Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-25
ECLI:NL:GHSHE:2025:2087
Strafrecht
Hoger beroep
26,478 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-000665-22
Uitspraak : 25 maart 2025
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 11 maart 2022, in de strafzaak met parketnummer 02-316249-21 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
thans gedetineerd in de PI Grave te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘poging tot diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren en terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking’ (primair) veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden, met aftrek van voorarrest.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis integraal wordt bevestigd met aanvulling van gronden. Daarnaast is, onder de voorwaarde dat het hof niet tot een veroordeling van het tenlastegelegde komt, gevorderd nader onderzoek te doen.
De raadsman heeft primair verzocht de verdachte integraal van het tenlastegelegde vrij te spreken en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd. Daarnaast is, onder de voorwaarde dat het hof niet tot een vrijspraak komt, verzocht nader onderzoek te doen. Ten slotte is een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 6 september 2021 te Terneuzen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door middel van braak, verbreking en/of inklimming audioapparatuur en/of andere goederen van zijn gading, in elk geval enige goederen, die geheel of ten dele aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] (medewerker van de politie Zeeland-West-Brabant), te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, via een bovenlicht het pand is binnengeklommen en/of vervolgens audioapparatuur bij de uitgang heeft klaargezet en/of vervolgens die [slachtoffer] een mes heeft getoond en/of met dat mes op die [slachtoffer] is af gelopen en/of daarbij (dreigend) de woorden heeft toegevoegd: "What do you want", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiairhij op of omstreeks 6 september 2021 te Terneuzen [slachtoffer] (medewerker van de politie Zeeland-West-Brabant) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] een mes te tonen en/of met dat mes op die [slachtoffer] af te lopen en/of daarbij (dreigend) de woorden toe te voegen: "What do you want".
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair tenlastegelegde poging tot diefstal met bedreiging met geweld kan worden bewezen.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan verdachte primair en subsidiair tenlastegelegde feit niet kan worden bewezen en verzocht de verdachte hiervan vrij te spreken. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte niet past in het door de aangeefster opgegeven signalement. Daarbij heeft de raadsman in het bijzonder gewezen op het verschil in lichaamslengte dat de aangeefster heeft genoemd (169 centimeter) en de daadwerkelijke lichaamslengte van de verdachte (183 centimeter). Verder heeft de raadsman aangevoerd dat het dactyloscopische spoor van de handpalmafdruk bij het inklimraam, zijnde een cruciaal daderspoor, niet aan verdachte kon worden gekoppeld en dat in het pand van meerdere personen DNA is aangetroffen.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof is op grond van de stukken uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van oordeel dat de verdachte op 6 september 2021 wél in het pand aan [adres 2] is geweest en daar met verbalisant [slachtoffer] is geconfronteerd, terwijl hij een mes in zijn hand had. Ten eerste worden bij de omschrijving die [slachtoffer] van de dader geeft (dossierpagina’s 7, 8 en 16) enkele bijzondere kenmerken genoemd waarvan het hof uit eigen waarneming, namelijk aan de hand van verdachtes foto op een ID-staat op pagina 85 van het dossier, vaststelt dat zij overeenkomen met die van de verdachte. Het betreft in het bijzonder het door [slachtoffer] beschreven Mexicaanse uiterlijk, de blanke huid, het zwarte haar en de gitzwarte snor in combinatie met de door [slachtoffer] beschreven leeftijd. Verbalisant [slachtoffer] is in hoger beroep door de raadsheer-commissaris gehoord en heeft verklaard dat zij op zeer korte afstand van de dader heeft gestaan en zelfs op enig moment op een afstand van ongeveer 30 tot 50 centimeter met daartussen een glazen deur. Zij heeft met een zaklamp geschenen op de persoon die voor haar stond. Het kan naar het oordeel van het hof niet anders dan dat zij de hiervoor genoemde gezichtskenmerken van de dader goed heeft kunnen waarnemen. Daar komt bij dat in en rond het pand meerdere tot de verdachte te herleiden DNA-sporen zijn aangetroffen, namelijk:
op het mes waarmee verbalisant [slachtoffer] relateert bedreigd te zijn (gevonden op de vloer van de keuken van het pand),
op de drink/schenkmond van een geopend flesje frisdrank (aangetroffen op een tafel in het pand),
op een zaklantaarn (gevonden op de mogelijke vluchtweg van de dader), en
op de handvatten van een bij het pand geparkeerde fiets.
De verdachte heeft daarvoor geen verklaring kunnen geven anders dan dat hij aangeeft niet te weten hoe zijn DNA op en rond de plaats delict terecht is gekomen.
De verdediging stelt in hoger beroep dat de verdachte een lichaamslengte heeft van 1,89 meter, terwijl de verbalisant de dader beschrijft als een manspersoon met een lengte van 1,65 tot 1,70 meter. Zo dat al het geval zou zijn, hetgeen overigens niet is komen vast te staan, dan maakt dit enkele gegeven naar het oordeel van het hof nog niet dat het met de verdachte voor het overige overeenkomende signalement als onbetrouwbaar terzijde moet worden geschoven, temeer nu de wél overeenkomende bijzondere kenmerken die verbalisant [slachtoffer] heeft waargenomen moeten worden beschouwd in samenhang met de voor de verdachte belastende DNA-sporen, onder meer op het aangetroffen mes.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door:
mr. M.C.C. van de Schepop, voorzitter,
mr. S.V. Pelsser en mr. R.G.A. Beaujean, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.H.M. van Gennip, griffier,
en op 25 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mrs. Van de Schepop en Van Gennip zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-000665-22
Uitspraak : 25 maart 2025
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 11 maart 2022, in de strafzaak met parketnummer 02-316249-21 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
thans gedetineerd in de PI Grave te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘poging tot diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren en terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking’ (primair) veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden, met aftrek van voorarrest.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis integraal wordt bevestigd met aanvulling van gronden. Daarnaast is, onder de voorwaarde dat het hof niet tot een veroordeling van het tenlastegelegde komt, gevorderd nader onderzoek te doen.
De raadsman heeft primair verzocht de verdachte integraal van het tenlastegelegde vrij te spreken en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd. Daarnaast is, onder de voorwaarde dat het hof niet tot een vrijspraak komt, verzocht nader onderzoek te doen. Ten slotte is een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 6 september 2021 te Terneuzen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door middel van braak, verbreking en/of inklimming audioapparatuur en/of andere goederen van zijn gading, in elk geval enige goederen, die geheel of ten dele aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] (medewerker van de politie Zeeland-West-Brabant), te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, via een bovenlicht het pand is binnengeklommen en/of vervolgens audioapparatuur bij de uitgang heeft klaargezet en/of vervolgens die [slachtoffer] een mes heeft getoond en/of met dat mes op die [slachtoffer] is af gelopen en/of daarbij (dreigend) de woorden heeft toegevoegd: "What do you want", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiairhij op of omstreeks 6 september 2021 te Terneuzen [slachtoffer] (medewerker van de politie Zeeland-West-Brabant) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] een mes te tonen en/of met dat mes op die [slachtoffer] af te lopen en/of daarbij (dreigend) de woorden toe te voegen: "What do you want".
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair tenlastegelegde poging tot diefstal met bedreiging met geweld kan worden bewezen.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan verdachte primair en subsidiair tenlastegelegde feit niet kan worden bewezen en verzocht de verdachte hiervan vrij te spreken. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte niet past in het door de aangeefster opgegeven signalement. Daarbij heeft de raadsman in het bijzonder gewezen op het verschil in lichaamslengte dat de aangeefster heeft genoemd (169 centimeter) en de daadwerkelijke lichaamslengte van de verdachte (183 centimeter). Verder heeft de raadsman aangevoerd dat het dactyloscopische spoor van de handpalmafdruk bij het inklimraam, zijnde een cruciaal daderspoor, niet aan verdachte kon worden gekoppeld en dat in het pand van meerdere personen DNA is aangetroffen.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof is op grond van de stukken uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van oordeel dat de verdachte op 6 september 2021 wél in het pand aan [adres 2] is geweest en daar met verbalisant [slachtoffer] is geconfronteerd, terwijl hij een mes in zijn hand had. Ten eerste worden bij de omschrijving die [slachtoffer] van de dader geeft (dossierpagina’s 7, 8 en 16) enkele bijzondere kenmerken genoemd waarvan het hof uit eigen waarneming, namelijk aan de hand van verdachtes foto op een ID-staat op pagina 85 van het dossier, vaststelt dat zij overeenkomen met die van de verdachte. Het betreft in het bijzonder het door [slachtoffer] beschreven Mexicaanse uiterlijk, de blanke huid, het zwarte haar en de gitzwarte snor in combinatie met de door [slachtoffer] beschreven leeftijd. Verbalisant [slachtoffer] is in hoger beroep door de raadsheer-commissaris gehoord en heeft verklaard dat zij op zeer korte afstand van de dader heeft gestaan en zelfs op enig moment op een afstand van ongeveer 30 tot 50 centimeter met daartussen een glazen deur. Zij heeft met een zaklamp geschenen op de persoon die voor haar stond. Het kan naar het oordeel van het hof niet anders dan dat zij de hiervoor genoemde gezichtskenmerken van de dader goed heeft kunnen waarnemen. Daar komt bij dat in en rond het pand meerdere tot de verdachte te herleiden DNA-sporen zijn aangetroffen, namelijk:
op het mes waarmee verbalisant [slachtoffer] relateert bedreigd te zijn (gevonden op de vloer van de keuken van het pand),
op de drink/schenkmond van een geopend flesje frisdrank (aangetroffen op een tafel in het pand),
op een zaklantaarn (gevonden op de mogelijke vluchtweg van de dader), en
op de handvatten van een bij het pand geparkeerde fiets.
De verdachte heeft daarvoor geen verklaring kunnen geven anders dan dat hij aangeeft niet te weten hoe zijn DNA op en rond de plaats delict terecht is gekomen.
De verdediging stelt in hoger beroep dat de verdachte een lichaamslengte heeft van 1,89 meter, terwijl de verbalisant de dader beschrijft als een manspersoon met een lengte van 1,65 tot 1,70 meter. Zo dat al het geval zou zijn, hetgeen overigens niet is komen vast te staan, dan maakt dit enkele gegeven naar het oordeel van het hof nog niet dat het met de verdachte voor het overige overeenkomende signalement als onbetrouwbaar terzijde moet worden geschoven, temeer nu de wél overeenkomende bijzondere kenmerken die verbalisant [slachtoffer] heeft waargenomen moeten worden beschouwd in samenhang met de voor de verdachte belastende DNA-sporen, onder meer op het aangetroffen mes.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door:
mr. M.C.C. van de Schepop, voorzitter,
mr. S.V. Pelsser en mr. R.G.A. Beaujean, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.H.M. van Gennip, griffier,
en op 25 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mrs. Van de Schepop en Van Gennip zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-000665-22
Uitspraak : 25 maart 2025
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 11 maart 2022, in de strafzaak met parketnummer 02-316249-21 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
thans gedetineerd in de PI Grave te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘poging tot diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren en terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking’ (primair) veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden, met aftrek van voorarrest.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis integraal wordt bevestigd met aanvulling van gronden. Daarnaast is, onder de voorwaarde dat het hof niet tot een veroordeling van het tenlastegelegde komt, gevorderd nader onderzoek te doen.
De raadsman heeft primair verzocht de verdachte integraal van het tenlastegelegde vrij te spreken en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd. Daarnaast is, onder de voorwaarde dat het hof niet tot een vrijspraak komt, verzocht nader onderzoek te doen. Ten slotte is een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 6 september 2021 te Terneuzen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door middel van braak, verbreking en/of inklimming audioapparatuur en/of andere goederen van zijn gading, in elk geval enige goederen, die geheel of ten dele aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] (medewerker van de politie Zeeland-West-Brabant), te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, via een bovenlicht het pand is binnengeklommen en/of vervolgens audioapparatuur bij de uitgang heeft klaargezet en/of vervolgens die [slachtoffer] een mes heeft getoond en/of met dat mes op die [slachtoffer] is af gelopen en/of daarbij (dreigend) de woorden heeft toegevoegd: "What do you want", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiairhij op of omstreeks 6 september 2021 te Terneuzen [slachtoffer] (medewerker van de politie Zeeland-West-Brabant) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] een mes te tonen en/of met dat mes op die [slachtoffer] af te lopen en/of daarbij (dreigend) de woorden toe te voegen: "What do you want".
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair tenlastegelegde poging tot diefstal met bedreiging met geweld kan worden bewezen.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan verdachte primair en subsidiair tenlastegelegde feit niet kan worden bewezen en verzocht de verdachte hiervan vrij te spreken. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte niet past in het door de aangeefster opgegeven signalement. Daarbij heeft de raadsman in het bijzonder gewezen op het verschil in lichaamslengte dat de aangeefster heeft genoemd (169 centimeter) en de daadwerkelijke lichaamslengte van de verdachte (183 centimeter). Verder heeft de raadsman aangevoerd dat het dactyloscopische spoor van de handpalmafdruk bij het inklimraam, zijnde een cruciaal daderspoor, niet aan verdachte kon worden gekoppeld en dat in het pand van meerdere personen DNA is aangetroffen.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof is op grond van de stukken uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van oordeel dat de verdachte op 6 september 2021 wél in het pand aan [adres 2] is geweest en daar met verbalisant [slachtoffer] is geconfronteerd, terwijl hij een mes in zijn hand had. Ten eerste worden bij de omschrijving die [slachtoffer] van de dader geeft (dossierpagina’s 7, 8 en 16) enkele bijzondere kenmerken genoemd waarvan het hof uit eigen waarneming, namelijk aan de hand van verdachtes foto op een ID-staat op pagina 85 van het dossier, vaststelt dat zij overeenkomen met die van de verdachte. Het betreft in het bijzonder het door [slachtoffer] beschreven Mexicaanse uiterlijk, de blanke huid, het zwarte haar en de gitzwarte snor in combinatie met de door [slachtoffer] beschreven leeftijd. Verbalisant [slachtoffer] is in hoger beroep door de raadsheer-commissaris gehoord en heeft verklaard dat zij op zeer korte afstand van de dader heeft gestaan en zelfs op enig moment op een afstand van ongeveer 30 tot 50 centimeter met daartussen een glazen deur. Zij heeft met een zaklamp geschenen op de persoon die voor haar stond. Het kan naar het oordeel van het hof niet anders dan dat zij de hiervoor genoemde gezichtskenmerken van de dader goed heeft kunnen waarnemen. Daar komt bij dat in en rond het pand meerdere tot de verdachte te herleiden DNA-sporen zijn aangetroffen, namelijk:
op het mes waarmee verbalisant [slachtoffer] relateert bedreigd te zijn (gevonden op de vloer van de keuken van het pand),
op de drink/schenkmond van een geopend flesje frisdrank (aangetroffen op een tafel in het pand),
op een zaklantaarn (gevonden op de mogelijke vluchtweg van de dader), en
op de handvatten van een bij het pand geparkeerde fiets.
De verdachte heeft daarvoor geen verklaring kunnen geven anders dan dat hij aangeeft niet te weten hoe zijn DNA op en rond de plaats delict terecht is gekomen.
De verdediging stelt in hoger beroep dat de verdachte een lichaamslengte heeft van 1,89 meter, terwijl de verbalisant de dader beschrijft als een manspersoon met een lengte van 1,65 tot 1,70 meter. Zo dat al het geval zou zijn, hetgeen overigens niet is komen vast te staan, dan maakt dit enkele gegeven naar het oordeel van het hof nog niet dat het met de verdachte voor het overige overeenkomende signalement als onbetrouwbaar terzijde moet worden geschoven, temeer nu de wél overeenkomende bijzondere kenmerken die verbalisant [slachtoffer] heeft waargenomen moeten worden beschouwd in samenhang met de voor de verdachte belastende DNA-sporen, onder meer op het aangetroffen mes.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door:
mr. M.C.C. van de Schepop, voorzitter,
mr. S.V. Pelsser en mr. R.G.A. Beaujean, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.H.M. van Gennip, griffier,
en op 25 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mrs. Van de Schepop en Van Gennip zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-000665-22
Uitspraak : 25 maart 2025
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 11 maart 2022, in de strafzaak met parketnummer 02-316249-21 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
thans gedetineerd in de PI Grave te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘poging tot diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren en terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking’ (primair) veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden, met aftrek van voorarrest.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis integraal wordt bevestigd met aanvulling van gronden. Daarnaast is, onder de voorwaarde dat het hof niet tot een veroordeling van het tenlastegelegde komt, gevorderd nader onderzoek te doen.
De raadsman heeft primair verzocht de verdachte integraal van het tenlastegelegde vrij te spreken en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd. Daarnaast is, onder de voorwaarde dat het hof niet tot een vrijspraak komt, verzocht nader onderzoek te doen. Ten slotte is een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 6 september 2021 te Terneuzen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door middel van braak, verbreking en/of inklimming audioapparatuur en/of andere goederen van zijn gading, in elk geval enige goederen, die geheel of ten dele aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] (medewerker van de politie Zeeland-West-Brabant), te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, via een bovenlicht het pand is binnengeklommen en/of vervolgens audioapparatuur bij de uitgang heeft klaargezet en/of vervolgens die [slachtoffer] een mes heeft getoond en/of met dat mes op die [slachtoffer] is af gelopen en/of daarbij (dreigend) de woorden heeft toegevoegd: "What do you want", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiairhij op of omstreeks 6 september 2021 te Terneuzen [slachtoffer] (medewerker van de politie Zeeland-West-Brabant) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] een mes te tonen en/of met dat mes op die [slachtoffer] af te lopen en/of daarbij (dreigend) de woorden toe te voegen: "What do you want".
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair tenlastegelegde poging tot diefstal met bedreiging met geweld kan worden bewezen.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan verdachte primair en subsidiair tenlastegelegde feit niet kan worden bewezen en verzocht de verdachte hiervan vrij te spreken. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte niet past in het door de aangeefster opgegeven signalement. Daarbij heeft de raadsman in het bijzonder gewezen op het verschil in lichaamslengte dat de aangeefster heeft genoemd (169 centimeter) en de daadwerkelijke lichaamslengte van de verdachte (183 centimeter). Verder heeft de raadsman aangevoerd dat het dactyloscopische spoor van de handpalmafdruk bij het inklimraam, zijnde een cruciaal daderspoor, niet aan verdachte kon worden gekoppeld en dat in het pand van meerdere personen DNA is aangetroffen.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof is op grond van de stukken uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van oordeel dat de verdachte op 6 september 2021 wél in het pand aan [adres 2] is geweest en daar met verbalisant [slachtoffer] is geconfronteerd, terwijl hij een mes in zijn hand had. Ten eerste worden bij de omschrijving die [slachtoffer] van de dader geeft (dossierpagina’s 7, 8 en 16) enkele bijzondere kenmerken genoemd waarvan het hof uit eigen waarneming, namelijk aan de hand van verdachtes foto op een ID-staat op pagina 85 van het dossier, vaststelt dat zij overeenkomen met die van de verdachte. Het betreft in het bijzonder het door [slachtoffer] beschreven Mexicaanse uiterlijk, de blanke huid, het zwarte haar en de gitzwarte snor in combinatie met de door [slachtoffer] beschreven leeftijd. Verbalisant [slachtoffer] is in hoger beroep door de raadsheer-commissaris gehoord en heeft verklaard dat zij op zeer korte afstand van de dader heeft gestaan en zelfs op enig moment op een afstand van ongeveer 30 tot 50 centimeter met daartussen een glazen deur. Zij heeft met een zaklamp geschenen op de persoon die voor haar stond. Het kan naar het oordeel van het hof niet anders dan dat zij de hiervoor genoemde gezichtskenmerken van de dader goed heeft kunnen waarnemen. Daar komt bij dat in en rond het pand meerdere tot de verdachte te herleiden DNA-sporen zijn aangetroffen, namelijk:
op het mes waarmee verbalisant [slachtoffer] relateert bedreigd te zijn (gevonden op de vloer van de keuken van het pand),
op de drink/schenkmond van een geopend flesje frisdrank (aangetroffen op een tafel in het pand),
op een zaklantaarn (gevonden op de mogelijke vluchtweg van de dader), en
op de handvatten van een bij het pand geparkeerde fiets.
De verdachte heeft daarvoor geen verklaring kunnen geven anders dan dat hij aangeeft niet te weten hoe zijn DNA op en rond de plaats delict terecht is gekomen.
De verdediging stelt in hoger beroep dat de verdachte een lichaamslengte heeft van 1,89 meter, terwijl de verbalisant de dader beschrijft als een manspersoon met een lengte van 1,65 tot 1,70 meter. Zo dat al het geval zou zijn, hetgeen overigens niet is komen vast te staan, dan maakt dit enkele gegeven naar het oordeel van het hof nog niet dat het met de verdachte voor het overige overeenkomende signalement als onbetrouwbaar terzijde moet worden geschoven, temeer nu de wél overeenkomende bijzondere kenmerken die verbalisant [slachtoffer] heeft waargenomen moeten worden beschouwd in samenhang met de voor de verdachte belastende DNA-sporen, onder meer op het aangetroffen mes.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door:
mr. M.C.C. van de Schepop, voorzitter,
mr. S.V. Pelsser en mr. R.G.A. Beaujean, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.H.M. van Gennip, griffier,
en op 25 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mrs. Van de Schepop en Van Gennip zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-000665-22
Uitspraak : 25 maart 2025
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 11 maart 2022, in de strafzaak met parketnummer 02-316249-21 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
thans gedetineerd in de PI Grave te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘poging tot diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren en terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking’ (primair) veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden, met aftrek van voorarrest.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis integraal wordt bevestigd met aanvulling van gronden. Daarnaast is, onder de voorwaarde dat het hof niet tot een veroordeling van het tenlastegelegde komt, gevorderd nader onderzoek te doen.
De raadsman heeft primair verzocht de verdachte integraal van het tenlastegelegde vrij te spreken en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd. Daarnaast is, onder de voorwaarde dat het hof niet tot een vrijspraak komt, verzocht nader onderzoek te doen. Ten slotte is een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 6 september 2021 te Terneuzen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door middel van braak, verbreking en/of inklimming audioapparatuur en/of andere goederen van zijn gading, in elk geval enige goederen, die geheel of ten dele aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] (medewerker van de politie Zeeland-West-Brabant), te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, via een bovenlicht het pand is binnengeklommen en/of vervolgens audioapparatuur bij de uitgang heeft klaargezet en/of vervolgens die [slachtoffer] een mes heeft getoond en/of met dat mes op die [slachtoffer] is af gelopen en/of daarbij (dreigend) de woorden heeft toegevoegd: "What do you want", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiairhij op of omstreeks 6 september 2021 te Terneuzen [slachtoffer] (medewerker van de politie Zeeland-West-Brabant) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] een mes te tonen en/of met dat mes op die [slachtoffer] af te lopen en/of daarbij (dreigend) de woorden toe te voegen: "What do you want".
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair tenlastegelegde poging tot diefstal met bedreiging met geweld kan worden bewezen.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan verdachte primair en subsidiair tenlastegelegde feit niet kan worden bewezen en verzocht de verdachte hiervan vrij te spreken. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte niet past in het door de aangeefster opgegeven signalement. Daarbij heeft de raadsman in het bijzonder gewezen op het verschil in lichaamslengte dat de aangeefster heeft genoemd (169 centimeter) en de daadwerkelijke lichaamslengte van de verdachte (183 centimeter). Verder heeft de raadsman aangevoerd dat het dactyloscopische spoor van de handpalmafdruk bij het inklimraam, zijnde een cruciaal daderspoor, niet aan verdachte kon worden gekoppeld en dat in het pand van meerdere personen DNA is aangetroffen.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof is op grond van de stukken uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van oordeel dat de verdachte op 6 september 2021 wél in het pand aan [adres 2] is geweest en daar met verbalisant [slachtoffer] is geconfronteerd, terwijl hij een mes in zijn hand had. Ten eerste worden bij de omschrijving die [slachtoffer] van de dader geeft (dossierpagina’s 7, 8 en 16) enkele bijzondere kenmerken genoemd waarvan het hof uit eigen waarneming, namelijk aan de hand van verdachtes foto op een ID-staat op pagina 85 van het dossier, vaststelt dat zij overeenkomen met die van de verdachte. Het betreft in het bijzonder het door [slachtoffer] beschreven Mexicaanse uiterlijk, de blanke huid, het zwarte haar en de gitzwarte snor in combinatie met de door [slachtoffer] beschreven leeftijd. Verbalisant [slachtoffer] is in hoger beroep door de raadsheer-commissaris gehoord en heeft verklaard dat zij op zeer korte afstand van de dader heeft gestaan en zelfs op enig moment op een afstand van ongeveer 30 tot 50 centimeter met daartussen een glazen deur. Zij heeft met een zaklamp geschenen op de persoon die voor haar stond. Het kan naar het oordeel van het hof niet anders dan dat zij de hiervoor genoemde gezichtskenmerken van de dader goed heeft kunnen waarnemen. Daar komt bij dat in en rond het pand meerdere tot de verdachte te herleiden DNA-sporen zijn aangetroffen, namelijk:
op het mes waarmee verbalisant [slachtoffer] relateert bedreigd te zijn (gevonden op de vloer van de keuken van het pand),
op de drink/schenkmond van een geopend flesje frisdrank (aangetroffen op een tafel in het pand),
op een zaklantaarn (gevonden op de mogelijke vluchtweg van de dader), en
op de handvatten van een bij het pand geparkeerde fiets.
De verdachte heeft daarvoor geen verklaring kunnen geven anders dan dat hij aangeeft niet te weten hoe zijn DNA op en rond de plaats delict terecht is gekomen.
De verdediging stelt in hoger beroep dat de verdachte een lichaamslengte heeft van 1,89 meter, terwijl de verbalisant de dader beschrijft als een manspersoon met een lengte van 1,65 tot 1,70 meter. Zo dat al het geval zou zijn, hetgeen overigens niet is komen vast te staan, dan maakt dit enkele gegeven naar het oordeel van het hof nog niet dat het met de verdachte voor het overige overeenkomende signalement als onbetrouwbaar terzijde moet worden geschoven, temeer nu de wél overeenkomende bijzondere kenmerken die verbalisant [slachtoffer] heeft waargenomen moeten worden beschouwd in samenhang met de voor de verdachte belastende DNA-sporen, onder meer op het aangetroffen mes.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door:
mr. M.C.C. van de Schepop, voorzitter,
mr. S.V. Pelsser en mr. R.G.A. Beaujean, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.H.M. van Gennip, griffier,
en op 25 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mrs. Van de Schepop en Van Gennip zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-000665-22
Uitspraak : 25 maart 2025
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 11 maart 2022, in de strafzaak met parketnummer 02-316249-21 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
thans gedetineerd in de PI Grave te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘poging tot diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren en terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking’ (primair) veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden, met aftrek van voorarrest.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis integraal wordt bevestigd met aanvulling van gronden. Daarnaast is, onder de voorwaarde dat het hof niet tot een veroordeling van het tenlastegelegde komt, gevorderd nader onderzoek te doen.
De raadsman heeft primair verzocht de verdachte integraal van het tenlastegelegde vrij te spreken en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd. Daarnaast is, onder de voorwaarde dat het hof niet tot een vrijspraak komt, verzocht nader onderzoek te doen. Ten slotte is een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 6 september 2021 te Terneuzen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door middel van braak, verbreking en/of inklimming audioapparatuur en/of andere goederen van zijn gading, in elk geval enige goederen, die geheel of ten dele aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] (medewerker van de politie Zeeland-West-Brabant), te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, via een bovenlicht het pand is binnengeklommen en/of vervolgens audioapparatuur bij de uitgang heeft klaargezet en/of vervolgens die [slachtoffer] een mes heeft getoond en/of met dat mes op die [slachtoffer] is af gelopen en/of daarbij (dreigend) de woorden heeft toegevoegd: "What do you want", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiairhij op of omstreeks 6 september 2021 te Terneuzen [slachtoffer] (medewerker van de politie Zeeland-West-Brabant) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] een mes te tonen en/of met dat mes op die [slachtoffer] af te lopen en/of daarbij (dreigend) de woorden toe te voegen: "What do you want".
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair tenlastegelegde poging tot diefstal met bedreiging met geweld kan worden bewezen.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan verdachte primair en subsidiair tenlastegelegde feit niet kan worden bewezen en verzocht de verdachte hiervan vrij te spreken. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte niet past in het door de aangeefster opgegeven signalement. Daarbij heeft de raadsman in het bijzonder gewezen op het verschil in lichaamslengte dat de aangeefster heeft genoemd (169 centimeter) en de daadwerkelijke lichaamslengte van de verdachte (183 centimeter). Verder heeft de raadsman aangevoerd dat het dactyloscopische spoor van de handpalmafdruk bij het inklimraam, zijnde een cruciaal daderspoor, niet aan verdachte kon worden gekoppeld en dat in het pand van meerdere personen DNA is aangetroffen.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof is op grond van de stukken uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van oordeel dat de verdachte op 6 september 2021 wél in het pand aan [adres 2] is geweest en daar met verbalisant [slachtoffer] is geconfronteerd, terwijl hij een mes in zijn hand had. Ten eerste worden bij de omschrijving die [slachtoffer] van de dader geeft (dossierpagina’s 7, 8 en 16) enkele bijzondere kenmerken genoemd waarvan het hof uit eigen waarneming, namelijk aan de hand van verdachtes foto op een ID-staat op pagina 85 van het dossier, vaststelt dat zij overeenkomen met die van de verdachte. Het betreft in het bijzonder het door [slachtoffer] beschreven Mexicaanse uiterlijk, de blanke huid, het zwarte haar en de gitzwarte snor in combinatie met de door [slachtoffer] beschreven leeftijd. Verbalisant [slachtoffer] is in hoger beroep door de raadsheer-commissaris gehoord en heeft verklaard dat zij op zeer korte afstand van de dader heeft gestaan en zelfs op enig moment op een afstand van ongeveer 30 tot 50 centimeter met daartussen een glazen deur. Zij heeft met een zaklamp geschenen op de persoon die voor haar stond. Het kan naar het oordeel van het hof niet anders dan dat zij de hiervoor genoemde gezichtskenmerken van de dader goed heeft kunnen waarnemen. Daar komt bij dat in en rond het pand meerdere tot de verdachte te herleiden DNA-sporen zijn aangetroffen, namelijk:
op het mes waarmee verbalisant [slachtoffer] relateert bedreigd te zijn (gevonden op de vloer van de keuken van het pand),
op de drink/schenkmond van een geopend flesje frisdrank (aangetroffen op een tafel in het pand),
op een zaklantaarn (gevonden op de mogelijke vluchtweg van de dader), en
op de handvatten van een bij het pand geparkeerde fiets.
De verdachte heeft daarvoor geen verklaring kunnen geven anders dan dat hij aangeeft niet te weten hoe zijn DNA op en rond de plaats delict terecht is gekomen.
De verdediging stelt in hoger beroep dat de verdachte een lichaamslengte heeft van 1,89 meter, terwijl de verbalisant de dader beschrijft als een manspersoon met een lengte van 1,65 tot 1,70 meter. Zo dat al het geval zou zijn, hetgeen overigens niet is komen vast te staan, dan maakt dit enkele gegeven naar het oordeel van het hof nog niet dat het met de verdachte voor het overige overeenkomende signalement als onbetrouwbaar terzijde moet worden geschoven, temeer nu de wél overeenkomende bijzondere kenmerken die verbalisant [slachtoffer] heeft waargenomen moeten worden beschouwd in samenhang met de voor de verdachte belastende DNA-sporen, onder meer op het aangetroffen mes.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door:
mr. M.C.C. van de Schepop, voorzitter,
mr. S.V. Pelsser en mr. R.G.A. Beaujean, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.H.M. van Gennip, griffier,
en op 25 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mrs. Van de Schepop en Van Gennip zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Het hof stelt dus vast dat het de verdachte is geweest die bij de confrontatie met verbalisant [slachtoffer] een mes aan haar heeft getoond, terwijl hij zich op dat moment in het pand aan [adres 2] bevond. De vraag waarvoor het hof zich vervolgens gesteld ziet, is of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair tenlastegelegde poging tot (gekwalificeerde) diefstal. Het hof acht dat feit niet wettig en overtuigend bewezen en overweegt daarover het volgende.
De verbalisanten zijn na een melding van een mogelijke inbraak in het pand ter plaatse geweest en hebben het pand – toen zij zagen dat een deur op een kier stond – betreden en rondgekeken. Zij zagen niemand. Zij zijn later die ochtend teruggekomen en zagen toen bij het pand een fiets staan die er eerder niet stond. Ook zagen zij dat dezelfde deur van het pand opnieuw open stond. In het pand werd verbalisant [slachtoffer] vervolgens geconfronteerd met de verdachte. Naar het oordeel van het hof bevat het dossier aanwijzingen dat mogelijk ook andere personen dan de verdachte ondertussen in het pand zijn geweest. Het hof acht ook niet aannemelijk dat, zoals is tenlastegelegd, door de verdachte (in zijn eentje) audioapparatuur zou zijn klaargezet om te stelen nu het hof op foto’s in het dossier (p. 32-33) vaststelt dat dit grote apparaten betreft die zich niet goed laten vervoeren op de fiets waarmee de verdachte zich zou hebben voortbewogen. Dat die audioapparatuur (en/of andere goederen) in het pand zou(den) zijn verplaatst en klaargezet om weg te nemen, vindt bovendien geen steun in een aangifte, want die is niet gedaan. Verder geldt dat zelfs al zou het inklimmingsspoor na nader onderzoek tot de verdachte zijn te herleiden, dat enkele feit de mogelijke betrokkenheid van een of meer andere daders nog niet uitsluit. Wat dan de verhouding van de verdachte tot die ander(en) is, is niet duidelijk. Het in vereniging plegen van een poging tot diefstal is ook niet tenlastegelegd.
Wat overblijft is dat de verdachte in het pand kan worden geplaatst, dat er een geopend, halfleeg flesje frisdank is gevonden met verdachtes DNA en dat de verdachte verbalisant [slachtoffer] ter plaatse met een mes heeft bedreigd. Van het flesje frisdank kan het hof op basis van het beschikbare dossier niet vaststellen of het afkomstig is uit het pand. Zou dat het geval zijn, dan zou in zoverre van een voltooide diefstal sprake zijn, wat evenmin is tenlastegelegd. De enkele bedreiging van verbalisant [slachtoffer] is naar het oordeel van het hof in dit geval niet zonder meer een uitvoeringshandeling van een poging tot (gekwalificeerde) diefstal.
Nu het hof op grond van het voorgaande uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging heeft bekomen dat de verdachte de primair tenlastegelegde poging tot diefstal heeft gepleegd, spreekt het hof de verdachte daarvan vrij.
Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde feit
Gelet op het voorgaande en mede gelet op de uit de bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden, komt het hof tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair tenlastegelegde bedreiging van aangeefster met een mes, op de wijze zoals hierna is vermeld.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
subsidiairhij op 6 september 2021 te Terneuzen [slachtoffer] (medewerker van de politie Zeeland-West-Brabant) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer] een mes te tonen en met dat mes op die [slachtoffer] af te lopen en daarbij (dreigend) de woorden toe te voegen: "What do you want".
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Voorwaardelijk verzoek
Ter terechtzitting in hoger beroep hebben zowel de advocaat-generaal als de raadsman een voorwaardelijk verzoek gedaan, namelijk dat indien het hof bij de beraadslaging tot het oordeel komt dat de verdachte dient te worden vrijgesproken dan wel dat hij dient te worden veroordeeld, er nader onderzoek naar het dactyloscopisch spoor van de handpalm wordt gedaan dat is aangetroffen bij een mogelijk inklimraam ( [spoor] ).
Nu het hof de verdachte vrijspreekt van het primair tenlastegelegde en veroordeelt voor het subsidiair tenlastegelegde, wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder de verzoeken zijn gedaan, zodat het hof daarover een beslissing dient te nemen. Het hof acht zich op grond van het verhandelde ter terechtzitting en de bewijsmiddelen zoals deze zullen worden opgenomen in een op te maken aanvulling op dit arrest voldoende voorgelicht. Zelfs al zou nader onderzoek naar de handpalmafdruk opleveren dat het (niet) tot de verdachte zou zijn te herleiden, dan zou het hof op basis van de gebezigde bewijsmiddelen tot eenzelfde bewijsbeslissing komen. Aldus oordeelt het hof dat het verzochte onderzoek niet noodzakelijk is. Het hof wijst de verzoeken dan ook af.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De raadsman heeft verzocht een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Het hof overweegt als volgt.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met een mes van een verbalisant die onderzoek deed naar aanleiding van een inbraakmelding. De verdachte kwam al dreigend met het mes op het slachtoffer af, waarop het slachtoffer de man sommeerde achteruit te gaan. De verdachte gaf hieraan geen gehoor en riep: “What do you want.” Het slachtoffer voelde zich hierdoor dusdanig ernstig bedreigd dat zij genoodzaakt was haar vuurwapen te pakken; zij was ervan overtuigd dat de verdachte het mes tegen haar zou gebruiken om haar om het leven te brengen.
Bedreiging is een ernstig feit dat bij de slachtoffers gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt en zorgt ook voor gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij. Door zijn handelen heeft de verdachte laten zien zich niets aan te trekken van de gevolgen van zijn handelen en heeft hij het gezag van de ambtenaar ondermijnd.
Inleiding
Het hof stelt dus vast dat het de verdachte is geweest die bij de confrontatie met verbalisant [slachtoffer] een mes aan haar heeft getoond, terwijl hij zich op dat moment in het pand aan [adres 2] bevond. De vraag waarvoor het hof zich vervolgens gesteld ziet, is of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair tenlastegelegde poging tot (gekwalificeerde) diefstal. Het hof acht dat feit niet wettig en overtuigend bewezen en overweegt daarover het volgende.
De verbalisanten zijn na een melding van een mogelijke inbraak in het pand ter plaatse geweest en hebben het pand – toen zij zagen dat een deur op een kier stond – betreden en rondgekeken. Zij zagen niemand. Zij zijn later die ochtend teruggekomen en zagen toen bij het pand een fiets staan die er eerder niet stond. Ook zagen zij dat dezelfde deur van het pand opnieuw open stond. In het pand werd verbalisant [slachtoffer] vervolgens geconfronteerd met de verdachte. Naar het oordeel van het hof bevat het dossier aanwijzingen dat mogelijk ook andere personen dan de verdachte ondertussen in het pand zijn geweest. Het hof acht ook niet aannemelijk dat, zoals is tenlastegelegd, door de verdachte (in zijn eentje) audioapparatuur zou zijn klaargezet om te stelen nu het hof op foto’s in het dossier (p. 32-33) vaststelt dat dit grote apparaten betreft die zich niet goed laten vervoeren op de fiets waarmee de verdachte zich zou hebben voortbewogen. Dat die audioapparatuur (en/of andere goederen) in het pand zou(den) zijn verplaatst en klaargezet om weg te nemen, vindt bovendien geen steun in een aangifte, want die is niet gedaan. Verder geldt dat zelfs al zou het inklimmingsspoor na nader onderzoek tot de verdachte zijn te herleiden, dat enkele feit de mogelijke betrokkenheid van een of meer andere daders nog niet uitsluit. Wat dan de verhouding van de verdachte tot die ander(en) is, is niet duidelijk. Het in vereniging plegen van een poging tot diefstal is ook niet tenlastegelegd.
Wat overblijft is dat de verdachte in het pand kan worden geplaatst, dat er een geopend, halfleeg flesje frisdank is gevonden met verdachtes DNA en dat de verdachte verbalisant [slachtoffer] ter plaatse met een mes heeft bedreigd. Van het flesje frisdank kan het hof op basis van het beschikbare dossier niet vaststellen of het afkomstig is uit het pand. Zou dat het geval zijn, dan zou in zoverre van een voltooide diefstal sprake zijn, wat evenmin is tenlastegelegd. De enkele bedreiging van verbalisant [slachtoffer] is naar het oordeel van het hof in dit geval niet zonder meer een uitvoeringshandeling van een poging tot (gekwalificeerde) diefstal.
Nu het hof op grond van het voorgaande uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging heeft bekomen dat de verdachte de primair tenlastegelegde poging tot diefstal heeft gepleegd, spreekt het hof de verdachte daarvan vrij.
Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde feit
Gelet op het voorgaande en mede gelet op de uit de bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden, komt het hof tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair tenlastegelegde bedreiging van aangeefster met een mes, op de wijze zoals hierna is vermeld.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
subsidiairhij op 6 september 2021 te Terneuzen [slachtoffer] (medewerker van de politie Zeeland-West-Brabant) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer] een mes te tonen en met dat mes op die [slachtoffer] af te lopen en daarbij (dreigend) de woorden toe te voegen: "What do you want".
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Voorwaardelijk verzoek
Ter terechtzitting in hoger beroep hebben zowel de advocaat-generaal als de raadsman een voorwaardelijk verzoek gedaan, namelijk dat indien het hof bij de beraadslaging tot het oordeel komt dat de verdachte dient te worden vrijgesproken dan wel dat hij dient te worden veroordeeld, er nader onderzoek naar het dactyloscopisch spoor van de handpalm wordt gedaan dat is aangetroffen bij een mogelijk inklimraam ( [spoor] ).
Nu het hof de verdachte vrijspreekt van het primair tenlastegelegde en veroordeelt voor het subsidiair tenlastegelegde, wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder de verzoeken zijn gedaan, zodat het hof daarover een beslissing dient te nemen. Het hof acht zich op grond van het verhandelde ter terechtzitting en de bewijsmiddelen zoals deze zullen worden opgenomen in een op te maken aanvulling op dit arrest voldoende voorgelicht. Zelfs al zou nader onderzoek naar de handpalmafdruk opleveren dat het (niet) tot de verdachte zou zijn te herleiden, dan zou het hof op basis van de gebezigde bewijsmiddelen tot eenzelfde bewijsbeslissing komen. Aldus oordeelt het hof dat het verzochte onderzoek niet noodzakelijk is. Het hof wijst de verzoeken dan ook af.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De raadsman heeft verzocht een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Het hof overweegt als volgt.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met een mes van een verbalisant die onderzoek deed naar aanleiding van een inbraakmelding. De verdachte kwam al dreigend met het mes op het slachtoffer af, waarop het slachtoffer de man sommeerde achteruit te gaan. De verdachte gaf hieraan geen gehoor en riep: “What do you want.” Het slachtoffer voelde zich hierdoor dusdanig ernstig bedreigd dat zij genoodzaakt was haar vuurwapen te pakken; zij was ervan overtuigd dat de verdachte het mes tegen haar zou gebruiken om haar om het leven te brengen.
Bedreiging is een ernstig feit dat bij de slachtoffers gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt en zorgt ook voor gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij. Door zijn handelen heeft de verdachte laten zien zich niets aan te trekken van de gevolgen van zijn handelen en heeft hij het gezag van de ambtenaar ondermijnd.
Inleiding
Het hof stelt dus vast dat het de verdachte is geweest die bij de confrontatie met verbalisant [slachtoffer] een mes aan haar heeft getoond, terwijl hij zich op dat moment in het pand aan [adres 2] bevond. De vraag waarvoor het hof zich vervolgens gesteld ziet, is of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair tenlastegelegde poging tot (gekwalificeerde) diefstal. Het hof acht dat feit niet wettig en overtuigend bewezen en overweegt daarover het volgende.
De verbalisanten zijn na een melding van een mogelijke inbraak in het pand ter plaatse geweest en hebben het pand – toen zij zagen dat een deur op een kier stond – betreden en rondgekeken. Zij zagen niemand. Zij zijn later die ochtend teruggekomen en zagen toen bij het pand een fiets staan die er eerder niet stond. Ook zagen zij dat dezelfde deur van het pand opnieuw open stond. In het pand werd verbalisant [slachtoffer] vervolgens geconfronteerd met de verdachte. Naar het oordeel van het hof bevat het dossier aanwijzingen dat mogelijk ook andere personen dan de verdachte ondertussen in het pand zijn geweest. Het hof acht ook niet aannemelijk dat, zoals is tenlastegelegd, door de verdachte (in zijn eentje) audioapparatuur zou zijn klaargezet om te stelen nu het hof op foto’s in het dossier (p. 32-33) vaststelt dat dit grote apparaten betreft die zich niet goed laten vervoeren op de fiets waarmee de verdachte zich zou hebben voortbewogen. Dat die audioapparatuur (en/of andere goederen) in het pand zou(den) zijn verplaatst en klaargezet om weg te nemen, vindt bovendien geen steun in een aangifte, want die is niet gedaan. Verder geldt dat zelfs al zou het inklimmingsspoor na nader onderzoek tot de verdachte zijn te herleiden, dat enkele feit de mogelijke betrokkenheid van een of meer andere daders nog niet uitsluit. Wat dan de verhouding van de verdachte tot die ander(en) is, is niet duidelijk. Het in vereniging plegen van een poging tot diefstal is ook niet tenlastegelegd.
Wat overblijft is dat de verdachte in het pand kan worden geplaatst, dat er een geopend, halfleeg flesje frisdank is gevonden met verdachtes DNA en dat de verdachte verbalisant [slachtoffer] ter plaatse met een mes heeft bedreigd. Van het flesje frisdank kan het hof op basis van het beschikbare dossier niet vaststellen of het afkomstig is uit het pand. Zou dat het geval zijn, dan zou in zoverre van een voltooide diefstal sprake zijn, wat evenmin is tenlastegelegd. De enkele bedreiging van verbalisant [slachtoffer] is naar het oordeel van het hof in dit geval niet zonder meer een uitvoeringshandeling van een poging tot (gekwalificeerde) diefstal.
Nu het hof op grond van het voorgaande uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging heeft bekomen dat de verdachte de primair tenlastegelegde poging tot diefstal heeft gepleegd, spreekt het hof de verdachte daarvan vrij.
Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde feit
Gelet op het voorgaande en mede gelet op de uit de bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden, komt het hof tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair tenlastegelegde bedreiging van aangeefster met een mes, op de wijze zoals hierna is vermeld.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
subsidiairhij op 6 september 2021 te Terneuzen [slachtoffer] (medewerker van de politie Zeeland-West-Brabant) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer] een mes te tonen en met dat mes op die [slachtoffer] af te lopen en daarbij (dreigend) de woorden toe te voegen: "What do you want".
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Voorwaardelijk verzoek
Ter terechtzitting in hoger beroep hebben zowel de advocaat-generaal als de raadsman een voorwaardelijk verzoek gedaan, namelijk dat indien het hof bij de beraadslaging tot het oordeel komt dat de verdachte dient te worden vrijgesproken dan wel dat hij dient te worden veroordeeld, er nader onderzoek naar het dactyloscopisch spoor van de handpalm wordt gedaan dat is aangetroffen bij een mogelijk inklimraam ( [spoor] ).
Nu het hof de verdachte vrijspreekt van het primair tenlastegelegde en veroordeelt voor het subsidiair tenlastegelegde, wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder de verzoeken zijn gedaan, zodat het hof daarover een beslissing dient te nemen. Het hof acht zich op grond van het verhandelde ter terechtzitting en de bewijsmiddelen zoals deze zullen worden opgenomen in een op te maken aanvulling op dit arrest voldoende voorgelicht. Zelfs al zou nader onderzoek naar de handpalmafdruk opleveren dat het (niet) tot de verdachte zou zijn te herleiden, dan zou het hof op basis van de gebezigde bewijsmiddelen tot eenzelfde bewijsbeslissing komen. Aldus oordeelt het hof dat het verzochte onderzoek niet noodzakelijk is. Het hof wijst de verzoeken dan ook af.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De raadsman heeft verzocht een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Het hof overweegt als volgt.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met een mes van een verbalisant die onderzoek deed naar aanleiding van een inbraakmelding. De verdachte kwam al dreigend met het mes op het slachtoffer af, waarop het slachtoffer de man sommeerde achteruit te gaan. De verdachte gaf hieraan geen gehoor en riep: “What do you want.” Het slachtoffer voelde zich hierdoor dusdanig ernstig bedreigd dat zij genoodzaakt was haar vuurwapen te pakken; zij was ervan overtuigd dat de verdachte het mes tegen haar zou gebruiken om haar om het leven te brengen.
Bedreiging is een ernstig feit dat bij de slachtoffers gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt en zorgt ook voor gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij. Door zijn handelen heeft de verdachte laten zien zich niets aan te trekken van de gevolgen van zijn handelen en heeft hij het gezag van de ambtenaar ondermijnd.
Inleiding
Het hof stelt dus vast dat het de verdachte is geweest die bij de confrontatie met verbalisant [slachtoffer] een mes aan haar heeft getoond, terwijl hij zich op dat moment in het pand aan [adres 2] bevond. De vraag waarvoor het hof zich vervolgens gesteld ziet, is of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair tenlastegelegde poging tot (gekwalificeerde) diefstal. Het hof acht dat feit niet wettig en overtuigend bewezen en overweegt daarover het volgende.
De verbalisanten zijn na een melding van een mogelijke inbraak in het pand ter plaatse geweest en hebben het pand – toen zij zagen dat een deur op een kier stond – betreden en rondgekeken. Zij zagen niemand. Zij zijn later die ochtend teruggekomen en zagen toen bij het pand een fiets staan die er eerder niet stond. Ook zagen zij dat dezelfde deur van het pand opnieuw open stond. In het pand werd verbalisant [slachtoffer] vervolgens geconfronteerd met de verdachte. Naar het oordeel van het hof bevat het dossier aanwijzingen dat mogelijk ook andere personen dan de verdachte ondertussen in het pand zijn geweest. Het hof acht ook niet aannemelijk dat, zoals is tenlastegelegd, door de verdachte (in zijn eentje) audioapparatuur zou zijn klaargezet om te stelen nu het hof op foto’s in het dossier (p. 32-33) vaststelt dat dit grote apparaten betreft die zich niet goed laten vervoeren op de fiets waarmee de verdachte zich zou hebben voortbewogen. Dat die audioapparatuur (en/of andere goederen) in het pand zou(den) zijn verplaatst en klaargezet om weg te nemen, vindt bovendien geen steun in een aangifte, want die is niet gedaan. Verder geldt dat zelfs al zou het inklimmingsspoor na nader onderzoek tot de verdachte zijn te herleiden, dat enkele feit de mogelijke betrokkenheid van een of meer andere daders nog niet uitsluit. Wat dan de verhouding van de verdachte tot die ander(en) is, is niet duidelijk. Het in vereniging plegen van een poging tot diefstal is ook niet tenlastegelegd.
Wat overblijft is dat de verdachte in het pand kan worden geplaatst, dat er een geopend, halfleeg flesje frisdank is gevonden met verdachtes DNA en dat de verdachte verbalisant [slachtoffer] ter plaatse met een mes heeft bedreigd. Van het flesje frisdank kan het hof op basis van het beschikbare dossier niet vaststellen of het afkomstig is uit het pand. Zou dat het geval zijn, dan zou in zoverre van een voltooide diefstal sprake zijn, wat evenmin is tenlastegelegd. De enkele bedreiging van verbalisant [slachtoffer] is naar het oordeel van het hof in dit geval niet zonder meer een uitvoeringshandeling van een poging tot (gekwalificeerde) diefstal.
Nu het hof op grond van het voorgaande uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging heeft bekomen dat de verdachte de primair tenlastegelegde poging tot diefstal heeft gepleegd, spreekt het hof de verdachte daarvan vrij.
Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde feit
Gelet op het voorgaande en mede gelet op de uit de bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden, komt het hof tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair tenlastegelegde bedreiging van aangeefster met een mes, op de wijze zoals hierna is vermeld.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
subsidiairhij op 6 september 2021 te Terneuzen [slachtoffer] (medewerker van de politie Zeeland-West-Brabant) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer] een mes te tonen en met dat mes op die [slachtoffer] af te lopen en daarbij (dreigend) de woorden toe te voegen: "What do you want".
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Voorwaardelijk verzoek
Ter terechtzitting in hoger beroep hebben zowel de advocaat-generaal als de raadsman een voorwaardelijk verzoek gedaan, namelijk dat indien het hof bij de beraadslaging tot het oordeel komt dat de verdachte dient te worden vrijgesproken dan wel dat hij dient te worden veroordeeld, er nader onderzoek naar het dactyloscopisch spoor van de handpalm wordt gedaan dat is aangetroffen bij een mogelijk inklimraam ( [spoor] ).
Nu het hof de verdachte vrijspreekt van het primair tenlastegelegde en veroordeelt voor het subsidiair tenlastegelegde, wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder de verzoeken zijn gedaan, zodat het hof daarover een beslissing dient te nemen. Het hof acht zich op grond van het verhandelde ter terechtzitting en de bewijsmiddelen zoals deze zullen worden opgenomen in een op te maken aanvulling op dit arrest voldoende voorgelicht. Zelfs al zou nader onderzoek naar de handpalmafdruk opleveren dat het (niet) tot de verdachte zou zijn te herleiden, dan zou het hof op basis van de gebezigde bewijsmiddelen tot eenzelfde bewijsbeslissing komen. Aldus oordeelt het hof dat het verzochte onderzoek niet noodzakelijk is. Het hof wijst de verzoeken dan ook af.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De raadsman heeft verzocht een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Het hof overweegt als volgt.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met een mes van een verbalisant die onderzoek deed naar aanleiding van een inbraakmelding. De verdachte kwam al dreigend met het mes op het slachtoffer af, waarop het slachtoffer de man sommeerde achteruit te gaan. De verdachte gaf hieraan geen gehoor en riep: “What do you want.” Het slachtoffer voelde zich hierdoor dusdanig ernstig bedreigd dat zij genoodzaakt was haar vuurwapen te pakken; zij was ervan overtuigd dat de verdachte het mes tegen haar zou gebruiken om haar om het leven te brengen.
Bedreiging is een ernstig feit dat bij de slachtoffers gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt en zorgt ook voor gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij. Door zijn handelen heeft de verdachte laten zien zich niets aan te trekken van de gevolgen van zijn handelen en heeft hij het gezag van de ambtenaar ondermijnd.
Inleiding
Het hof stelt dus vast dat het de verdachte is geweest die bij de confrontatie met verbalisant [slachtoffer] een mes aan haar heeft getoond, terwijl hij zich op dat moment in het pand aan [adres 2] bevond. De vraag waarvoor het hof zich vervolgens gesteld ziet, is of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair tenlastegelegde poging tot (gekwalificeerde) diefstal. Het hof acht dat feit niet wettig en overtuigend bewezen en overweegt daarover het volgende.
De verbalisanten zijn na een melding van een mogelijke inbraak in het pand ter plaatse geweest en hebben het pand – toen zij zagen dat een deur op een kier stond – betreden en rondgekeken. Zij zagen niemand. Zij zijn later die ochtend teruggekomen en zagen toen bij het pand een fiets staan die er eerder niet stond. Ook zagen zij dat dezelfde deur van het pand opnieuw open stond. In het pand werd verbalisant [slachtoffer] vervolgens geconfronteerd met de verdachte. Naar het oordeel van het hof bevat het dossier aanwijzingen dat mogelijk ook andere personen dan de verdachte ondertussen in het pand zijn geweest. Het hof acht ook niet aannemelijk dat, zoals is tenlastegelegd, door de verdachte (in zijn eentje) audioapparatuur zou zijn klaargezet om te stelen nu het hof op foto’s in het dossier (p. 32-33) vaststelt dat dit grote apparaten betreft die zich niet goed laten vervoeren op de fiets waarmee de verdachte zich zou hebben voortbewogen. Dat die audioapparatuur (en/of andere goederen) in het pand zou(den) zijn verplaatst en klaargezet om weg te nemen, vindt bovendien geen steun in een aangifte, want die is niet gedaan. Verder geldt dat zelfs al zou het inklimmingsspoor na nader onderzoek tot de verdachte zijn te herleiden, dat enkele feit de mogelijke betrokkenheid van een of meer andere daders nog niet uitsluit. Wat dan de verhouding van de verdachte tot die ander(en) is, is niet duidelijk. Het in vereniging plegen van een poging tot diefstal is ook niet tenlastegelegd.
Wat overblijft is dat de verdachte in het pand kan worden geplaatst, dat er een geopend, halfleeg flesje frisdank is gevonden met verdachtes DNA en dat de verdachte verbalisant [slachtoffer] ter plaatse met een mes heeft bedreigd. Van het flesje frisdank kan het hof op basis van het beschikbare dossier niet vaststellen of het afkomstig is uit het pand. Zou dat het geval zijn, dan zou in zoverre van een voltooide diefstal sprake zijn, wat evenmin is tenlastegelegd. De enkele bedreiging van verbalisant [slachtoffer] is naar het oordeel van het hof in dit geval niet zonder meer een uitvoeringshandeling van een poging tot (gekwalificeerde) diefstal.
Nu het hof op grond van het voorgaande uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging heeft bekomen dat de verdachte de primair tenlastegelegde poging tot diefstal heeft gepleegd, spreekt het hof de verdachte daarvan vrij.
Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde feit
Gelet op het voorgaande en mede gelet op de uit de bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden, komt het hof tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair tenlastegelegde bedreiging van aangeefster met een mes, op de wijze zoals hierna is vermeld.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
subsidiairhij op 6 september 2021 te Terneuzen [slachtoffer] (medewerker van de politie Zeeland-West-Brabant) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer] een mes te tonen en met dat mes op die [slachtoffer] af te lopen en daarbij (dreigend) de woorden toe te voegen: "What do you want".
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Voorwaardelijk verzoek
Ter terechtzitting in hoger beroep hebben zowel de advocaat-generaal als de raadsman een voorwaardelijk verzoek gedaan, namelijk dat indien het hof bij de beraadslaging tot het oordeel komt dat de verdachte dient te worden vrijgesproken dan wel dat hij dient te worden veroordeeld, er nader onderzoek naar het dactyloscopisch spoor van de handpalm wordt gedaan dat is aangetroffen bij een mogelijk inklimraam ( [spoor] ).
Nu het hof de verdachte vrijspreekt van het primair tenlastegelegde en veroordeelt voor het subsidiair tenlastegelegde, wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder de verzoeken zijn gedaan, zodat het hof daarover een beslissing dient te nemen. Het hof acht zich op grond van het verhandelde ter terechtzitting en de bewijsmiddelen zoals deze zullen worden opgenomen in een op te maken aanvulling op dit arrest voldoende voorgelicht. Zelfs al zou nader onderzoek naar de handpalmafdruk opleveren dat het (niet) tot de verdachte zou zijn te herleiden, dan zou het hof op basis van de gebezigde bewijsmiddelen tot eenzelfde bewijsbeslissing komen. Aldus oordeelt het hof dat het verzochte onderzoek niet noodzakelijk is. Het hof wijst de verzoeken dan ook af.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De raadsman heeft verzocht een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Het hof overweegt als volgt.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met een mes van een verbalisant die onderzoek deed naar aanleiding van een inbraakmelding. De verdachte kwam al dreigend met het mes op het slachtoffer af, waarop het slachtoffer de man sommeerde achteruit te gaan. De verdachte gaf hieraan geen gehoor en riep: “What do you want.” Het slachtoffer voelde zich hierdoor dusdanig ernstig bedreigd dat zij genoodzaakt was haar vuurwapen te pakken; zij was ervan overtuigd dat de verdachte het mes tegen haar zou gebruiken om haar om het leven te brengen.
Bedreiging is een ernstig feit dat bij de slachtoffers gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt en zorgt ook voor gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij. Door zijn handelen heeft de verdachte laten zien zich niets aan te trekken van de gevolgen van zijn handelen en heeft hij het gezag van de ambtenaar ondermijnd.
Inleiding
Het hof stelt dus vast dat het de verdachte is geweest die bij de confrontatie met verbalisant [slachtoffer] een mes aan haar heeft getoond, terwijl hij zich op dat moment in het pand aan [adres 2] bevond. De vraag waarvoor het hof zich vervolgens gesteld ziet, is of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair tenlastegelegde poging tot (gekwalificeerde) diefstal. Het hof acht dat feit niet wettig en overtuigend bewezen en overweegt daarover het volgende.
De verbalisanten zijn na een melding van een mogelijke inbraak in het pand ter plaatse geweest en hebben het pand – toen zij zagen dat een deur op een kier stond – betreden en rondgekeken. Zij zagen niemand. Zij zijn later die ochtend teruggekomen en zagen toen bij het pand een fiets staan die er eerder niet stond. Ook zagen zij dat dezelfde deur van het pand opnieuw open stond. In het pand werd verbalisant [slachtoffer] vervolgens geconfronteerd met de verdachte. Naar het oordeel van het hof bevat het dossier aanwijzingen dat mogelijk ook andere personen dan de verdachte ondertussen in het pand zijn geweest. Het hof acht ook niet aannemelijk dat, zoals is tenlastegelegd, door de verdachte (in zijn eentje) audioapparatuur zou zijn klaargezet om te stelen nu het hof op foto’s in het dossier (p. 32-33) vaststelt dat dit grote apparaten betreft die zich niet goed laten vervoeren op de fiets waarmee de verdachte zich zou hebben voortbewogen. Dat die audioapparatuur (en/of andere goederen) in het pand zou(den) zijn verplaatst en klaargezet om weg te nemen, vindt bovendien geen steun in een aangifte, want die is niet gedaan. Verder geldt dat zelfs al zou het inklimmingsspoor na nader onderzoek tot de verdachte zijn te herleiden, dat enkele feit de mogelijke betrokkenheid van een of meer andere daders nog niet uitsluit. Wat dan de verhouding van de verdachte tot die ander(en) is, is niet duidelijk. Het in vereniging plegen van een poging tot diefstal is ook niet tenlastegelegd.
Wat overblijft is dat de verdachte in het pand kan worden geplaatst, dat er een geopend, halfleeg flesje frisdank is gevonden met verdachtes DNA en dat de verdachte verbalisant [slachtoffer] ter plaatse met een mes heeft bedreigd. Van het flesje frisdank kan het hof op basis van het beschikbare dossier niet vaststellen of het afkomstig is uit het pand. Zou dat het geval zijn, dan zou in zoverre van een voltooide diefstal sprake zijn, wat evenmin is tenlastegelegd. De enkele bedreiging van verbalisant [slachtoffer] is naar het oordeel van het hof in dit geval niet zonder meer een uitvoeringshandeling van een poging tot (gekwalificeerde) diefstal.
Nu het hof op grond van het voorgaande uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging heeft bekomen dat de verdachte de primair tenlastegelegde poging tot diefstal heeft gepleegd, spreekt het hof de verdachte daarvan vrij.
Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde feit
Gelet op het voorgaande en mede gelet op de uit de bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden, komt het hof tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair tenlastegelegde bedreiging van aangeefster met een mes, op de wijze zoals hierna is vermeld.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
subsidiairhij op 6 september 2021 te Terneuzen [slachtoffer] (medewerker van de politie Zeeland-West-Brabant) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer] een mes te tonen en met dat mes op die [slachtoffer] af te lopen en daarbij (dreigend) de woorden toe te voegen: "What do you want".
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Voorwaardelijk verzoek
Ter terechtzitting in hoger beroep hebben zowel de advocaat-generaal als de raadsman een voorwaardelijk verzoek gedaan, namelijk dat indien het hof bij de beraadslaging tot het oordeel komt dat de verdachte dient te worden vrijgesproken dan wel dat hij dient te worden veroordeeld, er nader onderzoek naar het dactyloscopisch spoor van de handpalm wordt gedaan dat is aangetroffen bij een mogelijk inklimraam ( [spoor] ).
Nu het hof de verdachte vrijspreekt van het primair tenlastegelegde en veroordeelt voor het subsidiair tenlastegelegde, wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder de verzoeken zijn gedaan, zodat het hof daarover een beslissing dient te nemen. Het hof acht zich op grond van het verhandelde ter terechtzitting en de bewijsmiddelen zoals deze zullen worden opgenomen in een op te maken aanvulling op dit arrest voldoende voorgelicht. Zelfs al zou nader onderzoek naar de handpalmafdruk opleveren dat het (niet) tot de verdachte zou zijn te herleiden, dan zou het hof op basis van de gebezigde bewijsmiddelen tot eenzelfde bewijsbeslissing komen. Aldus oordeelt het hof dat het verzochte onderzoek niet noodzakelijk is. Het hof wijst de verzoeken dan ook af.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De raadsman heeft verzocht een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Het hof overweegt als volgt.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met een mes van een verbalisant die onderzoek deed naar aanleiding van een inbraakmelding. De verdachte kwam al dreigend met het mes op het slachtoffer af, waarop het slachtoffer de man sommeerde achteruit te gaan. De verdachte gaf hieraan geen gehoor en riep: “What do you want.” Het slachtoffer voelde zich hierdoor dusdanig ernstig bedreigd dat zij genoodzaakt was haar vuurwapen te pakken; zij was ervan overtuigd dat de verdachte het mes tegen haar zou gebruiken om haar om het leven te brengen.
Bedreiging is een ernstig feit dat bij de slachtoffers gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt en zorgt ook voor gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij. Door zijn handelen heeft de verdachte laten zien zich niets aan te trekken van de gevolgen van zijn handelen en heeft hij het gezag van de ambtenaar ondermijnd.