedurende een langdurige periode van in elk geval 14 maanden (de gijzeling is in elk geval in september 2022 begonnen terwijl de woning eind november 2023 is ontruimd) niet zelf in de woning gewoond. Dat dit geen vrije keuze van [appellant] is geweest, neemt de tekortkoming niet weg. Een overeenkomst kan ook worden ontbonden als de tekortkoming niet aan de tekortschietende partij kan worden toegerekend. Bovendien komt de tekortkoming in de verhouding tussen [geïntimeerde] en [appellant] wel degelijk voor rekening van [appellant] .
3.6.4.
Dat de zoon van [appellant] gedurende een deel van de periode van afwezigheid van [appellant] in de woning heeft gewoond, neemt de tekortkoming niet weg. Dit volgt reeds uit het feit dat de politie op 5 september 2023 een inval heeft gedaan in het gehuurde en daarbij de zoon van [appellant] heeft aangehouden, waarna de zoon langdurig in voorlopige hechtenis is genomen. Hierdoor kon ook de zoon geen toezicht meer houden op het gehuurde en niet langer namens [appellant] de verantwoordelijkheid dragen voor hetgeen er in en aan de woning gebeurde. Vanaf dat moment was er in het geheel geen toezicht van de zijde van [appellant] meer op het gehuurde.
3.6.5.
Daar komt bij dat het hof, evenals de kantonrechter, voldoende aangetoond acht dat de zoon meerdere flessen lachgas in het gehuurde heeft opgeslagen. Dat hier een rechtvaardiging voor aanwezig was, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt. Bij [geïntimeerde] kon hierdoor de gerechtvaardigde vrees ontstaan dat er in de woning sprake was van een (brand)gevaarlijke situatie en van criminele activiteiten, met mogelijke overlast uit criminele kringen tot gevolg. [geïntimeerde] hoefde dit naar het voorlopig oordeel van het hof niet te accepteren.
3.6.6.
[appellant] is naar het voorshands oordeel van het hof in dit kader verantwoordelijk voor de gedragingen van zijn zoon, omdat niet blijkt dat [appellant] iets heeft gedaan om toezicht uit te oefenen op het gebruik dat zijn zoon van de woning maakte. [appellant] heeft zich ook in zoverre zelf niet als goed huurder gedragen (in de zin van HR 22 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8743). Dat [appellant] daar ook niet toe in staat was omdat hij in gijzeling zat, komt om de in rov. 3.6.3 genoemde redenen voor rekening van [appellant] zelf. Ook in zoverre is dus sprake van een tekortkoming van [appellant] in de nakoming van de huurovereenkomst.
3.6.7.
Naar het oordeel van het hof is het aannemelijk dat een bodemrechter zal oordelen dat de bovenstaande tekortkomingen, zeker in onderling verband en samenhang bezien, de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigen.
3.6.8.
Het hof is voorts van oordeel dat in de gegeven omstandigheden niet van [geïntimeerde] te vergen was om de uitkomst van een bodemprocedure af te wachten. [appellant] schoot immers reeds langdurig tekort in de nakoming van zijn verplichting om het gehuurde zelf daadwerkelijk te bewonen, en er bestond geen concreet uitzicht op het moment waarop die tekortkoming zou eindigen. Verder bestonden er duidelijke aanwijzingen dat de zoon van [appellant] door de opslag van flessen lachgas in de woning een (brand)gevaarlijke situatie had doen ontstaan en zich schuldig maakte aan criminele activiteiten, met mogelijke overlast uit criminele kringen tot gevolg. Nadat ook de zoon gedetineerd was geraakt, was van toezicht namens [appellant] op het gehuurde in het geheel geen sprake meer.
Conclusie
3.8.1.
Omdat de grieven geen doel treffen, zal het hof het beroepen kortgedingvonnis bekrachtigen.
3.8.2.
Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Het hof stelt die kosten aan de zijde van [geïntimeerde] vast op:
Griffierechten € 343,--
Salaris advocaat € 1.821,-- (1,5 punt x tarief II)
Nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de
Dictum
Totaal € 2.342,--
3.8.3.
Uit het bovenstaande volgt de onderstaande uitspraak.
4De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, rechtdoende als voorzieningenrechter, onder zaaknummer 10697226 CV EXPL 23-3893 tussen partijen gewezen kortgedingvonnis van 16 oktober 2023, zoals aangevuld bij herstelvonnis van 17 november 2023;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] ten bedrage van € 2.342,--, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als [appellant] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [appellant] € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M.G.W.M. Stienissen en C.B.M. Scholten van Aschat en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 januari 2025.
griffier rolraadsheer
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.335.199/01
arrest van 7 januari 2025
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. J.M. McKernan te Sittard,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. D.N. Lavain te Stein (Limburg),
op het bij exploot van dagvaarding van 10 november 2023 ingeleide hoger beroep van het kortgedingvonnis van 16 oktober 2023, zoals met toepassing van artikel 32 Rv aangevuld bij herstelvonnis van 17 november 2023, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, rechtdoende als voorzieningenrechter, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.
Procesverloop
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep met één productie;
de memorie van grieven met producties 1 en 2;
de memorie van antwoord met productie 12;
de akte van [appellant] ;
de antwoordakte van [geïntimeerde] .
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Beoordeling
De vaststaande feiten en de kern van het geschil
3.1.1.
Het gaat in dit kort geding naar de kern genomen om de vraag of de kantonrechter, rechtdoende als voorzieningenrechter, [appellant] terecht heeft veroordeeld tot ontruiming van de door hem gehuurde woning vanwege tekortkomingen van [appellant] in de nakoming van de huurovereenkomst.
3.1.2.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
a. [appellant] is met ingang van 11 oktober 2011 samen met zijn toenmalige partner [persoon A] de woning aan [adres woning] te [woonplaats] gaan huren van de moeder van [geïntimeerde] . De moeder van [geïntimeerde] is in 2015 overleden. [geïntimeerde] heeft vervolgens de eigendom van de woning en de hoedanigheid van verhuurder van de woning verkregen.
b. Aanvankelijk hebben [appellant] en [persoon A] met hun twee kinderen in het gehuurde gewoond. Nadien is de relatie tussen [appellant] en [persoon A] verbroken. De huurovereenkomst is toen ten aanzien van [persoon A] beëindigd, waarna [appellant] enig huurder is gebleven van de woning.
c. In de huurovereenkomst staat onder meer het volgende:
“
10.4
Onderverhuur, medeverhuur of het afstaan van een gedeelte van het gehuurde, is
zonder de uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de verhuurder niet toegestaan.
(…)
10.11
Indien zich in het gehuurde XTC of andere verdovende middelen bevinden c.q.
verhandeld of gedistribueerd worden of indien door de politie of gerechtelijke macht
huiszoeking in het gehuurde naar verdovende middelen wordt uitgevoerd is deze
huurovereenkomst onmiddellijk beëindigd zonder dat daartoe ingebrekestelling zal zijn
vereist. Dit geldt ook voor het telen en distribueren van verdovende middelen of
vergelijkbare zaken.
(…)
10.14
In het geval van oneigenlijk gebruik van het gehuurde al dan niet in combinatie met strafbaar handelen door huurder in het gehuurde, is verhuurder gerechtigd deze
overeenkomst per direct te beëindigen.”
- d. Op de huurovereenkomst zijn de Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Woonruimte (ROZ-model 2003) van toepassing. In die algemene bepalingen staat onder meer het volgende:
“
1.1
Huurder dient het gehuurde - gedurende de gehele duur van de overeenkomst -
daadwerkelijk, behoorlijk en zelf te bewonen overeenkomstig de in de huurovereenkomst
aangegeven bestemming (…).”
e. [appellant] verblijft sinds een onbekende datum, maar in ieder geval vanaf september 2022, tot op heden in detentie. Hij is gegijzeld in verband met een ontnemingsvordering. Het is onzeker wanneer deze gijzeling zal eindigen.
f. De inmiddels meerjarige zoon van [appellant] is in elk geval met ingang van september 2022 in het gehuurde gaan wonen.
g. Bij brief van 12 december 2022 heeft [geïntimeerde] een [appellant] onder meer meegedeeld:
“Wel heb ik begrepen dat u, in strijd met de huurovereenkomst, niet zelf het pand gebruikt, maar laat bewonen door een derde, uw zoon. Daar u momenteel niet in staat bent zelfde woning te gebruiken als een goed huurder betaamt wens ik met onmiddellijke ingang de huurovereenkomst te beëindigen.”
h. [appellant] heeft aan [geïntimeerde] laten weten niet akkoord te gaan met een beëindiging van de huurovereenkomst. Partijen hebben daar vervolgens nog verder over gecorrespondeerd.
i. Bij brief van 28 augustus 2023 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] onder meer meegedeeld dat justitie berekend heeft dat hij in de periode 2000-2004 met softdrugs een bedrag verdiend zou hebben van € 2.655.000,- en dat er binnen 12 tot 14 weken weer op de verlenging van de gijzeling zal worden beslist. In die brief is voorts meegedeeld dat de huur betaald zal blijven worden en dat het gehuurde door de zoon zal worden onderhouden.
j. Op 5 september 2023 heeft de politie een inval gedaan in het gehuurde, en daarbij de zoon van [appellant] aangehouden. De zoon verblijft sindsdien in voorlopige hechtenis.
k. Bij brief van 5 september 2023 heeft de advocaat van [geïntimeerde] aan [appellant] onder meer meegedeeld, dat [geïntimeerde] het onacceptabel vindt dat [appellant] de huurwoning voor onbepaalde duur heeft verlaten, deze niet zelf daadwerkelijk bewoont én de woning aan derde(n) onderverhuurt dan wel in gebruik heeft gegeven. In de brief is [appellant] verzocht om in te stemmen met een beëindiging van de huurovereenkomst en aangekondigd dat anders in kort geding ontruiming van de woning zal worden gevorderd.
l. De huur wordt structureel na de eerste van de maand overgemaakt.
Het kort geding bij de kantonrechter
3.2.1.
[geïntimeerde] vorderde in het kort geding bij de kantonrechter als onmiddellijke voorziening bij voorraad in de zin van artikel 254 Rv, samengevat en voor zover in hoger beroep nog van belang, veroordeling van [appellant] tot ontruiming van het gehuurde met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
3.2.2.
Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] , samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.
[appellant] is in de nakoming van de huurovereenkomst tekortgeschoten door:
het gehuurde niet zelf te bewonen;
het gehuurde zonder toestemming van [geïntimeerde] onder te verhuren of in gebruik te geven aan zijn zoon;
de huur structureel te laat te betalen;
overlast te (laten) veroorzaken door een hond;
verboden strafrechtelijke en gevaarlijke activiteiten (de opslag van flessen lachgas) van de zoon van [geïntimeerde] , die aan [geïntimeerde] kunnen worden toegerekend.
3.2.3.
[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
3.2.4.
In het beroepen vonnis van 16 oktober 2023 heeft de kantonrechter, samengevat en voor zover in hoger beroep van belang, als volgt geoordeeld.
[geïntimeerde] heeft, uitgaande van zijn stellingen, een spoedeisend belang bij beoordeling van zijn vordering tot ontruiming in kort geding (rov. 4.2).
Als vaststaand wordt aangenomen dat zich door toedoen van de zoon van [appellant] (meerdere, ook niet lege) flessen met lachgas in het gehuurde bevonden. De opslag van meerdere flessen lachgas levert een (brand)gevaar zettende situatie op en kan ook anderszins overlast (uit criminele kringen) met zich meebrengen, terwijl ook gehandeld is in strijd met artikel 10 van de algemene bepalingen. Voldoende aannemelijk is dat hoe dan ook strafbare feiten zijn gepleegd, die (mogelijke) gevolgen hebben voor het gehuurde en/of de omgeving van het gehuurde (rov. 4.3).
[appellant] heeft ten onrechte nagelaten om te voorkomen dat de woning door de zoon werd gebruikt voor zaken die met criminaliteit samenhangen en die de nodige risico’s in het leven roepen (rov. 4.3.2).
Procesverloop
3.4.1.
[appellant] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.
3.4.2.
[geïntimeerde] heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot, kort gezegd, bekrachtiging van het beroepen vonnis met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
3.4.3.
[geïntimeerde] heeft voorts betoogd dat [appellant] geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het herstelvonnis van 17 november 2024 en dat de eis van [appellant] in hoger beroep niet tegen het herstelvonnis is gericht. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellant] daarom geen belang bij zijn hoger beroep.
3.4.4.
Het hof verwerpt dit betoog om de volgende reden. Bij het kortgedingvonnis van 16 oktober 2023 heeft de kantonrechter verzuimd om te beslissen over de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de bij dat vonnis uitgesproken veroordelingen. Bij het herstelvonnis van 17 november 2023 heeft de kantonrechter uitsluitend de veroordelingen die bij het vonnis van 16 oktober 2023 waren uitgesproken, alsnog uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het vonnis van 16 oktober 2023 is het onderwerp van dit hoger beroep. Dat het vonnis daarna bij het herstelvonnis van 17 november 2024 is aangevuld met een uitvoerbaar bij voorraadverklaring, doet daar niet aan af.
Over grief 1: het spoedeisend belang van [geïntimeerde] bij zijn vordering tot ontruiming
3.5.1.
In rov. 4.2 van het beroepen vonnis heeft de kantonrechter geoordeeld – kort gezegd – dat [geïntimeerde] , uitgaande van zijn stellingen, een spoedeisend belang heeft bij beoordeling van zijn vordering tot ontruiming in kort geding.
Grief 1 is tegen dat oordeel gericht.
3.5.2.
Het hof verwerpt de grief. Het hof deelt namelijk het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] , uitgaande van zijn stellingen, een spoedeisend belang heeft bij beoordeling van zijn vordering tot ontruiming in kort geding. Hiermee is op zichzelf niet gezegd dat de vordering tot ontruiming terecht is toegewezen. Dat zal het hof in het kader van grief 2 beoordelen.
Over grief 2: bestond er gelet op tekortkomingen van [appellant] in de nakoming van de huurovereenkomst aanleiding om [appellant] in kort geding tot ontruiming van de woning te veroordelen?
3.6.1.
Grief 2 is naar de kern genomen gericht tegen de toewijzing van de vordering tot veroordeling van [appellant] tot ontruiming van de huurwoning. Door de grief wordt aan het hof de vraag voorgelegd of er ten tijde van het beroepen vonnis aanleiding bestond om [appellant] tot ontruiming van de door hem gehuurde woning te veroordelen, waarbij het hof rekening moet houden met het in hoger beroep gevoerde debat en met de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van de beslissing in hoger beroep. Deze vraag wordt in volle omvang aan het oordeel van het hof voorgelegd.
3.6.2.
Het hof stelt bij de beoordeling van deze grief voorop dat [appellant] op grond van artikel 1.1 van de Algemene Bepalingen bij de huurovereenkomst verplicht was om het gehuurde – gedurende de gehele duur van de overeenkomst – daadwerkelijk, behoorlijk en zelf te bewonen. Die verplichting volgt ook uit de in artikel 7:213 BW neergelegde verplichting van de huurder om zich ten aanzien van het gebruik van de gehuurde zaak als een goed huurder te gedragen. Het zich gedragen als goed huurder brengt mee dat [appellant] in staat moest zijn om de verantwoordelijkheid te dragen voor hetgeen er in en aan de woning gebeurde. Die verplichting kan naar het voorshands oordeel van het hof door een huurder slechts worden nagekomen door regelmatig in het gehuurde te verblijven, terwijl in dit geval artikel 1.1 van de Algemene Bepalingen [appellant] verplichtte de woning gedurende de gehele duur van de huurovereenkomst daadwerkelijk zelf voor bewoning te gebruiken.
3.6.3.
Het hof is voorshands van oordeel dat [appellant] in de nakoming van die verplichting is tekortgeschoten. [appellant] heeft immers gedurende een langdurige periode van in elk geval 14 maanden (de gijzeling is in elk geval in september 2022 begonnen terwijl de woning eind november 2023 is ontruimd) niet zelf in de woning gewoond. Dat dit geen vrije keuze van [appellant] is geweest, neemt de tekortkoming niet weg. Een overeenkomst kan ook worden ontbonden als de tekortkoming niet aan de tekortschietende partij kan worden toegerekend. Bovendien komt de tekortkoming in de verhouding tussen [geïntimeerde] en [appellant] wel degelijk voor rekening van [appellant] .
3.6.4.
Dat de zoon van [appellant] gedurende een deel van de periode van afwezigheid van [appellant] in de woning heeft gewoond, neemt de tekortkoming niet weg. Dit volgt reeds uit het feit dat de politie op 5 september 2023 een inval heeft gedaan in het gehuurde en daarbij de zoon van [appellant] heeft aangehouden, waarna de zoon langdurig in voorlopige hechtenis is genomen. Hierdoor kon ook de zoon geen toezicht meer houden op het gehuurde en niet langer namens [appellant] de verantwoordelijkheid dragen voor hetgeen er in en aan de woning gebeurde. Vanaf dat moment was er in het geheel geen toezicht van de zijde van [appellant] meer op het gehuurde.
3.6.5.
Daar komt bij dat het hof, evenals de kantonrechter, voldoende aangetoond acht dat de zoon meerdere flessen lachgas in het gehuurde heeft opgeslagen. Dat hier een rechtvaardiging voor aanwezig was, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt. Bij [geïntimeerde] kon hierdoor de gerechtvaardigde vrees ontstaan dat er in de woning sprake was van een (brand)gevaarlijke situatie en van criminele activiteiten, met mogelijke overlast uit criminele kringen tot gevolg. [geïntimeerde] hoefde dit naar het voorlopig oordeel van het hof niet te accepteren.
3.6.6.
[appellant] is naar het voorshands oordeel van het hof in dit kader verantwoordelijk voor de gedragingen van zijn zoon, omdat niet blijkt dat [appellant] iets heeft gedaan om toezicht uit te oefenen op het gebruik dat zijn zoon van de woning maakte. [appellant] heeft zich ook in zoverre zelf niet als goed huurder gedragen (in de zin van HR 22 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8743). Dat [appellant] daar ook niet toe in staat was omdat hij in gijzeling zat, komt om de in rov. 3.6.3 genoemde redenen voor rekening van [appellant] zelf. Ook in zoverre is dus sprake van een tekortkoming van [appellant] in de nakoming van de huurovereenkomst.
3.6.7.
Naar het oordeel van het hof is het aannemelijk dat een bodemrechter zal oordelen dat de bovenstaande tekortkomingen, zeker in onderling verband en samenhang bezien, de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigen.
3.6.8.
Het hof is voorts van oordeel dat in de gegeven omstandigheden niet van [geïntimeerde] te vergen was om de uitkomst van een bodemprocedure af te wachten. [appellant] schoot immers reeds langdurig tekort in de nakoming van zijn verplichting om het gehuurde zelf daadwerkelijk te bewonen, en er bestond geen concreet uitzicht op het moment waarop die tekortkoming zou eindigen. Verder bestonden er duidelijke aanwijzingen dat de zoon van [appellant] door de opslag van flessen lachgas in de woning een (brand)gevaarlijke situatie had doen ontstaan en zich schuldig maakte aan criminele activiteiten, met mogelijke overlast uit criminele kringen tot gevolg. Nadat ook de zoon gedetineerd was geraakt, was van toezicht namens [appellant] op het gehuurde in het geheel geen sprake meer.
Conclusie
3.8.1.
Omdat de grieven geen doel treffen, zal het hof het beroepen kortgedingvonnis bekrachtigen.
3.8.2.
Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Het hof stelt die kosten aan de zijde van [geïntimeerde] vast op:
Griffierechten € 343,--
Salaris advocaat € 1.821,-- (1,5 punt x tarief II)
Nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de
Dictum
Totaal € 2.342,--
3.8.3.
Uit het bovenstaande volgt de onderstaande uitspraak.
4De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, rechtdoende als voorzieningenrechter, onder zaaknummer 10697226 CV EXPL 23-3893 tussen partijen gewezen kortgedingvonnis van 16 oktober 2023, zoals aangevuld bij herstelvonnis van 17 november 2023;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] ten bedrage van € 2.342,--, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als [appellant] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [appellant] € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M.G.W.M. Stienissen en C.B.M. Scholten van Aschat en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 januari 2025.
griffier rolraadsheer