Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-07-22
ECLI:NL:GHSHE:2025:2061
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.335.732/01 arrest van 22 juli 2025 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , België, appellant in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als [appellant] , advocaat: mr. C.A. Gobbens te Rotterdam, tegen 1 [XX] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] , 2. [YY] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerden in principaal hoger beroep, appellanten in incidenteel hoger beroep, hierna gezamenlijk aan te duiden als [geïntimeerden] en afzonderlijk als [XX] en [YY] , advocaat: mr. P.H. van der Vleuten te Utrecht, op het bij exploot van dagvaarding van 5 december 2023 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 6 september 2023 en 1 november 2023, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie, verweerder in reconventie en [geïntimeerden] als gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie. 1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/383910 / HA ZA 22-395) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen. 2 Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep met producties; de memorie van grieven met producties; de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep; de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep; de mondelinge behandeling van 8 april 2025, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd; Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3 De beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep 3.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. 3.1.1 Op 8 juni 2021 is door seller ( [appellant] ) en buyer (Big Horse (i.o.), namens deze [persoon A] en [persoon B] ) een letter of intent on key points getekend. Daarin is in de aanhef van artikel 2.2 bepaald: “ The Purchase Price is also based on the following principles and agreements: Onder 2.2 f) is opgenomen “ The outcome of the lawsuits with “Rexel”, “ [B] ” and “ [C] ” will be for the Risk of The Seller. Financial settlement will be agreed in the Purchase Agreement. ” 3.1.2 Op 20 juli 2021 is tussen partijen, [appellant] en [XX] BV (i.o.) , namens deze [persoon B] en [YY] BV (i.o.), namens deze [persoon A] , een koopovereenkomst gesloten. Bij deze overeenkomst heeft [appellant] de aandelen in het kapitaal van de Energieparaplu B.V. aan [geïntimeerden] verkocht. In deze overeenkomst is onder andere opgenomen artikel 3 “ Purchase price and payment ”. Dat artikel luidt onder 3.3 aanhef en onder e respectievelijk h als volgt: “ 3.3 The Purchase Price is also based on the following principles and agreements: e) All liabilities of the Company (including without limitations loans, current accounts, trade payables and amounts owed to governments or employees) will be settled by the Seller prior to the Transition date. If any liabilities remain on the balance sheet at the Transition date, the Initial Purchase Price will be reduced by the amount of these liabilities. (…) h) The outcome of the lawsuits with “Rexel”, “ [B] ” and “ [C] ” will be for the Risk of The Seller and personally guaranteed by the Seller. As of the Transition Date, all income as well as costs associated to the lawsuits such as, but not limited to process costs will be to the risk and expense of the Seller unless covered by existing insurance policy. As soon as a verdict has been made for any of the three lawsuits, parties will settle the financial elements in the month following the verdict unless agreed differently between parties. ” 3.1.3 Op 4 oktober 2021 hebben partijen een sideletter met nadere afspraken gesloten. In artikel 2 “ Purchase Price & Financial ”, daarin, is onder 2.4 respectievelijk onder 2.5 opgenomen: “(…) A total of €80.106 (consisting of €5.236 of negative creditors, the €55. en 4.4.); - dat geen sprake is van beletten door [geïntimeerden] als bedoeld in artikel 6:23 BW, op welk artikel [appellant] een beroep heeft gedaan voor het geval dat wordt geoordeeld dat sprake is van een voorwaardelijke verbintenis (betreffende artikel 2.4 van de side letter, hof). Dat Zonnis B.V. gelet op productie 14 van [geïntimeerden] een bedrag van € 13.824,56 aan crediteuren heeft ontvangen, en niet is komen vast te staan dat de door [appellant] overgelegde bankafschriften (productie 18 van [appellant] ) posten betreffen die onder het gevorderde bedrag van € 80.106,-- vallen. Dat de vordering van [appellant] tot een bedrag van € 13.824,56 wordt toegewezen, met de gevorderde wettelijke handelsrente (rechtsoverwegingen 4.4. - 4.6.); - dat de vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen voor een bedrag van € 913,25 en dat de gevorderde wettelijke handelsrente over de buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen en de wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding (rechtsoverweging 4.8.); - dat de vordering betreffende de beslagkosten toewijsbaar is (rechtsoverweging 4.9.). De rechtbank heeft [geïntimeerden] hoofdelijk veroordeeld om aan [appellant] te betalen een bedrag van € 13.824,56 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over dat bedrag met ingang van 8 juni 2022 tot de dag van volledige betaling, en [geïntimeerden] hoofdelijk veroordeeld om aan [appellant] te betalen een bedrag van € 913,25 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag met ingang van de dag van de dagvaarding tot de dag van volledige betaling. [geïntimeerden] is hoofdelijk veroordeeld in de beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten. in reconventie: - dat het in reconventie gaat om de uitleg van artikel 3.3 onder h van de koopovereenkomst en dat het de bedoeling van partijen was om de uitkomsten van de procedure voor risico van [appellant] te laten komen (rechtsoverweging 4.13. - 4.14.); - dat [appellant] het bepaalde in artikel 3.3. onder h dient na te komen en [appellant] veroordeeld zal worden tot betaling van een bedrag van € 77.731 aan [geïntimeerden] welk bedrag gelet op artikel 6:15 BW voor gelijke delen over [XX] en [YY] zal worden verdeeld. De vordering tot veroordeling van [appellant] tot betaling van betalingsverplichtingen die nog zullen ontstaan voor Zonnis B.V. uit hoofde van het tegen Zonnis B.V. gewezen vonnis van 3 augustus 2022 inzake Rexel, wordt afgewezen (rechtsoverweging 4.15. - 4.16.) - dat de rechtbank bij de veroordelingen geen rekening zal houden met het verrekening waarop [appellant] zich heeft beroepen. (rechtsoverweging 4.17.). De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld om zo wel aan [XX] als aan [YY] een bedrag te betalen van € 38.865,50. [appellant] is veroordeeld in de proceskosten. In conventie en in reconventie is het meer of anders gevorderde afgewezen. Het hoger beroep 3.4.1 [appellant] heeft in hoger beroep zeven grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, gedeeltelijke vernietiging van het vonnis van 6 september 2023 als hersteld bij het herstelvonnis van 1 november 2023, en opnieuw rechtdoende I tot toewijzen van de vorderingen van [appellant] in conventie en afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerden] in reconventie. II tot hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van de procedure van beide instanties de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.4.2 Bij memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep concludeert [geïntimeerden] tot, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, in conventie: bekrachtiging van het vonnis van 6 september 2022 (bedoeld zal zijn 6 september 2023, omdat de datum 6 september 2022 bij herstelvonnis van 1 november 2023 is gewijzigd in 6 september 2023, hof) als het gaa (en daarmee Zonnis B.V.) werd bijvoorbeeld veel te hoog voorgesteld. (…) Specifiek is nog overleg geweest over de debiteurenportefeuille. [appellant] wilde het eigen vermogen maar iedere keer zo hoog mogelijk ‘oppompen’ om maar te kunnen incasseren, terwijl daar niets tegenover stond. Tot mijn verbazing wilde hij ook, dat openstaande oude debiteuren onder het eigen vermogen zouden geschaard. (…) Uiteindelijk is er een post van € 80.106,- opgenomen in een side-letter overeenkomst. (…)”. 3.6.3 Het hof overweegt dat in de e-mail van 11 april 2022 van [appellant] aan [persoon A] en [persoon B] is opgenomen: “(…) Op 4 oktober zitten er 5 kopstukken gedurende 3 uur aan de tafel. Reden? Conflict over de overnameprijs van Zonnis. Onderdeel (…) de discussie vormt de openstaande debiteuren en crediteurenlijst. Een document wat maar liefst 9 pagina’s telt. Die gehele lijst wordt uit ten treure doorgenomen. Iedereen aan tafel is het eens met de uitkomst. Het uiteindelijke saldo komt neer op € 80.106,-. Dat zijn alle crediteuren en debiteuren met elkaar verrekend. Het totaal wordt conform de SPA opgenomen op de overname balans. De boekhouding is daarmee rond en Zonnis wordt cash en debtfree opgeleverd (Artikel 3.3 e) (…) Er is heel duidelijk opgesteld in de side letter die bij de SPA hoort dat Zonnis verantwoordelijk is voor het ophalen van de (…)enstaande debiteuren (artikel 3, lid 3, 1). De lijst van openstaande debiteuren is op 4 oktober in zijn definitieve vorm opgenomen in de overeenkomsten die wij samen hebben getekend. (…)”. Naar het oordeel van het hof kan op grond van het onder rechtsoverweging 3.6.2 genoemde en voornoemde e-mail van 11 april 2022 worden aangenomen dat partijen het eens zijn dat de post € 80.106,-- in de side letter is opgenomen omdat er een verschil van mening was over de waarde van de onderneming. Gelet daarop dient te worden geoordeeld dat [geïntimeerden] niet heeft hoeven begrijpen dat zij dat bedrag sowieso zou moeten betalen, ook indien zij, althans Zonnis B.V., geen betaling van bedoelde debiteuren zou ontvangen. Het hof volgt gelet op het voorgaande de uitleg van [geïntimeerden] dat als een betaling wordt ontvangen moet die worden doorbetaald, als meest voor de hand liggende uitleg. Het betoog van [appellant] dat die uitleg niet voor de hand ligt omdat voor [geïntimeerden] dan geen belang bestaat bij incasseren wordt gepasseerd. Voor [geïntimeerden] ligt het belang bij incasseren bij de afspraak in de side letter, in artikel 3 onder 3.1, dat “ (…) Zonnis will be responsible for the collection of the “oude debiteuren” (…)” . Grief 1 faalt. 3.6.4 Met grief 2 en de toelichting daarop richt [appellant] zich tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 4.5. van het vonnis van 6 september 2023, dat van een “beletten” in de zin van artikel 6:23 BW geen sprake is. Volgens [appellant] heeft [geïntimeerden] c.q. Zonnis B.V. zich onvoldoende ingespannen om de vorderingen op de debiteuren bedoeld in artikel 2.4 van de Side Letter te incasseren. [geïntimeerden] heeft geen actieve inspanning willen leveren. Bij navraag door [appellant] bij schuldenaren van Zonnis B.V. of zij, na het sluiten van de koopovereenkomst, benaderd zijn in het kader van het incasseren van nog openstaande facturen, was het antwoord steeds ontkennend. [appellant] verwijst voorts naar de overgelegde verklaring van [persoon C] , oud medewerker van Zonnis B.V., die, zo betoogt [appellant] , signaleert dat er te weinig inspanning werd geleverd door Zonnis B.V. Volgens [appellant] was het eenvoudig om met de betreffende debiteuren in contact te komen en had [geïntimeerden] met nauwelijks tot geen inspanningen tot incasso van de openstaande vorderingen kunnen geraken. Bij de totstandkoming van de Side Letter is uitvoerig aandacht besteed aan de debiteurenportefeuille, nota bene door de boekhouders. De inhoud en omvang was dan ook aan alle partijen bekend. In februari 2023 heeft [geïntimeerden] het eigen faillissement van Zonnis B.V. aangevra en de curator ligt nodigt [appellant] hen uit daarover openheid van zaken te geven, omdat [appellant] zonder deze informatie de hoogte van zijn subsidiaire vordering niet kan vast stellen. Volgens [appellant] dient [geïntimeerden] aan te tonen wat de achtergrond is van hetgeen in het faillissementsverslag is opgenomen ter zake van incassowerkzaamheden en ook wat nog wordt verricht en verwacht. Verder ligt het aldus [appellant] voor de hand dat Zonnis B.V. de oninbare facturen heeft gecrediteerd en daarover betaalde btw heeft terug ontvangen. [appellant] betoogt dat dat een bedrag van € 13.930,56 moet zijn, welk bedrag op grond van de Side Letter aan [appellant] toekomt. In hoger beroep dient dit bedrag aanvullend aan [appellant] te worden toegewezen. Het verzoek om op grond van artikel 21 en 22 Rv bij de memorie van antwoord relevante informatie in het geding te brengen ziet ook op informatie voor welk bedrag vorderingen zijn gecrediteerd en voor welk bedrag vervolgens btw retour is ontvangen. 3.6.7 Het hof oordeelt dat [appellant] nakoming van een verbintenis onder opschortende voorwaarde vordert. Daarmee rust op [appellant] de stelplicht en de bewijslast dat de voorwaarde niet langer aan nakoming in de weg staat omdat die in vervulling is gegaan. Hoge Raad 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2228. Van [geïntimeerden] kan, nu de gegevens betreffende het incasseren van oude debiteuren in het domein van [geïntimeerden] liggen, evenwel worden verlangd dat zij voldoende feitelijke gegevens verstrekt ter motivering van haar betwisting van de stellingen van [appellant] teneinde [appellant] aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering te verschaffen. Hoge Raad 20 november 1987, ECLI:NL:HR:1987:AD0058 en Hoge Raad 8 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1058. Naar het oordeel van het hof is evenwel gelet op het faillissement van Zonnis B.V. en de door [appellant] overgelegde faillissementsverslagen niet gebleken dat [geïntimeerden] meer heeft geïncasseerd dan het bedrag van € 13.824,56 tot betaling waarvan [geïntimeerden] door de rechtbank is veroordeeld. In het faillissementsverslag van 26 februari 2024 is opgenomen “(…) De curator begrijpt dat het gros van het bedrag aan debiteuren ziet op zeer oude vorderingen die niet incasseerbaar zijn. (…)”. Dat uit dat verslag, naar [appellant] betoogt, tevens blijkt dat de curator sinds het faillissement (met succes) allerhande incassowerkzaamheden heeft verricht en tevens betalingsregelingen heeft getroffen met verschillende debiteuren, maakt gelet op voorgaande citaat niet dat het hier om oude debiteuren gaat, waarvoor artikel 2.4 van de Side Letter “(…) oldest debiteuren (…)”, is bedoeld. In de omstandigheid dat sprake is van een faillissement kan naar het oordeel van het hof van [geïntimeerden] niet worden verwacht dat deze naast of tegenover hetgeen uit de faillissementsverslagen blijkt, feiten verschaft waaruit blijkt dat hetgeen daarin is opgenomen niet juist is teneinde [appellant] aanknopingspunten te verschaffen dat betreffende bedoelde oudste debiteuren meer is geïncasseerd. Daarbij komt dat door [appellant] geen omstandigheden zijn aangevoerd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Weliswaar is ter mondelinge behandeling in hoger beroep van de zijde van [appellant] aangevoerd dat uit een nieuw faillissementsverslag blijkt dat er is geïncasseerd, maar nog daar gelaten dat van de zijde van [geïntimeerden] tegen de overlegging daarvan ter zitting bezwaar is gemaakt, en het hof overlegging daarvan niet heeft toegelaten, constateert het hof dat van de zijde van [appellant] ter zitting tevens is aangevoerd dat hij niet weet of het geïncasseerde betrekking heeft op oude debiteuren. Gelet op het voorgaande oordeelt het hof dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat meer dan voornoemd bedrag van € 13.824,56 is of kan worden geïncasseerd, en is bewijslevering niet aan de orde. Aan het voorgaande doet niet af dat [geïntimeerden] zelf het faillissement van Zonnis B.V. heeft aangevraagd. 3.6.10 Het hof stelt voorop dat in de uitspraak van de Hoge Raad van 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101 is geoordeeld dat: “(…) Ook indien bij de uitleg van een overeenkomst groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen, kunnen de overige omstandigheden van het geval meebrengen dat een andere (dan de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Beslissend blijft immers de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. (…)”. 3.6.11 Zowel [appellant] als [geïntimeerden] beroepen zich op de taalkundige betekenis van de bepaling, zij geven daar evenwel beiden een andere duiding aan. De duiding die [appellant] aan de taalkundige betekenis van 3.3 onder h geeft is dat deze ziet op het kosten aspect terwijl [geïntimeerden] stelt dat de woorden “ the outcome ” zien op de uitkomst van de procedure en niet alleen op de kosten. Verder in de betreffende bepaling wordt dan, aldus [geïntimeerden] , toegelicht dat het niet alleen gaat om wat er ten aanzien van de hoofdzaak wordt beslist, maar ook alle kosten in verband daarmee. Volgens [geïntimeerden] volg dat ook uit artikel 2.2 onder f van de letter of intent. Naar het oordeel van het hof dient de uitleg van [geïntimeerden] te worden gevolgd en heeft [appellant] geen feiten en omstandigheden gesteld die indien bewezen de door hem verdedigde uitleg kunnen dragen. Gelet op de omstandigheid dat artikel 3 van de koopovereenkomst gaat over de Purchase price and payment en in 3.3 van dat artikel in de aanhef is bepaald dat de prijs mede is gebaseerd op de volgende principles and agreements en onder h is opgenomen “ The outcome of the lawsuits with “Rexel”, “ [B] ” and “ [C] ” will be for the Risk of The Seller and personally guaranteed by the Seller. As of the Transition Date, all income as well as costs associated to the lawsuits such as, but not limited to process costs will be to the risk and expense of the Seller unless covered by existing insurance policy. As soon as a verdict has been made for any of the three lawsuits, parties will settle the financial elements in the month following the verdict unless agreed differently between parties” en gelet op de omstandigheid dat in de letter of intent is opgenomen dat “ The outcome of the lawsuits with “Rexel”, “ [B] ” and “ [C] ” will be for the Risk of The Seller. Financial settlement will be agreed in the Purchase Agreement.” is de uitleg die [geïntimeerden] aan de woorden van artikel 3.3 onder h van de koopovereenkomst geeft meer aannemelijk dat de uitleg die [appellant] daaraan geeft. Zonder nadere toelichting van [appellant] valt niet in te zien dat [geïntimeerden] voorgaande bepaling in redelijkheid zo heeft moeten begrijpen dat slechts de kosten, zoals [appellant] betoogt, van voornoemde procedures voor rekening van [appellant] zouden komen. Gelet op het voorgaande is de uitleg die [geïntimeerden] aan de woorden van artikel 3.3 onder h van de koopovereenkomst geeft meer aannemelijk dan de uitleg die [appellant] daaraan geeft. Grief 4 faalt. 3.6.12 Met grief 5 en de toelichting daarop betoogt [appellant] dat de rechtbank in rechtsoverweging 4.15 van het vonnis van 6 september 2023 ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellant] het bepaalde in artikel 3.3 onder h dient na te komen. Volgens [appellant] is een betalingsverplichting van [appellant] afhankelijk van de vraag of Zonnis B.V. schade heeft geleden c.q. enige betaling heeft verricht op basis van de vonnissen in de procedures met Rexel, [B] en [C] . Met artikel 3.3 onder h hebben partijen, aldus [appellant] , beoogd een bepaald risico voor de kopers, [geïntimeerden] , van Zonnis B.V., weg te nemen voor zover het de betaling van de (proces) kosten betreft. Het zou bovendien, zo betoogt [appellant] , in het licht van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn om een be 3.6.15 Met grief 7 betoogt [appellant] dat de rechtbank hem ten onrechte in de proceskosten en de nakosten in reconventie heeft veroordeeld. 3.6.16 Het hof oordeelt dat deze grief, gelet op het falen van de grieven 4, 5 en 6, faalt. 3.6.17 Met grief A in incidenteel hoger beroep betoogt [geïntimeerden] dat zij ten onrechte in de proceskosten waaronder de nakosten in conventie is veroordeeld. Volgens [geïntimeerden] is het niet conform artikel 237 Rv dat een grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten wordt veroordeeld en kan zij bovendien niet worden aangemerkt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij. Van de door [appellant] gevorderde € 80.106,-- is immers slechts € 13.824,56 toegewezen. Daarom dient, zo betoogt [geïntimeerden] [appellant] in de proceskosten te worden veroordeeld. Bij het voorgaande komt, aldus [geïntimeerden] , dat [appellant] voorafgaande aan de dagvaarding ervan op de hoogte was dat [geïntimeerden] slechts € 13.824,56 aan [appellant] verschuldigd was. Aldus hadden de proceskosten op zijn minst moeten worden gecompenseerd. Ter mondelinge behandeling heeft [geïntimeerden] nader aangevoerd dat de dagvaarding op de rolzitting van 20 juli 2022 is aangebracht, terwijl [geïntimeerden] reeds op 5 juli 2022 had erkend dat een betalingsverplichting harerzijds van € 13.824,56 bestond, gelet daarop had [appellant] zijn eis kunnen verminderen. 3.6.18 Het hof oordeelt als volgt. Dat [geïntimeerden] de verschuldigdheid van € 13.824,56, naar zij zelf stelt, al op 5 juli 2022 had erkend, maakt niet dat [appellant] zijn eis had moeten verminderen. De uiteindelijke betalingsverplichting van [geïntimeerden] is bij vonnis waarvan beroep vastgesteld, nadat partijen daarover hebben gestreden. Daarbij is [appellant] weliswaar voor het merendeel van zijn vordering in het ongelijk gesteld, maar is niet gebleken dat [geïntimeerden] gedurende de procedure in eerste aanleg het door haar erkende bedrag aan [appellant] heeft voldaan en is zij veroordeeld tot betaling van dat bedrag. In die zin zijn partijen over en weer in het ongelijk gesteld hetgeen, nu het oordeel betreffende de betalingsverplichting van [geïntimeerden] in hoger beroep in stand is gebleven, betekent dat dat de proceskosten naar het oordeel van het hof in eerste aanleg in conventie gecompenseerd hadden moeten worden en dat het vonnis van 6 september 2023 waarvan beroep in zoverre zal worden vernietigd en dat het hof opnieuw rechtdoende de proceskosten in eerste aanleg in conventie zal compenseren. Grief A in incidenteel hoger beroep slaagt in zoverre en behoeft gelet daarop geen verdere beoordeling. Het voorgaande brengt mee dat [appellant] zal worden veroordeeld tot terugbetaling aan [geïntimeerden] van hetgeen [appellant] aan proceskostenvergoeding, waartoe [geïntimeerden] in eerste aanleg in conventie was veroordeeld, heeft ontvangen. 3.6.19 Met grief B in incidenteel hoger beroep betoogt [geïntimeerden] dat zij haar reconventionele vordering vermeerdert met de wettelijke handelsrente met ingang van 31 augustus 2022. 3.6.20 Het hof stelt vast dat [appellant] geen bezwaar heeft gemaakt tegen de eiswijziging van [geïntimeerden] Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis. 3.6.21 Het hof oordeelt dat de vordering tot veroordeling van [appellant] tot betaling aan [XX] en [YY] ieder van de wettelijke handelsrente over een bedrag van € 38.865,50 zal worden afgewezen. De omstandigheid dat [appellant] de kosten van de procedure in zake Rexel draagt betekent, anders dan [geïntimeerden] betoogt, niet dat sprake is van voldoening van een geldsom uit een handelsovereenkomst. Dat [appellant] die kosten draagt betekent dat de overname van de Energieparaplu B.V. voor [geïntimeerden] tot lagere kosten leidt. Dat het bij de overname van de Energieparaplu B.V. gaat om een overeenkomst in de uitoefening van beroep of bedrijf van